Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2017, 326AMvB

Besluit van 19 augustus 2017, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met wijzigingen op het gebied van het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 juli 2013 nr. WJZ / 13115421;

Gelet op verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303) en gelet op de artikelen 2.10, vierde en vijfde lid, 7.1, 7.2, tweede lid, 7.3, eerste lid, 7.5, vierde lid, 7.6, eerste en tweede lid, en 7.8 van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 september 2013, nr. W15.13.0243/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 juli 2017, nr. WJZ / 17103072;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit houders van dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.4 komt te luiden:

Artikel 5.4 Doden van dieren zonder voorgaande bedwelming

Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.5 tot en met 5.9a en aan de terzake krachtens artikel 5.2 gestelde regels.

B

Artikel 5.5 komt te luiden:

Artikel 5.5 Registratie

Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 5.4, geschiedt slechts in een inrichting die daartoe over een registratie beschikt.

C

Na artikel 5.5 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 5.5a Voorwaarde voor aanvraag registratie

Een aanvraag tot registratie als bedoeld in artikel 5.5 kan slechts worden gedaan door een inrichting die op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) door Onze Minister is erkend.

Artikel 5.5b Eisen voor verlenen registratie

  • 1. Onze Minister besluit tot het verlenen van een registratie indien de inrichting voldoet aan:

    • a. het bepaalde in verordening (EG) nr. 1099/2009, en

    • b. het bepaalde in deze paragraaf.

  • 2. Het besluit tot het verlenen van een registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen op voordracht van:

    • a. de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische ritus;

    • b. de Commissie Islamitisch Slachten van het Contactorgaan Moslims en Overheid voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische ritus;

    • c. een andere organisatie die de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigen, voor zover het betreft het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische onderscheidenlijk islamitische ritus.

Artikel 5.5c Register

Van de verleende registratie, bedoeld in artikel 5.5b, wordt voor de betreffende inrichting aantekening gemaakt in het register waarin de erkenning van de inrichtingen op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) is geregistreerd.

Artikel 5.5d Vervallen registratie

Indien een erkenning op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) als bedoeld in artikel 5.5a wordt ingetrokken, vervalt de registratie, bedoeld in artikel 6.5, van rechtswege.

Artikel 5.5e Schorsing en intrekking van de registratie

De registratie, bedoeld in artikel 5.5, kan worden geschorst dan wel ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 5.5b.

Artikel 5.5f Permanent toezicht

  • 1. Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming geschiedt te allen tijde in aanwezigheid van een op grond van artikel 8.1 van de wet aangewezen ambtenaar.

  • 2. Onze Minister kan besluiten tot afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de permanente aanwezigheid van een ambtenaar bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, indien in het betrokken slachthuis voldoende is gewaarborgd dat het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt nageleefd. Van voldoende waarborgen kan sprake zijn in geval het slachthuis deelneemt aan een kwaliteitssysteem waarmee naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt geborgd.

  • 3. Indien naar het oordeel van Onze Minister naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet gewaarborgd is, kan Onze Minister het besluit, bedoeld in het tweede lid, intrekken.

D

Artikel 5.6 komt te luiden:

Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt slechts door personen die door een organisatie als bedoeld in artikel 5.5b, tweede lid zijn voorgedragen om het slachtproces overeenkomstig de betrokken religieuze ritus uit te voeren, en die van die voordracht een bewijs overleggen aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 5.5f, eerste lid.

E

Artikel 5.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «of andere personen».

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 4. Onverminderd het eerste en tweede lid, hebben de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking op de godsdienstige gebruiken volgens de israëlitische en islamitische ritus bij het proces van het doden zonder voorafgaande bedwelming.

F

Artikel 5.8 wordt vervangen door:

Artikel 5.8 Geschiktheid dier

De persoon die belast is met het doden zonder voorafgaande bedwelming van een dier, beoordeelt voor elk dier of dit dier qua type, omvang, gewicht en mentale toestand geschikt is om zonder voorafgaande bedwelming te worden gedood en gaat niet over tot het doden van dat dier zonder voorafgaande bedwelming in geval dat dier daartoe ongeschikt is bevonden.

Artikel 5.8a Fixatievoorzieningen

De fixatievoorzieningen en de fixatie-uitrusting voldoen in elk geval aan de volgende eisen:

  • a. verkeren in een goede staat;

  • b. bevatten geen scherpe uitsteeksels;

  • c. bestaan uit soepel bewegende delen, zonder dat schokkende bewegingen agitatie bij het dier kunnen veroorzaken;

  • d. veroorzaken geen geluiden die stress veroorzaken bij het dier;

  • e. zijn geschikt voor de omvang van het te slachten dier en het diersoort;

  • f. houden het dier voor en tijdens de fixatie in een comfortabele positie, waarbij de fixatie-uitrusting of voorzieningen voldoende druk uitoefenen om het dier gefixeerd te houden, zonder daarbij onnodige stress te veroorzaken, en

  • g. beschikken over een vloer die antislip is, waardoor dieren op geen enkele wijze net voor en tijdens de fixatie kunnen uitglijden.

Artikel 5.8b Voorwaarden fixatie

  • 1. Het te doden dier gaat het fixatieapparaat niet eerder binnen dan nadat de slachter gereed staat met het mes om het dier te doden.

  • 2. De fixatie van het te slachten dier wordt niet eerder opgeheven dan nadat overeenkomstig het gestelde in artikel 5.9a, eerste of tweede lid, zeker is gesteld dat het dier het bewustzijn heeft verloren.

G

Artikel 5.9 wordt vervangen door:

Artikel 5.9 Halssnede

  • 1. Het toebrengen van de halssnede geschiedt met een mes dat te allen tijde zeer scherp en gaaf is.

  • 2. Het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, wordt na iedere snede gereinigd.

  • 3. De lengte van het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, is minimaal anderhalf tot twee keer de breedte van de hals.

  • 4. De halssnede wordt met een ononderbroken, vloeiende beweging uitgevoerd, met als doel het dier zo snel mogelijk te verbloeden.

  • 5. Ingeval een dier een te dikke vacht heeft waardoor de halssnede minder gemakkelijk kan worden uitgevoerd, wordt de hals van het dier ter plaatse van de halssnede geschoren dan wel op een andere wijze geschikt gemaakt voor het uitvoeren van de halssnede.

