Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2015, 358AMvB

Besluit van 30 september 2015 tot wijziging van het Besluit houders van dieren houdende een verbod op het gebruik van pluimvee voor productie waarop ingrepen zijn toegepast die niet zijn toegestaan

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 februari 2015, nr. WJZ / 15013191;

Gelet op artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2015, nr. W15.15.0030/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 september 2015, nr. WJZ/15050638;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Onder vervanging van de punt door een komma wordt aan het slot van artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren de volgende zinsnede toegevoegd: met dien verstande dat pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan, niet is aangewezen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 30 september 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de vijftiende oktober 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit wijzigt het Besluit houders van dieren. Dat besluit bepaalt krachtens artikel 2.3 van de Wet dieren welke dieren kunnen worden gebruikt met het oog op productie van producten, afkomstig van die dieren. Met onderhavig wijzigingsbesluit wordt geregeld dat pluimvee niet met het oog op de productie van dierlijke producten mag worden gebruikt voor zover ten aanzien van deze dieren ingrepen zijn verricht die niet zijn toegestaan. Het verbod betreft al het pluimvee, maar betreft met name ingrepen bij kippen en kalkoenen. Artikel 2.1 van het Besluit houders is daartoe aangepast.

Op grond van artikel 10.10 van de Wet dieren geldt een zogenoemde voorhangprocedure voor algemene maatregelen van bestuur die mede of met het oog op de bescherming van het welzijn van dieren worden voorbereid. Bij brief van 26 juni 2014 is het ontwerpbesluit aan het parlement gestuurd. Naar aanleiding van de voorhangprocedure zijn er schriftelijke vragen gesteld door de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/15, 31 389, nr. 146). Naar aanleiding van de voorhangprocedure zijn geen wijzigingen aangebracht.

2. De Wet dieren en het Besluit diergeneeskundigen over ingrepen

Artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren bepaalt dat het verboden is lichamelijke ingrepen bij dieren te verrichten. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat dat niet geldt voor onder andere ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat en voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen. Het artikel verwoordt dus een «nee-tenzij». Dit is gebaseerd op het in de samenleving levende besef dat het in beginsel niet te rechtvaardigen is dat ingrepen ten aanzien van dieren worden verricht. Ingrepen tasten de integriteit van het dier aan. Dat besef is in de Wet dieren in artikel 1.3 onverkort verwoord. In dat artikel wordt de intrinsieke waarde van het dier erkend. Die dient leidend te zijn bij besluiten die door de overheid worden genomen ter zake van dieren. Zoals te lezen is in de Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 28 286, nr. 651) is het beleid er dan ook ten algemene op gericht het verrichten van onnodige lichamelijke ingrepen bij dieren te voorkomen en, voor zover deze zijn toegestaan, waar mogelijk te beëindigen.

Ingrepen ten aanzien van dieren die voor productiedoeleinden worden gebruikt en gehouden, waaronder pluimvee, worden toegestaan om verschillende redenen, onder andere voor de identificatie van dieren of omdat zonder die ingrepen het welzijn van die dieren, gelet op de productieomstandigheden, al te zeer zou worden geschaad.

In Hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen zijn de ingrepen geregeld die ten aanzien van dieren zijn toegestaan. In artikel 2.2 van het Besluit diergeneeskundigen zijn opgenomen als toegestane ingrepen bij kippen en kalkoenen:

  • het verkorten van snavels bij kippen en kalkoenen;

  • het verwijderen van sporen bij hanen;

  • het verwijderen van een deel van de achterste tenen bij hanen en

  • het verwijderen van kammen bij hanen.

Bij de drie laatste ingrepen gaat het om relatief beperkte groepen hanen die gebruikt worden in vermeerderingsbedrijven en in de vaccinsector.

Kippen en kalkoenen worden in Nederland op intensieve wijze, veelal op grootschalige bedrijven en dus in grote aantallen, voor productiedoeleinden gehouden. De ingrepen die zijn toegestaan hebben primair tot doel het dierenwelzijn te bevorderen.

