Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit prudentiële regels Wft vanwege de Wet algemeen pensioenfonds

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2015, nr. 2015-0000247644, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën;

Gelet op de artikelen 25, derde lid, 112a, derde en negende lid, 143, tweede lid en 179, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 4a, negende lid, 57, vijfde lid, 146, zevende lid, en 171, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 3:53, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 september 2015, No.W12.15.0325/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2015, nr. 2015-000030584, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Financiën,

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 10b wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 25, derde lid, Pensioenwet en artikel 4a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 10c. Kostenregeling in uitvoeringsovereenkomst
  • 1. Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling in de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt, zowel bij de kosten die in mindering kunnen worden gebracht op een afgescheiden vermogen als bij de kosten die ten laste kunnen worden gebracht van de premie, onderscheid gemaakt tussen:

    • a. administratieve uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid;

    • b. vermogensbeheerskosten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid; en

    • c. transactiekosten als bedoeld in artikel 10a, derde lid.

  • 2. Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de drie categorieën verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd.

  • 3. De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd.

Artikel 10d. Kwaliteit van de dienstverlening

In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening.

B

In artikel 36, tweede lid, wordt «48 tot en met 58, 59, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de kwalitatieve en beeldende maatstaf, 60 tot en met 62» vervangen door: 48 tot en met 62, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s.

C

Na artikel 40a wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 112a, derde en negende lid, van de Pensioenwet
Artikel 40b. Procedure vergunning
  • 1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 112a, tweede lid, van de Pensioenwet. Deze aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld formulier.

  • 2. De Nederlandsche Bank bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.

  • 3. De Nederlandsche Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.

  • 4. De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid te adviseren over gedragstoezichtaspecten van de vergunningaanvraag.

  • 5. De gegevens, bedoeld in artikel 40c, worden in zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door De Nederlandsche Bank mogelijk is.

Artikel 40c. Gegevens bij aanvraag vergunning
  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet zijn:

    • a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de internetpagina van het algemeen pensioenfonds;

    • b. een opgave van de statutaire zetel en de statutaire naam;

    • c. een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister;

    • d. een gewaarmerkt afschrift van de statuten;

    • e. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;

    • f. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;

    • g. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106a van de Pensioenwet met betrekking tot bestuurders en leden van de raad van toezicht is bepaald over het tijdsbeslag;

    • h. een beschrijving van besturing en toezicht in de organisatie, mede in relatie tot de voorziene collectiviteitkringen;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop, in overeenstemming met de rangregeling, de scheiding wordt gewaarborgd tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden, overeenkomstig artikel 123 van de Pensioenwet;

    • j. een programma van werkzaamheden die het algemeen pensioenfonds voornemens is te verrichten;

    • k. bescheiden waaruit het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet blijkt, inclusief bescheiden waaruit blijkt dat het algemeen pensioenfonds gedurende de eerste drie jaren doorlopend kan beschikken over het wettelijk vereiste weerstandsvermogen;

    • l. een beschrijving van de werkzaamheden die worden uitbesteed, voorzien van een op een risicoanalyse gebaseerde onderbouwing;

    • m. een beschrijving van de inrichting van de organisatie met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet, inclusief een eigen risicobeoordeling;

    • n. de uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsovereenkomsten die het algemeen pensioenfonds voornemens is te sluiten, of indien hiervan nog geen sprake is, een modeluitvoeringsovereenkomst;

    • o. het pensioenreglement of de pensioenreglementen die het algemeen pensioenfonds op grond van artikel 35 van de Pensioenwet heeft opgesteld ten behoeve van de collectiviteitkring of collectiviteitkringen of indien hiervan nog geen sprake is een modelpensioenreglement; en

    • p. een beschrijving van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten als bedoeld in artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:

    • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;

    • b. een curriculum vitae;

    • c. een opgave van de relevante diploma’s;

    • d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en

    • e. een opgave van referenten.

  • 3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:

    • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;

    • b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;

    • c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en

    • d. een opgave van referenten.

  • 4. Het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bevat ten minste:

    • a. een beschrijving van het bedrijfsmodel en verdienmodel;

    • b. een raming voor de eerste drie boekjaren van de kosten; en

    • c. een raming voor de eerste drie kalenderjaren van de liquiditeitspositie.

Artikel 40d. Intrekken of wijzigen vergunning
  • 1. De Nederlandsche Bank kan een verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

    • a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;

    • b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;

    • d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens de Pensioenwet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;

    • e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;

    • f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit gedurende meer dan zes maanden heeft beëindigd;

    • g. de vergunninghouder het bedrijf ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;

    • h. de vergunninghouder wordt ontbonden;

    • i. niet blijkt dat de jaarrekening of de staten een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van het algemeen pensioenfonds en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

    • j. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door De Nederlandsche Bank te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door De Nederlandsche Bank, wordt het algemeen pensioenfonds of de curator in faillissement van het algemeen pensioenfonds aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 40e. Weerstandsvermogen
  • 1. Het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet bedraagt ten minste 0,2% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen met een minimum van € 500.000 en een maximum van € 20 miljoen.

  • 2. Voor de dekking van aansprakelijkheidsrisico’s wordt het weerstandsvermogen, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met 0,1% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen, tenzij het algemeen pensioenfonds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening heeft die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste 0,75% van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het weerstandsvermogen meer dan het resultaat van de berekeningswijze overeenkomstig dit artikel, indien de risicoanalyse van het algemeen pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.

  • 4. Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds wordt gevormd door de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

  • 5. Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste een keer per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog in overeenstemming is met de eisen, bedoeld in het tweede lid, dan wel vaker wanneer sprake is van een wijziging van omstandigheden die hierop van invloed zijn.

D

Artikel 51a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ingevoegd: artikel 112a, zevende lid, met boetecategorie 1.

2. In het vierde lid wordt ingevoegd: artikel 9c, derde lid, met boetecategorie 2.

ARTIKEL II

Aan artikel 18 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Een algemeen pensioenfonds voldoet aan het eerste, tweede en derde lid en draagt er daarbij zorg voor dat de administratieve en boekhoudkundige procedures de scheiding waarborgen tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden.

ARTIKEL III

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 50 wordt een zin toegevoegd, luidende: Op een premiepensioeninstelling met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.

B

Aan artikel 51 wordt een zin toegevoegd, luidende: Op een bewaarder of pensioenbewaarder met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IV

In het Besluit van 24 juni 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de Wet pensioencommunicatie (Stb. 259) wordt in artikel I, onderdeel K, «en 57, eerste lid» vervangen door: 57, eerste lid.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen van de Wet algemeen pensioenfonds in werking treden.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 23 december 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Uitgegeven de dertigste december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Inleiding

Met de Wet algemeen pensioenfonds is een nieuw type pensioenfonds geïntroduceerd. Dit nieuwe type pensioenfonds onderscheidt zich van huidige pensioenfondsen door een nieuwe structuur van uitvoering van wat betreft vermogen afgescheiden pensioenregelingen. Daardoor kan in een algemeen pensioenfonds een evenwicht gevonden worden tussen enerzijds de instandhouding van de eigen identiteit en solidariteit van de collectiviteitkring en anderzijds het realiseren van schaalvoordelen waarmee bestuurlijke lasten en uitvoeringskosten kunnen worden beperkt. Het toezicht en de waarborgen ter bescherming van de belangen van de deelnemers worden, voor zover nodig, in lijn gebracht met die nieuwe structuur. Dit besluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: het Besluit uitvoering) bevat de invulling van de vergunningprocedure, de eisen die aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds worden gesteld en de eisen met betrekking tot de kosten in de uitvoeringsovereenkomst. Tevens is een wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen opgenomen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om tevens een noodzakelijke wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft op te nemen met betrekking tot de eisen aan vermogensbestanddelen voor premiepensioeninstellingen, bewaarders en pensioenbewaarders die een stichting zijn.

1. Vergunning

Vanwege de complexiteit van de uitvoering van pensioenregelingen in meerdere kringen is een vergunningplicht voorgeschreven voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds. De vergunningplicht geldt zowel voor een reeds bestaand pensioenfonds dat zich wil omvormen naar een algemeen pensioenfonds, als voor een geheel nieuw op te richten algemeen pensioenfonds. In dat laatste geval is het mogelijk dat ten tijde van de vergunningaanvraag een aantal partijen zich reeds gecommitteerd heeft om de pensioenregelingen te laten uitvoeren door dat algemene pensioenfonds indien de vergunning verleend wordt. Er kan echter ook sprake zijn van een situatie waarbij ten tijde van de vergunningaanvraag partijen zich nog niet daartoe gecommitteerd hebben, en het algemeen pensioenfonds na het verstrekken van de vergunning partijen zal benaderen om de uitvoering van hun pensioenregelingen onder te brengen bij het algemeen pensioenfonds – een zogeheten «leeg» algemeen pensioenfonds.

1.1 Vergunningeisen en aan te leveren informatie

De vergunningeisen voor een algemeen pensioenfonds hebben onder meer betrekking op de geschiktheid en betrouwbaarheid van de (mede)beleidsbepalers, de inrichting van het bestuur en het toezicht, het programma van werkzaamheden, het weerstandsvermogen, de uitbesteding van taken, de statuten en de bedrijfsvoering.

Om de vergunningsprocedure met goed gevolg te kunnen doorlopen zullen aanvragers informatie moeten aanleveren waaruit blijkt dat het algemeen pensioenfonds bij vergunningverlening aan de gestelde eisen voldoet. De vergunningaanvraag met de aan te leveren informatie wordt ingediend bij De Nederlandsche Bank (DNB). Voor wat betreft de beschrijving van de beheerste en integere bedrijfsvoering dient, naast bijvoorbeeld het voorziene beleid omtrent belangenverstrengeling, incidenten en compliance, onder andere een eigen risicobeoordeling en een toelichting op het communicatiebeleid te worden ingediend. Onder een beheerste bedrijfsvoering valt immers ook het op orde hebben van de administratieve organisatie, inclusief het waarborgen dat de juiste informatie binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de deelnemers verstrekt wordt. DNB is de vergunningverstrekkende toezichthouder. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) adviseert op basis van haar gedragstoezichttaak conform de Pensioenwet.

1.2 Termijn vergunningsprocedure

Voor de vergunningsprocedure wordt een beslistermijn van 13 weken gehanteerd. Deze termijn sluit aan bij de regeling zoals die voor vergunningplichtige financiële ondernemingen op grond van de Wet op het financieel toezicht geldt (zie bijvoorbeeld artikel 1:102, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht). Hierbij wordt – op grond van de Algemene wet bestuursrecht – de beslistermijn steeds opgeschort wanneer de toezichthouders de aanvrager verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken. Voor vergunningaanvragers is het daarom van belang zich ervan bewust te zijn dat zij belang hebben bij het indienen van een kwalitatief goede vergunningaanvraag. DNB is voornemens om, zodra dat mogelijk is, voorafgaand via de website het vergunningaanvraagformulier beschikbaar te stellen en daarbij nadere informatie en uitleg te verstrekken over de daarbij door de aanvrager van een vergunning te verstrekken informatie.

1.3 Adviesbevoegdheid AFM en toelichting op de communicatie met de deelnemer

Om een ex ante toetsing vanuit het gedragstoezicht te waarborgen krijgt AFM een adviesbevoegdheid jegens DNB in het kader van de vergunningverlening. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk dat vanuit het perspectief van het gedragstoezicht wordt getoetst dat een algemeen pensioenfonds zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat kan worden voldaan aan de wettelijke eisen en er een adequaat communicatiebeleid is. Van een algemeen pensioenfonds wordt verwacht dat het kan toelichten hoe het invulling geeft aan de communicatievereisten op grond van de Pensioenwet en hoe het borgt dat aan deze communicatievereisten (blijvend) wordt voldaan. De beschrijving inzake de beheerste en integere bedrijfsvoering bevat informatie over wettelijk te verstrekken en beschikbaar te stellen informatie, uitgesplitst naar medium en, voor zover van toepassing, uitgesplitst per collectiviteitkring.

1.4 Intrekken of wijzigen van de vergunning

DNB kan een door haar verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds in bepaalde nader omschreven situaties wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken, beperken dan wel daar nadere voorschriften aan verbinden. Hiermee wordt aangesloten bij de regeling zoals die voor andere vergunningplichtige financiële ondernemingen geldt (zie bijvoorbeeld artikel 1:104, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht). DNB kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door de DNB te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Ook deze regeling sluit aan bij de regeling zoals die voor vergunningplichtige financiële ondernemingen op grond van de Wet op het financieel toezicht geldt (zie artikel 1:104, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht).

2. Weerstandsvermogen

Een algemeen pensioenfonds dient over een wettelijk verplicht weerstandsvermogen te beschikken. Het weerstandsvermogen is een vermogen dat op grond van artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet1 moet worden aangehouden om de bedrijfsrisico’s te dekken. Het doel hiervan is om de continuïteit van het algemeen pensioenfonds te waarborgen. Het weerstandsvermogen dient op elk moment aanwezig te zijn in het algemeen pensioenfonds. Het betreft dus de risico’s op het niveau van de instelling algemeen pensioenfonds.

Voor de volledigheid zij vermeld dat de beleggingsrisico’s en de verzekeringstechnische risico’s (waaronder biometrische risico’s – risico’s in verband met overlijden en/of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting –, een garantie van een beleggingsrendement of een bepaalde toegezegde hoogte van de uitkering) moeten worden gedragen door de afzonderlijke collectiviteitkring. Deze risico’s worden dus niet gedekt door het wettelijk verplichte weerstandsvermogen. Er is dus geen sprake van dat risico’s dubbel gedekt zijn. Voor elke collectiviteitkring in een algemeen pensioenfonds gelden de regels van het financieel toetsingskader.

2.1 Soorten risico’s die tezamen de bedrijfsrisico’s vormen

Bedrijfsrisico’s zijn risico’s die niet voor rekening van een collectiviteitkring of meerdere collectiviteitkringen komen aangezien ze voor het gehele algemene pensioenfonds gelden. Onder bedrijfsrisico’s vallen onder andere de volgende risico’s: krediet- en debiteurenrisico’s, strategische risico’s en marktrisico’s, operationele risico’s, uitbestedingrisico’s, bestuurlijke risico’s, integriteitrisico’s, outtrades, claimrisico’s, juridische risico’s en aansprakelijkheidsrisico’s.

Sommige bedrijfsrisico’s kunnen zich manifesteren omdat het algemeen pensioenfonds diensten of goederen afneemt, bijvoorbeeld het huren of kopen van een kantoorpand, en zich daardoor verplicht tot betaling voor die diensten of goederen. Andere bedrijfsrisico’s manifesteren zich doordat het algemeen pensioenfonds zelf diensten aanbiedt – het uitvoeren van de ondergebrachte pensioenregelingen – en zich daardoor verplicht tot het leveren van die diensten overeenkomstig de afgesproken kwaliteit. Sommige bedrijfsrisico’s zijn het gevolg van de (interne) organisatie van het algemeen pensioenfonds – zoals operationele, bestuurlijke en integriteitrisico’s – en andere bedrijfsrisico’s ontstaan door de (externe) omstandigheden waarin een algemeen pensioenfonds opereert. Essentieel is dat het hierbij gaat om de bedrijfsrisico’s op het niveau van het algemeen pensioenfonds als geheel. Het bestuur van het algemeen pensioenfonds is verantwoordelijk voor de beheersing van deze risico’s. Die kunnen niet voor rekening van een collectiviteitkring of meerdere collectiviteitkringen komen, aangezien ze voor de entiteit algemeen pensioenfonds gelden. Deze risico’s dienen daarom door het weerstandsvermogen gedekt te kunnen worden.

Daarbij is van belang dat het weerstandsvermogen te allen tijde is afgestemd op de bedrijfsmatige risico’s die een algemeen pensioenfonds loopt in verband met de pensioenuitvoering. Deze risico’s hangen enerzijds af van de totale omvang van het beheerd vermogen, maar anderzijds ook van de variëteit in uit te voeren pensioenregelingen en veranderingen in het deelnemersbestand van het fonds (bijvoorbeeld de uittreding van een grote collectiviteitkring).

In de volgende subparagraaf worden de minimumeisen voor het weerstandsvermogen beschreven.

In het kader van de beschrijving van een beheerste en integere bedrijfsvoering zal DNB van het algemeen pensioenfonds een risicoanalyse verlangen. In het kader van die risicoanalyse zal het APF zelf moeten vaststellen welke bedrijfsrisico’s voor het APF relevant zijn en of die aanleiding geven om het niveau van het weerstandsvermogen te verhogen. Het vereiste van het voeren van een risicoanalyse is overigens in lijn met de eisen die conform de Wet op het financieel toezicht worden gesteld aan een premiepensioeninstelling (hierna: ppi). Zowel van een leeg algemeen pensioenfonds als van een reeds bestaand pensioenfonds dat zich wil omvormen naar een algemeen pensioenfonds, zal DNB in het kader van het programma van werkzaamheden een beoogd bedrijfs- en verdienmodel willen ontvangen, dat aangeeft hoe de continuïteit van het op te richten pensioenfonds wordt gewaarborgd in normale, matig tegenvallende en zwaar tegenvallende omstandigheden. Van het algemeen pensioenfonds wordt een beleid verwacht op basis waarvan adequaat kan worden omgegaan met dergelijke uiteenlopende perspectieven. Dit beleid moet worden vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en worden geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Deze procedures en maatregelen bestaan onder meer uit autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van het algemeen pensioenfonds. Tevens beschikt het algemeen pensioenfonds over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld. Hiermee is aangegeven, dat – op grond van de eigen risicobeoordeling – de bedoelde financiële waarborgen ter dekking van de onderkende risico’s hoger kunnen uitvallen dan de uitkomst conform het minimumvereiste zoals hieronder wordt beschreven. Van het algemeen pensioenfonds wordt in voorkomend geval derhalve verwacht dat het de uitkomst van de eigen risicobeoordeling als maatgevend beschouwt voor het niveau van het aan te houden weerstandsvermogen.

2.2 Vormgeving kapitaaleisen weerstandsvermogen

Een van de belangrijkste eisen aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds is dat het weerstandsvermogen het karakter heeft van «eigen vermogen». Het kan dus bijvoorbeeld niet bestaan uit een rekening courant of een soortgelijke voorziening.

De kapitaaleisen aan een weerstandsvermogen zijn opgenomen in artikel 40e van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en luiden als volgt:

  • 1. Er is een minimum eigen vermogen van € 500.000 indien het beheerd vermogen kleiner of gelijk is aan € 250 miljoen;

  • 2. Het eigen vermogen bedraagt ten minste 0,2 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen indien dat meer bedraagt dan € 250 miljoen, met een maximum van € 20 miljoen. Tevens dient het bestuur van een algemeen pensioenfonds te voorzien in de dekking van de aansprakelijkheidsrisico’s.

  • 3. Ter dekking van aansprakelijkheidsrisico’s kan naar keuze ofwel een percentage van 0,1 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen worden aangehouden ofwel een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BAV) gesloten worden of een vergelijkbare voorziening (bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie) getroffen worden. De beroepsaansprakelijkheidsrisico’s die onder de dekking van de BAV dienen te vallen, zijn risico’s op verlies of schade die worden veroorzaakt doordat een onder de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds functionerend persoon nalatig is bij de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor het algemeen pensioenfonds verantwoordelijk is.

Indien voor een BAV wordt gekozen, zal de polis een dekking moeten verlenen voor claims ter waarde van 0,75 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen, of zal er een vergelijkbare voorziening (onvoorwaardelijke garantstelling door een bank) moeten zijn. De BAV of vergelijkbare voorziening moet bovendien voorzien in dekking van 1 procent van het beheerd vermogen voor het totaal van de claims per jaar, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen.

Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste eenmaal per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomst nog in overeenstemming is met de gestelde eisen en voert die toetsing ook uit ingeval er zich een verandering voordoet die hierop van invloed is. Deze systematiek van de kapitaaleisen is de standaardwijze waarop in de Wet op het financieel toezicht en in Europese richtlijnen kapitaalseisen worden geformuleerd. Specifiek is aangesloten bij de kapitaaleisen die gelden voor een ppi.

De ppi kent elementen die ook onderdeel uitmaken van een algemeen pensioenfonds, zoals een werkkapitaal en een rangregeling. Weliswaar kan een ppi alleen de opbouwfase van een DC-regeling uitvoeren2 terwijl een algemeen pensioenfonds alle soorten pensioenregelingen kan uitvoeren, maar door middel van de eis dat de collectiviteitkringen in een algemeen pensioenfonds financieel afgescheiden zijn van andere collectiviteitkringen en de eis inzake het financieel afgescheiden weerstandsvermogen is al deels voorzien in mitigering van mogelijke risico’s. Voorts wordt nadrukkelijk beoogd, dat de kapitaaleisen voor het algemeen pensioenfonds geen te hoge drempel zullen opwerpen voor kleinere pensioenfondsen om zich aan te kunnen sluiten bij een algemeen pensioenfonds.

Uitgangspunt is dat er bij aanvang van de activiteiten van het algemeen pensioenfonds weerstandsvermogen is en dat dit vermogen doorlopend aanwezig moet zijn in het algemeen pensioenfonds. Met deze kapitaaleisen wordt tevens voorzien in een situatie waarin een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds wordt verkregen, terwijl de (beoogde) collectiviteitkringen nog leeg zijn. Voor de vergunning wordt vereist dat er, ondanks het ontbreken van «klanten» (onderbrengende werkgevers) op het moment van de vergunningaanvraag, een beheerste en integere bedrijfsvoering is ingericht. Daarbij hoort ook een minimaal vereist eigen vermogen in de vorm van een weerstandsvermogen om bedrijfsrisico’s op te kunnen vangen.

2.3 Onderbouwing hoogte kapitaaleisen

Het weerstandsvermogen wordt – met als minimumbedrag € 500.000 – uitgedrukt in een percentage van het beheerd vermogen en een verzekeringsdekking tegen beroepsaansprakelijkheidsrisico’s. Deze kapitaaleisen zijn dus gerelateerd aan de omvang van het vermogen dat een algemeen pensioenfonds onder beheer heeft en de daaraan gerelateerde bedrijfsrisico’s die worden gelopen. Immers, bedrijfsrisico’s nemen toe met de omvang van het beheerde vermogen. Daarom moet toe- of uittreding van een werkgever vertaald kunnen worden in een bedrijfsmatig risico en een kapitaaleis in verband met dat risico. Tegelijkertijd is deze relatie niet lineair. Bij een bepaald vermogen dat het algemeen pensioenfonds namens zijn klanten beheert, zullen de bedrijfsrisico’s slechts minimaal stijgen met het inbrengen van extra vermogen dat beheerd wordt. Het algemeen pensioenfonds heeft dan immers al voldoende weerstandsvermogen om substantiële bedrijfsrisico’s op te vangen. Om die reden is voorzien in een maximering van de grondslag voor de berekening van het benodigde weerstandsvermogen (in casu € 10 miljard).

Het onderbrengen van pensioenregelingen bij een algemeen pensioenfonds zal dus extra weerstandsvermogen vergen. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat dit in beginsel geen afbreuk mag doen aan de voor en door deelnemers opgebouwde pensioenaanspraken. Als dat wel het geval is kan de toezichthouder een verzoek tot collectieve waardeoverdracht van een pensioenfonds naar een collectiviteitkring in het algemeen pensioenfonds afwijzen, gezien de effecten op de dekkingsgraad en derhalve op de financiële waarborgen inzake de aanspraken van de pensioendeelnemers. De kosten van aansluiting en uittreding van een werkgever of van ontstaan of opheffen van een kring, mogen in beginsel niet ten laste komen van de collectiviteitkring.

Financiering van (de bijdrage aan) het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds uit de middelen ter dekking van de excassokostenvoorziening kan echter tot de mogelijkheden behoren. Een pensioenfonds dient altijd op basis van artikel 126 van de Pensioenwet en de uitwerking daarvan in artikel 2, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen een voorziening te treffen voor toekomstige (kasstromen die voortvloeien uit) kosten voor administratie, communicatie en het doen van uitkeringen3. Ook toekomstige kosten die samenhangen met de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, zoals die van bestuur en bestuursondersteuning, advies en controle, vallen hieronder. Dit betreft de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. Deze voorziening is een onderdeel van de technische voorziening en beoogt het pensioenfonds in staat te stellen om deze kosten in voorkomend geval geheel zelf te kunnen dragen. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook bij discontinuïteit van de bijdragende onderneming(en) het pensioenfonds de uitvoeringskosten dient te kunnen dragen. Een pensioenfonds hoeft er daarbij overigens niet van uit te gaan dat het daadwerkelijk zelf te allen tijde de pensioenverplichtingen afwikkelt. Het mag daarbij ook uitgaan van een toekomstig moment van overdracht (liquidatie) bijvoorbeeld vanwege omstandigheden zoals het opzeggen van de uitvoeringsovereenkomst of het bereiken van een bepaalde schaalgrootte. Een pensioenfonds houdt op grond van dit artikel 126, tweede lid, onderdeel c, de methode en de grondslag voor de berekening van de technische voorziening voor uitvoeringskosten – nadat de voorziening eenmaal met een gedegen onderzoek is vastgesteld – van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van veranderingen van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.

Omdat in dit kader ook het onderbrengen van de pensioenregeling bij een algemeen pensioenfonds een voorbeeld van bovenbedoelde veranderingen is, kan het pensioenfondsen toegestaan worden een eventuele bijdrage aan het weerstandsvermogen van een algemeen pensioenfonds (hetzij bij omvorming tot een algemeen pensioenfonds, hetzij bij het onderbrengen van de pensioenregeling bij een reeds bestaand algemeen pensioenfonds) vanuit vrijvallende middelen ter dekking van deze voorziening te financieren. Vaak wordt voor het berekenen van deze kostenvoorziening de zogeheten «excassomethode» gebruikt. Hierbij wordt de voorziening uitvoeringskosten vertaald in een opslag in de totale technische voorziening en wordt deze opslag tevens toegepast bij de nieuwe opbouw (toevoeging aan de voorziening) en de uitkeringen (vrijval van de voorziening). Het staat pensioenfondsen, in overleg met DNB, evenwel vrij om een andere methode te gebruiken.

Deze kostenvoorziening zal tot op zekere hoogte ook per collectiviteitkring in een algemeen pensioenfonds noodzakelijk zijn en blijven. Het pensioenfonds dient permanent aan DNB aan te kunnen tonen dat de aangehouden kostenvoorziening voldoende is ter dekking van de kosten in de hier bedoelde situatie. Indien er, in casu als gevolg van de aansluiting bij een algemeen pensioenfonds, teveel wordt ingeteerd op deze kostenvoorziening, dient aangetoond te worden hoe binnen een periode van uiterlijk vijf jaar deze kostenvoorziening weer op peil wordt gebracht.

Daarnaast zal nader worden bezien of – in de context van de hoogte van de kostendekkende premie (artikel 128 van de Pensioenwet) – de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het pensioenfonds (eerste lid, sub c), eveneens op een doelmatige en prudente wijze kan worden ingezet voor de financiering van (de bijdrage aan) het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds.

Het bedrag van € 500.000 aan minimum eigen weerstandsvermogen is naar verwachting voldoende om de risico’s, ook in de opstartfase van het algemeen pensioenfonds, te dekken. Tegelijkertijd is dit bedrag zoals aangegeven in paragraaf 2.2, naar verwachting niet prohibitief voor kleinere toetredende pensioenfondsen, te meer omdat pensioenfondsen zoals hierboven beschreven ten dele en onder voorwaarden gebruik mogen maken van de kostenvoorzieningen en -opslagen voor toekomstige uitvoeringskosten.

Het percentage van 0,2 procent (of 0,3% indien hiervoor als alternatief voor de BAV wordt gekozen) van de waarde van het beheerd pensioenvermogen wordt berekend over het volledige pensioenvermogen vanaf € 250 miljoen en is – voor zover het basisbedrag overstijgend – aanvullend op het basisbedrag van € 500.000.

Omdat vanwege het ontbreken van ervaringscijfers een meer precieze kalibratie van risico’s thans niet mogelijk is, worden deze maatregelen voorgesteld, vooruitlopend op een meer geavanceerd risicomodel voor algemene pensioenfondsen dat kan worden ontwikkeld wanneer door DNB gedurende langere tijd ervaring zal zijn opgedaan met deze nieuwe pensioenuitvoerders. Naar verwachting zal deze ervaring in enkele jaren kunnen worden opgedaan.

Zoals aangegeven zijn de genoemde bedragen en percentages gebaseerd op de ervaringen die zijn opgedaan met de introductie van de ppi. Voor de ppi gold in eerste instantie een bedrag van € 225.000 als minimaal vereist eigen vermogen. Met het Wijzigingsbesluit financiële markten 2013 is dit naar aanleiding van opgedane ervaringen met de ppi gewijzigd in een bedrag van € 500.000 als minimaal vereist eigen vermogen in combinatie met een toetsingsvermogen dat 0,2 procent van de waarde van het totale beheerde pensioenvermogen bedraagt en (naar keuze) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BAV) of een aanvulling op het toetsingsvermogen van 0,1 procent van de waarde van het totale beheerde pensioenvermogen ter dekking van aansprakelijkheidsrisico’s.

3. Afspraken over kosten en kwaliteit van dienstverlening in de uitvoeringsovereenkomst

Bij een algemeen pensioenfonds is – anders dan bij andere pensioenfondsen – sprake van een goederenrechtelijke scheiding van vermogens voor afzonderlijke collectiviteitkringen. Door deze afscheiding van pensioenvermogens is er binnen het algemeen pensioenfonds naast een afgescheiden vermogen per collectiviteitkring ook een separaat weerstandsvermogen voor het algemeen pensioenfonds als geheel. Voor een adequate bescherming van de verschillende pensioenvermogens is naast de goederenrechtelijke scheiding ook een sluitende regeling met betrekking tot de kosten die op die pensioenvermogens kunnen worden verhaald noodzakelijk. Omdat iedere kring financieel gescheiden is en daarop een eigen financieel toetsingskader van toepassing is, mogen de kosten tussen de kringen nooit in elkaar overlopen. Voorkomen moet worden dat kosten worden verhaald op een pensioenvermogen terwijl die kosten geen verband houden met de uitvoering van een pensioenregeling.

Dit betekent dat in de uitvoeringsovereenkomst volledig en duidelijk gespecificeerd, moet zijn vastgelegd welke kosten (i) verband houden met de uitvoering van een pensioenregeling en, in het verlengde daarvan, (ii) ten laste komen van een afgescheiden vermogen behorend bij een collectiviteitkring

In de uitvoeringsovereenkomst zal onder andere de methodiek waarmee een algemeen pensioenfonds met meer dan één collectiviteitkring kosten toerekent aan de collectiviteitkringen moeten worden beschreven. Deze allocatiemethodiek dient op grond van artikel 10c, tweede en derde lid, vastgelegd te zijn en moet reproduceerbaar en uitlegbaar zijn. Kosten dienen logisch voort te komen of te herleiden zijn tot de afzonderlijke collectiviteitkringen.

Een adequate doorberekening van de uitvoeringskosten naar de verschillende collectiviteitkringen is noodzakelijk, om herverdelingseffecten tussen collectiviteitkringen/pensioenregelingen te voorkomen en transparant de kosten en opbrengsten te kunnen toerekenen aan de specifieke beleggingsmix die de werkgevers ten behoeve van collectiviteitkringen/pensioenregelingen zijn overeengekomen met het algemeen pensioenfonds.

Kostenclassificatie

Bij de classificatie van de uitvoeringskosten zal het algemeen pensioenfonds in ieder geval onderscheid moeten maken tussen:

  • 1. Administratieve uitvoeringskosten (pensioenbeheer).

  • 2. Vermogensbeheerskosten.

  • 3. Transactiekosten.

Deze kostenclassificatie sluit aan bij de kostencategorieën die sinds 1 januari 2015 zijn omschreven in artikel 45a van de Pensioenwet ter invulling van de verplichting van pensioenfondsen om hun kosten voor het administratieve pensioenbeheer en het vermogensbeheer in het bestuursverslag te publiceren. Dit is nader uitgewerkt in artikel 10a en 10b van het Besluit uitvoering.

Een algemeen pensioenfonds zal bovendien mogelijk kosten in verband met de uitvoering van de pensioenregelingen in een collectiviteitkring in rekening willen brengen die gezien hun aard niet onder te brengen zijn in bovengenoemde categorieën 1 tot en met 3.

Gedacht kan worden aan loonkosten van personeel, huurlasten die verband houden met de gebruikte kantoorruimte en kosten in verband met de aanschaf van kantoormaterieel, maar ook aan kosten van door het algemeen pensioenfonds uitbestede diensten, indien deze kosten niet reeds zijn toegerekend aan de bovengenoemde categorieën 1 tot en met 3. In de uitvoeringsovereenkomst zal moeten worden vastgelegd hoe deze kosten verband houden met de uitvoering van de betreffende pensioenregeling, d.w.z. welk deel van deze kosten die door het algemeen pensioenfonds worden gemaakt wordt toegerekend aan de betreffende pensioenregeling. Vorderingen van werknemers, verhuurders van kantoorruimte en leveranciers van kantoormaterieel en kosten van uitbesteding kunnen door het algemeen pensioenfonds uit de door haar verkregen inkomsten worden voldaan. Deze werknemers, verhuurders, leveranciers en uitvoerders van uitbestede diensten hebben geen rechtstreekse vordering op de bij de collectiviteitkringen behorende afgescheiden vermogens.

Een sluitende regeling met betrekking tot kosten die in mindering worden gebracht op het vermogen per collectiviteitkring biedt de werkgever die met dit algemeen pensioenfonds een uitvoeringsovereenkomst wil aangaan vooraf inzicht. Dit inzicht helpt onder meer bij het vaststellen van de risicohouding voor het beleggingsbeleid, ook in relatie tot de beoogde ambitie van de pensioenuitkeringen en de premiestelling.

Toezichthouders

DNB en AFM zullen zich in hun toezicht op het algemeen pensioenfonds met betrekking tot de kosten richten op twee invalshoeken, DNB vanuit het perspectief van een beheerste en integere bedrijfsvoering en de AFM vanuit het perspectief van de informatievoorziening aan de deelnemers en het publiek. Een belangrijk aspect van het toezicht is de toetsing of er sprake is van een volledige vermelding van alle kosten. Tevens zullen zij toetsen of de uitleg over de te maken en gemaakte kosten adequaat is, mede in relatie tot de afweging over risico’s en rendementen. Beide facetten zijn noodzakelijk voor een beheerste en integere bedrijfsvoering en een duidelijke en correcte communicatie richting pensioendeelnemers.

4. Regeldruk

De inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten die samenhangen met het opzetten en uitvoeren van een algemeen pensioenfonds, vormen gezamenlijk de kosten die samenhangen met regeldruk. De regering heeft in het regeerakkoord aangegeven de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals terug te willen dringen.

Administratieve kosten zijn de kosten die burgers en bedrijven moeten maken om te voldoen aan de informatieverplichtingen, die voortvloeien uit de wet- en regelgeving van de overheid. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie, die door de overheid wordt verlangd. De inhoudelijke nalevingskosten zijn de kosten die gemaakt worden om aan de inhoudelijke eisen van de wet- en regelgeving te voldoen.

Dit besluit heeft alleen betrekking op bedrijven. Voor burgers zijn geen verplichtingen opgenomen.

Voor de berekening van de regeldruk wordt aangenomen dat er de komende jaren 10 algemene pensioenfondsen actief zullen zijn in Nederland en dat elk algemeen pensioenfonds een beheerd vermogen van € 10 miljard heeft. Alle algemene pensioenfondsen tezamen hebben dan € 100 miljard beheerd vermogen.

Weerstandsvermogen

Allereerst dient de vergunningaanvrager aan te tonen over een weerstandsvermogen te beschikken. Daarbij moet worden voldaan aan de eisen die in dit besluit zijn gesteld. Dit aan te houden weerstandsvermogen leidt voor de betrokken marktpartijen tot extra kosten. Het aan te houden vermogen mag immers niet worden gebruikt ter belegging, maar moet worden aangehouden in liquide vorm. Voor zover dit vermogen niet rendeert, kwalificeren de hieruit voortvloeiende kosten als nalevingskosten.

In de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Wijzigingswet Financiële Markten 20134 is voor de ppi er van uitgegaan dat het ongerealiseerde rendement jaarlijks 4 procent betreft (namelijk 6 procent verwacht rendement minus 2 procent depositorente) van het extra aan te houden vermogen.

Het weerstandsvermogen is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • Er is een minimum eigen vermogen van € 500.000 indien het beheerd vermogen kleiner of gelijk is aan € 250 miljoen;

  • Het eigen vermogen bedraagt ten minste 0,2 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen indien dat meer bedraagt dan € 250 miljoen, met een maximum van € 20 miljoen.

  • Ter dekking van aansprakelijkheidsrisico’s kan naar keuze ofwel een percentage van 0,1 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen worden aangehouden ofwel een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BAV) gesloten worden of een vergelijkbare voorziening (bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie) getroffen worden.

Met betrekking tot het eigen vermogen bedragen de nalevingskosten 0,008 procent van het beheerd vermogen (4 procent ongerealiseerd vermogen maal 0,2 procent). Bij een beheerd vermogen van 100 miljard van alle algemene pensioenfondsen bedragen de nalevingskosten € 8 miljoen.

Ten aanzien van het extra aanvullend vermogen ter dekking van aansprakelijkheidsrisico’s bedragen de nalevingskosten 0,004 procent van het beheerd vermogen (4 procent ongerealiseerd vermogen maal 0,1 procent). Bij een beheerd vermogen van € 100 miljard voor alle algemene pensioenfondsen tezamen bedragen de nalevingskosten € 4 miljoen5.

Een algemeen pensioenfonds dient tijdens de vergunningaanvraag aan te tonen over een weerstandsvermogen te beschikken. Het benodigde weerstandsvermogen hangt samen met het beheerde pensioenvermogen. Dit kan wijzigen als gevolg van bijvoorbeeld toe- en uittreding van werkgevers. Om die reden zal het algemeen pensioenfonds een procedure moeten inrichten om (in ieder geval in die gevallen) de toezichthouder te rapporteren over het weerstandsvermogen. De procedure hiervoor zal eenmalig moeten worden ingericht. Dit veroorzaakt naar verwachting eenmalig een administratieve last bij het inrichten van de procedures, ter grootte van 40 uur x € 54 per algemeen pensioenfonds x 10 algemene pensioenfondsen = € 21.600, en een structurele administratieve last ter grootte van 4 uur x € 54 per algemeen pensioenfonds x 10 algemene pensioenfondsen = € 2.160.

Ook zullen er administratieve lasten zijn met betrekking tot de jaarverslaggeving. De administratieve lasten hangen sterk samen met de specifieke situatie van een collectiviteitkring. In het algemeen kan gesteld worden dat er sprake kan zijn van licht stijgende administratieve lasten maar dat deze lasten kunnen worden geneutraliseerd door samenwerking. Eveneens is de verplichting om in een modeluitvoeringsoverkomst een uitsplitsing van de categorieën administratieve uitvoeringskosten, vermogensbeheerkosten en transactiekosten te maken neutraal qua regeldruk. Deze verplichting geldt immers al sinds 1 januari 2015.

Naar verwachting zal de regeldruk in het regulier toezicht, anders dan Actal verwacht, niet verminderen. Het is in dat kader van belang te onderkennen dat er onderscheid is tussen de beoordeling van DNB van een vergunningaanvraag en het lopend toezicht op een algemeen pensioenfonds nadat een vergunning is verleend. Bij vergunningverlening worden met name gegevens beoordeeld op het niveau van het algemeen pensioenfonds en in concept de standaard documenten die betrekking hebben op de collectiviteitkringen. In het lopend toezicht wordt de taak van DNB uitgebreider: DNB ziet dan niet alleen toe op onder meer de continuïteit, governance en het «in control» zijn op het niveau van de instelling algemeen pensioenfonds, maar tevens op de afzonderlijke collectiviteitkringen die aan het nieuwe financiële toetsingskader moeten voldoen. Dit betreft een wezenlijk andere taak met daardoor ook andere werkzaamheden dan de beoordeling van een vergunningaanvraag. In het traject van de vergunningverlening dienen vergunningaanvragers aan te tonen dat zaken (in opzet) op orde zijn. De mogelijke extra inspanningen die oprichters hiervoor zullen moeten doen, kunnen mogelijk leiden tot een soepelere opstart van contacten tussen de vergunninghouder en de toezichthouder in het lopende toezicht. In die zin kunnen de inspanningen zich terugverdienen. Bij de vergunningverlening wordt beoordeeld of het algemeen pensioenfonds in opzet aan de vergunningvereisten voldoet, maar uiteindelijk zal de werking hiervan pas in het lopend toezicht kunnen worden getoetst. Er mag immers pas gestart worden met het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds, wanneer een vergunning is verleend.

