Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2013, 72Wet

Wet van 6 december 2012 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van pleegouders te verbeteren en dat daartoe de Wet op de jeugdzorg, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en enige andere wetten dienen te worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de jeugdzorg wordt als volgt gewijzigd:

A1

In de artikelen 1, eerste lid, 2e, eerste en tweede lid, 2g, derde en vierde lid, en 47, eerste lid, wordt «Onze Minister voor Jeugd en Gezin» steeds vervangen door: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Het onderdeel «aanbieder van zorg» komt te luiden:

aanbieder van andere zorg:

natuurlijke persoon of rechtspersoon, die zorg verleent als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b of c;

b. Het onderdeel «cliënt» komt te luiden:

cliënt:

jeugdige, zijn ouders of stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders;

c. Het onderdeel «jeugdzorg» komt te luiden:

jeugdzorg:

ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen;

d. Het onderdeel «Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen» vervalt.

e. Het onderdeel «pleegouder» komt te luiden:

pleegouder:

degene die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten;

f. Het onderdeel «vertrouwenspersoon» komt te luiden:

vertrouwenspersoon:

persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die cliënten of pleegouders onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg;

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de hoofdstukken IA en IVA» vervangen door: de hoofdstukken IA en IVB.

B

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

  • 1. Indien de jeugdige voor ten minste vijf aaneengesloten etmalen per week, uitgezonderd vakanties, bij een pleegouder dan wel in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder verblijft, doet de stichting onverwijld schriftelijk of elektronisch mededeling aan de Sociale verzekeringsbank van:

    • a. de vaststelling door haar dat een jeugdige aangewezen is op zorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, en

    • b. de datum van aanvang en beëindiging van jeugdzorg waarvoor de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder of in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder.

  • 2. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag.

C

Artikel 13, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een voogdijplan, gezinsvoogdijplan of jeugdreclasseringsplan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt en, indien er sprake is van pleegzorg, de pleegouders.

D

In artikel 14, derde lid, wordt «alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid» vervangen door: alsmede aan cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties.

E

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en in de eerste volzin wordt de zinsnede «aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c,» vervangen door: aanbieder van andere zorg.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In geval van verblijf bij een pleegouder, dan wel verblijf in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder, doet de zorgaanbieder tevens mededeling van het soort verblijf dat wordt geboden.

F

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de zinsnede «een persoon die bij hem werkzaam is» ingevoegd: of dat een pleegouder.

2. In het tweede lid wordt na de zinsnede «een bij die zorgaanbieder werkzame andere persoon» ingevoegd: of een door die zorgaanbieder gecontracteerde pleegouder.

G

Hoofdstuk IV, paragraaf 2, vervalt.

H

Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 22

De artikelen 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een zorgaanbieder.

I

Hoofdstuk IV, paragraaf 3, wordt vernummerd tot paragraaf 2.

J

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d,» telkens vervangen door: aanbieder van andere zorg.

2. In het vijfde lid wordt na de derde volzin een zin ingevoegd: Het behoeft diens instemming, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt wordt vorm gegeven.

K

Aan artikel 26 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onder de kwaliteit van de zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt van een pleegouder tijdens de plaatsing van een jeugdige in diens gezin.

L

In artikel 27, derde lid, wordt «alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid» vervangen door: alsmede aan cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties.

M

Na artikel 28 wordt, onder vernummering van hoofdstuk IVa tot IVB, een hoofdstuk IVA (nieuw) ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IVA. PLEEGZORG

Artikel 28a
  • 1. De pleegouder voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. de pleegouder heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaren bereikt;

    • b. de pleegouder is niet tevens degene, die door de desbetreffende zorgaanbieder die pleegzorg biedt, is belast met de begeleiding van een pleegouder;

    • c. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een jeugdige is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest. Deze voorwaarde geldt tevens voor alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven;

    • d. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt aangeboden voorbereidings- en selectietraject afgerond.

  • 2. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt stelt vast of aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, is voldaan.

  • 3. Voorafgaand aan de plaatsing van een jeugdige in het gezin van de pleegouder beoordeelt de zorgaanbieder die pleegzorg biedt of de jeugdige in het gezin van de pleegouder kan worden geplaatst, gelet op de leeftijd en de problemen van de jeugdige, de samenstelling van het gezin van de pleegouder en de verwachte duur van de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder.