Kippen kunnen, vooral als zij leven in grote aantallen in afgesloten stallen, elkaar aanzienlijk verwondingen toebrengen, zodanig ook dat sterfte het gevolg daarvan kan zijn. Het verkorten van snavels beperkt het risico op ernstige beschadiging van soortgenoten. Het verkorten mag alleen worden gedaan door middel van infraroodstraling. De achtertenen en sporen van hanen in vermeerderingsbedrijven kunnen hennen aanzienlijk verwonden. Het verwijderen van sporen en van een deel van de achterste tenen voorkomt dat hennen ernstig worden verwond tijdens de paring. Het verwijderen van de kammen bij hanen draagt bij aan zowel identificatie ter voorkoming van verkeerde kruisingen in verband met sexfouten als het voorkomen van het ongerief bij de dieren door de grote kammen.

Deze ingrepen zijn niet onverkort toegestaan, maar mogen tot een bepaald tijdstip worden uitgevoerd. Het stellen van een termijn is noodzakelijk om pluimveehouders te bewegen de pluimveehouderij dusdanig in te richten dat de genoemde ingrepen niet langer nodig zijn.

In artikel 7.1 van het Besluit diergeneeskundigen zijn de tijdstippen bepaald met ingang van welke de ingreep niet langer is toegestaan. Deze tijdstippen verschillen al naar gelang de ingreep.

Een verbod voor het verwijderen van de sporen van hanen en het verwijderen van de kammen bij bruin bevederde hanen is op 1 januari 2015 in werking getreden. Ook is het met ingang van die datum verboden om een deel van de achterste tenen te verwijderen bij hanen die gebruikt worden in de productie van vaccineieren. Op 1 september 2018 zal het verkorten van de snavel bij kippen en kalkoenen niet langer zijn toegestaan. Op 1 september 2021 geldt een verbod op het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen. Dit laatste betreft hanen die worden gebruikt op bedrijven, gericht op de vleesvermeerdering. Deze termijnen vormen een verkorting van termijnen, zoals die voorheen waren vastgesteld. Naar aanleiding van de motie Ouwehand (PvdD) – Van Dekken (PvdA) van juli 2012 (kamerstukken II 2011/12, 21505-32, nr. 613) heeft de besluitvorming daarover plaatsgevonden in het kader van een schriftelijk overleg in de zomer 2013 en een overleg (VSO) met de Tweede Kamer op 6 november 2013.

De pluimveehouders zullen de nodige inspanningen dienen te verrichten om te kunnen voldoen aan de situatie waarin het verrichten van de ingrepen niet langer is toegestaan. Die inspanningen zijn gericht op het treffen van voorzorgsmaatregelen op het punt van de huisvesting van de dieren en andere aanpassingen in de bedrijfsvoering. Hiernaast wordt de fokkerij ook meer en meer gericht op het fokken van meer rustige kippen, aangepast aan het leven in grotere groepen. De nodige ervaring met het houden van kippen met hele snavels is al opgedaan in de biologische houderij en bij enkele vooroplopende reguliere bedrijven. Voorts is al het nodige onderzoek verricht naar methoden en voorwaarden die onderlinge beschadigende pikkerij bij kippen kunnen voorkomen en beperken.

Als gevolg van de aangenomen motie van de leden Geurts en Dik-Faber (Kamerstukken II 2013/14, 31 389, nr. 138) en zoals eerder toegezegd aan de Stuurgroep Ingrepen bij pluimvee, waarin naast de sectorpartijen ook de Dierenbescherming is vertegenwoordigd, wordt eind 2016/begin 2017 een evaluatie uitgevoerd van de geschiktheid van de hiervoor genoemde inspanningen, zodat het verbod op snavelbehandeling in 2018 kan worden nageleefd op een voor het welzijn van pluimvee verantwoorde manier. De evaluatie zal worden uitgevoerd op basis van resultaten van onderzoek, monitoring van praktijkbedrijven met onbehandelde koppels en neemt ook de effecten van de fokkerij mee. De ingangsdatum van 1 september 2018 voor het verbod op snavelbehandeling, zoals opgenomen in het Besluit diergeneeskundigen, blijft in afwachting van de evaluatie onverkort van kracht.

Het bedrijfsleven zet zich in om tijdig in te spelen op het verbod en heeft zich daaraan ook gecommitteerd tijdens een bestuurlijk overleg van 9 april 2013 na de toezegging van de hiervoor genoemde evaluatie.

3. Grondslag in de Wet dieren

De grondslag van het besluit is artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren stelt dat het verboden is dieren te gebruiken met het oog op de productie van dierlijke producten. Artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren stelt dat dit verbod niet van toepassing is op dieren behorende tot bij of krachtens amvb aangewezen diersoorten of diercategorieën.