DNB heeft zowel bij de vergunningstraject van het algemeen pensioenfonds als bij het regulier toezicht op (algemene) pensioenfondsen aandacht voor regeldruk die het toezicht met zich meebrengt. Daar waar mogelijkheden zijn om het toezicht met dezelfde waarborgen te omkleden en tegelijkertijd vermindering van de regeldruk te realiseren, zal DNB dat in overweging nemen.

5. Ontvangen adviezen

Van 7 mei 2015 tot 4 juni 2015 heeft een internetconsultatie plaatsgevonden van het ontwerpbesluit algemeen pensioenfonds. Op deze internetconsultatie zijn in het totaal 17 reacties binnengekomen. De regering is alle burgers en partijen erkentelijk voor hun inzendingen.

De internetconsultatie heeft geleid tot een enkele inhoudelijke wijziging van het besluit: aangegeven is dat gewerkt mag worden met een modelpensioenreglement indien het algemeen pensioenfonds nog geen definitief pensioenreglement kan overleggen. Dit is noodzakelijk in verband met het kunnen oprichten van een «leeg» algemeen pensioenfonds.

Daarnaast is de toelichting ten aanzien van het weerstandsvermogen verhelderd.

Het ontwerpbesluit is op 13 juli 2015 aan Actal verzonden voor een toets. In haar advies van 23 juli 2015 geeft Actal aan dat het algemeen pensioenfonds de potentie heeft om regeldruk direct en indirect te verminderen.

Actal adviseert de toelichting van het besluit aan te vullen met een beschrijving van de regeldruk op een drietal punten. Dat advies is in het besluit verwerkt.

Tot slot zij er op gewezen dat onderhavige besluit in hoge mate betrekking heeft op de vergunningsvereisten. De invulling van de regelgeving met betrekking tot de vergunningsvereisten vergt uiteraard deskundigheid en kennis van de toezichtspraktijk. Mede daarom is bij de totstandkoming van het besluit intensief overleg gevoerd met De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Artikel 10c

De reden waarom in een uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds inzicht geboden moet worden in de totale uitvoeringskosten en deze uitgesplitst moeten worden in de genoemde drie categorieën is toegelicht in paragraaf 3.

De begrippen administratieve uitvoeringskosten, kosten voor vermogensbeheer en transactiekosten worden ook gebruikt in artikel 10a en 10b van het Besluit uitvoering en daarin is ook aangegeven wat daaronder wordt verstaan. Deze artikelen zijn een nadere uitwerking van artikel 45a van de Pensioenwet voor het algemeen pensioenfonds.

Op grond van het tweede lid worden de overige uitvoeringskosten op basis van een vaste, dat wil zeggen een vooraf bepaalde, verdeelsleutel toebedeeld.

De in het derde lid opgenomen eis inzake duidelijke specificatie van de kosten houdt in dat inzicht geboden moet worden in de wijze waarop de vaststelling van de kosten plaats vindt.

Met betrekking tot de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb) kan worden opgemerkt dat artikel 4a van die wet bepaalt welke bepalingen van de Wvb van toepassing zijn bij uitvoering door een algemeen pensioenfonds. Artikel 35 van de Wvb bepaalt welke eisen gelden voor een uitvoeringsovereenkomst en op grond van artikel 4a, tweede lid, onderdeel b en c, van de Wvb is net als met betrekking tot de Pensioenwet bepaald wat er in de uitvoeringsovereenkomst met betrekking tot de daar genoemde kosten geregeld moet zijn. Artikel 25, eerste lid, onderdeel j en k, van de Pensioenwet komen inhoudelijk overeen met artikel 4a, tweede lid, onderdeel b en c.

Artikel 10d

Bij diensten die door een algemeen pensioenfonds worden uitgevoerd moet gedacht worden aan onder andere besturingstaken, in- en excassowerkzaamheden en vermogensbeheer.

Afspraken over de kwaliteit van dienstverlening kunnen vorm gegeven worden door bijvoorbeeld aan te sluiten bij governance standaarden, ISO-normen of NEN-normen. Het is belangrijk dat de kwaliteit van de dienstverlening objectief toetsbaar is.

Met betrekking tot de Wvb kan worden opgemerkt dat de inhoud van artikel 25, eerste lid, onderdeel l, van de Pensioenwet overeenkomt met artikel 4a, tweede lid, onderdeel d, van de Wvb.

Artikel I, onderdeel B

In artikel 36 van het Besluit uitvoering, waarin toedeling van toezichthoudende taken aan DNB en AFM is opgenomen, is de verdeling van toezichthoudende taken op grond van de Wvb in overeenstemming gebracht met de verdeling op grond van de Pensioenwet, zoals die gewijzigd is in het Besluit van 24 juni 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de Wet pensioencommunicatie.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 40b

In paragraaf 1.2 al aangegeven dat voor de termijn in de vergunningsprocedure aangesloten wordt bij de Wet op het financieel toezicht.

De tekst van het eerste lid is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft (hierna het Besluit Markttoegang Wft).

De tekst van het tweede lid komt inhoudelijk overeen met artikel 1:102, zesde lid, van de Wet op het financieel toezicht.

De tekst van het derde lid komt inhoudelijk overeen met artikel 1:102, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Het vierde lid is opgenomen om te waarborgen dat de AFM tijdens het traject van vergunningverlening als gedragstoezichthouder kan beoordelen of aan de betreffende bepalingen in de Pensioenwet is voldaan en daarover DNB kan adviseren.

De tekst van het vijfde lid komt inhoudelijk overeen met artikel 3, eerste lid, van het Besluit Markttoegang Wft.

Artikel 40c

In paragraaf 1.1 is aangegeven welke informatie in het kader van de vergunningaanvraag moet worden verstrekt. Dat is uitgewerkt in het onderhavige artikel.

Eerste lid

De gegevens die op grond van dit artikel moeten worden verstrekt lijken inhoudelijk op de gegevens die op grond van artikel 31f van het Besluit Markttoegang Wft moeten worden verstrekt wanneer een vergunning wordt aangevraagd voor het uitoefenen van het bedrijf van een ppi.

Er zitten wel enkele verschillen in de opsomming. Een algemeen pensioenfonds moet altijd een stichting zijn en daarom is het niet nodig de rechtsvorm te vermelden. Een algemeen pensioenfonds heeft, anders dan een ppi, geen handelsnaam.

Daarnaast zijn er enkele verschillen die verband houden met het feit dat de ppi in de Wet op het financieel toezicht is geregeld en het algemeen pensioenfonds in de Pensioenwet.

Zo houdt onderdeel g verband met artikel 106a van de Pensioenwet, maar geldt voor een ppi geen vergelijkbare bepaling.

Onderdeel d vereist het overleggen van een gewaarmerkt exemplaar van de statuten. Op grond van artikel 123, tweede lid, Pensioenwet moet daarin de werkingsfeer van de collectiviteitkring zijn vastgelegd en moeten daarin de pensioenregelingen zijn omschreven evenals de uitvoeringsovereenkomsten.

Onderdeel h (beschrijving besturing en toezicht mede in relatie tot voorziene collectiviteitkringen) is een nieuwe eis.

Voor het algemeen pensioenfonds gelden eisen inzake het weerstandsvermogen (zie onderdeel k). De eisen inzake het weerstandsvermogen zijn verder uitgewerkt in artikel 40e.

Op grond van artikel 14 van het Besluit uitvoering gelden eisen met betrekking tot de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden. In verband hiermee is onderdeel l opgenomen.

Onderdeel m (beheerste en integere bedrijfsvoering) is vergelijkbaar met artikel 31f, eerste lid, onderdeel k, van het Besluit Markttoegang Wft. Zoals in paragraaf 1.1 is aangegeven is de informatie die op grond van dit onderdeel verstrekt moet worden uiteraard van belang voor de DNB, maar ten dele ook voor AFM die deze informatie nodig heeft in het kader van haar adviesbevoegdheid.

Onderdeel n, o en p zijn nieuw en houden verband met het bijzondere karakter van het algemeen pensioenfonds.

Tweede lid

De hier gegeven opsomming van gegevens komt overeen met die in artikel 31f, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Markttoegang Wft.

Derde lid

De hier gegeven opsomming van gegevens komt overeen met de opsomming in artikel 31f, derde lid, van het Besluit Markttoegang Wft.

Vierde lid

De tekst van dit lid is deels gebaseerd op artikel 31g van het Besluit Markttoegang Wft.

Artikel 40d

De tekst van het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 1:104, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

De tekst van het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 1:104, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 40e

De in dit artikel opgenomen vereisten met betrekking tot het weerstandsvermogen zijn al toegelicht in paragraaf 2.2 en 2.3 van het algemeen deel van de toelichting.

Het in het eerste lid opgenomen bedrag van € 500.000 komt overeen met het minimumbedrag aan eigen vermogen dat voor een ppi is opgenomen in artikel 48, eerste lid, onderdeel p, van het Besluit prudentiële regels Wft.

Het weerstandsvermogen is afhankelijk van het beheerd pensioenvermogen en bedraagt ten minste 0,2 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, maar er geldt een minimum van € 500.000 indien het pensioenvermogen gelijk is of kleiner is dan € 250 miljoen. Het bedrag van € 500.000 is gelijk aan 0,2% van € 250 miljoen.

Wanneer het beheerd pensioenvermogen groter is dan € 250 miljoen, geldt voor het weerstandsvermogen dat het 0,2% van het beheerd pensioenvermogen moet zijn, maar geldt er met betrekking tot het vereiste weerstandsvermogen een maximum van € 20 miljoen. Dat betekent dat wanneer het beheerd pensioenvermogen méér bedraagt dan € 10 miljard, het vereiste weerstandsvermogen toch gelijk blijft aan € 20 miljoen.

In het tweede lid wordt voor de omschrijving van de noodzakelijke dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering aangesloten bij artikel 63a, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit prudentiële regels Wft waarin het toetsingsvermogen van een ppi is omschreven.

In het vierde lid wordt voor de samenstelling van het weerstandsvermogen aangesloten bij de eisen die met betrekking tot het eigen vermogen zijn opgenomen in de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Artikel I, onderdeel D

Artikel 51a waarin de beboetbare artikelen zijn opgenomen, is in het eerste lid aangepast in verband met de wijziging van artikel 176, eerste lid, van de Pensioenwet op grond van de Wet algemeen pensioenfonds. Het vierde lid is aangepast in verband met de Wet pensioencommunicatie in aanvulling op de wijzigingen die al waren opgenomen in het Besluit van 24 juni 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de Wet pensioencommunicatie.

Artikel II

Bij de vergunningaanvraag moet het algemeen pensioenfonds op grond van artikel 40c, eerste lid, onderdeel i, een beschrijving overleggen van de wijze waarop de scheiding tussen de afgescheiden vermogens per collectiviteit wordt gewaarborgd. Het is belangrijk dat deze eis ook nog na afgifte van de vergunning, dus doorlopend, blijft gelden. Daarom is het vierde lid toegevoegd aan artikel 18 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Artikel III

Ter gelegenheid van de inwerkingtreding van de verordening kapitaalvereisten voor banken en beleggingsondernemingen met ingang van 1 augustus 2014 zijn ook de eisen aan de vermogensbestanddelen waaruit een minimumbedrag aan eigen vermogen van een ppi of pensioenbewaarder moet bestaan, aangepast. Deze eisen blijken thans te rigide voor ppi’s en pensioenbewaarders die de vorm van een stichting hebben. In de verordening kapitaalvereisten zijn in de artikelen 27 en 29 alternatieve eisen aan vermogensbestanddelen opgenomen voor het minimumbedrag aan eigen vermogen dat banken en beleggingsondernemingen moeten aanhouden die de vorm hebben van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Die eisen zijn eveneens geschikt voor ppi’s en pensioenbewaarders die de vorm hebben van een stichting. Deze eisen worden daarom van overeenkomstige toepassing op ppi’s en pensioenbewaarders verklaard. Vanwege de verwijzing in artikel 27, eerste lid, onderdeel b, naar artikel 29 van de verordening kapitaalvereisten worden de normen die volgen uit laatstgenoemd artikel eveneens relevant voor ppi’s en pensioenbewaarders in de vorm van een stichting. Bij bewaarders van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve beleggingen in effecten (icbe) die de vorm hebben van een stichting kan zich eenzelfde problematiek voordoen. Derhalve wordt ook voor deze bewaarders bepaald dat de vermogensbestanddelen waaruit het minimumbedrag aan eigen vermogen dat zij moeten aanhouden moet bestaan, dient te worden beoordeeld conform de artikelen 27 en 29 van de verordening kapitaalvereisten. Het is wenselijk dat deze wijziging daarom op zo kort mogelijke termijn in werking treedt.

Artikel IV

In dit artikel wordt een wijzigingsopdracht in het Besluit van 24 juni 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de Wet pensioencommunicatie gecorrigeerd.

Artikel V

Voor de inwerkingtreding van dit besluit is aangesloten bij de inwerkingtreding van de Wet algemeen pensioenfonds.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken I 2014/15, 34 117, A

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 32 043, nr. 192.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2011/12, 33 236, nr. 8.

X Noot
5

Het aanvullend vermogen ter dekking van aansprakelijkheidsrisico’s kan eventueel worden vervangen door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of daarmee vergelijkbare voorziening met een jaarlijkse dekking ter grootte van 1 procent van het beheerde vermogen, met een maximum dekking van € 25 mln per jaar. Voor de berekening van de regeldrukeffecten is gekozen voor een percentage van 0,1 procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven