De wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen) (Stb. 2013, 350) regelt de overeenkomst tussen een pandbelener en een pandhuis, waarbij het pandhuis
aan de pandbelener een geldsom ter beschikking stelt en de pandbelener daartegenover
een roerende zaak in de macht van het pandhuis brengt. De Pandhuiswet 1910 wordt ingetrokken.
De pandbeleningsvergoeding bestaat op grond van artikel 7:137 Burgerlijk Wetboek uit
een maandelijks bedrag dat een bepaald percentage van de beleende som vertegenwoordigt.
Door aan de hoogte van de pandbeleningsvergoeding regels te stellen, worden consumenten
beschermd.
In deze AMvB wordt de maximale hoogte van de pandbeleningsvergoeding vastgesteld op
4,5% van de ter beschikking gestelde geldsom. Artikel 7:137 Burgerlijk Wetboek is
de grondslag tot vaststelling van de maximaal verschuldigde pandbeleningsvergoeding.
In de Memorie van Toelichting is met betrekking tot de vaststelling van de maximale
pandbeleningsvergoeding het volgende opgemerkt: «De regering is voornemens om ...........................
de maximale pandbeleningsvergoeding in beginsel te stellen op 4,5% van de beleensom
per maand» (Kamerstukken II 2011–2012, 33 334, nr. 3, p. 6 e.v.). Dienovereenkomstig wordt het percentage thans vastgesteld.
Tot slot wordt aan de sector de mogelijkheid geboden om hun bedrijfsmodel aan te passen
aan de nieuwe regelgeving voor pandbeleningen. Daarom vindt de vaststelling van de
maximale pandbeleningsvergoeding op 4,5% per maand pas een jaar na inwerkingtreding
van deze AMvB plaats. Het eerste jaar van inwerkingtreding kan daarom nog een maximale
pandbeleningsvergoeding van 9% op maandbasis in rekening worden gebracht. Omdat het
gaat om een maximaal percentage staat het de pandhuizen vrij om een lagere pandbeleningsvergoeding
af te spreken dan hetgeen uit het voorgeschreven maximum percentage zou voortvloeien.
Over de pandbeleningsvergoeding is geen BTW verschuldigd, noch in het geval van een
pandbeleningsovereenkomst met het beding bedoeld artikel 7:130 lid 1 onder a, noch
in het geval van een pandbeleningsovereenkomst met het beding bedoeld in artikel 7:130
lid 1 onder b. In beide gevallen is immers het hoofddoel geld ter beschikking te stellen
en niet het overdragen van het in pand gegeven goed. De belastingdienst zal de beide
vormen van dienstverlening gelijk behandelen conform het uitgangspunt van de wet dat
voor alle overeenkomsten van pandbelening een gelijk regime heeft te gelden.