  • 6. In afwijking van het derde lid, mag de halssnede worden toegebracht met een kleiner mes, mits voorkomen wordt dat de punt van het mes in de wondrand prikt.

Artikel 5.9a Periode bewustzijn

  • 1. Binnen een periode van 40 seconden vanaf het moment van het aanbrengen van de halssnede wordt het dier bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1099/2009.

  • 2. Een bedwelming als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 40 seconden door de slachter ten minste één van de volgende bewustzijnsindicatoren als negatief wordt beoordeeld:

    • a. de geïnduceerde ooglidreflex, of

    • b. de corneareflex.

H

Artikel 6.4 komt te luiden:

Artikel 6.4

  • 1. Aan inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan op grond van artikel 5.5 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.

  • 2. Aan inrichtingen waarop artikel 6.4, eerste lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding dit artikel, van toepassing is, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.

ARTIKEL II

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 19 augustus 2017

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

Uitgegeven de vijfde september 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen deel

1. Inleiding

Dit besluit strekt ter uitvoering van de afspraken die zijn overeengekomen in het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten (Stcrt. 2012, 13162), (hierna: convenant), zoals gewijzigd en aangevuld met het addendum van 5 juli 2017.

Genoemd convenant is op 5 juni 2012 ondertekend door de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de Vereniging van Slachterijen en Vleesverwerkende bedrijven (VSV), het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK). Het convenant bevat afspraken die door de convenantspartijen zijn gemaakt met het oog op de verbetering van het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Hierna zal dieper worden ingegaan op de gemaakte afspraken die met dit besluit worden verankerd. Eerst volgen enkele algemene noties.

Het convenant is geschreven met in het achterhoofd Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303) (hierna: verordening). Deze verordening is sinds 1 januari 2013 van kracht en is mede van toepassing op het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Met dien verstande dat artikel 4, vierde lid, van de verordening bepaalt dat de verplichting tot het bedwelmen van dieren voorafgaand aan het doden niet van toepassing is op het slachten volgens religieuze riten, hetgeen uitsluitend toegestaan is in een slachthuis. Artikel 26, tweede lid, van de verordening creëert de mogelijkheid voor de lidstaten om nationale voorschriften vast te stellen die zien op een meer uitgebreide bescherming dan de verordening. Een van de onderwerpen waarvoor deze mogelijkheid geldt, is het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Het vierde lid van artikel 26 van de verordening bepaalt te dien aanzien wel dat dergelijke voorschriften nooit mogen inhouden dat producten van dierlijke oorsprong afkomstig uit andere lidstaten niet in de betreffende lidstaat op de markt mogen worden gebracht wanneer zij niet voldoen aan de uitgebreidere nationale voorschriften van de ontvangende lidstaat. De afspraken in het convenant die via onderhavig besluit in voor een ieder verbindende voorschriften worden neergelegd, blijven binnen deze bandbreedte van artikel 26 van de verordening.

De regels voor het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten vinden hun grondslag in artikel 2.10 van de Wet dieren (hierna: de wet) en zijn opgenomen in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van het Besluit houders van dieren (hierna: besluit).

Notificatie

Een ontwerp van dit besluit is genotificeerd op basis van richtlijn nr. 98/34/EG1. De voorschriften uit dit besluit, die notificatie behoeven in het kader van deze richtlijn, zien op de fixatievoorziening en het te gebruiken mes bij het toebrengen van de halssnede (artikel 5.8a en artikel 6.9, tweede en derde lid). Het stellen van deze eisen vindt zijn rechtvaardiging in de bescherming van het dierenwelzijn. Ten aanzien van deze eisen heeft de Europese Commissie geen opmerkingen geplaatst. Wel heeft de Europese Commissie in het kader van artikel 8, tweede lid, van richtlijn nr. 98/34/EG opmerkingen ingediend ten aanzien van de bewustzijnsindicatoren die worden vastgesteld. In dat kader is naar voren gebracht dat de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) een onafhankelijke Scientific opinion heeft opgesteld aangaande de monitoringsprocedures als bedoeld in artikel 16 van de verordening, met inbegrip van de specificatie van indicatoren voor het slachten zonder bedwelming in een zogenaamde «toolbox». Hoewel opinies van de EFSA geen verbindende handelingen zijn, merkt de Europese Commissie op dat daar wel rekening mee kan worden gehouden, en dat zij overweegt richtsnoeren op te stellen op basis van deze Scientific opinion. In dit kader wordt er op gewezen dat, zoals de Commissie ook heeft opgemerkt, de indicatoren die aanvankelijk in het convenant van 2012 waren afgesproken niet overeen kwamen met de indicatoren die in de toolbox uit de Scientific opinion aanbevolen werden. De indicatoren die middels het addendum van 5 juli 2017 zijn overeengekomen sluit wel aan bij die toolbox 2.

Tevens zal notificatie plaatsvinden in het kader van richtlijn nr. 2006/123/EG3 (hierna: Dienstenrichtlijn). Het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens religieuze riten is te kwalificeren als een dienst in het licht van de Dienstenrichtlijn. De registratie van slachthuizen die onbedwelmd willen slachten is te kwalificeren als een vergunningstelsel als bedoeld in de artikelen 9 en 16 van richtlijn nr. 2006/123/EG. Een dergelijk stelsel mag slechts in het leven worden geroepen als dit geen discriminerende werking heeft, het noodzakelijk is vanwege een dwingende reden van algemeen belang en er geen minder vergaande maatregel mogelijk is die hetzelfde doel kan bereiken. De registratie voldoet aan deze criteria. De eisen aan de registratie gelden onverkort voor alle slachthuizen die onbedwelmd willen slachten. Daarnaast is de registratie een geschikt middel om verdere verbetering van het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten, te bereiken. Zo wordt een aanvraag om registratie slechts ingewilligd in geval aan de in de verordening en het besluit gestelde eisen voor het doden van dieren wordt voldaan, en kunnen aan de registratie op grond van artikel 7.5 van de wet voorschriften worden verbonden, waar dit ten behoeve van het dierenwelzijn noodzakelijk wordt gevonden. Mocht een slachthuis niet aan de regels voldoen dan kan een registratie worden geschorst of ingetrokken.

