Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2015, 536AMvB

Besluit van 17 december 2015, houdende nadere regels omtrent de weigering en terugvordering van kinderbijslag BES op grond van de Wet kinderbijslagvoorziening BES (Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2015, nr. 2015-0000306775;

Gelet op de artikelen 16 en 21, tweede lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2015, No. W12.15.0418/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2015, nr. 2015-0000306771;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALING

Artikel 1. Algemene begrippen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet:

de Wet kinderbijslagvoorziening BES;

b. maatregel:

de tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van de kinderbijslag BES, bedoeld in artikel 16 van de wet.

HOOFDSTUK 2. MAATREGEL

Artikel 2. Besluit oplegging maatregel

Een besluit tot oplegging van een maatregel wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor het opleggen van deze maatregel, alsmede de hoogte en duur van de maatregel.

Artikel 3. Hoogte en duur

  • 1. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden.

  • 2. De hoogte en duur van een maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 procent bedraagt van het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind, vastgesteld op:

    • a. ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten minste één maand indien:

      • 1°. de rechthebbende binnen de vastgestelde termijn niet of niet behoorlijk gevolg geeft aan een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet;

      • 2°. de rechthebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet niet of niet behoorlijk opvolgt of geen of onvoldoende medewerking verleent aan Onze Minister als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet.

    • b. een gehele of gedeeltelijke weigering van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten hoogste drie maanden indien de rechthebbende zich niet onthoudt van zeer ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES in aanmerking genomen waarop op grond van de wet recht bestaat ten behoeve van het kind of de kinderen ten aanzien van wie de overtreding is begaan.

  • 4. Indien aan de rechthebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de datum van het besluit opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen wordt het minimumbedrag, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, alsmede het percentage van de op te leggen maatregel, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, met 50 procent verhoogd.

Artikel 4. Afzien opleggen maatregel

  • 1. Onze Minister kan afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag toekennen van kinderbijslag BES, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de rechthebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 2. Onze Minister kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 5. Samenloop

Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer dan één verplichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en het niet of niet behoorlijk nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak wordt slechts één maatregel opgelegd. Hierbij wordt de zwaarste maatregel opgelegd.

HOOFDSTUK 3. TERUGVORDERING

Artikel 6. Besluit tot terugvordering

  • 1. Een besluit tot terugvordering van kinderbijslag BES wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor terugvordering, hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.

  • 2. Degene van wie kinderbijslag BES wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de informatie te verstrekken die voor terugvordering van belang kan zijn.

Artikel 7. Afzien van terugvordering

  • 1. Onze Minister kan afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 2. Onze Minister kan afzien van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag minder dan USD 50 bedraagt.

Artikel 8. Verrekenen

Indien degene van wie kinderbijslag BES wordt teruggevorderd kinderbijslag BES ontvangt, kan het besluit tot terugvordering door Onze Minister ten uitvoer worden gelegd door verrekening van de ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag BES met de nog te betalen kinderbijslag BES.

Artikel 9. Verhoging terug te vorderen bedrag

Bij gebreke van tijdige betaling kan het terug te vorderen bedrag worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 11. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 december 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Uitgegeven de vierentwintigste december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Met ingang van 1 januari 2016 is voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de Wet kinderbijslagvoorziening BES van kracht geworden. In die wet is geregeld dat alle in Caribisch Nederland ingezeten ouders en verzorgers voor hun ingezeten tot hun huishouden behorende kinderen onder de 18 jaar een tegemoetkoming voor de kosten van levensonderhoud van de kinderen ontvangen, in de vorm van kinderbijslag BES. Uitwerking in voorliggend besluit is nodig om aanvullende regels te stellen omtrent enkele onderwerpen, waardoor de uitvoerder van de kinderbijslagvoorziening BES corrigerend en handhavend op kan treden.

Het eigen karakter van de wet die, zoals in de memorie van toelichting is beschreven1, eenvoudig is, werkt met name door in de in deze algemene maatregel van bestuur opgenomen regels over de hoogte en duur van de maatregel.

2. Maatregel

Bij het streven enerzijds naar eenvoud in de uitvoering en anderzijds naar maatregelen waarbij de hoogte en de duur zijn afgestemd op de ernst van de gedraging, is in dit besluit op enkele punten afgeweken van de regels die gelden voor het Europese gedeelte van Nederland, zoals opgenomen in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Zo vallen in het onderhavige besluit het overtreden van de informatie- en medewerkingsplicht binnen één categorie en is bij de hoogte van de maatregel enkel een bovengrens vastgesteld in plaats van een bandbreedte. Voor het overige is bijna direct aangesloten bij het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.

Voorliggend besluit onderscheidt twee categorieën van maatregelen die kunnen worden opgelegd. De eerste categorie betreft het overtreden van de informatie- of medewerkingsplicht. Voor deze overtredingen geldt dat een maatregel van ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES kan worden opgelegd voor de duur van ten minste één maand. Het maximale percentage van 30 procent komt overeen met de bovengrens zoals die in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is vastgesteld voor maatregelen met betrekking tot overtreding van de informatie- of medewerkingsplicht. De minimumduur van één maand komt overeen met de ondergrens zoals die in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten voor dergelijke overtredingen is vastgesteld.

De tweede categorie betreft de gevallen waarin er sprake is van een zeer ernstige misdraging door de rechthebbende jegens de minister en zijn medewerkers. De regering acht dergelijke zeer ernstige misdragingen ontoelaatbaar. In principe biedt het strafrecht hiervoor het geëigende kader, maar de regering wil hier ook consequenties voor het recht op kinderbijslag BES aan verbinden. Daarom is de regering van oordeel dat dergelijke misdragingen altijd moeten leiden tot een adequate maatregel. Onder zeer ernstige misdragingen moeten diverse vormen van agressie of geweld worden verstaan, waarbij sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag jegens de minister en zijn medewerkers, dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. De regering tekent hierbij aan dat onder een zeer ernstige misdraging in elk geval dient te worden verstaan elke vorm van ongewenst dan wel agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder vallen bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon en het gebruik van steek- en/of slagwapens. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, alsmede het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm, wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen hebben, zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens, alsmede (pogingen tot) opsluiting in een ruimte, zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. De minister kan besluiten een gehele of gedeeltelijke weigering van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten hoogste drie maanden op te leggen, indien de rechthebbende zich niet onthoudt van ernstige misdragingen.

Het is aan de minister om met inachtneming van de ernst van de gedraging en de mate waarin de gedraging de rechthebbende verweten kan worden, de precieze hoogte en duur van de maatregel vast te stellen.

Bij het opleggen van een maatregel wordt een minimumbedrag in acht genomen. De regering acht het verbinden van een minimumbedrag aan de hoogte van de maatregel zowel vanuit preventief als repressief oogpunt wenselijk. Preventief omdat een maatregel een voldoende afschrikkende werking moet hebben. Rechthebbenden moeten zich ervan bewust zijn dat zij gewijzigde feiten en omstandigheden tijdig dienen door te geven en mee moeten werken aan controles. Het repressieve karakter van de maatregel is met name van belang bij het corrigeren van ernstige misdragingen. De minimale hoogte van de op te leggen maatregel bedraagt 25 procent van het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind.

Recidive of herhaaldelijke recidive van overtreding van in dit besluit genoemde verplichtingen kan reden zijn voor een verhoging van ten hoogste 50 procent van de maatregel die bij een eerste overtreding zou zijn opgelegd. Recidive is volgens de regering een verzwarende omstandigheid, die het opleggen van een zwaardere maatregel rechtvaardigt.

Indien er sprake is van overtreding van meerdere verplichtingen die voortkomen uit één oorzaak acht de regering het niet proportioneel om meer dan één maatregel op te leggen.

Indien het niet tijdig nakomen van de informatieplicht niet heeft geleid tot een ten onrechte of tot een te hoog uitbetaald bedrag aan kinderbijslag BES kan de minister volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing in plaats van het opleggen van een maatregel. De minister heeft hierin een eigen afwegingsbevoegdheid.

De minister kan tevens afzien van het opleggen van bovenstaande maatregelen indien daar dringende redenen voor zijn. Deze uitzondering ziet op incidentele gevallen waarbij een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moet plaatsvinden. Hierbij kunnen zowel financiële als andersoortige redenen een rol spelen.

3. Terugvordering

Als sprake is van onterecht uitbetaalde kinderbijslag BES is de minister bevoegd de ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag BES terug te vorderen van degene aan wie die kinderbijslag BES is uitbetaald. De minister kan evenzeer besluiten af te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn of als het terug te vorderen bedrag minder dan 50 USD bedraagt. Met betrekking tot dit laatste geldt dat in de regel wordt teruggevorderd. De minister kan daar echter van afzien, indien (verdere) terugvordering niet mogelijk of ondoelmatig is.

