Besluit van 25 augustus 2016, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 15 juni 2016 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (Stb. 2016, 273)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 augustus 2016, nr. WJZ 1025210 (6734), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel IX van de Wet van 15 juni 2016 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (Stb. 2016, 273);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. De Wet van 15 juni 2016 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (Stb. 2016, 273) treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel V, onderdelen 01A, D, Ia en J.

  • 2. Artikel V, onderdelen D, Ia en J, treden in werking met ingang van 1 september 2017.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 25 augustus 2016

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Uitgegeven de veertiende september 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

De Wet van 15 juni 2016 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (Stb. 2016, 273) treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, het eerstvolgende vaste verandermoment.

In uitzondering daarop treden de onderdelen D, Ia en J van artikel V (Wijziging wet op het Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) pas in werking met ingang van 1 september 2017. De onderdelen D en J hebben als uitgangspunt dat de wijze van samenstelling van de opleidingscommissie geschiedt door verkiezingen. Deze verkiezingen dienen zorgvuldig te worden voorbereid; er dienen kandidaten te worden geworven en het faculteitsreglement behoeft mogelijk aanpassing. Ook de wijziging die voortvloeit uit onderdeel Ia vergt voorbereidingstijd; het college van bestuur van een hogeschool moet in het bestuurs- en beheersreglement formuleren op welke wijze de studentassessor wordt aangewezen. De medezeggenschap dient bovendien in de gelegenheid te worden gesteld op goede wijze zijn instemmingsrecht uit te oefenen op de voorgenomen wijziging dienaangaande. Vervolgens moet ook hier een geschikte kandidaat worden geworven. Gelet op de voorbereidingstijd die met deze wijzigingen is gemoeid, is inwerkingtreding pas haalbaar met ingang van het vaste verandermoment dat ligt na het eerstvolgende vaste verandermoment: het begin van het nieuwe collegejaar, 1 september 2017.

De wijziging die is opgenomen in artikel V, onderdeel 01A, zal naar aanleiding van een toezegging van de regering aan de Eerste Kamer1, als onderdeel van een ander wetsvoorstel nog tekstueel worden verduidelijkt voordat de wijziging in werking treedt. De inwerkingtreding van dit onderdeel zal daarom plaatsvinden op het moment dat de desbetreffende wet in werking treedt en zal worden meegenomen in het inwerkingtredingsbesluit met betrekking tot desbetreffende wet.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken I, 2015/16, 34 251, C.

Naar boven