Lex silencio postivo

Tot slot wordt opgemerkt dat toepassing van de lex silencio positivo in dit geval niet aan de orde is. Op grond van artikel 7.3, derde lid, van de wet, kan de lex silencio positivo buiten toepassing blijven wanneer belangen van bijvoorbeeld dierenwelzijn hiertoe nopen. In dit kader wordt van belang geacht dat bij zowel registratie van een slachthuis als de mogelijkheid om af te wijken van het uitgangspunt van permanent toezicht het ontbreken van een zorgvuldige beoordeling het behartigen van het belang van dierenwelzijn in de weg kan staan. In beide situaties is het immers van belang dat zorgvuldig en actief wordt bezien of een slachthuis zich houdt aan de regels voor onverdoofd slachten voordat registratie of een afwijking van permanent toezicht plaats heeft. Alleen op die manier is het dierenwelzijn gewaarborgd.

2. Het convenant

2.1 De aanleiding

De mogelijkheid tot het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten wordt in Nederland gezien als een uiting van het geloof en raakt daarmee aan de vrijheid van godsdienst zoals neergelegd in artikel 6 van de Grondwet. In principe is het mogelijk om een grondrecht te beperken, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo moet een beperking gebaseerd zijn op een wet in formele zin, moet de beperking specifiek zijn toegesneden op de inperking van het grondrecht, moet de beperking proportioneel zijn en mag de uitoefening van het grondrecht niet illusoir worden gemaakt. Zie hiervoor ook hetgeen is gemeld aan de leden van de Eerste Kamer op vragen aan de regering ter voorbereiding op de plenaire behandeling van het genoemde initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Thieme4.

Tijdens de plenaire behandeling in de Eerste Kamer op 13 december 2011 van genoemd initiatiefwetsvoorstel van het lid Thieme is aan de toenmalige Staatssecretaris gevraagd of er minder vergaande alternatieven ten opzichte van dit wetsvoorstel te bedenken zijn waarmee evenzo een verbetering in dierenwelzijn kan worden bereikt. De toenmalige Staatssecretaris heeft tijdens dat debat aangegeven deze mogelijkheden te zien en heeft daarbij de mogelijkheid tot het sluiten van een convenant met betrokken convenantspartijen naar voren gebracht5. Bij brief van 20 december 20116 heeft de toenmalige Staatssecretaris mogelijke onderwerpen waarop een convenant betrekking zou kunnen hebben uiteengezet. Na onderhandelingen is door de eerder genoemde convenantspartijen op 5 juni 2012 het convenant gesloten. Daarna hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden over aanvulling en aanscherping van de in het convenant opgenomen afspraken. Dit naar aanleiding van adviezen van de Wetenschappelijke Adviescommissie (hierna: WAC) over onder andere bewustzijnsindicatoren en mogelijke technische verfijningen in de uitvoeringspraktijk. Deze aanvullende gesprekken hebben geleid tot het addendum van 5 juli 2017. Daar waar in de hiernavolgende toelichting gesproken wordt over het convenant, wordt mede gedoeld op het addendum.

Onderdeel van de afspraken is het uitgangspunt dat borging in regelgeving van de te maken afspraken van groot belang is met het oog op een generieke doorwerking van de afspraken naar alle slachthuizen en een adequate handhaving daarvan. Met de onderhavige wijziging van het besluit wordt deze borging onder de wet gerealiseerd. In de tabel aan het slot van de artikelsgewijze toelichting is per artikel van de wijziging van het besluit aangegeven welke afspraak uit het convenant daarmee wordt verankerd.

2.2. Inhoud van het convenant

Uitgangspunt van het convenant is om verbeteringen te realiseren in het welzijn van dieren waarbij tegelijkertijd het grondwettelijke en internationaalrechtelijke vastgelegde recht op godsdienstvrijheid in acht wordt genomen. De in het convenant overeengekomen afspraken brengen tot uitdrukking dat de gewenste uitgebreidere bescherming, dan die van de verordening, van dieren bij het doden acceptabel zijn voor de betrokken religieuze organisaties en geen beperking opleveren van het recht op godsdienstvrijheid. Zowel het convenant7 als het addendum worden in de Staatscourant gepubliceerd.

Hieronder worden de onderwerpen besproken ten aanzien waarvan in het convenant afspraken zijn gemaakt ter verbetering van het welzijn van de dieren die onbedwelmd worden geslacht volgens religieuze riten, en die in dit besluit worden verankerd.

Bewusteloosheid

Elk dier dat onbedwelmd wordt geslacht volgens religieuze riten moet binnen 40 seconden na het aanbrengen van de halssnede worden bedwelmd. Het toepassen van een bedwelming verzekert dat het betrokken dier in elk geval na 40 seconden ook daadwerkelijk het bewustzijn heeft verloren. Met de convenantspartners is besproken op welke wijze anderszins verzekerd kan zijn dat het dier het bewustzijn heeft verloren, zodat het bedwelmen toch achterwege kan blijven. Daartoe kan de slachter gebruik maken van twee bewustzijnsindicatoren, de cornea – en geïnduceerde ooglidfreflex. Ten minste één daarvan moet negatief scoren. Wordt op geen van deze indicatoren negatief gescoord, dan dient het dier uiterlijk na 40 seconden alsnog bedwelmd te worden. Deze indicatoren zijn gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken8, en worden eveneens door de WAC, die is ingesteld in het kader van het convenant, aanbevolen. Alleen in geval een van deze twee indicatoren binnen de periode van 40 seconden negatief wordt beoordeeld, kan het geven van een bedwelming achterwege blijven. Voor een nadere toelichting op de keuze voor deze indicatoren, wordt verwezen naar de brief aan het parlement van 9 juni 20179.

Het gevolg van deze afspraak is dat geen enkel dier langer dan 40 seconden bij bewustzijn is na het aanbrengen van de halssnede. Ten opzichte van de huidige praktijk levert dit een forse welzijnsverbetering op. In de regelgeving tot nu toe was nog niet een zo duidelijke begrenzing in tijd opgenomen in combinatie met een verplichte bedwelming na het verstrijken van die periode. De termijn van 40 seconden houdt verband met de omstandigheid dat op basis van de aanvankelijk in het convenant afgesproken criteria, na 40 seconden het merendeel van de dieren negatief scoort op de aanvankelijk in het convenant opgenomen criteria. Met die criteria is een indicatie verkregen dat bij deze dieren het proces van bewustzijnsverlies is ingetreden, maar nog geen afdoende bewijs dat deze dieren permanent en onomkeerbaar het bewustzijn hebben verloren. Met de nu vastgestelde criteria – de cornea- en geïnduceerde ooglidreflex – is dat afdoende bewijs er wel.

Halssnede

De halssnede moet worden uitgevoerd door middel van een ononderbroken, vloeiende beweging, waarbij het doel van deze beweging is om het dier zo snel mogelijk te laten verbloeden. Op deze manier wordt een zo optimaal mogelijke wijze van aansnijden bewerkstelligd, waarbij het niet toegestaan is herhaaldelijk een halssnede bij het dier aan te brengen. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder de halssnede wordt aangebracht is van belang dat, in geval dieren ter plaatse van de halssnede een zodanig dikke vacht hebben dat dit het aanbrengen van de halssnede bemoeilijkt, de hals van het dier geschikt wordt gemaakt voor het uitvoeren van de halssnede. Daartoe kan de hals van het dier worden geschoren of de wol op de plaats van de halssnede eerst worden gescheiden.

Mes

Het mes waarmee de halssnede wordt aangebracht moet altijd zeer scherp en gaaf zijn. Verder is overeengekomen wat de minimale lengte is voor het mes in relatie tot de snijoppervlakte. Deze voorwaarden aan het mes voorkomen vermijdbaar lijden bij het dier, onder andere doordat de keuze van het te gebruiken mes moet worden afgestemd op de omvang van het dier en de diersoort.

Geschiktheid dier

Het is ter beoordeling van de slachter of een voor het onbedwelmd slachten aangeboden dier in het concrete geval daadwerkelijk geschikt is om op die wijze te worden geslacht. Factoren die hierbij een rol spelen zijn het type dier, de omvang en het gewicht en ook de mentale toestand van het dier. Als een dier bijvoorbeeld niet op een goede manier te fixeren is, dan zal dit dier niet voor onbedwelmde slacht in aanmerking komen. Ook kan een dier te zeer gestresst zijn, waardoor het niet mogelijk is om een dier onbedwelmd te slachten zonder dat dit met vermijdbaar lijden gepaard gaat.

Fixatie

Ter invulling van de voorschriften uit de verordening zijn in het convenant nog nadere afspraken overeengekomen. Zo zijn voorschriften aan de fixatieapparatuur opgenomen en wordt expliciet bepaald dat de fixatie niet mag worden opgeheven zolang niet vast is gesteld dat het dier buiten bewustzijn is. Ook is geregeld dat dieren pas de fixatiebox in mogen, als degene die het dier zal slachten gereed staat met het mes om het dier te doden. Op deze manier wordt vermijdbare stress bij het dier voorkomen.

Registratie

In navolging op de systematiek op basis van artikel 44 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in combinatie met artikel 9 van de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn gold tot op heden in het besluit slechts een meldplicht voor slachthuizen die zonder voorafgaande bedwelming willen slachten volgens religieuze riten. In het convenant is overeengekomen dat de Staatssecretaris zich inspant om te komen tot regelgeving voor een verplichte registratie voor slachthuizen die onbedwelmd willen slachten volgens religieuze riten. Als gevolg van de gemaakte afspraken in het convenant wordt deze meldplicht thans omgezet in een registratieplicht.

De registratie vindt plaats op voordracht van een organisatie die geacht wordt de betrokken geloofsgemeenschap te vertegenwoordigen. Wat de Joodse gemeenschap betreft is dit in elk geval het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en wat de islamitische gemeenschap betreft is dit in elk geval het Contactorgaan Moslims en Overheid. Naast deze convenantspartijen is voordracht door een andere vertegenwoordigde organisatie mogelijk.

Om geregistreerd te kunnen worden dient het slachthuis te voldoen aan de verordening en aan de eisen uit de paragraaf in het besluit over het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming. Aan de registratie kunnen bovendien voorschriften worden verbonden. De registratie kan worden geschorst of ingetrokken in geval de geldende eisen voor het doden van dieren en de onbedwelmde slacht niet worden nageleefd.

Toezicht en kosten

Ten aanzien van het toezicht op slachthuizen waar zonder voorafgaande bedwelming wordt geslacht volgens religieuze riten is in het convenant de afspraak neergelegd dat permanent toezicht hierbij het uitgangspunt vormt. Het permanente toezicht zal ook een belangrijke rol spelen bij het toezicht op de naleving van de aan (behoud van) de registratie gestelde eisen.

De minister kan besluiten om het toezicht in frequentie naar beneden bij te stellen. Van belang daarbij is in hoeverre anderszins geborgd wordt dat de gestelde eisen worden nageleefd. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan de inrichting van een kwaliteitssysteem. Als evenwel blijkt dat naleving van de in dit besluit gestelde voorschriften niet afdoende wordt geborgd, kan besloten worden de ontheffing van het permanente toezicht weer in te trekken.

Op grond van artikel 9.1 van de wet kan door bij regeling een heffing worden opgelegd voor de behandeling van een aanvraag tot registratie, alsmede tot de instandhouding van een dergelijke toegekende registratie. Hierin zal worden voorzien bij ministeriële regeling.

3. Overige aspecten

3.1 Verhouding met de Grondwet

Zoals in paragraaf 2.1 is vermeld, wordt de mogelijkheid om dieren onbedwelmd ritueel te slachten gezien als een uiting van het geloof. Bij het stellen van regels over dit onderwerp zal derhalve altijd de vrijheid van godsdienst zoals verankerd in het artikel 6 van de Grondwet in ogenschouw moeten worden genomen.