  • 4. Degene die een jeugdige reeds verzorgt en opvoedt op het moment dat bij een zorgaanbieder die pleegzorg biedt de aanspraak van die jeugdige op verblijf bij een pleegouder tot gelding wordt gebracht, kan in afwijking van het eerste lid, onder c, en het derde lid, aan de in die artikelonderdelen bedoelde voorwaarden voldoen binnen dertien weken nadat de aanspraak tot gelding wordt gebracht, mits de betrokken zorgaanbieder heeft vastgesteld dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door diegene niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige.

Artikel 28b
  • 1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt en een pleegouder sluiten een pleegcontract voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige.

  • 2. Het contract bevat in ieder geval afspraken omtrent de wijze waarop de verzorging en opvoeding van een jeugdige door de pleegouder wordt uitgevoerd en de begeleiding die de pleegouder daarbij van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt ontvangt.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het pleegcontract.

Artikel 28c
  • 1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekt aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige, bestaande uit een door Onze Ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën van pleegkinderen verschillend kan zijn.

  • 2. Onze Ministers stellen regels omtrent op het basisbedrag te verlenen toeslagen of op het basisbedrag toe te passen kortingen.

  • 3. De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben betrekking op:

    • a. het basisbedrag en het bedrag van de toeslagen en kortingen en de omstandigheden waaronder deze worden verleend of toegepast;

    • b. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de kortingen worden toegepast.

Artikel 28d
  • 1. De stichting en de zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekken aan de pleegouder in het belang van de verzorging en de opvoeding van de jeugdige, zo nodig zonder toestemming en zo mogelijk voorafgaand aan de plaatsing, inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een jeugdige of diens verzorging of opvoeding betreffen en die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taak van de pleegouder. Deze inlichtingen kunnen mede omvatten persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

N

Artikel 29 vervalt.

O

In artikel 30, derde lid, wordt na «de betrokken cliëntenorganisaties» ingevoegd: en pleegouderorganisaties.

P

In artikel 35, tweede lid, wordt na «de betrokken cliëntenorganisaties» ingevoegd: en pleegouderorganisaties.

Q

In artikel 43 en artikel 44, tweede lid, wordt de zinsnede «aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c en d,» telkens vervangen door: aanbieders van andere zorg.

R

In artikel 45, eerste lid, onder b, wordt «aanbieders van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c,» vervangen door: aanbieders van andere zorg.

S

In artikel 57, eerste lid, wordt na «dragen er zorg voor dat» ingevoegd: pleegouders en.

T

Na het opschrift van hoofdstuk XI en voor artikel 58 wordt een opschrift voor een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 1. Medezeggenschap van cliëntenraden

U

Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt na «artikel 58, tweede lid» ingevoegd: en artikel 66a.

2. In het tweede en derde lid wordt na «cliënten» steeds ingevoegd: en pleegouders.

V

Na artikel 66 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 2. Medezeggenschap van pleegouderraden

Artikel 66a
  • 1. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt, stelt een pleegouderraad in, die binnen het kader van zijn doelstelling de gemeenschappelijke belangen van de pleegouders behartigt. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, kan deze verplichting ook nakomen door instelling van een pleegouderraad die voor meer dan een door hem in stand gehouden zorgeenheid werkzaam is.

  • 2. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, regelen schriftelijk:

    • a. het aantal leden van de pleegouderraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden;

    • b. de materiële middelen waarover de pleegouderraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de pleegouderraad:

    • a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de bij de zorgaanbieder die pleegzorg biedt betrokken pleegouders; en

    • b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen.

  • 4. De pleegouderraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.

  • 5. Op door de pleegouderraad te voeren rechtsgedingen, is artikel 66, vierde lid van overeenkomstige toepassing. De kosten hiervan komen slechts ten laste van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt, indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.

  • 6. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft de zorgaanbieder die pleegzorg biedt de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de pleegouderraad. Zij treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de pleegouderraad gedurende twee jaar niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden.

Artikel 66b
  • 1. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, stellen de pleegouderraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat een of meer van de door een zorgaanbieder in stand gehouden zorgeenheden betreft, voor zover van invloed op pleegzorg inzake:

    • a. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van de samenwerking met een andere zorgaanbieder;

    • b. een belangrijke wijziging in de organisatie van de zorgaanbieder, voor zover met betrekking tot pleegzorg;

    • c. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de zorgaanbieder, voor zover met betrekking tot pleegzorg;

    • d. de begroting en de jaarrekening van de zorgaanbieder;

    • e. het beleid van de zorgaanbieder inzake de toelating van cliënten en de beëindiging van de hulpverlening aan cliënten, voor zover met betrekking tot pleegzorg;

    • f. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit door de zorgaanbieder met betrekking tot de aspecten: te hanteren methodieken, organisatie, professionaliteit en materiële voorzieningen, voor zover met betrekking tot pleegzorg;

    • g. wijziging van een werkplan van de zorgaanbieder voor zover met betrekking tot pleegzorg, voor zover het aangelegenheden betreft die niet reeds hierboven zijn genoemd.

  • 2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit.

  • 3. De pleegouderraad is bevoegd de zorgaanbieder die pleegzorg biedt ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de pleegouders van belang zijn.

  • 4. Ingeval een zorgaanbieder die pleegzorg biedt meer dan één pleegouderraad heeft ingesteld en bovendien één pleegouderraad die alle door hem in stand gehouden zorgeenheden omvat, bevat de regeling, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, tevens een voorziening waardoor de in dit hoofdstuk bedoelde verplichtingen en bevoegdheden slechts behoeven te worden nagekomen jegens en kunnen worden uitgeoefend door één pleegouderraad.

Artikel 66c

De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, vragen de voorafgaande instemming van de pleegouderraad voor elk door de zorgaanbieders die pleegzorg bieden te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

  • a. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten van pleegouders en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten;

  • b. de vaststelling of wijziging van voor pleegouders geldende reglementen;

  • c. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van jeugdigen aan wie pleegouders pleegzorg bieden en pleegouders.

Artikel 66d
  • 1. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, stellen in overeenstemming met de pleegouderraad of pleegouderraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwenslieden in, waarvan één lid door henzelf wordt aangewezen, één lid door de pleegouderraad of pleegouderraden kan worden aangewezen en één lid door beide gezamenlijk wordt aangewezen.

  • 2. De vertrouwenscommissie, bedoeld in het eerste lid, heeft op verzoek van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt tot taak te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen, indien die zorgaanbieder ten aanzien van een te nemen, na overleg al dan niet gewijzigd, besluit dat ingevolge artikel 66c instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en die zorgaanbieder zijn voorstel wenst te handhaven.

Artikel 66e
  • 1. Indien aan een te nemen besluit van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt de instemming, vereist ingevolge artikel 66c, is onthouden, deelt die zorgaanbieder binnen drie maanden na het onthouden van instemming aan de pleegouderraad mee, of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 66d, eerste lid. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan of het voorstel niet binnen zes weken na de mededeling aan de pleegouderraad aan de vertrouwenscommissie wordt voorgelegd, vervalt het voorstel.

  • 2. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt, doet een verzoek als bedoeld in artikel 66d, tweede lid, onder overlegging van de door die zorgaanbieder gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor die zorgaanbieder onderscheidenlijk de pleegouderraad aan de orde zijn. De vertrouwenscommissie stelt de pleegouderraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de vertrouwenscommissie naar voren te brengen.

  • 3. De vertrouwenscommissie kan een bemiddelingsvoorstel voorleggen aan de zorgaanbieder die pleegzorg biedt en de pleegouderraad, tenzij die zorgaanbieder of de pleegouderraad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de vertrouwenscommissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming heeft van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt of de pleegouderraad, beoordeelt de vertrouwenscommissie of de pleegouderraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt rechtvaardigen.

Artikel 66f

De artikelen 60 tot en met 64 en artikel 66, derde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden ten aanzien van pleegouderraden, met dien verstande dat in artikel 66, vierde lid, in plaats van artikel 58 wordt gelezen: artikel 66a.

W

Na artikel 68 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 68a

De artikelen 67 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden jegens pleegouders.

X

Hoofdstuk XIII vervalt.

ARTIKEL II

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

In het zesde lid van artikel 282 wordt na «van overeenkomstige toepassing» onder vervanging van de punt door een komma een zinsnede toegevoegd, luidende:

tenzij het betreft pleegouders die zijn belast met de gezamenlijke voogdij en die met een zorgaanbieder een pleegcontract hebben gesloten als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de jeugdzorg.

B

Artikel 395b, tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

ARTIKEL III

In de Algemene Kinderbijslagwet wordt na artikel 7c een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7d

In afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, heeft de verzekerde geen recht op kinderbijslag voor een kind, indien:

  • a. de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg heeft vastgesteld dat dat kind aangewezen is op zorg waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg aanspraak bestaat;

  • b. de stichting, bedoeld in onderdeel a, aan de Sociale verzekeringsbank heeft medegedeeld dat het kind als gevolg daarvan bij een pleegouder dan wel in een accommodatie of een instelling van een zorgaanbieder verblijft voor ten minste vijf aaneengesloten etmalen per week, uitgezonderd vakanties, en

  • c. het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal bij een pleegouder of in een accommodatie of een instelling van een zorgaanbieder verblijft als bedoeld in onderdeel b.

ARTIKEL IV

De Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder toevoeging van het woord «en» aan het slot van onderdeel a, vervalt onderdeel b.

2. Onderdeel c wordt geletterd b.

B

In artikel 4, vierde lid, vervalt: en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

C

In Artikel 10, eerste en vijfde lid, vervalt: in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,.

D

In artikel 12 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1»voor het eerste lid.

E

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot tweede tot en met zesde lid.

3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. Onze minister geeft jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het Bureau heeft overlegd, het bedrag van de subsidie aan dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het Bureau zal worden verstrekt en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Justitie.

F

In artikel 19, eerste lid, vervalt: en aan Onze Minster van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

G

In artikel 20 vervalt: die deze niet verleent dan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

H

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. In het vierde lid vervalt in de tweede volzin «en de Wet op de jeugdzorg» en vervalt in de derde volzin «of Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport».

3. In het zesde lid, eerste volzin, vervalt: en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

I

Artikel 22, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin vervalt: en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en wordt «hun taak» vervangen door: zijn taak.

2. In tweede volzin wordt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen» vervangen door «kan» en wordt «hun taken» vervangen door: zijn taak.

J

In artikel 24 vervalt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport « en wordt «kunnen zij» vervangen door: kan hij.

K

De artikelen 33 en 34 vervallen.

L

In artikel 35, eerste lid, wordt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen» vervangen door: bepaalt.

M

In artikel 36, eerste lid, vervalt: in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

N

Artikel 38 vervalt.

ARTIKEL V

In de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming wordt artikel 11 als volgt gewijzigd:

In het derde lid wordt «De artikelen 69 tot en met 76 van de Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.» vervangen door: Het verschuldigde bedrag wordt geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

ARTIKEL VI

In de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt artikel 10 als volgt gewijzigd:

In het derde lid wordt «De artikelen 69 en 71 tot en met 76 van de Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.» vervangen door: Het verschuldigde bedrag wordt geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

ARTIKEL VII

Op een ouderbijdrage die door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is vastgesteld op een tijdstip voor inwerkingtreding van deze wet blijft hoofdstuk XIII van de Wet op de jeugdzorg zoals dat tot de datum van inwerkingtreding van deze wet luidde van toepassing.

ARTIKEL VIII

In de Wet arbeid en zorg wordt artikel 5:1 als volgt gewijzigd:

In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 28b, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL IX

In de Wet studiefinanciering 2000 wordt artikel 2:17 als volgt gewijzigd:

In het eerste lid wordt «en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk VIa, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL X

In de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt artikel 2.22a als volgt gewijzigd:

«en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk VIa, van de Wet op de jeugdzorg» wordt vervangen door: en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL XI

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt artikel 6.14 als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, onder b, wordt «volgens artikel 7b» vervangen door: volgens artikel 7b of artikel 7d.

ARTIKEL XII

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 juni 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen (31 977) tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan het onderhavige voorstel van wet, wordt artikel I van het onderhavige voorstel als volgt gewijzigd:

Onderdeel A komt te luiden:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Het onderdeel «aanbieder van zorg» komt te luiden:

aanbieder van andere zorg:

natuurlijke persoon of rechtspersoon, die zorg verleent als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b of c;

b. Het onderdeel «cliënt» komt te luiden:

cliënt:

jeugdige, zijn ouders of stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders;

c. Het onderdeel «jeugdzorg» komt te luiden:

jeugdzorg:

ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen;

d. Het onderdeel «Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen» vervalt.

e. Het onderdeel «pleegouder» komt te luiden:

pleegouder:

degene die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten;

f. Het onderdeel «vertrouwenspersoon» komt te luiden:

vertrouwenspersoon:

persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die cliënten of pleegouders onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg;

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de hoofdstukken IA, IB en IVA» vervangen door: de hoofdstukken IA, IB en IVB.

ARTIKEL XIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 december 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Uitgegeven de achtentwintigste februari 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 529