Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2016, 502AMvB

Besluit van 9 december 2016 betreffende de opleiding van rechters en officieren van justitie (Besluit opleiding rechters en officieren van justitie)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 augustus 2016, nr.785326;

Gelet op de artikelen 5d, tweede lid, 5f, vierde lid en 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en artikel 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 september 2016, nr.W03.16.0225/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Directie wetgeving en Juridische Zaken van 5 december 2016, nr. 2001324;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Betrokkene:

degene die benoembaar is als rechter in opleiding of officier in opleiding;

Opleiding:

de opleiding, bedoeld in artikel 2.

§ 2 De opleiding

Artikel 2

Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechters en officieren van justitie de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die nodig zijn om het ambt van rechter dan wel het ambt van officier van justitie te kunnen uitoefenen. De opleiding omvat een introductiefase en een opleidingsfase.

Artikel 3

De rechter in opleiding en de officier in opleiding volgen de opleiding overeenkomstig hetgeen daaromtrent met hen is afgesproken. Zij houden zich daarbij aan door of namens diens functionele autoriteit gegeven aanwijzingen.

§ 3 Toelating tot en duur van de opleiding

Artikel 4

Onze Minister, indien het een opleiding tot officier van justitie betreft, respectievelijk het gerechtsbestuur, indien het een opleiding tot rechter betreft, laat geen andere kandidaat toe tot de opleiding dan op aanbeveling van een door het College van procureurs-generaal respectievelijk de Raad voor de rechtspraak in te stellen selectiecommissie.

Artikel 5

  • 1. De duur van de opleiding is afhankelijk van de voorervaring en competenties van betrokkene en bedraagt maximaal 4 jaar.

  • 2. De opleidingsfase duurt minimaal één jaar.

Artikel 6

  • 1. Voordat betrokkene kan worden benoemd tot rechter in opleiding of officier in opleiding, wordt door de beoogde functionele autoriteit een prognose vastgesteld van de benodigde duur van de opleiding. Zoveel mogelijk wordt daarbij vermeld wat de locatie is waar de opleiding wordt genoten, en tevens worden zoveel mogelijk de perioden van de verschillende onderdelen van de opleiding vermeld.

  • 2. In uitzonderlijke gevallen kan tijdens de introductiefase de duur van de opleiding door de functionele autoriteit worden bekort of verlengd.

Artikel 7

  • 1. Wanneer de rechter in opleiding of officier in opleiding aan het eind van de opleiding niet geheel aan de eindtermen voldoet of zal kunnen voldoen door objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rechter in opleiding onderscheidenlijk officier in opleiding hebben verstoord, kan de functionele autoriteit de duur van de opleiding verlengen. De verlenging bedraagt niet meer dan een jaar.

  • 2. De opleiding kan eenmalig voor een periode van maximaal drie maanden worden onderbroken voor buitengewoon verlof op verzoek van de betrokkene.

§ 4 Beoordeling en benoeming

Artikel 8

  • 1. De rechter in opleiding onderscheidenlijk officier in opleiding wordt regelmatig beoordeeld. Daarbij wordt de wijze waarop hij de hem opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd beoordeeld tegen de achtergrond van zijn toekomstige functie. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het stadium van de opleiding waarin hij zich bevindt.

  • 2. Ten behoeve van de beoordeling van de rechter in opleiding en officier in opleiding stelt de Raad voor de rechtspraak onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal een beoordelingsreglement vast, waarin het beoordelingssysteem wordt uitgewerkt. Over de beoordelingsreglementen wordt als ware hoofdstuk 8 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van toepassing overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

Artikel 9

Indien Onze Minister, indien het een officier in opleiding betreft, respectievelijk het gerechtsbestuur, indien het een rechter in opleiding betreft, in de loop van de opleiding op grond van een beoordeling, bedoeld in artikel 8, dan wel op andere gronden tot het oordeel komt dat de opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen worden afgesloten of de officier in opleiding respectievelijk de rechter in opleiding niet geschikt is voor de functie waartoe hij wordt opgeleid, beëindigt hij diens opleiding, met inachtneming van de in artikel 2da, derde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren bedoelde verlengingsduur.

Artikel 10

  • 1. De rechter in opleiding of de officier in opleiding die de opleiding met een positieve beoordeling heeft afgesloten, wordt voorgedragen voor benoeming in de functie van rechter onderscheidenlijk officier van justitie.

