Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2015, 83Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 10 februari 2015, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van onderdelen van het Besluit van 15 december 2014, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ter uitvoering van het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en in verband met herwonnen fosfaten en strorijke mest (Stb. 2014, 543)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 6 februari 2015, nr. WJZ / 15008283;

Gelet op artikel II, tweede lid, van het Besluit van 15 december 2014, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ter uitvoering van het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en in verband met herwonnen fosfaten en strorijke mest (Stb. 2014, 543);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Artikel I, onderdelen A, B, C, D, E, F, N, van het Besluit van 15 december 2014, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ter uitvoering van het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en in verband met herwonnen fosfaten en strorijke mest (Stb. 2014, 543) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 10 februari 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de zesentwintigste februari 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Het besluit van 15 december 2014, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ter uitvoering van het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en in verband met herwonnen fosfaten en strorijke mest (Stb. 2014, 543) is gedeeltelijk per 1 januari 2015 in werking getreden (zie artikel II, eerste lid, van het voornoemde besluit). Dit gedeelte heeft betrekking op enkele redactionele aanpassingen ter uitvoering van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en enkele overige aanpassingen.

Een deel van het besluit moest genotificeerd worden in het kader van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204). De daarbij behorende stand still termijn van drie maanden is thans verstreken.

Tijdens deze termijn heeft de Europese Commissie opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het genotificeerde ontwerpbesluit.

De eerste opmerking ziet op de fosfaatgebruiksnormen voor grond met een hoge dan wel een neutrale fosfaattoestand. Deze gebruiksnormen geven echter uitvoering aan het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn, waarmee de Europese Commissie heeft ingestemd en dat de basis vormde voor onder andere de Nederlandse derogatie 2014–2017. Er is op basis van wetenschappelijke studies thans geen reden om af te wijken van de normen gedurende de looptijd van het vijfde Actieprogramma. Bij het opstellen van het zesde Actieprogramma zal worden bezien of aanpassing van de bemestingsniveaus aan de orde is.

De Europese Commissie stelt daarnaast een vraag over de herwonnen fosfaten en of deze ook afkomstig kunnen zijn uit mestverwerkingsinstallaties. Herwonnen fosfaten ontstaan met name uit de verwerking van reststoffen van de voedingsindustrie en rioolzuiveringsinstallaties. Herwonnen fosfaten uit dierlijke mest blijven gelden als dierlijke mest. Voor deze stoffen geldt dus de gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest.

Tot slot vraagt de Europese Commissie of er maatregelen voorzien zijn in ruil voor vrijstelling van de verwerkingsplicht die geldt voor bedrijven met strorijke mest. Het mestverwerkingspercentage wordt echter berekend aan de hand van het totale nationale fosfaatoverschot gedeeld door het aantal bedrijven waarvoor een verwerkingsplicht geldt. Het is dus niet zo dat er in totaal in Nederland minder mest zal moeten worden verwerkt.

De opmerkingen van de Europese Commissie nopen niet tot een aanpassing van het besluit, zodat na ommekomst van de stand still periode het resterende deel van het besluit in werking kan treden. Daartoe strekt het onderhavige besluit.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma