Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2015, 323AMvB

Besluit van 14 augustus 2015 tot aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van de bijlagen I en II bij de Crisis- en herstelwet (tiende tranche) en tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/44461, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.2, 2.2 en 2.4 van de Crisis- en herstelwet en de artikelen 2.1, derde lid, 2.4, tweede en derde lid, 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 april 2015, nr. W14.15.0059/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 14 juli 2015, nr. IenM/BSK-2015/81877, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel w door een puntkomma, zes onderdelen toegevoegd, luidende:

  • x. Zuidas Flanken Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 53;

  • y. Havengebied Moerdijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 54;

  • z. Rijnhaven-Costerweg Wageningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 55;

  • aa. Kanaalzone Terneuzen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 56;

  • bb. Sloegebied Borsele-Vlissingen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 57;

  • cc. Havenstraatterrein Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 58.

B

Artikel 7a, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. De onderdelen c tot en met f worden geletterd b tot en met e.

C

Aan artikel 7c, dertiende lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, negen onderdelen toegevoegd, luidende:

  • k. De Scheg, gemeente Amstelveen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 59;

  • l. Bedrijventerrein Rijnhaven-Oost, gemeente Alphen aan den Rijn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 60;

  • m. het gebied Laan 1945, gemeente Beuningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 29;

  • n. Binnensingelgebied, gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 61;

  • o. Brainport Park, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 62;

  • p. Automotive Campus, gemeente Helmond, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 63;

  • q. Buitengebied Leudal, gemeente Leudal, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 64;

  • r. CHV-terrein, gemeente Veghel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 19;

  • s. Bergwijkpark, gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65.

D

Artikel 7d wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan kan de raad besluiten tot afwijking gedurende een periode van maximaal tien jaar van:.

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Dit artikel is van toepassing op de volgende plangebieden:

    • a. Binckhorst in de gemeente Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41;

    • b. Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 44;

    • c. Bergwijkpark in de gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65.

E

Aan het slot van paragraaf 3 wordt twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7m

Voor het project stedelijke ontwikkelingen Cadzand-Bad in de gemeente Sluis wordt in aanvulling op artikel 2.3.1, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening onder «stedelijk gebied» mede verstaan de in de Ontwikkelingsvisie Cadzand-Bad 2006 en de Schilvisie Cadzand-Bad 2011 aangewezen ruimte voor stedenbouwkundige ontwikkelingen.

Artikel 7n

  • 1. Bij het ten behoeve van het experiment Solarpark Eerbeek wijzigen van de omgevingsvergunning voor de stortplaats Doonweg te Eerbeek kan het bevoegd gezag in afwijking van artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming de einddatum van de termijn, waarop de in dat artikel bedoelde bovenafdichting moet worden aangebracht of de in dat artikel bedoeld maatregelen moeten worden getroffen, vaststellen op 31 december 2040.

  • 2. Het bevoegd gezag brengt uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit het betreffende vergunningsvoorschrift weer in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming als uit een onderzoek naar de doeltreffendheid en effecten van dit experiment blijkt dat de grondwaterkwaliteit verslechtert doordat de bovenafdichting met zonnefolie onvoldoende tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.

F

Er worden 13 bijlagen toegevoegd zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit:

  • a. bijlage 53 (Zuidas Flanken Amsterdam);

  • b. bijlage 54 (Havengebied Moerdijk);

  • c. bijlage 55 (Rijnhaven-Costerweg Wageningen);

  • d. bijlage 56 (Kanaalzone Terneuzen);

  • e. bijlage 57 (Sloegebied Borsele-Vlissingen);

  • f. bijlage 58 (Havenstraatterrein Amsterdam);

  • g. bijlage 59 (De Scheg Amstelveen);

  • h. bijlage 60 (Bedrijventerrein Rijnhaven-Oost Alphen aan den Rijn);

  • i. bijlage 61 (Binnensingelgebied Enschede);

  • j. bijlage 62 (Brainport Park Eindhoven);

  • k. bijlage 63 (Automotive Campus Helmond);

  • l. bijlage 64 (Buitengebied Leudal);

  • m. bijlage 65 (Bergwijkpark Diemen).

ARTIKEL II

De Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

1. In bijlage I wordt aan «categorie 7. natuur, water en waterstaatswerken» een onderdeel toegevoegd, luidende: 7.6. flexibel peilbeheer IJsselmeer

2. In bijlage II wordt aan «categorie C. Waterstaatswerken» een project toegevoegd, luidende:

2

Dijkversterking

Eemshaven Delfzijl en meekoppelkansen

Het versterken en aardbevingbestendig maken van de primaire waterkering tussen de Eemshaven en Delfzijl, dijkvak 49 tot en met 57, dijkring 6, in combinatie met gebiedsgerichte initiatieven op het terrein van natuur, toerisme en recreatie en duurzame energie

ARTIKEL III

Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 3.1, onderdeel b, en 3.2, onderdeel b, wordt «ruimtelijk belang» vervangen door «belang» en wordt «onder 3°, van de wet» vervangen door: onder 2°, voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, en onder 3°, van de wet.

B

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel 4 komt als volgt te luiden:

  • 4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;.

b. In onderdeel 9 wordt na «werknemers» ingevoegd: of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

2. In artikel 5, derde lid, aanhef, wordt «onderdeel 3» vervangen door: onderdelen 3 en 22.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 14 augustus 2015

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de achtste september 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Bijlage 53 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Amsterdam, Zuidas Flanken

Kaart Amsterdam, Zuidas Flanken

Bijlage 54 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Moerdijk, Havengebied

Kaart Moerdijk, Havengebied

Bijlage 55 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Wageningen, Rijnhaven-Costerweg

Kaart Wageningen, Rijnhaven-Costerweg

Bijlage 56 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Terneuzen, Kanaalzone

Kaart Terneuzen, Kanaalzone

Bijlage 57 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Borsele – Vlissingen, Sloegebied

Kaart Borsele – Vlissingen, Sloegebied

Bijlage 58 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Amsterdam, Havenstraatterrein

Kaart Amsterdam, Havenstraatterrein

Bijlage 59 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Amstelveen, de Scheg

Kaart Amstelveen, de Scheg

Bijlage 60 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Alphen aan den Rijn, Rijnhaven Oost

Kaart Alphen aan den Rijn, Rijnhaven Oost

Bijlage 61 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Enschede, Binnensingelgebied

Kaart Enschede, Binnensingelgebied

Bijlage 62 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Eindhoven, Brainport Park

Kaart Eindhoven, Brainport Park

Bijlage 63 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Helmond, Automotive Campus

Kaart Helmond, Automotive Campus

Bijlage 64 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Leudal, Buitengebied

Kaart Leudal, Buitengebied

Bijlage 65 bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet

Kaart Diemen, Bergwijkpark

Kaart Diemen, Bergwijkpark

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit bevat de zogenaamde tiende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, alsmede een wijziging van het Besluit omgevingsrecht.

In Artikel I wordt het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet aangevuld.

In onderdeel A worden zes nieuwe ontwikkelingsgebieden als bedoeld in artikel 2.2 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) toegevoegd. Het gaat om de projecten Zuidas Flanken (gemeente Amsterdam), Havenstraatterrein (gemeente Amsterdam), Havengebied Moerdijk (gemeente Moerdijk), Rijnhaven-Costerweg (gemeente Wageningen), Kanaalzone (gemeente Terneuzen) en Sloegebied (gemeenten Borsele en Vlissingen).

In onderdeel C worden negen projecten toegevoegd aan het experiment met de bestemmingsplannen met een bredere reikwijdte (artikel 7c). Voor deze gebieden kan na deze aanwijzing een bestemmingsplan met bredere reikwijdte worden opgesteld. Met zo’n bestemmingsplan wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van de Omgevingswet en het daarin opgenomen omgevingsplan. Het gaat om de projecten De Scheg (gemeente Amstelveen), Rijnhaven-Oost (gemeente Alphen aan den Rijn), Bergwijkpark (gemeente Diemen), Binnensingelgebied (gemeente Enschede), Brainport Park (gemeente Eindhoven), Automotive Campus (gemeente Helmond), Buitengebied Leudal (gemeente Leudal) en CHV-terrein (gemeente Veghel).

Ook het project «gebied Laan 1945» in de gemeente Beuningen wordt toegevoegd aan het experiment met de bestemmingsplannen met een bredere reikwijdte en dus overgeheveld van artikel 7a naar artikel 7c (onderdeel B).

Bergwijkpark (gemeente Diemen) wordt voorts toegevoegd aan artikel 7d (onderdeel D).

Daarnaast worden twee nieuwe innovatieve projecten als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw toegevoegd (onderdeel E):

  • een experiment met bouwmogelijkheden in het kustfundament in Cadzand-Bad (gemeente Sluis);

  • een experiment waarbij de voormalige stortplaats Doonweg in Eerbeek wordt afgedekt met een nieuw soort folie die zonlicht omzet in elektriciteit. Ten behoeve van dit experiment mag in de omgevingsvergunning voor die stortplaats worden afgeweken van het Stortbesluit bodembescherming.

In Artikel II wordt aan Bijlage I, categorie 7, van de Chw een nieuwe subcategorie toegevoegd inzake het flexibel peilbeheer IJsselmeer. Het vaste streefpeil van het IJsselmeer en het Markermeer-IJmeer en de Zuidelijke Randmeren wordt vervangen door een bandbreedte waarbinnen het waterpeil mag fluctueren, zodat met het peilbeheer kan worden ingespeeld op de meteorologische omstandigheden en de behoefte aan zoetwater.

Voorts wordt in Bijlage II van de Chw een project toegevoegd aan de categorie met waterstaatswerken. Het gaat daarbij om het project Dijkversterking Eemshaven-Delfzijl en de daarbij behorende «meekoppelkansen».

In Artikel III wordt het Besluit omgevingsrecht op een aantal onderdelen aangepast.

Dit artikel III betreft dus een enkele permanente wijziging op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en geen (tijdelijk) experiment onder het regime van de Chw. Deze wijzigingen worden in deze algemene maatregel van bestuur «meegenomen», omdat ze deels qua aard en karakter bij de Chw passen en overigens zo beperkt in aantal en omvang zijn dat het niet doelmatig is hiervoor een afzonderlijk wijzigingsbesluit in procedure te brengen.

Geregeld wordt dat Rijk en provincie het bevoegd gezag (kunnen) worden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de aanpassing en het gebruik van gebouwen ten behoeve van de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Tevens wordt het eenvoudiger om een omgevingsvergunning te verlenen om in bestaande bebouwing de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen mogelijk te maken.

Ook wordt in dit artikel ten behoeve van het project «Stroomversnelling», waarbij zogeheten «Nul-op-de-meter-renovaties» (na-isolatie van bestaande gebouwen) worden uitgevoerd, geregeld dat aanvragen om omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan voor het aanbrengen van een isolatieschil rond dak, vloer en geval van bestaande gebouwen via de reguliere procedure verlopen, in plaats van via de uitgebreide procedure, zoals nu nog het geval is.

Tenslotte vindt een kleine reparatie plaats van het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Stb. 2014, 333; hierna: amvb pChw) en wordt een kleine verduidelijking aangebracht naar aanleiding van een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op 1 december 2014 in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt nr. 33551). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingediend. Tevens is op grond van artikel 5.2a van de Chw het ontwerpbesluit door de Minister van Infrastructuur en Milieu bij brief van 1 december 2014 (IenM/BSK-2014/252709 resp. 252684) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstuk 32 127, nr. 204). Het verslag van een schriftelijk overleg is vastgesteld op 10 februari 2015 (Kamerstuk 32 127, nr. 210).

Artikelsgewijs

Artikel I (Aanvulling en wijziging Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet)

Onderdeel A (zes nieuwe ontwikkelingsgebieden)
Zuidas Flanken Amsterdam

De gemeente Amsterdam ontwikkelt op de Zuidas het nieuwe internationale kennis- en zakencentrum van Amsterdam met (inter)nationaal toonaangevende bedrijven, de RAI en de Vrije Universiteit, inclusief universitair medisch centrum. Het gebied ligt tussen het centrum van Amsterdam en Schiphol en kent tal van vormen van vervoer. Een belangrijke ingreep op dat vlak is het project Zuidasdok: het deels ondergronds brengen van de A10, het aanbrengen van geluidschermen en ZOAB en het uitbreiden van de OV-terminal station Zuid. Het tracébesluit Zuidasdok (over de A10) staat gepland voor 2016 en de werkzaamheden moeten in 2024 klaar zijn. Door de uitvoering van het project Zuidasdok wordt de Zuidas minder doorsneden, waardoor de kwaliteit van de leefomgeving sterk verbetert (afname van geluidbelasting A10). Dat komt ten goede aan de ambitie de Zuidas niet alleen zakelijk te ontwikkelen, maar – met de bouw van een groot aantal woningen – ook te laten uitgroeien tot een stadswijk met een levendig en hoogwaardig karakter. In de huidige situatie stelt de geluidbelasting van de A10 beperkingen aan de beoogde woningbouw. Na uitvoering van het project Zuidasdok ontstaat een aanmerkelijk betere omgevingskwaliteit, die veel meer mogelijkheden biedt voor hoogwaardige woningbouw. Om de Zuidas voortvarend en evenwichtig te kunnen ontwikkelen wil de gemeente Amsterdam met de woningbouw niet wachten tot de A10 ondergronds is gebracht en de geluidmaatregelen zijn gerealiseerd. Met de aanwijzing tot ontwikkelingsgebied conform artikel 2.2 van de Chw krijgt de gemeente de mogelijkheid nu al in te spelen op de situatie die ontstaat na de realisatie van Zuidasdok, door in een bestemmingsplan-plus de stedenbouwkundige opzet, de woningenplattegronden en de inrichting van de buitenruimte af te stemmen op de beoogde woonkwaliteiten en op de omgevingskwaliteit, zoals die aanwezig zal zijn na uitvoering van Zuidasdok.

Havengebied Moerdijk

Het haven- en industriegebied Moerdijk omvat ruim 2.300 ha, grenst aan de Natura 2000-gebieden Hollandsch Diep en Biesbosch en is omringd door de woonkernen Moerdijk, Zevenbergen en Klundert. Moerdijk is in de Structuurvisie infrastructuur en ruimte aangemerkt als haven- en industriegebied van nationaal belang. De gemeente Moerdijk, de provincie Noord-Brabant en het Havenschap Moerdijk hanteren de balans tussen economie, duurzaamheid en een veilige en leefbare omgeving als uitgangspunt in hun Havenstrategie 2030. De strategie voorziet in economische ontwikkeling en een toename van bedrijfsactiviteiten en werkgelegenheid en formuleert de ambitie dat het haven- en industriegebied Moerdijk uitgroeit tot het meest duurzame havenbedrijf van Europa. In deze ambitie past de Green Deal Moerdijk (2013) waarin de groei van de bedrijvigheid is gekoppeld aan investeringen in natuur en omgevingskwaliteit.

De beoogde toename van de bedrijfsactiviteiten moet plaatsvinden binnen de bestaande geluidcontour van het haven- en industriegebied, zodat het woon- en leefklimaat in de omringende kernen intact blijft. Ook moet de belasting op de Natura2000-gebieden met stikstof binnen de vastgestelde grenzen blijven.

De gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant beschikken niet over voldoende instrumenten om de bedrijfsontwikkeling zo te sturen dat een efficiënte verdeling van de milieugebruiksruimte ontstaat. Zo is een geluidzonebeheerplan juridisch niet bindend. Tegen deze achtergrond vragen gemeente en provincie om aanwijzing van het haven- en industriegebied Moerdijk tot ontwikkelingsgebied. Dit biedt hen ondermeer de mogelijkheid om wel een juridische koppeling aan te brengen tussen een geluidzonebeheerplan en het ruimtelijk plan. De geluidbelasting wordt dan een toetsingsgrond voor vergunningverlening en de gemeente krijgt het instrument om te sturen op het zorgvuldig en efficiënt gebruik van het haven- en industriegebied.

In het bestemmingsplan-plus kunnen verder voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden opgenomen waaronder een aanvraag voor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 kan worden getoetst en verleend. Dan moet een passende beoordeling bij het ruimtelijk plan wel aantonen dat projecten die aan deze voorwaarden, voorschriften en beperkingen voldoen de natuurlijke kenmerken van Natura2000 gebieden niet (kunnen) aantasten. Hiermee ontstaat een belangrijk procedureel voordeel voor initiatieven van ondernemers. De ondernemers krijgen in het bestemmingsplan-plus vooraf duidelijkheid over de condities voor vergunningverlening en ook de procedure wordt voor hen eenvoudiger.

Rijnhaven-Costerweg

De gemeente Wageningen wil tot herontwikkeling van de Wageningse haven komen. Deze haven is één van de grotere binnenhavens van Nederland met overslag van bulkgoederen en met een belangrijke functie voor de veevoedervoorziening van de regio Food Valley, een regionaal samenwerkingsverband van acht gemeenten, waaronder Wageningen, Barneveld en Veenendaal. Aan de noordzijde van de Rijnhaven grenst het bedrijventerrein Nudeparken (inclusief Costerweg) en aan de zuidzijde liggen de uitwaarden van de Nederrijn, die zijn aangewezen tot Natura2000-gebied.

De economische functie van de haven is versterkt door de realisatie van afmeervoorzieningen en kademuren. De beoogde herontwikkeling van de Rijnhaven is opgenomen in de Structuurvisie Wageningen (2013) en diverse andere beleidsnota’s. Een belangrijk onderdeel van de herontwikkeling is de verplaatsing van een betonmortelcentrale en een opslagbedrijf voor zand en grind van de zuidzijde naar de noordzijde van de Rijnhaven. Het vrijkomende bedrijventerrein wordt omgezet in natuur- en recreatiegebied. De verplaatsing zorgt voor een afname van de milieuhinder (geluid, licht, luchtvervuiling) op de uiterwaarden. Dit betekent een versterking van de natuurlijke omstandigheden en de omgevingskwaliteit.

Aan de noordzijde van het terrein vindt een intensivering van de bedrijvigheid plaats. Die intensivering brengt met zich mee dat de geluidcontour in noordelijke richting groter wordt en dat een toename zal plaatsvinden van de stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden langs de Nederrijn. De aanwijzing tot ontwikkelingsgebied moet de gemeente meer speelruimte bieden om een oplossing te vinden voor deze negatieve gevolgen van de versterking van de ruimtelijk-economische structuur. De instrumenten waar de gemeente met name gebruik van denkt te maken zijn de mogelijkheid om de geluidruimte optimaler te verdelen en juridisch te borgen in het bestemmingplan-plus en de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van milieunormen.

Daarnaast betekent de aanwijzing tot ontwikkelingsgebied dat de gemeente al in het bestemmingsplan-plus de voorwaarden, voorschriften en beperkingen kan opnemen waaronder een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 kan worden verleend. Dan moet een passende beoordeling bij het bestemmingsplan-plus wel aantonen dat projecten die aan deze voorwaarden, voorschriften en beperkingen voldoen de natuurlijke kenmerken van Natura2000-gebieden niet (kunnen) aantasten.

Kanaalzone Terneuzen

De gemeente Terneuzen wil meer samenhang aanbrengen in de planologische regels voor de industrie in de Kanaalzone. Dat wil de gemeente doen door een bestemmingsplan industrieterreinen Kanaalzone Zeeuws Vlaanderen tot stand te brengen, waarin drie gebieden met alleen een beheersverordening en een drietal gebieden met een recent bestemmingsplan opgaan. Deze bundeling biedt helderheid en uniformiteit aan de bedrijven en draagt daarmee bij aan een gunstig vestigingsklimaat. Dat is nodig in de concurrentie met het dichtbij gelegen buitenland. Tegelijkertijd streeft de gemeente een goed woon- en leefklimaat voor haar inwoners na. Tegen die achtergrond heeft de gemeente Terneuzen verzocht het industrieterrein Kanaalzone aan te wijzen tot ontwikkelingsgebied, zodat het extra instrumentarium van het bestemmingsplan-plus ter beschikking komt. Met dit extra instrumentarium heeft de gemeente meer grip op optimalisering van de milieugebruiksruimte en op de versterking van de economische functie in combinatie met het tot stand brengen van een goed woon- en leefklimaat. Binnen het bestemmingsplan-plus wil de gemeente de ordening van de bedrijven beter kunnen sturen naar zwaarte en milieubelasting. De ordening verhoogt het efficiënt gebruik van de beschikbare bedrijventerreinen, schept duidelijkheid aan bedrijven die zich willen vestigen of verder ontwikkelen en beschermt de inwoners tegen overlast in woongebieden. De gemeente is in principe niet van plan om tijdelijke afwijking van milieunormen toe te staan. Wel wil de gemeente in het bestemmingsplan-plus de beschikbare milieugebruiksruimte optimaler verdelen en juridisch borgen.

Sloegebied Borsele-Vlissingen

De provincie Zeeland en de gemeenten Borsele en Vlissingen willen in samenwerking met het havenschap Zeeland Seaports (ZSP) het gebruik van het Sloegebied als haven- en industriegebied versterken. Het Sloegebied, gelegen aan de oever van de Westerschelde, vormt samen met de Kanaalzone (Terneuzen) een zeehaven van nationaal belang. De versterking van de ruimtelijke economische ontwikkeling vindt op een duurzame wijze plaats door concentratie van de economische activiteiten in het havenindustriegebied: zuinig en intensief ruimtegebruik met het juiste bedrijf op de juiste plek. De economische versterking gaat samen met de beperking van de milieubelasting buiten het havenindustriegebied voor met name de geluidbelasting en de stikstofdepositie.

Om deze doelstelling van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling te kunnen bereiken, moeten de genoemde partijen over de instrumenten beschikken om de milieugebruiksruimte te kunnen optimaliseren. Deze partijen willen gebruik maken van het bestemmingsplan-plus zoals bedoeld in artikel 2.3 van de Chw. Met de aanwijzing tot ontwikkelingsgebied volgens artikel 2.2 van de Chw krijgen de gemeenten Borsele en Vlissingen ondermeer de mogelijkheid om een zonebeheersysteem voor geluid juridisch te borgen in de op te stellen bestemmingsplannen-plus voor het Sloegebied. Het bestemmingsplan geeft dan juridisch houvast voor de verdeling van de beschikbare geluidruimte: een optimale verdeling over de bedrijven binnen het havenindustriegebied, zonder dat de belasting van de omgeving toeneemt.

Havenstraatterrein

Het Havenstraatterrein is een binnenstedelijk bedrijventerrein binnen de Ringweg A10, bij het centrum van Amsterdam, het Amsterdamse Bos en de Zuidas. Dit gebied gaat de gemeente Amsterdam, grotendeels op eigen grond, ontwikkelen tot gemengd woon-werkgebied met circa 500 woningen, bedrijvigheid en stedelijke voorzieningen (horeca, detailhandel, mogelijk een basisschool). Drie bedrijven in de directe nabijheid van het gebied en enkele 50 km-wegen bepalen de geluidbelasting in het gebied. De drie bedrijven hebben een belangrijke verzorgende functie in de stad. Uitkoop is om die reden niet wenselijk en is ook financieel niet haalbaar. De gemeente Amsterdam wil beschikken over het instrumentarium van het ontwikkelingsgebied om in dit gemengde woon-werkgebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat tot stand te kunnen brengen. De aanpak verschilt per bedrijf. Zo denkt de gemeente aan afscherming van de tramremise met bouwblokken, aan technische maatregelen ten aanzien van de ambulancepost en is vervanging van de transformateren van Liander voorzien.

De gemeente Amsterdam verzoekt het Havenstraatterrein aan te wijzen tot ontwikkelingsgebied om daarmee de woningbouw op deze binnenstedelijke locatie tot stand te kunnen brengen. In een ontwikkelingsgebied heeft de gemeente met het bestemmingsplan-plus extra instrumentarium om maatregelen af te dwingen, milieuvergunningen aan te passen, tijdelijk af te wijken van wettelijke bepalingen en in de fasering noodzakelijke maatregelen af te stemmen op de bouwvoortgang.

Onderdeel B (wijziging artikel 7a)

Het gebied Laan 1945 in de gemeente Beuningen is in de zesde tranche van het Besluit uitvoering Chw1 aangewezen als experiment voor flexibele bestemmingsplannen in artikel 7a. Inmiddels is de gemeente met alle partijen in het gebied in overleg over de gewenste ontwikkelmogelijkheden. Hierbij is geconstateerd dat niet alleen de verplichting om bestemmingen aan te wijzen een belemmering vormt, maar ook het vereiste dat een goede ruimtelijke ordening moet worden geborgd met ruimtelijk relevante regels. De gemeente ziet meer kansen voor een succesvolle transformatie als in het bestemmingsplan ook andere aspecten op het gebied van milieu en welstand integraal kunnen worden geregeld en in het bestemmingsplan ook aspecten kunnen worden opgenomen die nu nog in de APV worden geregeld. Deze mogelijkheden zijn onderdeel van het experiment van een bestemmingsplan met een verbrede reikwijdte. Om die reden heeft de gemeente gevraagd om het project te verplaatsen van artikel 7a naar artikel 7c.

Onderdeel C (wijziging artikel 7c)

In onderdeel C worden aan het experiment met de bestemmingsplannen met bredere reikwijdte in artikel 7c negen nieuwe deelnemende gemeenten toegevoegd. Met dit al bestaande experiment wordt vooruitgelopen op de beoogde verbreding van het bestemmingsplan tot een omgevingsplan in het wetsvoorstel Omgevingswet. In het experiment worden projecten aangewezen waarvoor de betrokken gemeenten te kennen hebben gegeven dat de bestaande regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening belemmerend werkt voor het bereiken van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. Met dit experiment mag worden afgeweken van aangegeven onderdelen van een aantal wetten en besluiten, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder de verbrede reikwijdte vallen geen onderdelen die invloed hebben op het beschermingsniveau voor de omgeving. Zo blijven de toetsingskaders uit de Wet geluidhinder, het Besluit geluidhinder en het Activiteitenbesluit gelden.

Het bieden van de mogelijkheden van verbreding van het bestemmingsplan ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen (die zonder deze verbreding geen doorgang zouden kunnen vinden) daagt gemeenten uit om in de besluitvorming van ruimtelijke plannen verder te kijken dan alleen het ruimtelijke beleidskader en te streven naar een integratie van andere beleidsstukken op het gebied van de fysieke leefomgeving. Zoals bij de invoering van artikel 7c in de zevende tranche is vastgesteld, draagt de uitvoering van experimenten met bestemmingsplannen met bredere reikwijdte bij aan innovatieve ontwikkelingen en kan zij bijdragen aan het bestrijden van de (lokale effecten van de) economische crisis en aan de bevordering van de duurzaamheid. Voor een uitgebreidere toelichting op het experiment wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 7c in de zevende tranche.2

De in dit besluit toegevoegde experimenten zijn: De Scheg (gemeente Amstelveen), Rijnhaven-Oost (gemeente Alphen aan den Rijn), Bergwijkpark (gemeente Diemen), Binnensingelgebied (gemeente Enschede), Brainport Park (gemeente Eindhoven), Automotive Campus (gemeente Helmond), Buitengebied Leudal (gemeente Leudal) en CHV-terrein (gemeente Veghel). Ook het project «gebied Laan 1945» in de gemeente Beuningen wordt toegevoegd aan het experiment met de bestemmingsplannen met een bredere reikwijdte en dus overgeheveld van artikel 7a naar artikel 7c (onderdeel B). Bergwijkpark (gemeente Diemen) wordt voorts toegevoegd aan artikel 7d (onderdeel D).

Deze negen projecten bevinden zich in verschillende stadia van het planvormingsproces. In sommige gevallen weet de gemeente al precies welke ontwikkelingen zullen plaatsvinden, waar de regelgeving wringt en zijn er al concrete ideeën over de invulling van de verbrede reikwijdte van het bestemmingsplan. In andere gevallen weet de gemeente wel de ontwikkelingsrichting die ze mogelijk wil maken en is duidelijk dat het bestaande instrumentarium onvoldoende ruimte biedt om deze ontwikkeling te realiseren. Deze gemeenten weten echter nog niet precies wanneer de ontwikkelingen zullen plaatsvinden (organische ontwikkeling), of hebben nog geen duidelijkheid welke elementen van de verbrede reikwijdte toegepast zullen worden in het bestemmingsplan. Wel is duidelijk dat zonder de verbreding van het bestemmingsplan de gewenste ontwikkelingen niet kunnen plaatsvinden.

Door de verbrede reikwijdte van het bestemmingsplan worden lokaal nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt of, in het geval van organische ontwikkeling, in gang gezet. Deze ontwikkelingen leveren een bijdrage aan het economisch herstel in de betreffende regio’s. Daarmee is aannemelijk dat de mogelijk gemaakte ontwikkelingen bijdragen aan de bestrijding van de economische crisis.

In de aangewezen gebieden streven gemeenten naar duurzaamheid door bijvoorbeeld hergebruik van bestaande terreinen en gebouwen, het toepassen van duurzame energievoorzieningen, samenwerking tussen bedrijven of integratie van functies. Juist om deze duurzaamheidsaspecten in het bestemmingsplan te verwerken is het toepassen van de mogelijkheden van de verbreding van het bestemmingsplan noodzakelijk.

In dit besluit wordt een gemeentelijk buitengebied aangewezen als gebied waarvoor het bestemmingsplan met een bredere reikwijdte kan worden vastgesteld. In vergelijking met stedelijke gebieden hebben buitengebieden heel eigen ruimtelijke opgaven zoals behoud en versterking van de kwaliteit van het landelijk gebied, en behoud en versterking van economische vitaliteit, waaronder de verantwoorde ontwikkeling van agrarische bedrijven, mede in relatie tot Natura 2000.

De negen gebieden die aan dit experiment zijn toegevoegd, worden hieronder beschreven.

De Scheg – gemeente Amstelveen

De Scheg ligt ten zuiden van de Amstelveense wijk Westwijk en is het laatste uitleggebied van Amstelveen. Het gebied is bruto ongeveer 50 hectare groot. De gemeente voert geen actief grondbeleid en heeft zelf slechts één perceel van 1,5 ha in bezit. Het gebied is van oudsher een tuinbouwgebied en de doelstelling van de gemeente is om het gebied op een organische manier om te vormen tot een woonwijk.

Amstelveen is een gewild woongebied. Met een woonwijk van 800 woningen kan een redelijke en continue bouwstroom worden bereikt die bijdraagt aan de werkgelegenheid.

De Scheg wordt gezien als voorbeeldproject voor energiezuinig en duurzaam bouwen in de Metropoolregio Amsterdam. Er is gekozen om te werken met het relatief nieuwe instrument «GPR-Stedenbouw» bij het stellen van energie en duurzaamheidsdoelen. Dit instrument richt zich op vijf duurzaamheidsthema’s, namelijk, energie, ruimtelijke inrichting, gezondheid, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Op deze pijlers kan gescoord worden op het gebied van duurzaamheid en energie. In de Scheg wordt gefocust op de pijlers gebruikswaarde en toekomstwaarde, terwijl de pijler «energie» extra aandacht krijgt.

Bedrijventerrein Rijnhaven-Oost – gemeenten Alphen aan den Rijn

De haven van het bedrijventerrein Rijnhaven wordt nog nauwelijks gebruikt. Een deel van de bedrijfslocaties is aan verpaupering onderhevig. De gemeente wil dit gebied omvormen tot een gemengd stedelijk gebied waar de functies wonen en werken samenkomen en dat voor bestaande en nieuwe gebruikers aantrekkelijk is. De herstructurering vergt een lange doorlooptijd omdat de meeste gronden in bezit zijn van een groot aantal, private eigenaren. De gemeente wil met een flexibel ruimtelijk plan de grondeigenaren bewegen om tot herontwikkeling van de gronden te komen. Het ruimtelijk plan moet daarvoor kaders bieden. Om de grondeigenaren een goed beeld te geven van alle regelgeving die op de betreffende locatie van toepassing is wil de gemeente de relevante regels uit de Havenverordening, APV (terrassen, evenementen, standplaatsen) en regels over het uiterlijk van bouwwerken een plaats geven in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Hiermee wordt de drempel tot herontwikkeling zo veel mogelijk verlaagd.

De gemeente Alphen aan den Rijn heeft in december 2012 de Duurzaamheidsagenda 2011–2014 «Samenwerken, faciliteren en verbinden» vastgesteld. Tegelijkertijd met de vaststelling van de Duurzaamheidsagenda is ook het «Duurzaamheids Profiel van een Locatie» vastgesteld. De gemeente geeft hier lokale invulling aan door het Alphens Duurzaamheids Profiel, de Regionale DuBoPlus-Richtlijn 2008–2012 en het gebruik van het GPR-instrument. Met de ontwikkelingen op Rijnhaven-Oost kan de gemeente woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars, architecten en aannemers stimuleren om aan de richtlijnen van Duurzaam Bouwen te voldoen. Daarnaast is het herontwikkelen van bedrijvigheid op bestaande locaties duurzaam. De herstructurering van Rijnhaven Oost betekent ruimte voor woningbouw en ondernemersinitiatieven. Dit levert nieuwe werkgelegenheid in het gebied op en is een stimulans voor anderen om ook opnieuw te investeren in herstructureringsprojecten.

Bergwijkpark – gemeente Diemen

Het kantorengebied Bergwijkpark-Noord ligt noordoostelijk van de Gooiseweg, tussen de Daalwijkdreef en de trein- en metrolijn. Het gebied is ongeveer 45 hectare groot. De kantoren dateren uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw en kennen inmiddels een leegstand van meer dan 75%. Het is, mede gezien het overaanbod op de kantorenmarkt, niet de verwachting dat in deze situatie veel verandering zal komen. Het doel is daarom om het gebied stapsgewijs te herontwikkelen tot een gemengd woon-werkgebied met bijbehorende voorzieningen. Hiermee wordt de leefbaarheid van het gebied verbeterd. Met de beoogde nieuwbouw van appartementen in met name de categorieën goedkope koop- en middeldure huur wordt voorzien in de behoefte aan passende woonruimte. Door de economische crisis is het aantal woningzoekenden voor de Stadsregio Amsterdam sterk gegroeid. De realisatie van de nieuwbouw draagt vanzelfsprekend bij aan de bouwproductie in Nederland, waarmee de bouwsector geholpen is.

Het innovatieve karakter van de gebiedstransformatie van Bergwijkpark zit onder andere in de organische manier van herontwikkeling, in een gewenst planologisch-juridisch kader waarmee vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan worden geëxperimenteerd met het werken met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte en de daarbij horende mogelijkheden wat betreft het instrumentarium voor kostenverhaal. Het in 2012 opgestelde Strategische Masterplan voor het gebied is een schoolvoorbeeld van uitnodigingsplanologie. Insteek hierbij is dat de gebiedstransformatie voor de gemeente kostenneutraal verloopt en dat het kostenverhaal voor de infrastructurele werken wordt losgekoppeld van de integrale gebiedsexploitatie door dit te koppelen aan een concreet deelgebied.

Voorts wordt voor het aspect geluid gezocht naar innovatieve maatwerkvoorschriften die zoveel mogelijk parallel aan de realisatie van het project zullen worden uitgevoerd en waarbij – ten behoeve van de leefomgevingskwaliteit – gestreefd wordt naar het wegnemen van de geluidbelasting voor het moment van ingebruikname van de woningen. Met het oog hierop wordt Bergwijkpark toegevoegd aan artikel 7d van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (onderdeel D).

Bij de herontwikkeling van Bergwijkpark wordt er ook naar gestreefd om aan te sluiten op duurzame energiebronnen. Hiertoe wordt onderzoek gedaan naar wat voor Bergwijkpark het beste energiesysteem is: aantakken op het bestaande warmtenet van Nuon, dat wordt gevoed vanuit de Diemercentrale of aansluiting op te realiseren WKO-bronnen of het (verplicht) aanbrengen van zonnecollectoren. Met het aantakken op het bestaande warmtenet wordt dit warmtenet efficiënter gebruikt. Hiermee wordt een aanzienlijke CO2-reductie bereikt.

Binnensingelgebied – gemeente Enschede

Het Binnensingelgebied ligt in het centrum van de gemeente Enschede en wordt gekenmerkt door een groot aandeel braakliggende terreinen en leegstaande gebouwen. Dit heeft negatieve gevolgen voor de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de stad. Enschede heeft geen opgave voor grootschalige toevoegingen en uitbreidingen. De problemen van het Binnensingelgebied moeten worden opgelost in een krimpsituatie. Dit vergt andere keuzes en een andere rol voor de gemeente: meer gericht op nieuwe vormen van samenwerking met partners in de stad en de bewaking van kwaliteit. De opgave in het Binnensingelgebied bestaat uit een transformatie tot een gebied met een mix van functies: horeca, wonen, groen, pleinen, kantoren, cultuur en winkels. In de krimpsituatie kan de transformatie niet vooraf worden vormgegeven. Het is een proces van lange adem waarbij het gebied stapsgewijs wordt getransformeerd naar functies waar vraag naar is. De gemeente Enschede constateert dat de flexibiliteit in ruimtelijke ontwikkelingen mede wordt beperkt door de veelheid aan regels in gemeentelijke beleidsnota’s en uitspraken. Een van de doelen binnen het project Binnensingelgebied is het volgen van een «ontslakkingskuur» voor het sectoraal beleid en het centraal stellen van een integrale benadering. De overblijvende relevante onderdelen worden in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte worden opgenomen. De toekomstige ontwikkelingen kunnen met toepassing van dit bestemmingsplan integraal worden aangepakt waarbij het bestemmingsplan het toetsingskader voor alle elementen van de fysieke leefomgeving wordt. Daarnaast wil de gemeente het accent leggen op zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik via hergebruik en inpassing van bestaand vastgoed, de energievoorziening verduurzamen, aandacht houden voor sociale veiligheid en bescherming bieden aan gebiedsspecifieke omgevingswaarden. De gemeente wil op basis van het coalitieakkoord «Duurzaam, samen, sterker 2014–2018» in samenhang met de uitvoering van de Agenda Centrum op een adequate wijze invulling geven aan de doelstellingen van de stedelijke ontwikkeling van het Binnensingelgebied. Middels dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte neemt de gemeente Enschede de mogelijkheid om initiatieven en plannen op het gebied van renovatie en verduurzaming actief te ondersteunen.

Brainport Park – gemeente Eindhoven

In de Brainportregio Eindhoven zijn al verschillende initiatieven in ontwikkeling ten behoeve van de hightech-industrie: de Hightech Campus, TU/Science Park, Automotive Campus NL en het creatieve cluster Strijp-S. Aanvullend op deze ontwikkelingen moet de Brainport Park Industries Campus een plek worden waar hightech toeleveranciers samenkomen en samenwerken. De te vestigen bedrijven worden gestimuleerd tot het benutten van mogelijkheden van co-creatie, het delen van technische voorzieningen en een flexibel gebruik van bedrijfsruimten. Door de gewenste omvang van het terrein en het ambitieniveau zijn er geen bestaande terreinen beschikbaar waar de ontwikkeling van de campus kan worden gerealiseerd. Op de nu gekozen locatie wil de gemeente een goede, flexibele inrichting van het terrein mogelijk maken. Tegelijkertijd streeft de gemeente naar het benutten van de ecologische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied en het bereiken van een goede omgevingskwaliteit door in te zetten op duurzame vormen van mobiliteit en energie en het stimuleren van gezamenlijke systemen voor waterbeheer, opslag van gevaarlijke stoffen en afvalmanagement. Het campusgebied heeft een uiteindelijke potentie van zo’n 65 ha bedrijventerrein voor de hightech-maakindustrie in Nederland en moet uiteindelijk werkgelegenheid bieden aan circa 1.500–3.000 mensen.

Automotive Campus – gemeente Helmond

De Automotive Campus in Helmond is een reeds bestaand bedrijventerrein waar innovatiebedrijven en onderwijs- en onderzoeksinstellingen zijn gevestigd. Het terrein is deels gelegen op een voormalige stortlocatie. In de directe nabijheid van de campus ligt het Coovels bos, onderdeel van de EHS en over het terrein loopt de ecologische verbindingszone «De Schootenseloop». De aanwezigheid van de voormalige stortplaats zorgt voor beperkingen in het gebruik van het terrein en een verplichting tot monitoring. De aanwezige natuur biedt mogelijkheden om natuur en economie op het campusterrein te integreren. Verder wil de gemeente een nieuw collectief parkeersysteem introduceren en verdergaande toepassingen van duurzame energie stimuleren. Hiertoe zijn regels nodig die verder reiken dan «een goede ruimtelijke ordening». De gemeente wil de mogelijkheden die het toekomstige omgevingsplan biedt om ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving te reguleren nu al toepassen in het bestemmingsplan voor het campusterrein. Door de realisatie van dit project wordt de economische structuur van de Brainportregio versterkt. Er worden arbeidsplaatsen gerealiseerd door de komst van nieuwe bedrijven naar en door groei van de bedrijven op de Automotive Campus.