Het recht op vrijheid van godsdienst is evenwel niet absoluut en fungeert niet buiten en boven, maar binnen de rechtsorde, de maatschappelijke context en de historisch gegroeide praktijk. In de memorie van toelichting behorend bij het voornemen tot wijziging van de Grondwet in 1975 is in dit kader opgemerkt dat, hoewel grondrechten tot doel hebben dwingend recht te scheppen, in uitzonderingsgevallen afwijkingen tot ontwikkeling kunnen komen. Daarbij is onder meer gewezen op de mogelijkheid dat de heersende rechtsovertuiging zodanig evolueert dat bepaalde belemmeringen in de uitoefening van een grondrecht algemeen aanvaard worden. Het recht moet dan ook binnen deze maatschappelijke en historisch ontwikkelde kaders worden geïnterpreteerd, welke interpretatie met zich kan brengen dat bepaalde aan de uitoefening van deze rechten gestelde, algemeen maatschappelijk aanvaarde randvoorwaarden, niet als beperking gezien moeten worden10.

In dit kader wordt van belang geacht dat dit besluit een wettelijke verankering vormt van hetgeen in het convenant met vertegenwoordigers van de Joodse en islamitische gemeenschap is afgesproken. Bij de totstandkoming van deze afspraken is rekening gehouden met zowel het recht op de vrijheid van godsdienst als de mogelijke grenzen die gezien de maatschappelijke context aan dit recht, ter behartiging van het belang van dierenwelzijn, kunnen worden gesteld. Daarbij is van belang dat dierenwelzijn evenzeer een te beschermen waarde is, die ook is vastgelegd in artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Voorts is in artikel 1.3 van de wet expliciet de intrinsieke waarde van het dier verankerd. Bovendien kan uit de behandeling van het eerder genoemde initiatiefwetsvoorstel van het lid Thieme als ook uit de parlementaire discussies die de afgelopen jaren over dit onderwerp hebben plaatsgevonden, worden opgemaakt dat het belang van dierenwelzijn in de maatschappelijke context een belangrijke waarde wordt geacht om in ogenschouw te nemen. Aldus is, net als de grondwettelijk verankerde vrijheid van godsdienst, aan het belang van dierenwelzijn een belangrijke plek toegekend binnen onze rechtsorde.

Met het convenant, en daarmee met dit besluit, is dan ook een balans bereikt tussen de twee waarden van dierenwelzijn enerzijds en godsdienstvrijheid anderzijds. Dit blijkt ook uit de considerans van het convenant. Met de betrokken religieuze organisaties is weloverwogen gezocht naar mogelijkheden om dierenwelzijnsverbeteringen bij het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten te kunnen bewerkstelligen, waarbij tegelijkertijd het recht op godsdienstvrijheid wordt geëerbiedigd. Deze gesprekken hebben geleid tot de in het convenant opgenomen afspraken. Zowel de vertegenwoordigers van de Joodse als van de islamitische gemeenschap hebben aangegeven deze afspraken acceptabel te vinden in relatie tot hun geloof. Zo hebben zij laten weten dat ten aanzien van geiten, schapen en het merendeel van de runderen de afspraken niet in de weg zullen staan aan het aanmerken van het vlees als koosjer of halal en dat dit vlees niet als gevolg van deze afspraken om religieuze redenen afgekeurd zal worden. Middels ondertekening van het convenant, hebben zij deze afspraken dan ook onderschreven. De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat de aanscherpingen in het kader van het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten in zoverre geen inperking opleveren van het recht op godsdienstvrijheid.

Daarbij wordt ten aanzien van de verplichte bedwelming na 40 seconden nog het volgende opgemerkt. De Joodse gemeenschap en het overgrote deel van de islamitische gemeenschap heeft laten weten dat zij voor hun doeleinden, de religieuze beoordeling en religieuze acceptatie van het vlees, een toets op de dreigreflex en pijnprikkel accepteren als bewijs voor het intreden van bewustzijnsverlies. Als de beoordeling op deze toetsen door de religieus opgeleide voorsnijder negatief bevonden is, kan – zo hebben deze partijen laten weten – een onomkeerbare bedwelming gegeven worden. Aangezien de toets op de pijnprikkel en de dreigreflex bij vrijwel alle geiten en schapen en het merendeel van de runderen vóór het verstrijken van de 40 seconden negatief zullen zijn, zal de verankerde verplichting om een onbedwelmd aangesneden dier binnen 40 seconden alsnog te bedwelmen niet in de weg staan aan het aanmerken van het vlees als koosjer of halal. Ook niet in geval de toets aan de wettelijk verankerde indicatoren niet negatief worden beoordeeld en derhalve niet van de uitzondering voor het achterwege laten van een bedwelming gebruik kan worden gemaakt.

Een klein deel van de islamitische gemeenschap heeft aangegeven dat het geven van een bedwelming na 40 seconden er toe zal leiden dat het vlees door hen niet als halal zal worden geaccepteerd. Ook niet indien vóór deze bedwelming gegeven wordt de toets op de dreigreflex of pijnprikkel negatief wordt bevonden. Ten aanzien van dit deel van de geloofsgemeenschap staat het besluit evenmin in de weg aan de vrije geloofsbeleving. Het besluit laat immers ruimte een bedwelming geheel achterwege te laten in geval uit de (wettelijk verankerde indicatoren) cornea- of ooglidreflex volgt dat het dier het bewustzijn heeft verloren. Weliswaar zijn dit conservatieve criteria, maar uit onderzoek is gebleken dat ten aanzien van een groot deel van de schapen en geiten en ongeveer 15% van de runderen aan de hand van deze wettelijk verankerde criteria geconcludeerd kan worden dat het dier het bewustzijn heeft verloren binnen het tijdsbestek van 40 seconden na aansnijden. Ten aanzien van dit percentage runderen kan dan ingevolge het besluit er voor gekozen worden een bedwelming achterwege te laten. Dit brengt met zich dat ook voor dit kleine deel van de islamitische gemeenschap de afspraak niet in de weg hoeft te staan aan het verkrijgen van halal vlees.

Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat de onderhavige wijziging van het besluit een wettelijke verankering bevat van hetgeen met de religieuze partijen is afgesproken en is vastgelegd in het convenant, is de conclusie gerechtvaardigd dat deze wijziging geen inperking van de vrijheid van godsdienst met zich brengt.

Handhaving

Met het toezicht op naleving van het bij of krachtens het besluit bepaalde zijn belast de ambtenaren die zijn aangewezen op grond van artikel 8.1 van de wet. Dit zal evenzo gelden voor de aanpassingen uit het onderhavige besluit naar aanleiding van het convenant.

Overtreding van het bij of krachtens artikel 2.10 van de wet is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Daarnaast is het op grond van artikel 8.5 van de wet mogelijk om een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom op te leggen bij geconstateerde (dreiging van) overtredingen. Tot slot is in paragraaf 3 van hoofdstuk 8 van de wet de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete gecreëerd in geval van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 2.10, vierde lid, van de wet.

Regeldruk

Deze wijziging leidt tot een toename van regeldruk voor bedrijven en heeft geen gevolgen voor regeldruk bij burgers. In totaal stijgen de nalevingskosten structureel met € 3.240.000,– en stijgen de administratieve lasten eenmalig met een bedrag dat kleiner is dan € 1.000,–.

In het rapport «Maat Houden» is gemarkeerd dat toezichtskosten in beginsel worden betaald uit de algemene middelen. Ingevolge dit rapport kan van dat uitgangspunt worden afgeweken met toepassing van het profijtbeginsel of het beginsel «de veroorzaker betaalt». Van deze mogelijkheid wordt in dit geval gebruik gemaakt. De kosten voor het voor de onbedwelmde slacht verplichte permanent toezicht komen voor rekening van de betrokken slachthuizen. Het gaat hier om een extra toezichtstaak ten opzichte van regulier toezicht op slachthuizen, die nodig is om te borgen dat de onbedwelmde slacht overeenkomstig de daaraan gestelde dierenwelzijnseisen plaatsvindt en daarmee religieuze slachtpraktijken in afwijking van algemene dierenwelzijnsregels geaccepteerd kunnen blijven worden en voldoende maatschappelijke draagvlak behouden. De verplichting van permanent toezicht is afgebakend tot de groep slachthuizen waar slacht volgens religieuze riten plaatsvindt. Het is van belang dat aangewezen ambtenaren bij deze groep slachthuizen ter plaatste kunnen controleren of, het belang van dierenwelzijn voldoende in acht wordt genomen. Het permanente toezicht en de doorberekening van de daarmee gepaard gaande kosten is, mede gelet op het behoud van maatschappelijk draagvlak, afgesproken met de convenantspartijen, waaronder de VSV, en in het convenant verankerd. De kosten van permanent toezicht worden geraamd op € 2 miljoen.

Mogelijk zal een aantal slachthuizen na inwerkingtreding van dit besluit voor het eerst onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Deze bedrijven zullen een registratie aan moeten vragen. Omdat de markt voor vlees afkomstig van onbedwelmd slachten volgens religieuze riten bestendig is, is de verwachting dat minder dan 10 slachthuizen zich de komende jaren voor het eerst zullen registreren. Met deze eenmalige registratie van naar verwachting maximaal tien slachthuizen is een administratieve last gemoeid van minder dan € 1.000,–.

De aanvullende eisen aangaande de fixatie en de fixatieapparatuur kan er toe leiden dat een aantal bedrijven nieuwe apparatuur zullen aanschaffen. Omdat geen onderbouwde uitspraak mogelijk is over het aantal bedrijven dat tot aanschaf over zal gaan en voorts de omvang van noodzakelijke aanpassingen zeer divers zal zijn, wordt gesteld dat voor 80 bedrijven (ongeveer het aantal aanmeldingen voor onbedwelmde slacht gedurende de afgelopen jaren) een investering van € 500,– nodig zal zijn.

Met dit besluit wordt uitvoering geven aan afspraken in het convenant. Dergelijke, afspraken berusten op vrijwilligheid van de betrokkenen, zodat per definitie, in het licht van het gehele belangencomplex, gekomen is tot een optimale omvang van de regeldruk. Een weging van mogelijk minder belastende alternatieven is in samenspraak met betrokkenen derhalve impliciet uitgevoerd.

II Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A

De opsomming in artikel 5.4 is aangepast aan de wijzigingen in de paragraaf over het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming zoals deze thans zijn aangebracht ter verankering van afspraken uit het convenant.

Artikel I, onderdelen B en C

Middels aanpassing van artikel 5.5 en het invoegen van vijf nieuwe artikelen wordt de meldplicht omgezet in een verplichte registratie voor slachthuizen die onbedwelmd willen slachten volgens religieuze riten. Deze artikelen zijn (mede) gebaseerd op Hoofdstuk 7 van de wet, alwaar de grondslag is gecreëerd voor onder andere het verplichten tot een registratie, erkenning, vergunning en dergelijke.

Voorts wordt met dit onderdeel het permanente toezicht in de slachthuizen op doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, geïntroduceerd.

Artikel 5.5 (nieuw)

Dit artikel voorziet in een registratieplicht. Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming kan slechts plaatsvinden in een slachthuis dat daartoe is geregistreerd.

Artikel 5.5a

Uit dit artikel volgt dat alleen slachthuizen die erkend zijn op grond van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) (hierna: verordening 853/2004) een registratie mogen aanvragen. Ook het doen van een melding was uitsluitend mogelijk door een erkend slachthuis.

Artikel 5.5b

In artikel 5.5b wordt geregeld aan welke eisen een slachthuis moet voldoen om geregistreerd te kunnen worden. Van belang is dat het betrokken slachthuis niet alleen aan de in dit besluit gestelde eisen aan onbedwelmde slacht dient te voldoen, maar ook aan de in de verordening gestelde eisen voor het doden van dieren. Bij de aanvraag zal het betrokken slachthuis moeten aantonen dat al deze voorschriften worden nageleefd, of, in geval de aanvrager nog niet opereert als (regulier) slachthuis, kunnen worden nageleefd.

In het tweede lid is bepaald dat de registratie uitsluitend wordt verleend op voordracht van een vertegenwoordigende religieuze organisatie. Deze voordracht dient ter onderbouwing dat het slachthuis daadwerkelijk ter uitvoering van de betrokken religieuze riten onbedwelmd wenst te slachten. Het achterwege laten van een bedwelming voorafgaande aan het aanbrengen van de halssnede is immers uitsluitend toegestaan ten behoeve van religieuze riten.