In het Besluit houders van dieren zijn diersoorten aangewezen die wel mogen worden gebruikt voor productie, dit zijn bijvoorbeeld kippen en kalkoenen. De verzamelnaam van onder andere deze hoenderachtigen is pluimvee. Volgens het Besluit houders van dieren wordt onder pluimvee verstaan: hoenderachtigen, eenden of ganzen. Met het wijzigingsbesluit is een verbijzondering aangebracht ten aanzien van welk pluimvee gebruikt mag worden voor productie. Pluimvee waarbij een verboden ingreep is verricht, mag niet worden gebruikt voor productie.

Deze categorie pluimvee is een diercategorie, zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet dieren (kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 9) staat namelijk over de term «diercategorie» het volgende te lezen: «Wordt in een delegatiebepaling gesproken over diercategorieën, dan kan bij het opstellen van regels op grond van die bepaling, binnen de Europeesrechtelijke grenzen, onderscheid worden gemaakt op basis van voor die bepalingen relevante eigenschappen. Gedacht kan worden aan regels die van toepassing zijn op honden met bepaalde uiterlijke kenmerken, maar ook aan regels die van toepassing zijn op runderen, of alleen op stieren. Vereist is dat het onderscheid zodanig duidelijk is dat op basis van de kenmerken van een dier kan worden bepaald of dat dier tot de bedoelde diercategorie behoort».

Voor de volledigheid wordt gewezen op artikel 2.7, derde lid, van de Wet dieren. Daarin is een verbod opgenomen om dieren te verhandelen waarbij een verboden lichamelijke ingreep is verricht. Het verbod op verhandelen is echter niet toepasbaar op de onderhavige problematiek. Daarmee wordt namelijk niet voorkomen dat pluimveehouders dieren houden en gebruiken voor productie die buiten Nederland een verboden ingreep hebben ondergaan.

4. Motivering verbod

Dit wijzigingsbesluit ondersteunt het verbod op het verrichten van ingrepen. Dit is vooral belangrijk voor het toezicht op de naleving. Het voorkomt ook dat pluimveehouders zouden kunnen beschikken over dieren die buiten Nederland verboden ingrepen hebben ondergaan. In een aantal lidstaten zijn het, zoals in Nederland tot op heden, eveneens gebruikelijke ingrepen. Dit zou de doelstelling van het verbod ondergraven en het zou grotendeels aan effect verliezen.

In de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 9 juni 2013 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2012/13, 31 389, nr. 129) is aangegeven dat het van belang is om op een verantwoorde manier mede met oog op het dierenwelzijn tot een pluimveehouderij zonder ingrepen te komen. In deze brief is ook het voornemen aangekondigd te komen tot een verbod op het gebruiken voor productiedoeleinden van pluimvee waarbij ingrepen zijn verricht die ingevolge het Besluit diergeneeskundigen verboden zijn.

Door het niet toestaan van gebruik voor productiedoeleinden van pluimvee ten aanzien waarvan verboden ingrepen zijn verricht, wordt de facto dan ook een gebruiksverbod bewerkstelligd voor pluimvee, dat wordt gehouden voor de productie van dierlijke producten.

5. Europeesrechtelijke aspecten

Ingrepen als de onderhavige bij pluimvee zijn krachtens Europees recht toegestaan. Lidstaten zijn bevoegd ter zake regels te stellen.

Artikel 3 van de richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG L 221), bepaalt als hoofdregel dat lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de eigenaar of houder alle passende maatregelen treft om het welzijn van zijn dieren te verzekeren en te waarborgen dat die dieren niet onnodig aan pijn of leed worden blootgesteld en dat hen geen onnodig letsel wordt toegebracht. Daarom is het van belang dat pluimveehouders de nodige inspanningen verrichten om te kunnen voldoen aan de situatie waarin het verrichten van de ingrepen niet langer is toegestaan, zoals bedoeld in paragraaf 2 van deze toelichting.

In de bijlage bij voornoemde richtlijn is bepaald dat in afwachting van de aanneming van specifieke bepalingen betreffende verminkingen nationale bepalingen van toepassing zijn in overeenstemming met de algemene Verdragsregels (onderdeel 19).