De minister kan besluiten over te gaan tot verrekening van de ten onrechte ontvangen kinderbijslag BES indien de rechthebbende kinderbijslag BES ontvangt. De verrekening van de ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag BES wordt gedaan met de nog te betalen kinderbijslag BES.

4. Regeldruk

Er worden geen extra administratieve lasten voorzien voor de rechthebbenden anders dan aangegeven in de memorie van toelichting bij de wet.2

5. Consultatie

De bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba hebben geen opmerkingen gemaakt over de inhoud van dit besluit.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Algemene begrippen

Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen.

Artikel 2. Besluit oplegging maatregel

Dit artikel bevat enkele algemene regels omtrent het besluit tot oplegging van een maatregel. Op grond van dit artikel moet een dergelijk besluit schriftelijk aan de rechthebbende worden meegedeeld. Het besluit vermeldt in ieder geval de navolgende informatie. Allereerst moet worden aangegeven welke verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, zodat voor de rechthebbende duidelijk is waarom de maatregel wordt opgelegd. Daarnaast moeten de hoogte en duur van de maatregel in het besluit worden vermeld, zodat de precieze inhoud van de opgelegde maatregel voor de rechthebbende duidelijk is.

Artikel 3. Hoogte en duur

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt dat de hoogte en duur van de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat een maatregel proportioneel dient te zijn aan de gedraging.

Tweede lid

De verplichtingen op grond van de wet zijn in dit besluit in twee categorieën ingedeeld. Bij het indelen in categorieën is gekeken naar de soort plicht en het belang dat wordt gehecht aan het naleven van deze plicht. Dit lid regelt per categorie de hoogte en duur van de maatregel. Uitgangspunt is dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 procent bedraagt van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES zoals dat op dat tijdstip op het betreffende openbare lichaam geldt voor één kind. Het minimumbedrag is, ongeacht het aantal kinderen ten aanzien van wie de maatregel wordt opgelegd, dus altijd gelijk. Uitgangspunt op 1 januari 2016 is dat het minimumbedrag 9,50 USD bedraagt (0,25 maal 38 USD). Afhankelijk van de indexering van het kinderbijslagbedrag BES zal het minimumbedrag in de toekomst hoger komen te liggen en kunnen verschillen ontstaan tussen de openbare lichamen.

Het tweede lid, onderdeel a, ziet op de verplichtingen die op grond van de artikelen 14, eerste lid, en 15, tweede lid, van de wet op de rechthebbende rusten. De hoogte van de maatregel is bij overtreding van deze verplichtingen vastgesteld op ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES. Ten aanzien van de duur van de maatregel is in dit onderdeel slechts de minimumduur van de op te leggen maatregel vastgelegd. De precieze hoogte en duur van de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden.

Het tweede lid, onderdeel b, ziet op de op te leggen maatregel indien artikel 15, derde lid, van de wet wordt overtreden. De regering acht zeer ernstige misdragingen jegens de minister en zijn medewerkers tijdens het verrichten van hun werkzaamheden ontoelaatbaar en is van oordeel dat dergelijke misdragingen altijd moeten leiden tot een adequate maatregel. De regering tekent hierbij aan dat onder een zeer ernstige misdraging in elk geval dient te worden verstaan elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder vallen bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, alsmede het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm, wordt als zeer ernstige misdraging gezien.

Het is aan de minister om het percentage waarmee het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES wordt verlaagd en de duur van de verlaging te bepalen, met dien verstande dat een dergelijke maatregel niet langer dan drie maanden kan worden opgelegd. Een gehele weigering gedurende drie maanden is volgens het oordeel van de regering in het geval van een zeer ernstige misdraging proportioneel.

Dit lid laat onverlet dat, zoals is neergelegd in artikel 16 van de wet, van het opleggen van een maatregel wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Derde lid

Dit lid maakt duidelijk dat steeds bezien moet worden ten aanzien van welk(e) kind(eren) de overtreding is begaan. Wanneer in een gezin van vier kinderen ten aanzien van twee kinderen de informatieverplichting niet wordt nagekomen, dient dus ten aanzien van twee kinderen een maatregel opgelegd te worden. Bij ontbreken van dit lid zou de maatregel over het gehele maandelijkse bedrag aan kinderbijslag BES (voor alle kinderen van het gezin) moeten worden opgelegd en zouden grote gezinnen voor eenzelfde overtreding onevenredig zwaarder worden gesanctioneerd dan kleine gezinnen.

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat dit lid niet van toepassing is bij het vaststellen van de minimumhoogte van een op te leggen maatregel, bedoeld in de aanhef van het tweede lid. Hierbij wordt altijd uitgegaan van (25 procent van) het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind.

Vierde lid

In geval van recidive wordt bij het bepalen van de hoogte van de maatregel, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, rekening gehouden met het feit dat eenzelfde verplichting reeds eerder niet is nageleefd. Dit is een verzwarende omstandigheid die een zwaardere maatregel rechtvaardigt. De zwaardere maatregel houdt in dat de op te leggen maatregel met 50 procent wordt verhoogd ten opzichte van een maatregel die bij een eerste overtreding zou zijn opgelegd. Eenzelfde verhoging geldt ten aanzien van het minimumbedrag, bedoeld in de aanhef van het tweede lid. Daarnaast kan ook de duur van de maatregel worden verlengd, want artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, geeft slechts een minimumduur van de op te leggen maatregel. De verhoging geldt enkel indien bij de eerdere overtreding daadwerkelijk een maatregel is opgelegd. Indien is volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, vindt geen verhoging plaats.

Opgemerkt wordt dat nakoming van de bij ministeriële regeling vast te stellen controlevoorschriften als één verplichting in algemene zin wordt beschouwd. Dit houdt in dat overtreding van verschillende controlevoorschriften de overtreding van een «zelfde verplichting» in de zin van dit lid inhoudt.

De verplichting om bij recidive de op te leggen maatregel per definitie te verhogen met 50 procent, geldt niet in het geval van overtreding van artikel 15, derde lid, van de wet. Het wordt aan de minister overgelaten of de recidive een verzwarende omstandigheid is, waardoor het percentage waarmee de kinderbijslag BES – voor de duur van ten hoogste drie maanden – wordt gekort, al dan niet moet worden verhoogd.

Artikel 4. Afzien opleggen maatregel

Uitgangspunt is dat de minister een maatregel oplegt indien de rechthebbende de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Met dit artikel wordt aangegeven in welke situaties de minister in ieder geval kan afzien van het opleggen van een maatregel. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de minister.

Op grond van het eerste lid kan de minister afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een waarschuwing, indien is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • (1) het niet tijdig nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet heeft niet geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag BES, en

  • (2) de minister heeft in de afgelopen twee jaar ten aanzien van de rechthebbende niet eerder afgezien van het opleggen van een maatregel door het geven van een waarschuwing.

Gezien het feit dat in deze situatie geen schade is ontstaan, volstaat het geven van een waarschuwing.

Op grond van het tweede lid kan de minister afzien van zijn bevoegdheid om een maatregel op te leggen indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Met het woord «dringend» wordt aangegeven dat sprake moet zijn van een bijzondere en uitzonderlijke situatie. Bij deze uitzondering gaat het uitdrukkelijk niet om algemene of categoriale afwijkingen. De uitzondering ziet op incidentele gevallen, waarbij een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moet plaatsvinden. Hierbij kunnen zowel financiële als andersoortige redenen een rol spelen. Er is er bewust niet voor gekozen om het begrip dringende reden nader te specificeren, nu dit artikellid juist is opgenomen voor niet precies te voorziene gevallen.

Artikel 5. Samenloop

Dit artikel ziet op de situatie dat één gedraging noodzakelijkerwijs leidt tot overtreding van verschillende verplichtingen. Daarnaast valt ook de situatie dat verschillende gedragingen leiden tot overtreding van verschillende verplichtingen onder de reikwijdte van dit artikel, voor zover de verschillende gedragingen voortkomen uit één oorzaak. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat een rechthebbende zowel zijn informatieverplichtingen als controleverplichtingen gedurende een bepaalde periode niet nakomt. Als reden daarvoor voert hij aan dat zijn partner of kind ziek is geweest. In deze situaties zal het onverkort opleggen van een afzonderlijke maatregel voor iedere overtreding, voor zover al sprake is van verwijtbaarheid, leiden tot een onevenredig resultaat. In een dergelijk geval legt de minister slechts één maatregel op. Bij het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel kan, indien daartoe aanleiding bestaat, binnen de mogelijkheden van de van toepassing zijnde categorie, wel rekening worden gehouden met het feit dat meerdere verplichtingen geschonden zijn.

Als de overtredingen verschillende maatregelen rechtvaardigen, wordt de zwaarste maatregel opgelegd. Het staat de minister vrij om te bepalen wat de zwaarste maatregel is.

Artikel 6. Besluit tot terugvordering

Eerste lid

Terugvordering behelst zowel het nemen van het terugvorderingsbesluit als de tenuitvoerlegging daarna. Om het een en ander effectief te laten verlopen, dient de minister een aantal beslissingen te nemen.

In de eerste plaats zal de minister de eerder toegekende hoogte van kinderbijslag BES dienen te herzien waardoor de betrokkene juridisch in de juiste situatie wordt geplaatst. Uit het herzieningsbesluit volgt wat de hoogte van de kinderbijslag BES eigenlijk had moeten zijn en welk bedrag onverschuldigd is betaald. Als blijkt dat de kinderbijslag BES in zijn geheel onterecht is uitgekeerd, volgt een intrekkingsbesluit. De mogelijkheid tot herziening en intrekking is neergelegd in artikel 13 van de wet. Een besluit tot herziening of intrekking hoeft overigens niet altijd plaats te vinden. Te denken valt hierbij aan de situatie dat het besluit tot toekenning van de kinderbijslag BES juist is, maar de minister per abuis een hoger bedrag dan het in het besluit genoemde bedrag heeft uitbetaald.

In de tweede plaats dient de minister het daadwerkelijke terugvorderingsbesluit te nemen. In dat besluit wordt de grond aangegeven waarop wordt teruggevorderd alsmede de hoogte van het terug te vorderen bedrag. Ten slotte is er de invorderingsbeslissing. Deze heeft betrekking op de wijze waarop het verschuldigde bedrag moet worden terugbetaald en de wijze waarop het besluit ten uitvoer wordt gelegd. Artikel 8 van het besluit maakt het mogelijk om het terug te vorderen bedrag kinderbijslag BES te verrekenen met toekomstige aanspraken kinderbijslag BES. Het terugvorderingsbesluit en de invorderingsbeslissing kunnen worden gecombineerd in één besluit van de minister.

Tweede lid

Op grond van het tweede lid is degene van wie kinderbijslag BES wordt teruggevorderd verplicht de inlichtingen te verstrekken die met het oog op de terugvordering van belang zijn. Deze informatieplicht is met name van belang zodat de minister – indien hij dit nodig acht – eventuele termijnen van terugbetaling kan vaststellen.

Artikel 7. Afzien van terugvordering

Uitgangspunt is dat de minister in situaties als neergelegd in artikel 21 van de wet gebruikmaakt van zijn bevoegdheid om kinderbijslag BES terug te vorderen. De minister kan afzien van terugvordering indien één van de in dit artikel omschreven situaties zich voordoet. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de minister.

Op grond van het eerste lid kan de minister besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Voor de uitleg van het begrip «dringende redenen» wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4, tweede lid.

Op grond van het tweede lid is de minister bevoegd af te zien van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag minder dan 50 USD bedraagt. Het uitgangspunt blijft evenwel verplichte terugvordering. Echter, indien terugvordering niet mogelijk of ondoelmatig blijkt te zijn, is de minister bevoegd van de terugvordering af te zien. De minister kan zelf bepalen op welk moment hij van zijn bevoegdheid om niet terug te vorderen gebruikmaakt.

Artikel 8. Verrekenen

De minister stelt degene van wie wordt teruggevorderd eerst in de gelegenheid vrijwillig te betalen. Als dat niet het gewenste resultaat heeft, wordt een aanmaning verstuurd. Pas als ook dat niet het gewenste resultaat heeft, gaat de minister over tot invordering.

Op grond van dit artikel vindt invordering, indien mogelijk, plaats door verrekening van de terug te vorderen kinderbijslag BES met toekomstige aanspraken op kinderbijslag BES. Deze verrekening kan niet alleen plaatsvinden met de toekomstige aanspraken voor het kind ten behoeve van wie teveel kinderbijslag BES is betaald, maar ook met aanspraken of toekomstige aanspraken van de rechthebbende op kinderbijslag BES ten behoeve van andere kinderen. De minister heeft evenwel de mogelijkheid om van verrekening met de kinderbijslag BES ten behoeve van andere kinderen af te zien, indien hier grote bezwaren tegen bestaan.

Artikel 9. Verhoging terug te vorderen bedrag

Dit artikel maakt het mogelijk dat het teruggevorderde bedrag kan worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten, waaronder bijvoorbeeld de kosten die verband houden met het starten van een incassotraject. Hiertoe wordt overgegaan indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan de door de minister opgelegde verplichtingen tot terugbetaling.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 34 275, nr. 3, blz. 2.

X Noot
2

Kamerstukken II 2014/15, 34 275, nr. 3, blz. 7.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.