Buitengebied – gemeente Leudal

De gemeente Leudal beslaat zestien kernen en een omvangrijk buitengebied. In het buitengebied vindt een transitie plaats van overwegend agrarische bedrijven naar met een agrarische bedrijf gecombineerde functies en niet-agrarische functies die in de plaats komen van agrarische bedrijven. Daarnaast vindt er een schaalvergroting plaats van agrarische bedrijven door overname van stoppende bedrijven. De agrarische sector heeft voor de gemeente Leudal een belangrijke economische waarde. Om de agrarische sector te versterken en nieuwe initiatieven de ruimte te geven, wil de gemeente de transitie aan de ene kant stimuleren en versnellen, maar aan de andere kant ook structureren. Om dit te bereiken wil de gemeente experimenteren met de mogelijkheden van delegatie die in artikel 2.8 van het wetsvoorstel Omgevingswet wordt geboden. De gemeenteraad stelt in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte de kaders vast voor toekomstige ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Daarnaast wordt voorzien in een delegatie van bevoegdheden aan het college van burgemeester en wethouders om delen van het omgevingsplan vast te stellen. Met deze mogelijkheden wil de gemeente voorzien in een duurzaam ruimtelijk beleid voor het buitengebied dat mogelijkheden biedt voor de beoogde transitie. Door het vergroten van de flexibiliteit via het delegeren van bevoegdheden kan een versnelling in de realisatie van initiatieven uit de omgeving worden bereikt waarmee de transitie op gang kan worden gebracht. Een belangrijk speerpunt bij het beleid van de gemeente Leudal is duurzaamheid. Bij groei en schaalvergroting in de agrisector is duurzame bedrijfsontwikkeling op daarvoor geschikte locaties een belangrijk uitgangspunt. Door het maken van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte krijgt de gemeente Leudal de mogelijkheid om hier op flexibele wijze op te sturen.

CHV-terrein – gemeente Veghel

Langs de insteekhaven van de Zuid-Willemsvaart, op loopafstand van het centrum van Veghel, is een gedeelte van een gezoneerd industrieterrein vrijgekomen. Dit industrieterrein (6 ha) omvat een industrieel complex met cultuurhistorisch waardevolle gebouwen die bouwkundig in goede staat verkeren. Bij de bestemming wordt gezocht naar een bedrijfsmatige, educatieve en recreatieve invulling waarbij het aanwezige cultuurhistorisch waardevol industrieel erfgoed wordt gerespecteerd en in de nieuwe invulling wordt geïntegreerd.

De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet in de herontwikkeling van het CHV-terrein en het behoud en herbestemming van het industriële erfgoed. Zo is het kunst- en cultuurcluster in juli 2014 officieel geopend. In de volgende fase wordt een nieuw gebouw ten behoeve van een theater- annex congresfunctie gerealiseerd. Daarnaast wordt invulling gegeven aan het foodconcept (onder andere bestaand uit opleidingsfaciliteiten, horeca, detailhanden en informatievoorziening). Grote landelijke foodbedrijven spelen hierin een rol.

De ontwikkelingen, zoals hierboven geschetst, hebben geleid tot werkgelegenheid en continuïteit bij het verantwoordelijke bouwbedrijf. Hetzelfde geldt voor de culturele instellingen. Door een investering in de huisvesting van deze instellingen is de continuïteit en werkgelegenheid binnen deze organisatie geborgd. Om deze ontwikkeling beter te kunnen faciliteren wil de gemeente Veghel de reikwijdte van het bestemmingsplan verbreden met aspecten op het gebied van milieu, ligplaatsen voor pleziervaartuigen, cultureel erfgoed, parkeerbeleid, terrassenbeleid en het maken van uitritten bij gebouwen. In deze tijd is het onmogelijk om een gebied met een omvang van circa 10 hectare in één keer te ontwikkelen. De wens is om het terrein organisch en stapsgewijs te laten groeien naar het eindbeeld. Tijdelijke initiatieven zijn daarbij van wezenlijk belang om het terrein leefbaar te houden, verloedering te voorkomen, creativiteit te stimuleren maar ook inkomsten te genereren om een verdere investering in het gebied mogelijk te maken. Door de inzet van commerciële partijen komen er nieuwe initiatieven van de grond die werkgelegenheid verschaffen.

De duurzaamheid van gebouwen, energie en materialen staat centraal bij de herontwikkeling van het CHV-terrein. Door behoud en herbestemming van industrieel erfgoed krijgen de robuuste gebouwen een tweede leven. Daarbij worden de gebouwen gebruiksklaar gemaakt voor de nieuwe functie door hergebruik van (bouw)materialen. Door een combinatie van maatschappelijke en commerciële functies, opgezet in de vorm van een coöperatie, ontstaat er een haalbare business case. Binnen het coöperatief model creëren gebruikers meerwaarde voor elkaar door de gedeelde inzet van mensen en gezamenlijke inkoop. Een deel van het terrein wordt in de toekomst verwarmd door de inzet van restwarmte van de naastgelegen melkfabriek.

Onderdeel D (uitbreiding artikel 7d met Bergwijkpark Diemen)

Bergwijkpark Diemen wordt, zoals hiervoor reeds is aangegeven, toegevoegd aan artikel 7d. Dit artikel is toegelicht in de nota van toelichting bij de zevende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Stb. 2014, 168). Volledigheidshalve wordt die toelichtende passage hieronder herhaald.

Voor de in artikel 7d genoemde bestemmingsplannen wordt aanvullend op artikel 7c de mogelijkheid geboden gedurende een termijn van tien jaren af te wijken van de volgende geluidregels. Beide artikelen (7c en 7d) hebben betrekking op zowel het integreren van de hogere waarden in het bestemmingsplan als het afstemmen van het detailniveau van het akoestisch onderzoek op het stadium waarin de besluitvorming zich bevindt.

Op grond van artikel 45 van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) voor woningen binnen de zone rond een gezoneerd industrieterrein. In veel gevallen legt een zone rond een industrieterrein daarmee een aanzienlijke ruimteclaim op een gebied dat met functiemenging kan worden doorontwikkeld. Het huidige artikel 51 Wgh biedt de ruimte tot een maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) in geval van een inbreidingslocatie. Deze is echter aan restricties onderhevig. Met name de beperking dat sprake moet zijn van een beperkte wijziging ten opzichte van de bestaande stedenbouwkundige structuur staat op gespannen voet met het beginsel van uitnodigingsplanologie. De gebiedsontwikkeling gestoeld op functiemenging brengt veelal een wijziging van de stedenbouwkundige structuur met zich mee. In het kader van dit experiment mag de in artikel 45, eerste lid, genoemde maximale ontheffingswaarde op 65 dB(A) worden gesteld, waarbij deze afwijking gedurende maximaal tien jaar is toegestaan.

In artikel 3.2 van het Besluit geluidhinder zijn beperkingen opgenomen voor de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeerslawaai. De pilotgebieden liggen binnen zones langs verschillende wegen. Ook deze leggen een aanzienlijke ruimteclaim op de pilotgebieden. De bestaande in de Wgh opgenomen normen knellen onnodig als het gaat om uitnodigingsplanologie en organische gebiedsontwikkeling. Dit voorstel sluit aan op bestaande in de wet opgenomen ontheffingsbevoegdheden. Er wordt namelijk aangesloten bij de ontheffingsmogelijkheden zoals opgenomen in artikel 83, vijfde lid, Wgh, met dien verstande dat de daaraan gestelde beperkingen ten aanzien van de stedenbouwkundige structuur zijn komen te vervallen. Dit in verband met de strijdigheid van dit beginsel met de binnen de pilotgebieden beoogde functiemenging.

Onderdeel E (nieuwe artikelen 7m en 7n)
Artikel 7m (Cadzand-Bad)

De gemeente Sluis wil het bestemmingsplan voor de badplaats Cadzand-Bad actualiseren en daarmee de planologische basis bieden voor enkele (verblijfs)recreatieve voorzieningen: doorontwikkeling van een drietal hotels en de bouw van appartementen, recreatiewoningen en een badpaviljoen. Deze voorzieningen moeten het vliegwiel vormen voor een duurzame economische ontwikkeling van Cadzand-Bad en bijdragen aan de versterking van de toeristisch-recreatieve sector in de regio West-Zeeuws-Vlaanderen.

De beoogde voorzieningen leiden tot bebouwing in de primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszone. Daarbij geldt als strikte voorwaarde dat deze bebouwing geen belemmering mag opleveren voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament of voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de primaire waterkering. Uit overleg met het waterschap de Scheldestromen en Rijkswaterstaat is gebleken dat de voorgestelde recreatieve bebouwing en de kustverdediging goed samen kunnen gaan.

De vigerende regelgeving staat de ontwikkeling echter in de weg. Cadzand-Bad beschikt niet over een actueel bestemmingsplan met daarin een «toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing», conform de definitie van stedelijk gebied in artikel 2.3.1 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Daarmee valt het voorstel voor de uitbouw van Cadzand-Bad thans onder de regeling voor bouwen in het kustfundament buiten stedelijk gebied. Het hiervoor geldende «nee-tenzij-regime» levert (te) grote beperkingen op en maakt de voorgestelde bouw van de recreatieve voorzieningen onmogelijk. Voor ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied geldt in het Barro een «ja-mits»-regime, wat inhoudt dat ontwikkelingen mogelijk zijn, op voorwaarde dat deze geen negatieve invloed hebben op de primaire waterkerende functie.

Dit probleem wordt opgelost door voor het project stedelijke ontwikkelingen Cadzand-Bad in de gemeente Sluis te regelen dat in aanvulling op artikel 2.3.1, eerste lid, van het Barro onder «stedelijk gebied» mede wordt verstaan de in de Ontwikkelingsvisie Cadzand-Bad 2006 en de Schilvisie Cadzand-Bad 2011 aangewezen ruimte voor stedenbouwkundige ontwikkelingen. De voorwaarde dat door de bouw geen belemmeringen ontstaan voor de waterveiligheid, zoals opgenomen in artikel 2.3.4 van het Barro, blijft door deze regeling onverminderd van kracht.

Het experiment draagt bij aan het bestrijden van de (lokale effecten van de) economische crisis. Recreatie en toerisme vormt de voornaamste economische pijler in de krimpregio West-Zeeuws-Vlaanderen. Daarbinnen is Cadzand-Bad een belangrijke locatie. Het is nodig om de bestaande voorzieningen op te waarderen en uit te bouwen, zodat deze blijven aansluiten bij de eisen van de bezoekers. De voorzieningen dragen ertoe bij dat Cadzand-Bad een «jaarrond-bestemming» wordt, hetgeen een positief effect zal hebben op het voorzieningenniveau in de hele streek en op de financiële mogelijkheden om de openbare ruimte te verbeteren. Dit alles leidt tot een toename van de bezoeken en overnachtingen met een positief effect op de werkgelegenheid. Ook de bouw van de voorzieningen biedt tijdelijk extra werkgelegenheid.

Door deelname aan dit experiment krijgt de gemeente de kans om op een innovatieve wijze ontwikkelingen toe te staan op maatschappelijke gewenste plekken en daarmee de ruimte optimaal te benutten. Het project draagt bij aan een duurzame economische ontwikkeling van de recreatiesector. Door de bouw op de primaire waterkering mogelijk te maken kan de uitbreiding van de recreatiesector plaatsvinden op gronden aansluitend bij de bestaande voorzieningen. De aantrekkelijkheid van het gebied voor de beoogde doelgroep hangt mede af van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Bij de planvorming in en rond Cadzand-Bad wordt rekening gehouden met de in de directe omgeving aanwezige natuurwaarden. In samenspraak met initiatiefnemers in de verblijfsrecreatieve sector en de plaatselijke natuurbeschermingsvereniging wordt ingezet op het versterken van migratieroutes voor beschermde soorten tussen de natuurgebieden en een robuuste versterking van het duingebied nabij de Herdijkte Zwarte Polder. Er liggen onder meer in de Vlamingpolder enkele poelen die door de boomkikker en enkele andere beschermde soorten worden benut. Deze poelen krijgen in de planvorming voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen veel aandacht, waardoor de kwaliteit van de natuur er op vooruit gaat.

Artikel 7n (Solarpark Eerbeek)

Stortplaatsen van afval moeten in de beheerfase worden voorzien van een bovenafdichting, die voldoet aan de eisen uit het Stortbesluit. Dit experiment voorziet in een afdichting met een nieuw soort folie die tevens zonlicht omzet in elektriciteit (zonnefolie). Het gaat om een nieuw lichtgewicht en flexibel soort folie waarmee elektriciteit kan worden opgewekt.

Het experiment zal worden uitgevoerd op de voormalige, nog niet gesloten stortplaats Doonweg te Eerbeek, die is gebruikt als stortplaats door papierfabrieken. De aanwijzing van het gebied als experiment onder de Chw is nodig omdat moet worden afgeweken van het Stortbesluit bodembescherming. Op basis van artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit moet op een stortplaats uiterlijk 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting een bovenafdichting zijn aangebracht. Deze termijn verstrijkt in 2025. Alvorens de bovenafdichting kan worden aangebracht is een tijdelijke afdichting noodzakelijk om de stortplaats te «stabiliseren» (dat wil zeggen: ontwateren en meer draagkracht te laten verkrijgen). De zonnefolie voldoet niet aan de criteria voor een (definitieve) bovenafdichting uit het Stortbesluit, maar is wel geschikt als tijdelijke afdichting. De folie zorgt ervoor dat het afval volledig is ingepakt en wordt afgesloten van de omgeving. Om het experiment met de folie rendabel te kunnen uitvoeren, moet de folie 25 jaar blijven liggen. Dit betekent dat de in artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit genoemde termijn wordt overschreden. In artikel 7n wordt hiervoor de ruimte geboden. Overigens zullen in de vergunning naast de reeds opgelegde controle- en beheersmaatregelen, waaronder monitoring van het grondwater, ook onderhouds-, inspectie- en andere monitoringsmaatregelen worden opgenomen.

Het experiment draagt bij aan het bestrijden van de (lokale effecten van de) economische crisis. Het experiment zal bij de producent van de folie tot circa 30 directe arbeidsplaatsen extra leiden. Het gaat om de eerste praktijktoepassing en fungeert daarmee als launching customer. Het potentieel is 10.000 hectare vuilstortplaatsen in Europa. Toepassing van de zonnefolie op een deel van deze stortplaatsen zal leiden tot meer werkgelegenheid.

Het project is zeer innovatief. Het gaat om de eerste toepassing van een unieke technologie: de combinatie van flexibele zonnefolie met waterdichte afdichtingfolie. Het project is duurzaam door het gebruik van zonne-energie en door de toevoeging van een nieuwe functie aan de verder niet goed te gebruiken voormalige stortplaatsen. Het experiment in Eerbeek betreft 4,5 hectare met een vermogen van 4,5 MWp, goed voor de elektriciteitsbehoefte van 1.200 tot 1.400 huishoudens.

Artikel II (Aanvulling bijlagen I en II Crisis- en herstelwet)

Bijlage I – peilbeheer IJsselmeer, Markermeer en randmeren

Met Prinsjesdag 2014 is het Deltaprogramma 2015, inclusief deltabeslissingen en begroting gepresenteerd.3 In het Deltaprogramma staan de deltabeslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. De Deltabeslissingen zijn eind 2014 beleidsmatig vastgesteld met de Partiële Herziening van het Nationaal Waterplan. Een van de urgente uitvoeringsmaatregelen uit de Deltabeslissing IJsselmeergebied is het Nieuwe Peilbesluit IJsselmeergebied.

Het vaste streefpeil van het IJsselmeer en het Markermeer-IJmeer en de Zuidelijke Randmeren wordt vervangen door een bandbreedte waarbinnen het waterpeil mag fluctueren, zodat het peilbeheer kan inspelen op de meteorologische omstandigheden en de behoefte aan zoetwater. De eerste stap is als volgt uitgewerkt: in het vroege voorjaar vindt een peilopzet plaats naar –10 cm NAP. Daardoor ontstaat een te benutten zoetwatervoorraad van 400 miljoen m3 water (waterschijf tussen –10 en –30 cm NAP). De peilopzet in het vroege voorjaar wordt uitgesteld bij voorspellingen van hoogwater, die mede kan worden veroorzaakt door situaties van wateroverlast in het gebied zelf of hoogwater stroomopwaarts langs de rivieren. Na de voorjaars-peilopzet kan het peil vervolgens in de loop van het voorjaar en de zomer geleidelijk uitzakken, waarmee tevens bij droogte – wanneer de watervraag het wateraanbod overtreft – voldoende zoetwater geleverd kan worden. In de herfst komt het peil weer rond het niveau van het gemiddeld winterpeil (–25 cm NAP). De peilopzet in het vroege voorjaar en het uitzakken van het zomerpeil zijn tevens gunstig voor de natuur.

In het Nieuwe Peilbesluit IJsselmeergebied worden in overleg met de regionale waterbeheerders de sturingscriteria voor het operationeel beheer van het flexibel peil in het hoofdwatersysteem vastgelegd.

Bijlage II – Project Dijkversterking Eemshaven-Delfzijl en meekoppelkansen

Het waterschap Noorderzijlvest bereidt het dijkversterkingsproject Eemshaven-Delfzijl voor, waarbij een primaire waterkering over een lengte van circa twaalf kilometer wordt versterkt. Dit project is urgent omdat in de Derde toetsronde is gebleken dat deze dijk niet voldoet aan het vereiste veiligheidsniveau en ook aardbevingbestendig moet worden gemaakt.

De provincie Groningen en de gemeenten Eemsmond en Delfzijl zien een aantal zogenaamde «meekoppelkansen» op het gebied van natuur, toerisme en recreatie en duurzame energie, waardoor de dijkversterking kan zorgen voor een lokale en regionale kwaliteitsimpuls. De meekoppelkansen zijn duurzaam en innovatief, zoals bij de aanhaking op het concept «Rijke Dijk» (ecologie) en het project »Marconi» (leefbaarheid en ecologie). Kansen liggen er verder op het gebied van recreatie, slibgebruik of ander multifunctioneel gebruik van de dijk. De meekoppelkansen geven een impuls voor de werkgelegenheid in de sector toerisme en recreatie, die de van oudsher minder goed ontwikkelde sociaaleconomische perspectieven van de regio ten goede zal komen.

De urgentie in verband met de waterveiligheid maakt het gewenst om de planvorming versneld te doorlopen. In de verkenningsfase stelt het waterschap een plan-MER op, met een afweging van de relevante verbeteringsalternatieven. Door toevoeging aan Bijlage II behoeft het waterschap in de daarop volgende fase van de planuitwerking (voorbereiding projectplan Waterwet) kort daarna niet nogmaals een alternatievenonderzoek door te voeren bij het opstellen van de project-MER.

Artikel III (Wijziging Besluit omgevingsrecht)

Opvangcapaciteit asielzoekers vergroten (COA)

Het aantal asielzoekers in de opvang van het COA vertoont een grote stijging. Verbleven er in maart 2014 nog circa 15.000 asielzoekers in de opvang van het COA, in september waren dat er al circa 22.000 en naar verwachting zal het door het COA te huisvesten personen in de loop van 2015 verder toenemen. Voor het COA betekent dit dat met grote inspanning gezocht wordt naar voldoende opvangcapaciteit. Het COA is daarbij afhankelijk van de medewerking van gemeenten. Deze medewerking wordt in de meeste gevallen ook verkregen. De dynamiek in de huidige situatie laat evenwel zien dat het COA snel moet kunnen beschikken over voldoende opvangcapaciteit. Om dit te realiseren is het van belang dat planologische procedures niet belemmerend werken. Dit geldt zowel voor gemeenten als voor het COA.

De huidige wet- en regelgeving voorziet voor een belangrijk deel in de behoefte van het COA aan de snelheid die nodig is om tijdig voldoende opvangcapaciteit beschikbaar te hebben. Er is een aantal gevallen waarin de wet (nog) meer ondersteuning kan bieden in het snel realiseren van opvangmogelijkheden. In deze algemene maatregel van betuur zijn in verband hiermee een tweetal wijzigingen van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) opgenomen.

De eerste aanpassing heeft betrekking op de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het gaat hier om een wijziging van de artikelen 3.1, onder b, en 3.2, onder b, van het Besluit omgevingsrecht. Hierin is bepaald dat gedeputeerde staten dan wel de betrokken Minister of Ministers bevoegd zijn om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor «planologisch strijdig gebruik» als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, indien sprake is van een project van provinciaal respectievelijk nationaal ruimtelijk belang ten behoeve waarvan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening. De aanpassing heeft tot gevolg dat deze regeling ook gaat gelden voor een omgevingsvergunning waarmee met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 2°, wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, voor zover het de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen betreft. Bij een dergelijke activiteit kan een provinciaal of nationaal ruimtelijk belang in het geding zijn.

In relatie tot de opvang van asielzoekers is dit van belang vanwege de tweede wijziging van het Bor: de wijziging van artikel 4 van bijlage II. Door deze wijziging kan op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik voor de opvang van asielzoekers in bestaande gebouwen buiten bebouwde kom (denk aan recreatiewoningen en -parken) met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo worden beslist. De wijziging sluit aan bij de al bestaande regeling voor een logiesfunctie voor arbeidskrachten in al aanwezige bebouwing en leidt er toe dat op dergelijke aanvragen niet langer de uitgebreide voorbereidingsprocedure, maar de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is.

Overigens geldt bij de toepassing van de artikelen 3.1, onder b, en 3.2, onder b, van het Bor dat in het te nemen besluit altijd dient te worden gemotiveerd waarom het planologisch strijdig gebruik waarvoor vergunning is aangevraagd van provinciaal of nationaal ruimtelijk belang is. Bij de toepassing van deze artikelen met het oog op planologisch strijdig gebruik dat de opvang van asielzoekers mogelijk maakt, is dat niet anders.

Stroomversnelling – Nul op de meter

De «Stroomversnelling» is een samenwerking van partijen en aanbieders die vraag en aanbod gaan creëren voor zogeheten «nul-op-de-meter-verbouwingen» van rijwoningen uit de periode 1950–1980. De woningen worden dusdanig geïsoleerd en aangepast dat ze energieneutraal worden. In het project werken (bouw)partijen en toeleveranciers samen met gemeenten, woningbouwcoöperaties, energiecoöperaties en wijkambassadeurs. De partijen worden ondersteund door het innovatieprogramma Energiesprong. Dit programma wordt uitgevoerd door Platform 31 in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Door de aanpassing van het Bor wordt geregeld dat aanvragen om omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan voor het aanbrengen van isolatie in bestaande gebouwen via de reguliere procedure (acht weken) verlopen, in plaats van via de uitgebreide procedure (zesentwintig weken), zoals nu nog het geval is.

Dakterras, balkon en andere niet op de grond gelegen buitenruimte

Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State4 is gebleken dat niet in alle omstandigheden een balkon of dakterras valt binnen de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Beoogd is dat dit soort bouwwerken wel onder de reikwijdte van dat artikel vallen. Met de aanpassing van artikel 4, onderdeel 4, van de bijlage wordt dit verduidelijkt.

Reparatie pChw-amvb

Artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: de bijlage en het Bor) zondert de mogelijkheid om op grond van artikel 2, onderdeel 3, van de bijlage omgevingsvergunningvrij bijbehorende bouwwerken te bouwen, in een aantal gevallen uit. Deze gevallen betreffen situaties waarin het vanwege het belang van de externe veiligheid onwenselijk is dat ter plaatse in strijd met de planologische regelgeving bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd. Achtergrond hiervan is dat bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebruikt voor het langdurig verblijf van personen, bijvoorbeeld als deel van een woning.

Bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Stb. 2014, 333; hierna: pChw-amvb) is aan artikel 2 van de bijlage een nieuw onderdeel 22 toegevoegd. Op grond van dat onderdeel is het toegestaan omgevingsvergunningvrij in strijd met het bestemmingsplan een bestaand bijbehorend bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit betekent dat toepassing van dat onderdeel ook kan leiden tot het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als woning. In artikel 5, derde lid, aanhef, van de bijlage dient daarom aan de bestaande verwijzing naar artikel 2, onderdeel 3, van de bijlage een verwijzing naar artikel 2, onderdeel 22, van de bijlage te worden toegevoegd. Bij de pChw-amvb is dit abusievelijk niet gebeurd.

Artikel IV (inwerkingtreding)

Gelet op de belangen die gemoeid zijn met dit besluit is geen toepassing gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden. De gemeenten die het betreft, hebben verzocht om de aanwijzing in deze tranche en profiteren van de kortere invoeringstermijn. Ook de wijzigingen in het Bor vergen geen uitstel van de datum van inwerkingtreding. Het besluit bevat geen regels waaraan administratieve lasten verbonden zijn voor burgers en bedrijven.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Stb. 2013, 279.

X Noot
2

Stb. 2014, 168.

X Noot
4

Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2015, nr. 201408697/1/A1 (ECLI:NL;RVS;2015:1801).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.