  • 2. Voordat de in het eerste lid bedoelde rechter in opleiding of officier in opleiding kan worden benoemd tot rechter respectievelijk officier van justitie, heeft deze na het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, minimaal twee jaar relevante juridische ervaring verworven buiten de rechterlijke organisatie, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven.

§ 5 Uitvoering en bekostiging van de opleiding

Artikel 11

Ten behoeve van de opleiding van de rechter in opleiding onderscheidenlijk officier in opleiding stelt de Raad voor de rechtspraak onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal een opleidingsreglement vast waarin de opleiding wordt uitgewerkt.

Artikel 12

Het studiecentrum rechtspleging kan worden belast met de uitvoering van een deel van de opleiding voor rechters in opleiding en officieren in opleiding. Het studiecentrum rechtspleging is een onder de Raad voor de rechtspraak ressorterende dienst als bedoeld in artikel 40 van het Besluit financiering rechtspraak 2005.

Artikel 13

De Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal kunnen gezamenlijk algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het studiecentrum rechtspleging.

§ 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14

  • 1. Het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren wordt ingetrokken.

  • 2. Op rechterlijke ambtenaren in opleiding die op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit als zodanig zijn benoemd, blijven de artikelen van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding rechters en officieren van justitie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 9 december 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Uitgegeven de zestiende december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit regelt de opleiding van rechters en officieren van justitie in verband met de vernieuwing van de opleiding tot rechter en officier van justitie. Dit nieuwe opleidingsstelsel vervangt de huidige opleidingstrajecten voor deze beroepen voor recent afgestudeerde juristen (rechterlijke ambtenaren in opleiding; raio’s), juristen met ruime werkervaring (zij-instromers) en interne doorstromers. De basis hiervoor is gelegd met de invoering van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie (Stb. 2015, 456). Voor een nadere toelichting op de achtergronden van die wet zij verwezen naar de memorie van toelichting bij die wet.1

De vroegere opleidingstrajecten zijn samengevoegd tot één stelsel van initiële opleidingen waarin maatwerk mogelijk is, afhankelijk van de voorervaring en competenties van kandidaten. De functie van raio is met dit nieuwe stelsel komen te vervallen. In samenhang hiermee is het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Bora), waarin de opleiding en een deel van de rechtspositie van de raio was geregeld, ingetrokken.

Aanleiding voor de verbetering en vernieuwing van de opleiding zijn de uitkomsten van eerdere inventarisaties door de Rechtspraak en het openbaar ministerie van verbetermogelijkheden van initiële opleidingen. Hieruit kwam naar voren dat het vak van rechter enerzijds en dat van officier van justitie anderzijds dermate van elkaar verschilt dat een meer gescheiden opleiding kandidaten specifieker kan toerusten voor het vak van rechter respectievelijk officier van justitie. Ook kan een herziene opleiding beter voorzien in de behoefte aan specifieke competenties, kennis en ervaring die binnen de Rechtspraak en het openbaar ministerie nodig zijn om te kunnen voldoen aan de telkens veranderende eisen die de omgeving aan het ambt van rechter respectievelijk officier van justitie stelt.

De opleiding tot rechter en officier van justitie wordt vervangen door één nieuwe opleiding voor rechters en één voor officieren van justitie. Kwaliteit is de drijfveer voor deze verbetering en vernieuwing. De Rechtspraak en het openbaar ministerie willen dat kandidaten aan het eind van hun opleiding optimaal toegerust aan hun functie als rechter of officier van justitie kunnen beginnen. Het stelsel voor initiële opleidingen is essentieel voor een hoogwaardige rechtspleging. Daarom worden de nodige eisen aan de initiële opleidingen gesteld. Zo behoren de opleidingen didactisch goed te zijn vormgegeven om een optimaal rendement te halen uit de personen die worden opgeleid, dienen de opleidingen aantrekkelijk te zijn voor zowel startende als ervaren juridische professionals, en dienen de opleidingen – met het oog op grote onzekerheden over de toekomstige zaakinstroom – snel en flexibel te kunnen omgaan met wisselende behoeften aan instroom van nieuwe rechters en officieren van justitie. De rechter in opleiding en officier in opleiding krijgen in het begin van de opleiding een persoonlijk opleidingsplan voor de opleiding. Dat plan wordt samen met een opleider opgesteld. Er worden duidelijke begin- en eindtermen gesteld, gekoppeld aan het opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod wordt beter afgestemd op de opleidingsbehoefte, waarbij wordt gelet op de vooropleiding en werkervaring van de rechter in opleiding en officier in opleiding, en de behoefte in de praktijk. Om het resultaat van de opleiding te bepalen, wordt voorts gekeken naar de vernieuwde profielen die voor de functies zijn vastgesteld. De opleiding is verder aangepast aan moderne onderwijsmethoden (zoals e-learning). Het uitgangspunt is dat gebruik gemaakt wordt van de gerechten en parketten als opleidingslocaties.

De uitgangspunten van het nieuwe stelsel van initiële opleidingen voor rechters en officieren van justitie zijn:

  • de opleiding is modulair samengesteld om kandidaten die verschillende voorervaring en specifieke competenties hebben op maat te kunnen opleiden;

  • de voordelen van een gezamenlijke opleiding blijven behouden, zoals het in de praktijk bij elkaar ervaring opdoen en voor zover mogelijk gezamenlijke deelname aan diverse cursussen bij het studiecentrum rechtspleging (SSR);

  • behouden blijft ook dat een belangrijk deel van de opleiding plaats vindt binnen de gerechten en parketten waar onder begeleiding van een interne opleider in de praktijk wordt geleerd;

  • Rechtspraak en openbaar ministerie werven en selecteren elk hun eigen kandidaten;

  • de kandidaten maken voorafgaand aan de opleiding al de keuze voor de zittende of staande magistratuur door te solliciteren bij hetzij de Rechtspraak hetzij het openbaar ministerie;

  • de kandidaten dienen te voldoen aan minimaal twee jaar relevante juridische werkervaring buiten de rechterlijke organisatie, opgedaan na het afstuderen als jurist.

  • de bijdrage van de gerechten en de parketten aan de opleiding (werkgeverschap, kwaliteit en beschikbaarheid van voldoende opleiders) wordt versterkt.

In het stelsel van opleidingen komt een aantal waardevolle elementen uit de raio-opleiding terug. Ten eerste de combinatie van een praktijkgerichte, ambachtelijke opleiding bij de gerechten en parketten, in combinatie met een vakinhoudelijke opleiding bij de SSR waarbij de kandidaten, of zij nu in opleiding zijn bij de Rechtspraak of het openbaar ministerie, nog steeds gezamenlijk diverse opleidingsmodules volgen. Ten tweede zijn stages voor alle categorieën instromers mogelijk. De stages bieden de gelegenheid om over en weer ervaring op te doen en worden als doelgerichte opleidingsmodules in de opleiding ingebed.

Om tot rechter of officier te worden opgeleid en de eigen visie op de rol vanaf de eerste dag te ontwikkelen, evenals magistratelijkheid en visie op de impact op de justitiabele en de samenleving, vindt de opleiding plaats onder begeleiding van een praktijkopleider. In die waardevol gebleken vorm van praktijkopleiding zal geen wijziging optreden, behalve dat de opleider nog meer dan voorheen zelf een stevige opleiding en begeleiding krijgt en voldoet aan het door de Raad voor de rechtspraak en College van procureurs-generaal op te stellen functieprofiel van opleider.

De modernisering van de opleiding heeft gevolgen voor de rechtspositie van toekomstige rechterlijke ambtenaren. Om overeenstemming over de rechtspositie te bereiken is het in artikel 51 van de Wrra voorgeschreven overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht gevoerd. Dit overleg heeft geleid tot een onderhandelaarsakkoord, dat in het Sectoroverleg rechterlijke macht (SORM) is aanvaard.

De herziening van de opleiding noopt tot wijzigingen in diverse regelingen. Op wetsniveau betreft dit hoofdzakelijk de voornoemde Wet van 2 december 2015 (Stb. 2015, 456). Deze wet zal gelijktijdig met dit besluit in werking treden.

Dit besluit strekt ertoe uitvoering te geven aan de afspraak in het SORM om de opleiding van rechters en officieren van justitie in regelgeving vast te leggen overeenkomstig het akkoord. Hiernaast wordt bij afzonderlijk besluit het Brra gewijzigd teneinde de rechtspositionele gevolgen van de in het SORM gemaakte afspraken in regelgeving vast te leggen. Omdat op grond van de Wet van 2 december 2015 rechters in opleiding en officieren in opleiding rechterlijk ambtenaar zijn, kan voor de rechtspositie van de rechter in opleiding en officier in opleiding worden aangesloten bij hetgeen voor rechterlijke ambtenaren is geregeld in het Brra, zoals bepalingen over de benoeming, de beëdiging en het ontslag.

Ook wat betreft de beroepsvereisten van de rechter in opleiding en officier in opleiding is aangesloten bij het Brra. De beroepsvereisten van artikel 2 Brra zijn van toepassing op de rechter in opleiding, en de beroepsvereisten van artikel 2a zijn van toepassing op de officier in opleiding. Dit betekent een kleine wijziging ten opzichte van de beroepsvereisten voor de raio’s.

Onderhavig besluit bevat alleen bepalingen omtrent de opleiding van de rechter in opleiding of officier in opleiding. Voorheen waren zowel elementen van de rechtspositie van de raio als de regeling van zijn opleiding opgenomen in het Bora. Een ander verschil met het Bora is dat de functionele autoriteit beslist over de opleiding, de toelating tot de opleiding, de start, de inrichting en beëindiging ervan. Voorheen lag deze bevoegdheid bij de minister. De reden voor deze wijziging is dat de rechter in opleiding dan wel de officier in opleiding in dienst komt bij de gerechten dan wel parketten. Het ligt dan voor de hand het bestuur van het gerecht dan wel het hoofd van het parket als functionele autoriteit te laten beslissen over de opleiding. Dit is tevens in lijn met het in de Wet van 11 december 2008 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de flexibilisering en verduidelijking alsmede enkele aanvullingen van de regeling van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Stb. 2009, 8) neergelegde uitgangspunt dat de functionele autoriteit bevoegd is wanneer aan de uitoefening van een rechtspositionele bevoegdheid geen financiële consequenties verbonden zijn. Het Bora wordt met dit besluit ingetrokken.

Dit besluit heeft geen zelfstandige financiële gevolgen. Uit het besluit vloeien geen administratieve lasten voor de burger of het bedrijfsleven voort; het bevat alleen bepalingen inzake de hernieuwde opleiding van rechters en officieren van justitie.

Over de inhoud van dit besluit is de in artikel 51 van de Wrra bedoelde overeenstemming bereikt.

Zowel de Raad voor de rechtspraak als het College van procureurs-generaal hebben positief geadviseerd over een ontwerp van dit besluit. De Raad en het College adviseren om in artikel 4 te verduidelijken dat er geen sprake is van een gezamenlijke selectiecommissie van de Rechtspraak en het openbaar ministerie. In het nieuwe systeem zijn er twee selectiecommissies, waarmee juist een belangrijk verschil met de situatie bij de vroegere selectie van raio’s tot uitdrukking komt. Dit advies is opgevolgd door een verduidelijking in de tekst van artikel 4 aan te brengen.

Zowel de Raad als het College hebben opmerkingen geplaatst bij artikel 10. In het tweede lid van die bepaling is het uitgangspunt neergelegd dat rechters in opleiding en officieren in opleiding, alvorens tot rechter of officier van justitie te kunnen worden benoemd, minimaal twee jaar juridisch relevante werkervaring moeten hebben opgedaan, na het afstuderen als jurist. De Raad en het College kunnen zich vinden in dat uitgangspunt, doch plaatsen kanttekeningen bij de eveneens in het tweede lid van artikel 10 opgenomen clausule dat hiervan alleen kan worden afgeweken indien zwaarwegende gronden daartoe aanleiding geven. De Raad en het College menen dat dit een te beperkende formulering is, omdat de werkervaring van personen die werkzaam zijn bij gerechten of parketten met deze beperking niet wordt meegerekend. Zij adviseren om de uitzondering in artikel 10, tweede lid, aldus te formuleren dat «in beginsel» minimaal twee jaar werkervaring moet zijn opgedaan buiten de rechterlijke organisatie. Dit advies is niet opgevolgd. De twee jaar werkervaring buiten de rechterlijke organisatie wordt essentieel geacht voor het goed kunnen functioneren als rechter of officier van justitie. De eis dat voorafgaand aan de benoeming minstens twee jaar relevante juridische werkervaring dient te zijn opgedaan is afgeleid van de tweejarige buitenstage aan het eind van de raio-opleiding. Hiermee wordt beoogd om ook in de toekomst te verzekeren dat rechters en officieren over de gewenste externe werkervaring, buiten de rechterlijke organisatie, beschikken. (zie tevens Kamerstukken II 2014/15, 34 162, nr. 6, p. 3). Het bepaalde in artikel 10, tweede lid, komt daarmee overeen met hetgeen bedoeld is met de Wet van 2 december 2015 te bereiken ten aanzien van het behoud van voldoende relevante juridische ervaring buiten de rechterlijke organisatie.