Ten aanzien van legkippen is in de onderscheiden richtlijnen bepaald dat, om pikkerij en kannibalisme te voorkomen, lidstaten het inkorten van snavels kunnen toestaan bij kuikens jonger dan tien dagen die voor de leg bestemd zijn (bijlage, onderdeel 8). Ook bij vleeskuikens kunnen lidstaten het inkorten van snavels toelaten (bijlage, onderdeel 12).

Enkele lidstaten waar pluimvee grootschalig voor productiedoeleinden wordt gehouden, hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheden die bedoelde richtlijnen hen laten. In bijvoorbeeld Zweden is het volgens de nationale wetgeving niet toegestaan dat legkippen aan de snavels worden behandeld. In Oostenrijk is de snavelbehandeling niet formeel verboden maar in de praktijk wordt deze ingreep vrijwel niet meer toegepast omdat private labelingsprogramma’s als voorwaarde stellen dat pluimvee niet behandeld is aan de snavel. Deze programma’s bestrijken vrijwel de hele markt. In Duitsland is een overeenkomst gesloten tussen de pluimveesector en de Duitse overheid om snavels niet meer te behandelen per 1 augustus 2016 en dieren met behandelde snavels niet meer te houden per 1 januari 2017. Op dit moment is in Duitsland snavelbehandeling alleen nog toegestaan als er bewijs is of sterke aanwijzingen zijn dat het niet uitvoeren van de ingreep zal leiden tot ernstige welzijnsproblemen. In het Verenigd Koninkrijk wordt gewerkt aan plannen voor het uitfaseren van snavelbehandeling bij legkippen. In Denemarken werkt de eierindustrie aan een vrijwillige uitfasering van snavelbehandeling bij leghennen.

Het verbod verandert de omstandigheden waaronder in Nederland pluimvee voor productiedoeleinden kan worden gebruikt. Het verbod is daarmee ook te beschouwen als een gebruiksverbod. Dat zou een indirecte belemmering van het vrij verkeer van goederen, één van de dragende beginselen van de Europese Unie, kunnen raken. Hierover wordt het volgende overwogen.

Ingevolge de artikelen 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn kwantitatieve in- of uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden. Het verbod dat met dit wijzigingsbesluit in artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren is opgenomen is geen zodanig verbod op de in- of uitvoer van pluimvee dat een ingreep heeft ondergaan die ingevolge het Besluit diergeneeskundigen niet is toegelaten. Louter het gebruik van dieren met een niet toegelaten ingreep voor productiedoeleinden is verboden. Dit betekent bijvoorbeeld dat doorvoer naar andere lidstaten of derde landen blijvend is toegestaan. Ook voor ander gebruik, zo dit aan de orde zou kunnen zijn, kunnen dieren met niet toegelaten ingrepen worden gehouden.

Voor zover het verbod niettemin wordt aangemerkt als een maatregel van gelijke werking, wordt dit verbod gerechtvaardigd met een beroep op de gronden, in het bijzonder het leven en de gezondheid van dieren, de openbare orde en openbare zedelijkheid, die genoemd worden in artikel 36 van het VWEU. Daarvoor moet het voorschrift non-discriminatoir zijn, noodzakelijk, geschikt en moet voldaan zijn aan het beginsel van proportionaliteit.

Het voorschrift is van toepassing op een ieder die in Nederland bedrijfsmatig pluimvee voor productiedoeleinden houdt, ongeacht of het om Nederlanders gaat of ondernemers met een andere nationaliteit. De voorschriften kunnen derhalve niet als discriminerend worden gekwalificeerd. Er worden geen beperkingen gesteld aan de handel in de dieren. Hierbij geldt dat in een aantal lidstaten een aantal van de in het geding zijnde ingrepen niet meer systematisch ten aanzien van pluimvee wordt verricht, zoals eerder is aangegeven.

Voorts mag worden aangenomen dat buitenlandse leveranciers, voor zover nodig, rekening zullen houden met de Nederlandse regelgeving. De huidige situatie is dat de helft van de in Nederland geïmporteerde dieren geen snavelbehandeling heeft gehad in het land van herkomst omdat de broederijen daar geen apparatuur hebben voor een infraroodbehandeling. Deze dieren (zowel toekomstige leghennen als vermeerderingsdieren) worden op het Nederlandse opfokbedrijf met de traditionele methode behandeld. Dit is een toegestane uitzondering op de verplichte infraroodbehandeling op grond van het Besluit diergeneeskundigen. Voor deze stroom geïmporteerde dieren zal in het land van herkomst niets veranderen. Bij aankomst in Nederland zullen deze dieren niet meer worden behandeld vanaf september 2018. Voor deze leveranciers verandert er dus niets door onderhavig besluit.

Enkele broederijen, bijvoorbeeld in België, hebben wel geïnvesteerd in infraroodapparatuur. Van deze buitenlandse leveranciers van nu nog behandeld pluimvee mag worden aangenomen dat zij bereid zullen zijn partijen pluimvee niet te behandelen ten behoeve van levering aan in Nederland gevestigde afnemers. Het betekent immers dat er een handeling minder hoeft te worden verricht, voordat kuikens aan Nederland kunnen worden geleverd. Het beheren van twee aparte stromen ééndagskuikens op de broederijen (wel of niet te behandelen) zal daarom naar wordt verwacht niet opwegen tegen het commerciële belang. Het niet verrichten van één of meer ingrepen drukt bovendien kosten, ook voor buitenlandse leveranciers.

Het voorschrift is noodzakelijk uit oogpunt van bescherming van het dierenwelzijn. Zoals hiervoor in paragraaf 2 uiteengezet, dient het verbod op het verrichten van ingrepen in artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren de gezondheid, het leven en het welzijn van dieren. De ingrepen hier in het geding bij pluimvee, zoals de snavelbehandeling, zijn weliswaar eenmalig en worden verricht ten aanzien van kuikens, niettemin kunnen zij pijnlijk en belastend zijn. In de literatuurstudie Ingrepen bij pluimvee (update 2011) geeft Wageningen UR Livestock Research aan dat de sinds 2011 verplichte infrarood methode een verbetering is ten opzichte van de traditionele methode met een heet mes. Er is namelijk geen open wond, dus geen kans op verbloeding of infectie, en waarschijnlijk voelen de dieren minder pijn in de dagen na de behandeling. Echter de infraroodmethode blijft een ingreep die de intrinsieke waarde van het dier aantast en waarbij de dieren pijn ervaren tijdens de behandeling door sterke verhitting onder de hoornlaag en wellicht verbranding van weefsel. In de tweede plaats is het beleid in Nederland gericht op het niet toelaten van ingrepen ten aanzien van dieren, gestoeld op het besef dat de integriteit van het dier door ingrepen wordt aangetast. Het belang van het dierenwelzijn, gekoppeld aan het ethisch besef dat de integriteit van dieren in beginsel dient te worden gerespecteerd, is expliciet door de wetgever verwoord in artikel 1.3 van de Wet dieren. Een meerderheid van de Tweede Kamer, die aan dit ethisch besef als geen ander uitdrukking kan geven, heeft in het kader van het debat over de toelaatbaarheid van ingrepen bij pluimvee, expliciet aangedrongen op het verbod. Ook de pluimveehouderij heeft zich aan het verbod gecommitteerd tijdens een bestuurlijk overleg van 9 april 2013.

Zonder het gebruiksverbod zal het verbod op ingrepen worden ondergraven. De handel in pluimvee is sterk Europees georiënteerd. Het is dus zeer reëel dat behandeld pluimvee uit andere lidstaten zal worden gehaald voor de houderij in Nederland. Dit kan gedaan worden door pluimveehouders die geen risico willen lopen dat hun pluimvee geschaad wordt, als de ingrepen verboden worden en de dieren elkaar door bijvoorbeeld pikkerij kunnen beschadigen. Als pluimvee uit het buitenland wordt gehaald, zal de verbetering van het dierenwelzijn beperkt blijven. Er wordt dan nog steeds ten aanzien van een behoorlijk aantal dieren een ingreep uitgevoerd die de integriteit van het dier aantast, terwijl het verbieden van de genoemde ingrepen juist beoogt deze integriteit van het dier te beschermen. Een ander voorschrift is daarom niet geschikt.

Het voorschrift is proportioneel in verhouding tot het te behalen doel: bescherming van dierenwelzijn. Er worden eisen gesteld aan het gebruiken van dieren; niet aan de handel er in. Er kan niet worden volstaan met minder vergaande maatregelen. Een minder vergaande maatregel is niet goed denkbaar omdat het een kwestie is van wel of niet mogen gebruiken voor productie van dieren: als pluimvee eenmaal is behandeld, kunnen daarna bijvoorbeeld geen voorwaarden meer worden gesteld aan het houden van het reeds behandelde pluimvee.

