Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2017, 191Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 4 mei 2017, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet op het onderwijstoezicht en het Wetboek van Strafrecht, in verband met het tegengaan van misleidend gebruik van de naam universiteit en hogeschool, het onterecht verlenen en voeren van graden, alsmede het bevorderen van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef door rpho’s (Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs, Stb. 2017, 97)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 april 2017, nr. WJZ/1178846(34412),directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel V van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs (Stb. 2017, 97);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. Met ingang van 1 juni 2017 treden van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs de volgende artikelen en onderdelen van artikelen in werking:

    • a. artikel I, onderdelen J, Ka, M, eerste lid, N, tweede lid, en AE;

    • b. artikel V.

  • 2. Met ingang van 1 september 2017 treden van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs de volgende artikelen en onderdelen van artikelen in werking:

    • a. artikel I voor zover nog niet in werking getreden met uitzondering van onderdelen D, M, tweede lid, en N, eerste lid;

    • b. artikel II, III en IV.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 4 mei 2017

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Uitgegeven de zeventiende mei 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Met dit koninklijk besluit wordt de inwerkingtreding van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs (Stb. 2014, 105) geregeld, met uitzondering van artikel I, onderdelen D, M, tweede lid, en N, eerste lid.

Eerste lid

Op grond van het eerste lid treden enkele onderdelen van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs in werking met ingang van 1 juni 2017. Het eerstvolgende vaste verandermoment voor nieuwe regelgeving op het gebied van het hoger onderwijs is 1 september 20171 maar er zijn dringende redenen waarom enkele onderdelen niet tot die datum kunnen wachten. Dit wordt hierna toegelicht.

Artikel I, onderdelen J (artikelen 1.22 t/m 1.24 inzake bescherming naam universiteit, hogeschool), N, tweede lid (artikel 6.10, tweede lid) en AE (artikelen 15.8 en 15.9)

De inwerkingtreding van deze onderdelen kan niet wachten tot 1 september. Als een organisatie zich ten onrechte universiteit of hogeschool noemt, is de kans groot dat (aspirant-) studenten hierdoor worden misleid en zich er met verkeerde verwachtingen laten inschrijven. Vanwege het grote belang dat (aspirant-) studenten in de fase van inschrijving niet worden misleid door onterecht gebruik van de naam universiteit of hogeschool, is gekozen voor inwerkingtreding met ingang van 1 juni 2017. Niet alleen de nieuwe normen (artikelen 1.22 tot en met 1.24) treden dan in werking maar ook de bepalingen die mogelijk maken dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd bij overtreding ervan (artikelen 15.8 en 15.9) opdat zo nodig meteen handhavend kan worden opgetreden. Ook de wijziging van artikel 6.10, tweede lid, treedt in werking met ingang van 1 juni 2017 opdat duidelijk is dat een niet-bekostigde instelling aan wie de rechten zijn ontnomen, niet langer het recht heeft zich universiteit of hogeschool te noemen.

Op 24 maart 2016 zijn zowel de instellingen die onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vallen als andere organisaties die zich profileren als instelling voor hoger onderwijs per brief geïnformeerd over de komende bescherming van de naam universiteit en hogeschool en de gevolgen daarvan voor hun organisatie. Met deze nieuwe regels hebben zij dus al geruime tijd rekening kunnen houden.

Artikel I, onderdelen Ka (artikel 5a.10a volkomencyclus-eis) en M, eerste lid (artikel 6.9, eerste lid)

Organisaties die rechtspersoon voor hoger onderwijs (niet-bekostigde instelling) willen worden en als zodanig tot ons bestel van hoger onderwijs willen toetreden, dienen sinds jaar en dag aan een aantal eisen te voldoen, waaronder de volkomencyclus-eis. De volkomencyclus-eis houdt in dat van een dergelijke organisatie ten minste één opleiding wordt beoordeeld op grond van de verzwaarde toets nieuwe opleiding. Dit betekent dat de opleiding op kwaliteit wordt beoordeeld nadat het curriculum ten minste eenmaal in zijn geheel is verzorgd en aan de opleiding studenten zijn afgestudeerd. Een reguliere toets nieuwe opleiding (papieren toets) is dan niet voldoende. Verschillende wetswijzigingen hebben echter onbedoeld geleid tot inhoudelijke wijzigingen in de volkomen cycluseis. De daardoor ontstane omissie wordt met deze wetswijziging gerepareerd. De onderhavige wijzigingen moeten spoedig in werking treden vanwege het belang dat (aspirant-) studenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de kwaliteit van opleidingen die door de overheid erkend zijn, op orde is en de tijd en energie die studenten in een opleiding steken goed zijn besteed.

Artikel V (inwerkingtreding op verschillende tijdstippen)

Dat inwerkingtreding op verschillende tijdstippen mogelijk is, moet geregeld zijn vanaf de eerste datum van inwerkingtreding.

Tweede lid

Op grond van het tweede lid treedt het grootste deel van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs in werking met ingang van 1 september 2017. Dit is in overeenstemming met de eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer over de systematiek van «Vaste Verandermomenten».

De artikelen waarvan de datum van inwerkingtreding niet wordt vastgesteld met dit besluit, hebben betrekking op de bepalingen inzake het bevorderen van het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Aan de Eerste Kamer is namelijk toegezegd dat de wijziging van artikel 1.3, vijfde lid, niet in werking zal treden voordat een wettelijke basis zal zijn geregeld van een commissie die desgevraagd zal adviseren over de vraag of een instelling inbreuk heeft gemaakt op de verplichting het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten te bevorderen. Met de Wet invoering associate degree-opleiding zal dit wettelijk worden verankerd.2 Tegelijk met de wijziging van artikel 1.3, vijfde lid, zal te zijner tijd ook de wijziging van artikel 6.9, tweede lid, in werking treden alsmede de wijziging van artikel 6.10, eerste lid. Met de laatstgenoemde wijzigingen wordt de naleving van artikel 1.3, vijfde lid toegevoegd aan het beoordelingskader van deze bepalingen en het is in lijn met hetgeen aan de EK is toegezegd dat ook deze wijzigingen niet eerder in werking treden dan het moment dat de wijziging van artikel 1.3, vijfde lid in werking treedt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Brief van 11 december 2009 aan de Tweede Kamer over de verbreding van de systematiek van Vaste Verandermomenten (Kamerstukken II, 2009/10, nr. 309).

X Noot
2

Kamerstukken II, 2016/17, 34 678, nr. 5.