Naar aanleiding van de adviezen zijn voorts verbeteringen aangebracht in de redactie van artikelen 7, eerste lid, 9 en 10, tweede lid. In de artikelen 4 en 9 zijn de uitgangspunten gevolgd omtrent de attributie van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van rechterlijke ambtenaren. Het in opleiding nemen van een rechter dan wel een officier van justitie heeft budgettaire gevolgen voor de gerechten en parketten. Voor de rechtbanken betekent dit uitgangspunt dat alle rechtspositionele bevoegdheden worden toegekend aan het gerechtsbestuur. Het gerechtsbestuur beslist over de tot toelating tot de opleiding en een in voorkomende gevallen voortijdig beëindigen van de opleiding. Voor de bij het openbaar ministerie werkzame rechterlijke ambtenaren geldt dat de Minister van Veiligheid en Justitie budgetverantwoordelijk is. Het is dan ook de Minister die besluit tot het in opleiding nemen van een officier van justitie (zie tevens de toelichting op artikel I, onderdeel G, van de Wet van 2 december 2015). De artikelen 4 en 9 zijn aangepast aan dit uitgangspunt.

Naar aanleiding van de adviezen zijn voorts aanpassingen doorgevoerd in de nota van toelichting.

2. Artikelsgewijs

2.1 Paragraaf 1, definities

In deze paragraaf zijn enkele begripsomschrijvingen opgenomen die specifiek verband houden met de regeling in dit besluit.

2.2 Paragraaf 2, de opleiding

Deze paragraaf bevat de instelling en doelstelling van de opleiding (artikelen 2 en 3). De inhoud van artikel 2 komt overeen met de inhoud van artikel 2 van het voormalige Bora, met dien verstande dat niet nader is gespecificeerd welke onderdelen de opleiding bevat. Dat laatste is niet nodig, nu de opleiding geen standaard-opleiding meer is maar modulair is samengesteld om kandidaten met verschillen in voorervaring en specifieke competenties op maat te kunnen opleiden. De inhoud van artikel 3 komt overeen met de strekking van artikel 24, eerste lid, van het voormalige Bora.

2.3 Paragraaf 3, toelating tot en duur van de opleiding

In deze paragraaf is de procedure van toelating tot de opleiding geregeld. Centraal in de procedure van toelating staat de advisering door een selectiecommissie. De Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal stellen ieder een eigen selectiecommissie in. In artikel 4 is vastgelegd dat kandidaten op basis van een aanbeveling van de selectiecommissie tot de opleiding worden toegelaten. Uiteraard zal ook het orgaan dat belast is met de beslissing over de toelating tot de opleiding (de Minister van Veiligheid en Justitie, indien het een opleiding tot officier van justitie betreft, respectievelijk het gerechtsbestuur indien het een opleiding tot rechter betreft) zich een oordeel vormen over de kandidaat. Degene die wordt toegelaten tot de opleiding, wordt benoemd tot rechter in opleiding dan wel officier in opleiding. Deze benoeming geschiedt bij besluit van de Minister op grond van artikel 2, achtste lid, Wrra. Bij de benoeming van een rechter in opleiding stelt de Raad voor de rechtspraak vervolgens, overeenkomstig de aanbeveling van het betrokken gerechtsbestuur, vast bij welke rechtbank dat ambt wordt vervuld (zie artikel 5b, eerste lid, Wrra). Bij de benoeming tot officier in opleiding wordt bij besluit van de Minister vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld (zie artikel 5b, tweede lid, Wrra).