De voordracht kan in elk geval plaatsvinden door de bij het convenant betrokken Joodse en islamitische organisatie. Maar niet kan worden uitgesloten dat ook andere organisaties de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap, of een onderdeel daarvan, vertegenwoordigen. Voorkomen moet worden dat een slachthuis, die zich wel vertegenwoordigd voelt door deze andere organisatie, zich niet kan laten registreren omdat hij zich niet vertegenwoordigd voelt door de in de onderdelen a en b genoemde organisaties. Daarom is de mogelijkheid van een voordracht door een andere organisatie die (een deel van) de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigt open gelaten.

Ingevolge artikel 7.5 van de wet kunnen aan de registratie voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 5.5c

Van de verleende registratie wordt aantekening gemaakt in hetzelfde register als waar de erkenning op grond van verordening 853/2004 staat vermeld. Op deze wijze wordt dubbel werk, inclusief daarmee gepaard gaande dubbele lasten voorkomen.

Op basis van artikel 7.2, tweede lid, van de wet kunnen indien nodig rechtstreeks bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het register, zoals bijvoorbeeld de inrichting van het register, de gegevens die in het register worden opgenomen, het doel van het register en de beheerder van het register.

Artikel 5.5d

In artikel 5.5a is geregeld dat een aanvraag tot een registratie alleen mag worden gedaan door een inrichting die erkend is op grond van verordening 853/2004. Het onderhavige artikel regelt dat een verleende registratie van rechtswege vervalt op het moment waarop genoemde erkenning volgens de daarvoor geldende regels wordt ingetrokken. Op deze manier wordt voorkomen dat een registratie tot het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten in stand blijft terwijl een slachthuis de erkenning op grond van genoemde verordening kwijt is.

Artikel 5.5e

In dit artikel wordt geregeld dat een registratie kan worden geschorst of ingetrokken, indien blijkt dat niet langer aan de daarvoor geldende eisen wordt voldaan. De interventieladder van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit zal daarbij gehanteerd worden.

Artikel 5.5f

Dit artikel regelt het permanente toezicht op het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. De toezichthouders zullen worden aangewezen op grond van artikel 8.1 van de wet. Zij zullen, naast de ingevolge de verordening geldende eisen voor het doden van dieren, toezien op de met dit besluit verankerde afspraken in het convenant. Met betrekking tot de uitoefening van het permanent toezicht zal door de toezichthouder een zogenaamde werkinstructie worden opgesteld.

Op basis van het tweede lid kan de frequentie van het toezicht op slachthuizen worden teruggebracht. Dit kan onder andere aan de orde komen als het betreffende slachthuis beschikt over, dan wel is aangesloten bij een kwaliteitssysteem dat voldoende waarborgt dat de geldende verplichtingen voor het (onbedwelmd) doden van dieren worden nageleefd. Aan een besluit tot het terugbrengen van de frequentie van het toezicht kunnen met toepassing van artikel 7.5 van de wet voorschriften en beperkingen worden verbonden. Ook kan de minister dit besluit intrekken. Deze in het derde lid gecreëerde bevoegdheid is gebaseerd op artikel 7.8, eerste lid, van de wet.

Artikel I, onderdeel D

Personen die dieren doden zonder voorafgaande bedwelming volgens religieuze riten dienen daartoe voorgedragen te worden door de betrokken geloofsgemeenschap. Dit wordt van belang geacht, omdat het achterwege laten van een bedwelming ingevolge de verordening uitsluitend is toegestaan in geval van slacht volgens de methoden die zijn vereist voor religieuze riten. In geval een dier onbedwelmd wordt aangesneden door een persoon, die daartoe volgens de betrokken geloofsgemeenschap niet gerechtigd of niet afdoende in staat wordt bevonden, kan dit er toe leiden dat het vlees niet als koosjer of halal wordt geaccepteerd en wordt afgekeurd. Dit zou onnodige toevoeging van dierenleed met zich brengen.

Net als bij de voordracht voor registratie, kan deze voordracht plaatsvinden door de bij het convenant betrokken Joodse en islamitische organisatie, alsook door een andere organisatie die (een deel van) de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigt. De betrokken persoon dient van de voordracht een bewijs aan de toezichthouder over te kunnen leggen.

Benadrukt wordt dat deze bepaling de eisen die de verordening stelt aan het personeel dat betrokken is bij het doden van dieren onverlet laat.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 5.7 van het besluit wordt hiermee aangepast aan de introductie van het permanente toezicht in artikel 5.5f. Voorts is benadrukt dat bij de aanwijzingen het grondwettelijk vastgelegde recht op godsdienstvrijheid in acht moet worden genomen. Dat houdt in dat aanwijzingen van toezichthouders geen betrekking hebben op religieuze riten.

Artikel I, onderdeel F

Dit onderdeel vervangt artikel 5.8 van het besluit door een drietal nieuwe artikelen. De volgorde van de in te voegen artikelen is gebaseerd op de chronologische stappen in het totale slachtproces van het onbedwelmd slachten.

Artikel 5.8 (nieuw)

Dit artikel regelt dat de slachter vooraf moet beoordelen of een bepaald dier in het concrete geval geschikt is om onbedwelmd te worden geslacht volgens religieuze riten. Tot onbedwelmde slacht wordt niet over gegaan als het dier ongeschikt blijkt te zijn. Zie voor een nadere toelichting, paragraaf 2.2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikelen 5.8a en 5.8b

De nieuw ingevoegde artikelen 5.8a en 5.8b bevatten de afspraken uit het convenant over de fixatie-apparatuur en de wijze van fixeren. In artikel 5.8a is bepaald aan welke eisen de apparatuur en uitrusting in elk geval moet voldoen. Daarbij is van belang dat de eisen een nadere concretisering vormen van de eisen die ingevolge de verordening bij het doden van dieren in acht moeten worden genomen. Het gaat dan niet alleen om de eisen aangaande fixatie, zoals opgenomen in de artikelen 9 en 15 van de verordening. Maar ook om bijvoorbeeld de in artikel 3 van de verordening opgenomen algemene voorschriften voor het doden van dieren. Ter invulling van bijvoorbeeld het algemene voorschrift dat dieren beschermd zijn tegen letsel (artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de verordening) kunnen nadere eisen aan de apparatuur, in aanvulling op hetgeen in artikel 5.8 is voorgeschreven, aangewezen zijn.

In artikel 5.8b is bepaald dat de slachter klaar moet staan met het mes, alvorens het te doden dier het fixatieapparaat binnen mag gaan. Dit is een nadere concretisering van hetgeen is bepaald in artikel 9, derde lid, van de verordening.

Voorts is in artikel 5.8b uitdrukkelijk bepaald dat de fixatie van een dier niet mag worden opgeheven dan nadat het dier het bewustzijn heeft verloren. Dit kan ofwel het geval zijn omdat een bedwelming heeft plaatsgevonden, ofwel kan worden vastgesteld met de indicatoren genoemd in artikel 5.9a.

Artikel I, onderdeel G

Artikel 5.9 wordt vervangen door twee artikelen.

Artikel 5.9 (nieuw)

Het nieuwe artikel 5.9 bevat bepalingen over het mes en de wijze van uitvoeren van de halssnede, overeenkomstig de afspraken in het convenant. Ten aanzien van de omvang van het mes wordt opgemerkt dat het uitgangspunt is dat een mes wordt gebruikt waarvan het lemmet minimaal anderhalf tot twee keer de breedte van de hals is. Maar uit de praktijk blijkt dat ook het gebruik van een korter mes mogelijk is, zo lang daarmee voorkomen kan worden dat de punt van het mes in de wondrand prikt. Deze mogelijke afwijking is, in aanvulling op de afspraken in het convenant, toegevoegd. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.2. van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 5.9a

In artikel 5.9a is de afspraak uit het convenant neergelegd over de periode die maximaal mag verstrijken alvorens het dier het bewustzijn moet hebben verloren. Het doel van die afspraak is dat dieren binnen 40 seconden het bewustzijn moeten hebben verloren. Het uitgangspunt is dat de dieren binnen 40 seconden een bedwelming krijgen overeenkomstig de in bijlage I van de verordening opgenomen methoden.

In geval men van dit uitgangspunt wenst af te wijken, dient aan de hand van de in het tweede lid opgenomen indicatoren te worden vastgesteld of het betrokken dier het bewustzijn heeft verloren. Voor het testen van de bewusteloosheid kunnen twee indicatoren worden gebruikt. Ten minste één daarvan moet duidelijk negatief scoren. Geen van deze indicatoren mag echter nog de aanwezigheid van bewustzijn laten zien. Wanneer in de periode van 40 seconden het dier aan de hand van deze indicatoren nog bewustzijnsverschijnselen vertoont, moet sowieso een bedwelming volgen en kan van afwijking van het in het eerste lid geformuleerde uitgangspunt geen sprake zijn.

Artikel I, onderdeel H

Dit artikel regelt het overgangsrecht. Uit het eerste lid volgt dat van rechtswege een melding op grond van artikel 5.5, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, wordt omgezet in een registratie. Dit geldt ook voor inrichtingen aan wie een vrijstelling is verleend onder artikel 44 j° 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van het besluit. Deze laatste categorie inrichtingen hoefde ingevolge het overgangsrecht in artikel 6.4 zoals dat luidde voor inwerkingtreding van onderhavig besluit, geen melding te doen.

Deze van rechtswege omzetting geldt ingevolge het derde lid evenwel niet in geval de inrichting gedurende een jaar zonder voorafgaande bedwelming volgens religieuze ritus heeft geslacht. Het is deze inrichting pas toegestaan om (weer) zonder voorafgaande bedwelming dieren te doden in geval aan die inrichting een registratie is verleend. Dit is niet alleen het geval indien in de inrichting direct na inwerkingtreding van dit besluit een jaar lang geen religieuze slacht heeft plaatsgevonden, maar ook in geval bijvoorbeeld twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit de inrichting de werkzaamheden een jaar stil legt.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor onderdelen van dit besluit verschillend zijn.

Tabel verankering afspraken convenant in Besluit houders van dieren:

Wijziging Besluit houders van dieren

Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten

Artikel I, onderdeel A (artikel 5.4)

– (aanpassing houdt verband met wijziging in verwijzingen)

Artikel I, onderdelen B en C (artikelen 5.5 tot en met 5.5e)

Artikel 2, derde en vijfde lid

Artikel I, onderdeel C (artikel 5.5f)

Artikel 5

Artikel I, onderdeel D (artikel 5.6)

Artikel 2, vijfde lid

Artikel I, onderdeel E (artikel 5.7)

– (verduidelijking in licht van uitgangspunten convenant)

Artikel I, onderdeel F (artikel 5.8)

Artikel 2, eerste lid, onderdeel d

Artikel I, onderdeel F (artikelen 5.8a en 5.8b)

Artikel 2, eerste lid, onderdeel e

Artikel I, onderdeel G (artikel 5.9)

Artikel 2, eerste lid, onderdelen b en c

Artikel I, onderdeel G (artikel 5.9a)

Artikel 2, eerste lid, onderdeel a

Artikel I, onderdeel H (artikel 6.4)

– (overgangsrecht)

Artikel II

– (inwerkingtredingsbepaling wijziging Besluit houders van dieren)

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204))

X Noot
2

EFSA AHAW Panel (EFSA Panel on Animal Health and Welfare), 2013. Scientific Opinion on monitoring procedures at slaughterhouses for bovines. EFSA Journal 2013;11(12):3460, 65 pp. doi:10.2903/j.efsa.2013.3460

X Noot
3

Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376)

X Noot
4

Kamerstukken I 2011/12, 31 571, nr. D, p. 3 en verder

X Noot
5

Handelingen I 2011/12, nr. 12, item 9, p. 86–88

X Noot
6

Kamerstukken I 2011/12, 31 571, nr. I

X Noot
8

EFSA Scientific Opinion on monitoring procedures at slaughterhouses for bovines (EFSA Journal 2013;11(12):3460)

X Noot
9

Kamerstukken II, vergaderjaar 2016/2017, 31 571, 29

X Noot
10

Kamerstukken II, vergaderjaar 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 21

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.