Dit besluit verduidelijkt dat de griffier op verzoekschriften die bij het gerecht
binnen komen en de ontbinding van een gemeenschap tot gevolg hebben, als bedoeld in
artikel 99 lid 1 onder b tot en met d van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW),
niet alleen de datum maar ook het tijdstip van ontvangst dient aan te tekenen. In
artikel 1:99 BW wordt sinds 1 januari 2012 bepaald dat de gemeenschap van rechtswege
wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van een verzoek tot echtscheiding, een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, een verzoek
tot scheiding van tafel en bed of een verzoek tot opheffing van de gemeenschap. In
artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 is
bepaald dat voor inschrijving in het huwelijksgoederenregister van de ontbinding van
de gemeenschap slechts een afschrift van een verzoekschrift hoeft te worden overgelegd
die door de griffier is gewaarmerkt en voorzien van een datum van ontvangst. Het besluit
lijkt hierdoor ruimer te zijn dan de wet. Dit is onwenselijk. Dit besluit verduidelijkt
dat op de verzoekschriften ook het tijdstip van indiening – oftewel het tijdstip van
ontvangst door de griffie – wordt aangetekend, zodat daarmee het exacte moment van
ontbinding van de gemeenschap komt vast te staan.
Ook voor het moment van inwerkingtreding van de derdenwerking is niet alleen de datum
maar ook het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister van belang,
zodat artikel 1a en artikel 3, tweede lid, van het besluit eveneens op dit punt zijn
aangepast. Hierdoor kan de ontbinding van de gemeenschap slechts aan derden, die daarvan
onkundig waren, worden tegengeworpen vanaf het tijdstip van inschrijving van het verzoek
of de overeenkomst in het huwelijksgoederenregister (artikel 1:99, derde lid, BW).
Door de praktijk wordt het belang van dit besluit onderschreven, hetgeen is gebleken
uit de adviezen die zijn ontvangen van de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), de Nederlandse
Orde van Advocaten (NOvA) en de Koninklijke Notariële beroepsorganisatie. De Rvdr
en de NOvA hebben aangegeven dat het sinds 1 januari 2012 vaste praktijk is geworden
dat indien bij partijen behoefte bestaat aan de kenbaarheid van het exacte tijdstip
van indiening van het echtscheidingsverzoek, dit verzoek aan de balie van het gerecht
wordt gedaan met de vraag het tijdstip van ontvangst direct te vermelden. Ditzelfde
geldt voor de inschrijving in het huwelijksgoederenregister.
Voor de inwerkingtreding van dit besluit wordt afgeweken van de vaste verandermomenten.
De wijzigingen zien op de opheffing van de inconsistentie tussen voornoemd artikel
in de wet en het besluit huwelijksgoederenregister 1969. Teneinde de griffies van
de gerechten voldoende gelegenheid te geven om met deze wijziging rekening te houden,
wordt de minimumtermijn van twee maanden tussen het tijdstip van publicatie van dit
besluit en het tijdstip van inwerkingtreding ervan in acht genomen.