Het voorschrift voldoet dus aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een inbreuk op het vrij verkeer van goederen is in dit geval derhalve gerechtvaardigd met een beroep op artikel 36 van het VWEU.

Lidstaten van de EU moeten op grond van het VWEU producten op hun grondgebied toelaten die afkomstig zijn uit andere lidstaten. Nu Nederland eisen stelt aan het gebruik van pluimvee, wordt deze handel potentieel belemmerd. Dit besluit vormt daarom een technisch voorschrift in de zin van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204).

Het ontwerp-besluit is op 21 oktober 2014 ingevolge artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG voorgelegd aan de Europese Commissie. Er zijn geen reacties ontvangen.

6. Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT)

Ontwerpbesluiten betreffende een technische standaard moeten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) worden genotificeerd, specifiek onder de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Technical Barriers to Trade; TBT). Als er geen sprake is van significante handelsbelemmeringen geldt een uitzondering op de notificatieplicht. Bij dit ontwerpbesluit is geen sprake van een significante handelsbelemmering. Het in Nederland aangevoerde pluimvee, waaronder ééndagskuikens, komt de facto alleen uit andere EU-lidstaten. Daarbij is het zo dat de leveranciers (broederijen) uit de toeleverende landen de ingreep niet meer zullen hoeven uitvoeren ten aanzien van pluimvee dat bestemd is voor Nederland. Het vormt geen probleem voor hun bedrijfsvoering, omdat er één handeling minder hoeft te worden verricht. Daarbij komt dat er al een tendens in Europa gaande is, dat er minder ingrepen plaatsvinden ten aanzien van pluimvee, waardoor de intracommunautaire handel in pluimvee waarop geen ingreep is uitgevoerd, groeit. Het effect van het verbod op de handel zal dus minimaal zijn.

7. Aspecten van regeldruk

Dit besluit bevat een gebruiksverbod. Er is geen Europees verbod op het houden van dieren die een verboden ingreep hebben ondergaan. Ook is er geen «kan-bepaling» opgenomen in Europese regelgeving. Wel zijn er regels gesteld over de omstandigheden waarin kippen en kalkoenen moet worden gehouden. Dit gebruiksverbod is dus aan te merken als een nationale bepaling over het houden van dieren, die niet Europees is voorgeschreven.

Dit besluit leidt niet tot een wijziging van administratieve lasten, nalevingskosten of toezichtslasten. Voor deze onderwerpen leiden de wijzigingen in het besluit niet tot veranderingen ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving.

Wel kan er sprake zijn van zogenaamde overige bedrijfseffecten. Het niet mogen gebruiken voor productie van pluimvee dat elders een ingreep heeft ondergaan die verboden is in Nederland kan de winstgevendheid van pluimveebedrijven doen afnemen. Dit kan bij voorbeeld als gevolg van het verbod op snavelbehandeling waardoor onder andere de uitval de eerste jaren hoger kan zijn. Deze bedrijfseffecten zullen minder optreden bij houders die adequate maatregelen nemen om de pikkerij zo goed mogelijk te voorkomen of te beheersen.

8. Inwerkingtreding

Het verbod zal op 1 januari 2017 in werking treden. Met de inwerkingtreding van dit besluit is het niet toegestaan om dieren te gebruiken voor productie als die een verboden ingreep hebben ondergaan, zodra deze verboden van kracht zijn.

Zoals ook te lezen is in paragraaf 2 van deze toelichting is het verkorten van de snavel bij kippen en kalkoenen verboden met ingang van 1 september 2018. Het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen die worden gebruikt op bedrijven, gericht op de vleesvermeerdering is verboden met ingang van 1 september 2021.

Het verwijderen van een deel van de sporen van hanen, het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen in de vaccinsector en het verwijderen van de kammen bij bruin bevederde hanen in de leg- en vaccinsector is reeds per 1 januari 2015 verboden. Houders van deze hanen kunnen tot 1 januari 2017 nog wel dieren gebruiken voor productie, bijvoorbeeld als de ingreep in het buitenland heeft plaatsgevonden.

Omdat deze hanen over het algemeen maximaal 78 weken op een bedrijf aanwezig zijn, biedt de termijn tot 1 januari 2017 de houder van deze dieren voldoende mogelijkheden zich in te stellen op een gebruiksverbod en zijn bedrijfsvoering aan te passen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.