De rechter in opleiding en officier in opleiding is gedurende de opleiding in tijdelijke dienst (zie ook artikel 2da, eerste lid, Brra). De duur van de tijdelijke benoeming is daarbij gekoppeld aan de duur van de opleiding (zie artikel 2da, tweede lid, Brra). Indien de duur van de opleiding ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt verlengd, wordt de duur van de tijdelijke aanstelling overeenkomstig verlengd. Dit laatste is geregeld in artikel 2da, derde lid, Brra.

De maximale duur van de opleiding is opgenomen in artikel 5. De duur van de opleiding is afhankelijk van de voorervaring en specifieke competenties van betrokkene. De maximale opleidingsduur van vier jaar geldt in ieder geval voor kandidaten met het minimum van twee jaar juridisch relevante werkervaring buiten de rechterlijke organisatie opgedaan na het afstuderen als jurist. Een opleiding start altijd met een introductieperiode. Voor rechters in opleiding wordt in de praktijk op het moment uitgegaan van een periode van drie maanden en voor officieren in opleiding een periode van twee maanden. In de introductieperiode raakt de kandidaat bekend met het vak, de organisatie en wordt een aanvang gemaakt met het leerproces. De fase wordt afgesloten met een persoonlijk opleidingsplan, dat met één of meerdere opleiders wordt vastgesteld. Met dit persoonlijk opleidingsplan is de kandidaat vervolgens toegerust om in de opleidingsfase als lerende collega binnen de gerechten en parketten aan de slag te gaan. Deze fase duurt in de praktijk bij een rechter in opleiding, gelet op de duur van de introductiefase, maximaal drie jaar en negen maanden en bij een officier in opleiding maximaal drie jaar en tien maanden. Aan het eind van de opleidingsfase dient de kandidaat aan alle eindtermen te voldoen die verbonden zijn aan het ambt van rechter dan wel officier van justitie.

De opleidingsfase duurt, zo regelt het tweede lid, minimaal een jaar. De minimale opleidingsduur is mitsdien een jaar en drie maanden voor rechters in opleiding en een jaar en twee maanden voor officieren in opleiding.

In artikel 6 is geregeld dat door de beoogde functionele autoriteit een prognose wordt gemaakt van de benodigde duur van de opleiding voordat de rechter in opleiding of officier in opleiding aan de opleiding begint. De verwachte duur van de opleiding komt aan de orde in het arbeidsvoorwaardengesprek, evenals de hoofdlocatie waar het ambt wordt uitgeoefend (en de praktijkopleiding wordt gevolgd) en de rechtspositionele consequenties van eventuele andere locaties van de opleiding, zodat de kandidaat zijn definitieve keuze om de opleiding wel of niet te gaan volgen mede daarop kan baseren. Het tweede lid van artikel 6 biedt de functionele autoriteit de mogelijkheid de volgens de prognose vastgestelde opleidingsduur te wijzigen. Dat kan alleen in bijzondere gevallen, zoals bij een verkeerd gebleken prognose. Deze mogelijkheid is beperkt gehouden; de prognose mag alleen tijdens de introductiefase van opleiding worden gewijzigd.

Artikel 7 geeft nog enkele aanvullende bepalingen omtrent de (individuele) opleidingsduur. Zo kan de opleidingsduur worden verlengd in bijzondere omstandigheden wanneer de functionele autoriteit dat met het oog op een met gunstig resultaat beëindigen van de opleiding nodig acht. Dit kan al tijdens de opleidingsduur blijken. De bijzondere omstandigheden betreffen objectiveerbare omstandigheden zoals ziekte en zwangerschap, of andere objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rechter in opleiding of officier in opleiding hebben verstoord, waardoor betrokkene aan het eind van de opleiding nog niet geheel aan de eindtermen voldoet of naar verwachting kan voldoen. Met het oog op het met gunstig resultaat beëindigen van de opleiding, kan de functionele autoriteit in die gevallen de opleiding verlengen. In totaal kan de opleiding echter met niet meer dan met een jaar worden verlengd.

In het tweede lid is geregeld dat de opleiding eenmalig voor maximaal drie maanden kan worden onderbroken vanwege buitengewoon verlof op eigen verzoek. Tijdens perioden van buitengewoon verlof, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, is sprake van onderbreking van de opleiding. Het betreft hierbij andere vormen van verlof dan welke reeds elders zijn geregeld zoals het zorgverlof en zwangerschapsverlof. Dit verlof moet worden aangevraagd op grond van artikel 33p van het Brra. Een dergelijke onderbreking moet worden onderscheiden van de mogelijkheid van verlenging van de opleiding, bedoeld in het eerste lid van artikel 7. De periode van onderbreking telt derhalve niet als periode van verlenging. Het ligt in de rede dat het gerechtsbestuur respectievelijk de minister, na advies van de functionele autoriteit, in aansluiting hierop en rekening houdend met deze maximale onderbreking van de opleidingsduur, maximaal drie maanden buitengewoon verlof zal verlenen wanneer een rechter in opleiding of officier in opleiding dit aanvraagt.

2.4 Paragraaf 4, de beoordelingen en de benoeming

In aanvulling op artikel 37 van het Brra, dat ingaat op de (personeels)beoordeling van de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, zijn in dit besluit enkele bepalingen opgenomen over de beoordeling van de rechter in opleiding en de officier in opleiding. In artikel 8, eerste lid, is opgenomen dat een rechter in opleiding en officier in opleiding regelmatig worden beoordeeld. Hierbij wordt bezien hoe de rechter in opleiding en officier in opleiding de aan hen opgedragen taken uitvoeren, tegen de achtergrond van de toekomstige functie. Het verschil met een beoordeling op grond van artikel 37 van het Brra is dat laatstgenoemde beoordeling is gericht op de beoordeling van de rechterlijk ambtenaar in zijn huidige functie, en bij de rechters in opleiding en officieren gaat het om een beoordeling over het uitoefenen van de functies waarvoor zij worden opgeleid. Tegen een vastgestelde beoordeling kan bezwaar worden gemaakt. De bepalingen van de Awb zijn hier op van toepassing.

Het uitgangspunt is dat de begeleiding en de beoordeling van de rechter in opleiding en de officier in opleiding niet in één hand komen te liggen. De opleiders richten zich op de begeleiding van de rechters in opleiding en officieren in opleiding. Hun feedback en evaluaties zijn gericht op het leren. Aan de hand van reguliere evaluatiegesprekken en ontwikkelgesprekken met de opleiders moeten de rechters in opleiding en officieren in opleiding kunnen inschatten of zij de gewenste vorderingen maken en of zij wel of niet een positieve beoordeling kunnen verwachten. De rechters in opleiding en officieren in opleiding houden gedurende het gehele leerproces hun leeractiviteiten, alsmede de daarop geleverde feedback, bij in een digitaal portfolio.

De functionele autoriteit stelt de beoordeling vast op basis van informatie die is verkregen binnen het gerecht dan wel parket waar de rechter in opleiding dan wel officier in opleiding werkzaam is en informatie uit het portfolio. De wijze van beoordelen wordt uitgewerkt in een beoordelingsreglement. Dit wordt geregeld in het tweede lid van artikel 8. De Raad voor de rechtspraak maakt een beoordelingsreglement voor de rechters in opleiding, en het College van procureurs-generaal voor de officieren in opleiding. Deze beoordelingsreglementen worden besproken met de NVvR als ware hoofdstuk 8 van de Wrra van toepassing. Dit overleg heeft overigens reeds plaatsgevonden.

In de beoordelingsreglementen worden vaste beoordelingsmomenten opgenomen. Voorts kan een beoordeling worden opgemaakt indien daar naar het oordeel van de functionele autoriteit aanleiding toe is, dan wel op verzoek van de rechter in opleiding of officier in opleiding. Dit is reeds geregeld in artikel 37, tweede lid, van het Brra.

Ontslag vanwege ongeschiktheid voor de functie waarvoor betrokkene wordt opgeleid is opgenomen in artikel 36, eerste lid, van het Brra en gebeurt in beginsel niet eerder dan na afloop van de introductieperiode. Het ontslag zal in de regel berusten op evaluatie- en/of functioneringsgesprekken en een beoordeling. Doordat de rechter in opleiding en de officier in opleiding rechterlijk ambtenaar zijn, zijn de ontslagbepalingen uit paragraaf 4.4 van het Brra van toepassing. Voor ontslag op eigen verzoek geldt de termijn die is genoemd in artikel 35a Brra, inhoudende dat het ontslag wordt verleend met ingang van de dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ontvangen. Voor ontslag niet op eigen verzoek gelden de termijnen genoemd in artikel 36a Brra die, afhankelijk van de duur van het dienstverband, liggen tussen de een en de drie maanden. Betrokkene kan die periode benutten om ander werk te zoeken.

In artikel 9 wordt geregeld wat de gevolgen zijn van onvoldoende resultaten van de opleiding. De opleiding wordt in dat geval beëindigd. De functionele autoriteit neemt zowel het besluit tot de toelating tot de opleiding als het besluit om de opleiding te beëindigen. Het beëindigen van de opleiding leidt tevens tot het beëindigen van de tijdelijke aanstelling. De duur van de tijdelijke benoeming is immers gekoppeld aan de duur van de opleiding; zie artikel 2da, tweede lid, van het Brra. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 2da, derde lid, de duur van de benoeming wordt verlengd met de in artikel 36a, tweede lid, Brra bedoelde opzegtermijn. Dit is geregeld in de laatste zinssnede van artikel 9. Deze opzegtermijn kan betrokkene bijvoorbeeld gebruiken om zich te richten op het vinden van ander werk. Het ligt niet in de rede dat betrokkene in die periode wordt ingezet voor reguliere werkzaamheden die aan een rechter in opleiding of officier in opleiding worden opgedragen.

Artikel 10, eerste lid, biedt de rechter in opleiding of de officier in opleiding de garantie dat hij, indien hij de opleiding met goed gevolg heeft doorlopen en geschikt wordt geacht, aansluitend wordt benoemd tot rechter onderscheidenlijk officier van justitie. De plaatsing van de rechter of officier kan bij een ander gerecht of parket zijn dan waar de opleiding is genoten. In dat verband is onder meer van belang dat het openbaar ministerie vooralsnog vier parketten heeft aangewezen waar een officier in opleiding zijn opleiding kan genieten.

In het tweede lid van artikel 10 is bepaald dat na het afstuderen als jurist minimaal twee jaar juridisch relevante werkervaring moet zijn verworven buiten de rechterlijke organisatie voordat benoeming tot rechter of officier van justitie kan plaatsvinden. Aan het eind van de opleiding moet dus zijn voldaan aan de eis van minimaal zes jaar relevante juridische werkervaring na het afstuderen. De achterliggende gedachte hierbij is dat betrokkene juridisch relevante werkervaring moet hebben opgedaan in het werken binnen een andere structuur en cultuur dan de rechterlijke organisatie voordat hij kan worden voorgedragen voor benoeming tot rechter of officier van justitie. Hier kan in individuele gevallen van worden afgeweken als zwaarwegende gronden daartoe aanleiding geven.

2.5 Paragraaf 5, uitvoering en bekostiging van de opleiding

Elementen rond de opleiding worden uitgewerkt in een opleidingsreglement. Dit wordt geregeld in artikel 11. De Raad voor de rechtspraak maakt een opleidingsreglement voor de rechters in opleiding, en het College van procureurs-generaal voor de officieren in opleiding.

De inhoud van de artikelen 12 en 13 komt overeen met de artikelen 9 en 10 van het voormalige Bora. SSR kan worden gevraagd om (een deel van) het theoretische deel van de opleiding uit te voeren. Doordat de rector van het opleidingsinstituut geen rol meer heeft als functionele autoriteit voor rechters in opleiding en officieren in opleiding, keert de inhoud van artikel 11, waarin was geregeld dat een rector en conrector van de opleiding werd aangewezen, niet terug in dit besluit.

2.6 Paragraaf 6, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14, eerste lid, strekt ertoe het Bora in te trekken. In het tweede lid wordt buiten twijfel gesteld dat dit besluit blijft gelden voor raio’s die voor de inwerkingtreding van dit besluit al waren gestart met de opleiding. Op deze wijze treedt geen verandering op in de rechtspositie en de opleiding van raio’s die reeds als zodanig zijn benoemd en met de opleiding zijn begonnen.

In artikel 15 is geregeld dat dit besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Op die wijze kan de inwerkingtreding worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie (Stb. 2015, 456) en het besluit tot wijziging van onder meer het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de gewijzigde opleiding van rechters en officieren van justitie.

Tot slot bevat artikel 16 een citeertitel voor dit besluit.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 34 162, nr. 3.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.