Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2013, 211AMvB

Besluit van 30 mei 2013, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst (Kaderbesluit BZK-subsidies)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 januari 2913, nr. 2013-0000031583;

Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet overige BZK-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2013, nr. W04.13.0018/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 mei 2013, nr. 2013-0000260522;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvrager:

natuurlijk persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt op grond van een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2;

algemene groepsvrijstellingsverordening:

verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard («de algemene groepsvrijstellingsverordening») (PbEU 9.8.2008, L 214/3), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

de-minimis verordening:

verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379) ), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

Europees steunkader:

een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, beschikking of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Commissie van de Europese Gemeenschappen, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft vastgesteld;

wet:

Kaderwet overige BZK-subsidies.

HOOFDSTUK 2. VERSTREKKEN VAN SUBSIDIE

Artikel 2

  • 1. Subsidies die worden verstrekt krachtens een ministeriële regeling op de gebieden, genoemd in artikel 2 van de wet, worden verstrekt volgens de regels van dit besluit.

  • 2. Artikel 25 van dit besluit is tevens van toepassing op subsidieverstrekking door Onze Minister die niet op een wettelijk voorschrift berust.

Artikel 3

Geen subsidie wordt verstrekt aan een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij bij ministeriële regeling is bepaald dat daaraan wel subsidie wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 3. EUROPESE SUBSIDIES EN STAATSSTEUNREGELS

Artikel 4

  • 1. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt.

  • 2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Commissie van de Europese Unie bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijven.

  • 3. Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat toepassing is gegeven aan een de-minimis verordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 5

  • 1. Een subsidie lager dan € 25 000, die op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is aan te merken als staatssteun, wordt voor zover mogelijk verstrekt met toepassing van de desbetreffende de-minimis verordening.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de subsidie kan worden verstrekt met goedkeuring van de Commissie van de Europese Unie of onder de werking van een vrijstellingsverordening.

HOOFDSTUK 4. SUBSIDIABELE KOSTEN

Artikel 6

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de redelijk te maken kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

  • 2. De subsidiabele kosten worden door de aanvrager berekend op basis van een voor de aanvrager gebruikelijke en voor Onze Minister controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

  • 3. De subsidiabele kosten worden door Onze Minister op hun aannemelijkheid en redelijkheid getoetst.

  • 4. Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten voor zover die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

  • 5. Vóór indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking, tenzij

    • a. het een subsidie lager dan € 25.000 betreft waarbij met toepassing van artikel 16, tweede lid, onderdeel a, direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven; of

    • b. bij ministeriële regeling anders is bepaald.

  • 6. Verschuldigde btw komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de btw niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 7

  • 1. Indien in het kader van de berekening van de hoogte van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, worden deze door de aanvrager berekend aan de hand van één of meer in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen.

  • 2. Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

    • 1. berekening op basis van integrale kosten;

    • 2. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • 3. een forfaitair vastgesteld uurtarief.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen in dat geval van toepassing is.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningswijzen genoemd in het tweede lid.

HOOFDSTUK 5. SUBSIDIEPLAFOND EN WIJZE VAN VERDELEN

Artikel 8

  • 1. Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies op in een bepaalde periode ontvangen aanvragen op grond van die ministeriële regeling. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van aanvragers of activiteiten of voor bepaalde thema’s of voor bepaalde vormen van subsidie.

  • 2. Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt gekozen voor:

    • a. verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen,

    • b. evenredige verdeling van het subsidieplafond over de ingediende aanvragen, of

    • c. verdeling van het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

      Bij ministeriële regeling wordt de periode vastgesteld waarbinnen de aanvragen om subsidie moeten zijn ontvangen.

    • 3. Indien wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst, kan bij ministeriële regeling worden bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één aanvrager of aanvragers binnen één groep.

Artikel 9

  • 1. Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

  • 2. Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst en Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

  • 3. Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst en het subsidieplafond is bereikt, doet Onze Minister daarvan onverwijld mededeling in de Staatscourant.

Artikel 10

Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen worden bij ministeriële regeling rangschikkingscriteria vastgesteld en, indien meerdere rangschikkingscriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging daarvan. Indien Onze Minister zich bij de rangschikking van aanvragen laat adviseren door een persoon die of een college dat niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, wordt bij ministeriële regeling bepaald door wie en op welke wijze het advies wordt uitgebracht.

HOOFDSTUK 6. INDIENEN VAN DE AANVRAAG

Artikel 11

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat gebruik moet worden gemaakt van een door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de periode waarbinnen de aanvraag wordt ingediend.

  • 3. De aanvraag bevat, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • b. een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van de betreffende subsidieregeling;

    • c. een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • d. een tijdsplanning van de activiteit;

    • e. indien voorschotten worden aangevraagd, een weergave van de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk per tijdvak van drie maanden;

    • f. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat;

    • g. indien van toepassing, het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

HOOFDSTUK 7. AFWIJZINGSGRONDEN

Artikel 12

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 13

Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie voor zover:

  • a. door de toepassing van een de-minimis verordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;

  • b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

  • c. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;

  • d. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd;

  • e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • g. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;

  • h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren.

Artikel 14

Bij ministeriële regeling kunnen andere afwijzingsgronden dan de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden vastgesteld.

HOOFDSTUK 8. WIJZE VAN SUBSIDIEVERSTREKKING

Artikel 15

Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 16

  • 1. Een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 2. Indien een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt, wordt:

    • a. direct een beschikking tot subsidievaststelling gegeven, of

    • b. een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

  • 3. In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is de subsidieontvanger verplicht om:

    • a. onverwijld een schriftelijke melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; en

    • b. desgevraagd, op door Onze Minister van tevoren in de beschikking of in de betrokken ministeriële regeling aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 17

  • 1. Een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 2. Indien een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en het tijdstip waarop een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling moet worden gedaan.

  • 3. In geval van een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 is de subsidieontvanger verplicht om:

    • a. onverwijld een schriftelijke melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; en

    • b. op door Onze Minister van tevoren in de beschikking of in de betrokken ministeriële regeling aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 18

  • 1. Een subsidie van € 125.000 of meer wordt verstrekt in de vorm van een maximumbedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 2. Indien een subsidie van € 125.000 of meer wordt verstrekt, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en het tijdstip waarop een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling moet worden gedaan.

  • 3. In geval van een subsidie van € 125.000 of meer is de subsidieontvanger verplicht om onverwijld een schriftelijke melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 19

Indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie van € 25.000 of meer wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt, is de subsidieontvanger tevens verplicht om één keer per periode van twaalf maanden via een voortgangsverslag inzicht te geven in de voortgang van de activiteiten.

Artikel 20

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie lager dan € 25.000 van toepassing zijn op een subsidie van € 25.000 of meer of dat de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing zijn op subsidies van € 125.000 of meer.

HOOFDSTUK 9. ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER

Artikel 21

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, of, indien direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven, overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de subsidievaststelling;

  • b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden;

  • c. op verzoek van Onze Minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de gesubsidieerde activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd;

  • d. op verzoek van Onze Minister alle medewerking te verlenen aan een door Onze Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatieonderzoek, die Onze Minister redelijkerwijs nodig heeft bij de uitvoering van dat evaluatieonderzoek;

  • e. indien een egalisatiereserve is gevormd, deze zo veilig mogelijk te beheren;

  • f. onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem;

  • g. voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen en voor de overige activiteiten een gescheiden administratie te voeren;

  • h. de in het kader van de subsidieverstrekking gevoerde administratie te bewaren tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling of, indien sprake is van staatssteun, gedurende een andere bij ministeriële regeling of bij beschikking aangegeven termijn;

  • i. op verzoek van Onze Minister nadere informatie aan te leveren ten behoeve van nadere verantwoording aan de Europese Commissie, op basis van de artikelen 106, tweede en derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie dan wel een van de Europese steunkaders.

HOOFDSTUK 10. TERMIJNEN

Artikel 22

  • 1. Een beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag of, indien sprake is van een subsidieplafond en de verdeling plaatsvindt in volgorde van rangschikking of evenredige verdeling, binnen dertien weken na afloop van de periode waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend. Indien sprake is van cofinanciering, over de aanvraag advies wordt ingewonnen of een nader onderzoek is ingesteld dan geldt een termijn van 22 weken.

  • 2. Een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie.

  • 3. Een ambtshalve beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel b, wordt gegeven binnen 22 weken na de in de verleningsbeschikking opgenomen datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend moeten zijn verricht.

  • 4. Een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling vindt plaats binnen dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. Bij ministeriële regeling of bij de beschikking tot subsidieverlening kan een andere termijn worden bepaald. Als sprake is van een subsidie waarbij verantwoord wordt volgens het principe van Single information Single audit als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, vindt vaststelling plaatst op basis van die verantwoording.

  • 5. Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag daarvan.

HOOFDSTUK 11. BETALING EN BEVOORSCHOTTING

Artikel 23

  • 1. In het geval van een subsidie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, vindt de betaling van het vastgestelde subsidiebedrag in één keer plaats.

  • 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel b, wordt gegeven wordt een voorschot uitgekeerd van 100%.

  • 3. Bij subsidies als bedoeld in de artikelen 17 en 18 wordt in de beschikking tot subsidieverlening de wijze van bevoorschotting opgenomen.

HOOFDSTUK 12. SUBSIDIEVASTSTELLING

Artikel 24

  • 1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier. De aanvraag gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden, waaronder in elk geval:

    • a. een eindverslag omtrent de uitvoering van en de resultaten van de activiteiten, en

    • b. indien het een subsidie als bedoeld in artikel 18 betreft, een controleverklaring.

  • 2. Indien sprake van een subsidieverlening in de vorm van een vast bedrag dan vindt verantwoording plaats van het totaal van de geleverde prestaties.

  • 3. Indien sprake is van een subsidieverlening in de vorm van een vast bedrag per prestatie-eenheid, dan vindt verantwoording plaats per prestatie-eenheid.

  • 4. Indien sprake is van een subsidieverlening in de vorm van een maximumbedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid dan vindt verantwoording plaats van het totaal van de geleverde prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 5. Bij ministeriële regeling of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de aanvraag tot subsidievaststelling niet vergezeld hoeft te gaan van een controleverklaring.

HOOFDSTUK 13. MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK (M&O)

Artikel 25

  • 1. Onze Minister houdt ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie een registratie bij waarin wordt vastgelegd:

    • a. het opleggen van een boete aan een subsidieontvanger op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies;

    • b. het lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de subsidieverlening op grond van artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht en het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de subsidieontvanger een verwijt kan worden gemaakt van de lagere vaststelling, intrekking of wijziging als hiervoor bedoeld;

    • c. de aard van de gedragingen die tot de maatregelen bedoeld in de onderdelen a en b hebben geleid en, in geval van maatregelen als bedoeld in onderdeel b, het subsidiebedrag dat daarmee is gemoeid;

    • d. de naam- en adresgegevens van de subsidieontvanger jegens wie maatregelen bedoeld in de onderdelen a en b zijn getroffen.

  • 2. De registratie kan worden geraadpleegd door daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren die zich bezighouden met het verstrekken van subsidies op het terrein van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3. De registratie van gegevens vindt plaats voor de duur van vijf jaar na de datum van registratie, waarna de betreffende gegevens uit de registratie worden verwijderd.

  • 4. Indien blijkt dat een aanvrager in de in het eerste lid bedoelde registratie is opgenomen kan Onze Minister aan de geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen verbinden bij de beoordeling van de aanvraag, de in het kader van de subsidieverstrekking op te leggen verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen.

HOOFDSTUK 14. SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen wordt ingetrokken.

Artikel 27

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 28

Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit BZK-subsidies.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 30 mei 2013

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Uitgegeven de veertiende juni 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Het onderhavige besluit strekt ertoe de uitvoeringsregels voor de verstrekking van subsidies op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) meer uniform te regelen. Voorheen werden subsidies in de regel toegekend op basis van ministeriële regelingen of individuele beschikkingen die waren gebaseerd op de Wet overige BZK-subsidies, thans de Kaderwet overige BZK-subsidies. Deze zijn niet uitgewerkt vanuit een gemeenschappelijk kader, waardoor er overeenkomsten zijn, in de (uitvoerings)regels voor subsidieverstrekking, maar ook veel verschillen. Hierdoor is een grote diversiteit aan uitvoeringbepalingen ontstaan.

Het Uniform Subsidiekader (USK) zoals dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking; Stcrt. 2009, 20306; hierna: Aanwijzingen voor subsidieverstrekking) was de directe aanleiding om de wet- en regelgeving rond de verstrekking van subsidies op het terrein van het Ministerie van BZK opnieuw vorm te geven. Daarnaast speelde ook de departementale herindeling een rol als gevolg waarvan thans op het terrein van BZK meer subsidieverstrekking plaatsvindt dan voorheen.

Deze nota van toelichting wordt mede namens de minister voor Wonen en Rijksdienst uitgebracht.

Uniform Subsidiekader

Op 1 januari 2010 is het USK, zoals dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, van kracht geworden. Doel daarvan is de lasten voor subsidieontvangers en de overheid bij de verstrekking van subsidies te verminderen. Daartoe is een uniform kader ingevoerd voor een eenvoudiger uitvoering en financieel beheer van rijkssubsidies. Het beoogde doel van het USK staat of valt echter met stroomlijning van de subsidieverstrekking binnen het departement. Om dat in BZK te borgen wordt ervoor gekozen om de uitvoeringsbepalingen zoveel mogelijk op één plek vast te leggen en niet meer allemaal in de afzonderlijke regelingen en verstrekkingen.

De wet- en regelgeving inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van BZK zal bestaan uit een drietal elementen, te weten:

  • 1. Een Kaderwet overige BZK-subsidies, waarin enkele algemene bepalingen zijn opgenomen, waaronder ook een bepaling inzake de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

  • 2. Het onderhavige Kaderbesluit BZK-subsidies, waarin in principe alle uitvoerende elementen van de subsidieverstrekking aan de orde zijn, inclusief bepalingen betreffende misbruik en oneigenlijk gebruik.

    Via dit besluit vindt de beoogde standaardisering van subsidieverstrekking plaats, en wordt de basis gelegd voor de beoogde efficiencyslag, zowel in de uitvoering als bij de beleidsbepaling.

  • 3. Subsidieregelingen die zoveel mogelijk zijn ontdaan van uitvoeringsbepalingen, maar waarin wel het subsidieplafond is vastgelegd en eventuele aanvulling op of afwijkingen van het onderhavige besluit.

Uitvoering en handhaving

Het besluit is door middel van een HUF-toets beoordeeld. Dit betekent dat het (concept) besluit is getoetst op Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid. Deze – interne – toets is gedaan door juridische en financiële experts vanuit het ministerie.

Administratieve lasten

Dit besluit sluit aan op het USK, zoals neergelegd in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Dit USK leidt tot substantiële vermindering van werkzaamheden bij de overheid en bij bedrijven, instellingen en burgers. De uniforme subsidiesystematiek zorgt er voor dat de aanvraag, uitvoering en verantwoording voor zowel de subsidieverstrekker als de subsidieontvanger efficiënter en dus minder belastend wordt. Uitgangspunten van het nieuwe kader zijn: sturen op hoofdlijnen, werken vanuit vertrouwen, proportionaliteit tussen het vragen van informatie en het subsidiebedrag, een lastenarme uitwerking en eenvoud en eenvormigheid in begrippen, bepalingen en subsidiesystematiek. Dit geldt dus ook als uitgangspunt voor dit besluit. De verwachting is dan ook dat de administratieve lasten voor zowel de aanvragers van subsidies als voor het ministerie zullen afnemen.

Implementatie

Het Kaderbesluit treedt gelijktijdig met de Kaderwet overige BZK-subsidies in werking. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2013. Ook alle bestaande subsidieregelingen worden aangepast aan het nieuwe wettelijke kader.

Inhoud

Het besluit is zo ingedeeld dat het de volgorde van het subsidieproces zoveel mogelijk volgt. Er zijn eerst enkele algemene bepalingen opgenomen inzake de wijze van verstrekking van subsidie, regels inzake staatssteun en de voor subsidie in aanmerking komende kosten (de hoofdstukken 1 tot en met 4). Vervolgens komen (vanaf hoofdstuk 5) de verschillende stappen in het proces van subsidieverstrekking aan de orde, vanaf het vaststellen van het subsidieplafond en de wijze van verdelen daarvan tot en met de vaststelling van de subsidie.

Het in het besluit neergelegde regiem gaat, net als de eerdergenoemde Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, uit van vertrouwen. Er wordt vanuit gegaan dat de subsidieaanvrager zijn aanvraag indient op basis van juiste en volledige informatie, de activiteiten uitvoert waarvoor de subsidie is verstrekt en dat deze zich houdt aan de overige aan de subsidie verbonden verplichtingen. Daar staat tegenover dat als dat vertrouwen wordt beschaamd, daar ook sancties tegenover staan. Indien wordt vastgesteld dat een aanvrager op grond van onjuiste informatie subsidie heeft aangevraagd of zich niet aan de afspraken en verplichtingen houdt, dan wordt de subsidie teruggevorderd en wordt de aanvrager met naam en toenaam opgenomen in een daartoe ingericht register. Een dergelijke vermelding wordt betrokken bij de beoordeling van eventuele nieuwe subsidieaanvragen van betreffende persoon of instantie. De bepalingen inzake het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies zijn in hoofdstuk 13 van dit besluit neergelegd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Artikel 2 regelt het toepassingsbereik van dit besluit. Uit dit artikel volgt dat de regels van dit besluit van toepassing zijn op de subsidies die krachtens een ministeriële regeling worden verstrekt. Dit zal de gebruikelijke wijze van subsidieverstrekking vanuit BZK zijn, conform de hoofdregels dat subsidieverstrekking op een wettelijk voorschrift dient te berusten (vgl. artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb). Voorts moet het gaan om een subsidie op één van de in artikel 2 van de Kaderwet overige BZK-subsidies genoemde beleidsterreinen. In dat artikel zijn in beginsel alle huidige beleidsterreinen van BZK opgenomen.

Met de eis dat sprake moet zijn van subsidies die krachtens een ministeriële regeling worden verstrekt vallen onder andere de zogenoemde «incidentele subsidies» (subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb die niet op grond van een wettelijk voorschrift worden verstrekt), buiten het bereik van dit besluit. Deze subsidies moeten overigens wel gewoon aan het USK voldoen en ook overigens ligt het voor de hand dat die subsidieverstrekking zoveel mogelijk in lijn met de regels van dit besluit plaatsvindt. Een uitzondering is gemaakt voor artikel 25 inzake de departementale registratie ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dat artikel is tevens van toepassing op subsidies die niet op grond van een wettelijk voorschrift worden verstrekt, zodat ook ten aanzien van die subsidies de nodige gegevens kunnen worden geregistreerd waarmee misbruik en oneigenlijk gebruik kan worden voorkomen.

Artikel 4

Vaak wordt subsidie door meerdere Nederlandse dan wel Europese overheidsinstanties gegeven. Bij deze vormen van cofinanciering is dit besluit maatgevend voor de hoogte van de totale subsidie die mag worden gegeven, tenzij daarover bij ministeriële regeling anders is bepaald. Als het gaat om subsidie die valt onder de Europese staatssteunregels dienen daarbij ook de maximumpercentages en maximumbedragen aan steun te worden gerespecteerd. Specifiek wordt ingegaan op de maximale hoogte van het subsidiebedrag als gevolg van de-minmisverordeningen en de algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals genoemd in de definitiebepaling (artikel 1).

Artikel 5

Vanwege het geringe bedrag en de beperking van de administratieve lasten wordt een subsidie lager dan € 25.000, die is aan te merken als staatssteun op grond van de Europese staatssteunregels, zoveel mogelijk verstrekt met toepassing van de betreffende de-minimisverordening. Dit betekent dat vóór de subsidieverstrekking door de subsidieontvanger een de minimisverklaring wordt ingevuld, waaruit blijkt dat deze de afgelopen drie jaar niet al zoveel de-minimissteun (subsidie of andere steun) heeft ontvangen dat opgeteld met de aangevraagde subsidie het toegestane maximumbedrag zou worden overschreden.

Op grond van het tweede lid is het ook mogelijk dat reeds een goedkeuring wegens staatssteun is verleend voor de subsidie of de subsidieregeling, dan wel dat de voorkeur wordt gegeven aan een aanmelding of kennisgeving van de subsidie of de subsidieregeling op grond van de Europese steunkaders of de artikelen 106-109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over staatssteun.

Artikel 6

Uitgangspunt is dat voor subsidie in aanmerking komen de te maken kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt en die redelijkerwijs moesten worden gemaakt. Als sprake is van een bepaalde activiteit waar subsidie voor kan worden aangevraagd en waar subsidie voor kan worden toegekend, dan zal de subsidieaanvraag moeten worden onderbouwd met een specificatie van de kosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit. Bij het kostenbegrip wordt aangesloten bij de gangbare bedrijfseconomische principes. De aanvrager dient de subsidiabele kosten te berekenen op een gebruikelijke en controleerbare manier. De minister toetst vervolgens of deze kosten voldoen aan de eisen die in het eerste lid worden gesteld, dat wil zeggen of aannemelijk is dat de kosten zijn gemaakt, of zij direct verbonden met de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt en of het om redelijke kosten gaat. Voor het geval dat er de behoefte is meer specifieke eisen te stellen aan de kosten die voor subsidie in aanmerking komen, dan blijft dat mogelijk. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen (zevende lid).

Wel is in dit artikel geregeld dat vóór indiening van de aanvraag gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen, tenzij het gaat om een subsidie lager dan € 25.000 die direct wordt vastgesteld (de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking gaan ervan uit dat in dat geval ook achteraf subsidie kan worden verstrekt) of bij ministeriële regeling anders is bepaald. Het is dus in beginsel niet mogelijk om achteraf subsidie te krijgen voor kosten die al gemaakt zijn in verband met reeds verrichte activiteiten. Als het gaat om subsidie die valt onder de Europese staatssteunregels is vanwege het vereiste stimulerend effect geen afwijking van dit beginsel toegestaan.

Om stapeling van subsidies te voorkomen is voorts bepaald dat in beginsel geen subsidie wordt verstrekt voor zover de activiteiten al uit andere hoofde worden gesubsidieerd.

Ook is uitdrukkelijk bepaald dat verschuldigde BTW alleen voor subsidie in aanmerking komt ingeval de aanvrager de BTW niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting, zodat op dit punt geen onduidelijkheid kan bestaan.

Artikel 7

Dit artikel bevat een regeling voor de berekening van uurtarieven voor het geval de hoogte van de te verstrekken subsidie aan de hand daarvan wordt berekend. In het artikel zijn drie standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven opgenomen. Deze zijn overgenomen uit Aanwijzing 19 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de standaardberekeningswijzen in dat geval van toepassing is en kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningswijzen.

Artikel 8 tot en met 10

In artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies is bepaald dat moet worden voorzien in de vaststelling van een subsidieplafond en de regeling van de wijze van verdeling daarvan, tenzij Onze Minister van Financiën heeft ingestemd met het achterwege laten daarvan. Artikel 8 van het onderhavige besluit regelt dat het subsidieplafond bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Daarbij kan gekozen worden uit drie mogelijke wijzen van verdeling van het subsidieplafond, namelijk verdeling op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, evenredige verdeling over de ingediende aanvragen of verdeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Bij eerstgenoemde mogelijkheid is het van belang enkele nadere regels te stellen over de uitgangspunten bij het bepalen van de volgorde. Daarin voorziet artikel 9. In dat artikel is in de eerste plaats bepaald dat de datum van binnenkomst van de aanvraag die voldoet aan de wettelijke voorschriften geldt als de datum van binnenkomst en dus niet de datum dat een aanvraag wordt ingediend die nog aanvulling behoeft met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee wordt voorkomen dat een aanvrager die snel een (pro forma) aanvraag indient die niet aan alle wettelijke eisen voldoet voorgaat op iemand die weliswaar iets meer tijd nodig heeft, maar wel met een aanvraag komt die aan alle eisen voldoet. Voorts is bepaald dat de onderlinge rangschikking van aanvragen die binnenkomen op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, wordt vastgesteld door middel van loting. Voor deze oplossing is gekozen omdat het bij aanvragen die op dezelfde dag binnenkomen veelal lastig, zo niet onmogelijk zal zijn vast te stellen welke aanvraag feitelijk het eerst is binnengekomen, terwijl dat in deze situatie wel verstrekkende gevolgen kan hebben in verband met het bereiken van het subsidieplafond. Ten slotte is geregeld dat van het bereiken van het subsidieplafond onverwijld mededeling wordt gedaan in de Staatscourant. Op deze manier is voor iedereen kenbaar dat het niet zinvol is nog een aanvraag in te dienen in het kader van de betreffende subsidieregeling.

Indien het wenselijk is een inhoudelijke beoordeling te maken van de subsidieaanvragen om vast te stellen welke aanvraag het meeste bijdraagt aan de met de subsidieregeling beoogde (beleids)doelstelling, dient te worden gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Dit is namelijk de enige verdeelwijze die uitgaat van een dergelijke inhoudelijke beoordeling van aanvragen. Indien voor deze verdeelwijze wordt gekozen dient uit een oogpunt van transparantie en het voorkomen van willekeur te worden vastgelegd aan welke criteria de aanvraag wordt getoetst en, bij meerdere criteria, wat de onderlinge weging is van die criteria. Bij deze wijze van verdelen kan de minister zich laten adviseren door één of meer deskundigen die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn, bijvoorbeeld als specifieke deskundigheid nodig is voor de beoordeling van de aanvragen. Een dergelijke advisering moet uiteraard bekend zijn bij de (potentiële) aanvragers en moet derhalve in de ministeriële regeling worden vastgelegd.

Artikel 11

In dit artikel wordt bepaald dat voor het indienen van een aanvraag gebruik moet worden gemaakt van een daartoe beschikbaar gesteld formulier. Deze bepaling is vooral bedoeld om het indienen van aanvragen en het behandelen daarvan ordelijk en efficiënt te laten verlopen. Het is de bedoeling zoveel mogelijk met elektronische formulieren te gaan werken. Het eerste lid van artikel 11 bevat daarvoor een voorziening.

Verder is in het derde lid van dit artikel bepaald welke gegevens en bescheiden de aanvraag in ieder geval moet bevatten. Doel daarvan is de gevraagde gegevens en bescheiden bij subsidies op het terrein van BZK zoveel mogelijk te uniformeren. Deze opsomming is echter niet limitatief. Het blijft dus mogelijk om daarnaast ook andere gegevens en bescheiden te verlangen indien dit nodig is in het kader van de desbetreffende subsidieregeling. Verder is het mogelijk om bij ministeriële regeling af te wijken van dit artikellid, waardoor ook minder dan de hier opgesomde gegevens en bescheiden kunnen worden gevraagd.

Artikel 12 tot en met 14

In deze artikelen zijn de afwijzingsgronden opgenomen voor subsidieaanvragen die onder de werking van dit besluit vallen. In de in de artikelen 12 en 13 genoemde gevallen beslist de minister afwijzend op een aanvraag. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nog andere afwijzingsgronden vast te stellen (artikel 14).

In artikel 13, onderdeel b, is als afwijzingsgrond opgenomen dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren. Onder betrokkenen wordt in de eerste plaats de subsidieontvanger verstaan, maar er kunnen ook andere betrokkenen zijn, bijvoorbeeld personen of instanties die financieel bijdragen aan activiteiten, maar die niet zelf uitvoeren. Uiteraard zullen ook eventuele andere subsidies meewegen bij de beoordeling of de betrokkenen de activiteiten zullen kunnen financieren. De afwijzingsgrond opgenomen in artikel 13, onderdeel d, heeft betrekking op het stimulerende karakter van subsidie. Door subsidie moet de omvang of uitvoeringssnelheid van activiteiten toenemen. De afwijzingsgrond opgenomen in artikel 13, onderdeel g, ziet op een beoordeling van de bijdrage die de activiteiten leveren aan de doelstellingen van de subsidie. Deze afwijzingsgrond maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat in geval van verdeling van het subsidieplafond op volgorde van rangschikking wordt geoordeeld dat geen van de aanvragen een voldoende bijdrage aan de doelstelling van subsidie levert om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 15

In artikel 4:34 Awb is de mogelijkheid van het maken van een zogenaamd begrotingvoorbehoud uitdrukkelijk vastgelegd. Het begrotingsvoorbehoud is een oplossing voor het probleem dat het soms onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud kan het bestuursorgaan op de verlening terugkomen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 15 moet de minister in beginsel altijd het begrotingsvoorbehoud maken.

Overigens brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur mee dat het begrotingsvoorbehoud bij meerjarige subsidies alleen kan worden ingeroepen met inachtneming van een redelijke termijn en alleen met werking ex nunc.

Artikel 16 tot en met 20

In deze artikelen wordt de wijze van subsidieverstrekking geregeld aan de hand van de verschillende subsidiearrangementen zoals die zijn vastgelegd in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking.

Het betreft in de eerste plaats subsidies lager dan € 25.000 (arrangement 1). Daarover gaat artikel 16. Kenmerk daarvan is dat deze subsidies worden verstrekt in de vorm van een vast bedrag (lump sum). Daarbij wordt de subsidie ofwel direct vastgesteld ofwel ambtshalve vastgesteld op een in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven moment. In deze gevallen geldt de «high trust»-gedachte in sterke mate en wordt een minimum aan verantwoording gevraagd. Als de subsidie niet direct wordt vastgesteld is de subsidieontvanger wel verplicht melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan en om desgevraagd op van tevoren in de beschikking of in de betrokken ministeriële regeling aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De eerstgenoemde verplichting strekt er vooral toe om de subsidieverstrekking nog tijdig te kunnen bijsturen, bijvoorbeeld in de vorm van het lager vaststellen van de subsidie of het maken van nadere afspraken over de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Als niet wordt voldaan aan deze meldingsplicht kan achteraf met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken omdat de subsidieontvanger wist en behoorde te weten dat de subsidievaststelling onjuist was. Ten aanzien van de als tweede genoemde verplichting kan worden opgemerkt dat alleen desgevraagd hoeft te worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Onze Minister zal slechts steekproefsgewijs van deze bevoegdheid gebruik maken. Van belang is verder nog dat het begrip «aantonen» inhoudt dat meer wordt gevraagd dan «aannemelijk maken»; de minister dient ervan overtuigd te zijn dat daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de activiteiten en dat is voldaan aan de verplichtingen. Aan het niet kunnen voldoen aan deze verplichting zullen consequenties worden verbonden; in de regel zal de subsidie op nihil worden vastgesteld.

Artikel 17 heeft betrekking op subsidies van € 25.000 tot € 125.000 (arrangement 2). Daarvoor geldt dat een vast bedrag (lump sum) of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid wordt verstrekt. Bij de verstrekking van deze subsidies wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven met vermelding van het tijdstip waarop een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling moet worden gedaan. Verschil met subsidies lager dan € 25.000 is dat in dit geval standaard moet worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 18 ziet op de subsidieverstrekking van € 125.000 of meer (arrangement 3). Die subsidie wordt verstrekt in de vorm van een maximumbedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid. Voorts geldt ook voor deze subsidies een meldingsplicht. Die is vooral van belang omdat niet meer om tussentijdse voortgangsverslagen mag worden gevraagd. Zoals volgt uit artikel 19 geldt dat indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie van € 25.000 of meer wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt, maar één keer per jaar via een voortgangsverslag inzicht hoeft te worden gegeven in de voortgang van de activiteiten. Deze bepaling houdt verband met de Aanwijzingen 13, tweede lid en 16, tweede lid, van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, waarin is bepaald dat in deze gevallen ten hoogste één keer per periode van twaalf maanden om een tussentijds voortgangsverslag mag worden gevraagd.

Uit artikel 20 volgt dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat op subsidieverstrekkingen een «lichter» arrangement wordt toegepast om op die manier de lasten te beperken. Bij subsidies van € 25.000 of meer kan ook het arrangement worden toegepast voor subsidie tot € 25.000 en hetzelfde geldt voor het arrangement voor subsidies van € 25.000–€ 125.000. Dat kan ook worden toegepast op subsidies van € 125.000 of meer. Het zal daarbij gaan om subsidies waarbij sprake is van geringe risico’s (blijkend uit een risicoanalyse), bijvoorbeeld vanwege de bekendheid van of ervaring met de subsidieontvanger in het verleden. Ook deze bepaling is gebaseerd op de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Aanwijzingen 7, derde lid en 12, derde lid). Een keuze voor een lichter arrangement moet uiteraard wel goed worden gemotiveerd.

Artikel 21

Dit artikel bevat de verplichtingen voor de subsidieontvanger die gelden naast de verplichtingen die al volgen uit het desbetreffende arrangement (zie de artikelen 16 tot en met 18).

In onderdeel e is bepaald dat een eventuele egalisatiereserve zo veilig mogelijk beheerd dient te worden. Overigens kan een egalisatiereserve alleen worden gevormd indien dit uitdrukkelijk is bepaald in de ministeriële regeling op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt.

In onderdeel f is de verplichting opgenomen voor de subsidieontvanger om mededeling te doen van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem. Een dergelijke mededeling kan uiteraard gevolgen hebben voor de subsidie. Een (dreigende) faillietverklaring kan er bijvoorbeeld toe leiden dat de subsidieontvanger de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet (geheel) zal kunnen uitvoeren. In dat geval kan de subsidieverlening worden ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger worden gewijzigd (artikel 4:48 Awb). Op basis van artikel 4:56 Awb kunnen dan ook eventuele nog te betalen voorschotten worden opgeschort.

Om te voorkomen dat de subsidie direct of indirect ten goede komt aan marktactiviteiten, is in onderdeel g beregeld dat een gescheiden administratie wordt gevoerd ingeval de subsidieontvanger marktactiviteiten onderneemt. In onderdeel h is een bewaartermijn van vijf jaar opgenomen voor de in het kader van de subsidieverstrekking gevoerde administratie. De aard en omvang van die administratie hangt af van de hoogte van de subsidieverstrekking en hetgeen daarover in de betreffende ministeriële regeling en de beschikking tot subsidieverlening is bepaald. Er is gekozen voor een bewaartermijn van vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling in aansluiting op de termijn waarbinnen de subsidievaststelling nog kan worden ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger kan worden gewijzigd (artikel 4:49 Awb) en de subsidie kan worden teruggevorderd (artikel 4:57 Awb).

Indien er sprake is van staatssteun, geldt echter een andere bewaartermijn. Indien de subsidie wordt verleend als de-minimissteun geldt een door de Europese steunkaders voorgeschreven bewaartermijn van tien jaar. Een dergelijke bewaartermijn zal dan in de betreffende ministeriële regeling of de subsidiebeschikking worden opgenomen.

De verplichting in onderdeel i is opgenomen in verband met de mogelijkheid dat door de Europese Commissie nadere informatie wordt opgevraagd bij de subsidieverstrekkende minister. De subsidieontvanger is in die gevallen verplicht om te voldoen aan een informatieverzoek dat is gebaseerd op een nadere verantwoording die door de Europese Commissie wordt verlangd.

Artikel 22

In artikel 22 zijn de termijnen opgenomen die in het proces van subsidieverlening en subsidievaststelling worden gehanteerd. Voor de verlening van subsidie wordt in beginsel een maximumtermijn van dertien weken gehanteerd en diezelfde termijn geldt als de subsidie meteen wordt vastgesteld (en er dus geen sprake is van een voorafgaande verlening). Er geldt een langere termijn (22 weken) als sprake is van cofinanciering, over de aanvraag advies wordt ingewonnen of nader onderzoek is ingesteld.

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 22 weken na de aanvraag daarvan, of, bij ambtshalve vaststelling, na de in de verleningsbeschikking opgenomen datum waarop de activiteiten moeten zijn verricht. De termijnen zijn overgenomen uit Aanwijzing 17 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. De opgenomen termijnen zijn overigens maximumtermijnen. Waar mogelijk zullen kortere termijnen worden gehanteerd. Indien de beschikking niet binnen de termijn kan worden gegeven, deelt de minister dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, eerste lid, Awb). Ook kan de beslistermijn op grond van artikel 4:15 van de Awb worden opgeschort, bijvoorbeeld in afwachting van de reactie van de aanvrager op de door de minister gevraagde aanvulling van de aanvraag (artikel 4:15, eerste lid, onder a, Awb).

Artikel 23

Dit artikel inzake betaling en bevoorschotting is gebaseerd op Aanwijzing 18 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Voor subsidies tot € 25.000 (arrangement 1) is de wijze van betaling en bevoorschotting vastgelegd in dit besluit. Als direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats (zie het eerste lid); als sprake is van een subsidieverlening gevolgd door ambtshalve vaststelling wordt een voorschot van 100% uitgekeerd (zie het tweede lid). Voor de overige subsidies wordt in de beschikking tot subsidieverlening ook de wijze van bevoorschotting (hoogte en tijdstippen daarvan) geregeld. Uitgangspunt is verder dat de voorschotten automatisch (ambtshalve) worden verstrekt. De aanvrager hoeft daarvoor geen aparte aanvraag meer te doen of tussentijdse overzichten van prestaties of kosten en opbrengsten te overleggen. Wel biedt artikel 4:56 Awb de mogelijkheid om de bevoorschotting op te schorten indien het bestuursorgaan kennis heeft gegeven van een ernstig vermoeden dat er grond bestaat om de subsidieverlening of subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de subsidieontvanger te wijzigen (dat wil zeggen toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49 Awb).

Artikel 24

Dit artikel regelt de gegevens die moeten worden verstrekt bij de aanvraag tot subsidievaststelling. In lijn met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking is bepaald dat alleen bij subsidies van € 125.000 of meer (arrangement 3) een controleverklaring hoeft te worden aangeleverd. Gezien de kosten die een dergelijke verklaring met zich meebrengt kan de minister echter besluiten daar ook in die gevallen van af te zien. In de betreffende ministeriële regeling of in de verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling niet vergezeld hoeft te gaan van een controleverklaring (vijfde lid).

Zonodig zal de minister extra controleren of de subsidieontvanger heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij welke subsidieregelingen of subsidieontvangers er wel of geen controle wordt uitgevoerd wordt bepaald aan de hand van een risicoanalyse. Deze controle komt naast de beoordeling van eventuele voortgangsverslagen en de beoordeling van de in het kader van de subsidievaststelling aangeleverde (verantwoordings)gegevens.

De termijn voor de aanvraag tot subsidievaststelling is overigens niet in dit artikel geregeld, maar in artikel 22, vierde lid, inzake de termijnen. De termijn bedraagt in beginsel dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. Een uitzondering geldt als wordt verantwoord volgens het principe van single information, single audit. Dan vindt vaststelling plaats op basis van – en dus na ontvangst van – die verantwoording.

Artikel 25

Ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies wordt in dit besluit ook voorzien in een departementale registratie. Daarin wordt in de eerste plaats geregistreerd het opleggen van een boete op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies. Een dergelijke boete is aan de orde bij het niet voldoen aan een bijzondere meldingsplicht die aan de subsidie is verbonden als bedoeld in die wet. Daarnaast wordt in het register vastgelegd als sprake is geweest van een lagere vaststelling van de subsidie (o.g.v. artikel 4:46 Awb), dat de subsidieverlening is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd (artikel 4:48 Awb) of dat de subsidievaststelling is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd (artikel 4:49 Awb). In al deze gevallen vindt alleen registratie plaats als de subsidieontvanger een verwijt kan worden gemaakt van de lagere vaststelling, intrekking of wijziging. Het kan immers ook voorkomen dat een subsidieontvanger daarmee buiten zijn schuld wordt geconfronteerd. Het doel van de registratie is echter de toepassing van deze maatregelen vast te leggen om misbruik en oneigenlijk gebruik voor de toekomst te voorkomen. Voorts wordt ook een in het kader van de subsidieverstrekking gedane aangifte bij het openbaar ministerie op grond van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering geregistreerd. Naast het treffen van de genoemde maatregelen wordt ook de aard van de gedragingen die daartoe hebben geleid geregistreerd (wat er niet juist was aan de handelwijze van de subsidieontvanger) evenals, in geval van lagere vaststelling van de subsidie of intrekking of wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling, het subsidiebedrag dat daarmee gemoeid is. Verder worden in de registratie de naam- en adresgegevens van de subsidieontvanger opgenomen die het betreft. In het tweede lid is geregeld dat de minister de ambtenaren zal aanwijzen die toegang hebben tot de registratie. Die toegang is alleen nodig voor ambtenaren die zich direct bezighouden met subsidieverstrekking. De gegevens worden gedurende drie jaar in de registratie opgenomen (derde lid).

Uit het vierde lid volgt dat aan geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen kunnen worden verbonden bij een nieuwe aanvraag van die eerdere subsidieontvanger. Als ten aanzien van de betreffende aanvrager gegevens zijn opgenomen in de registratie kunnen die gevolgen hebben voor de beoordeling van de aanvraag, de oplegging van verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen. In sommige gevallen zal de aanvraag preventief kunnen worden geweigerd op grond van artikel 4:35 Awb.

Het opnemen van gegevens in de registratie kan een (beperkte) inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende subsidieontvanger met zich meebrengen. Deze is echter noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land en ook proportioneel, omdat alleen ten aanzien van subsidieontvangers die verwijtbaar hebben gehandeld gegevens worden opgenomen in de registratie. Ten slotte betreft het een bescheiden registratie (er worden slechts enkele gegevens geregistreerd) en dient deze alleen voor departementaal gebruik. Er is dan ook geen lichter middel beschikbaar om hetzelfde doel te bereiken, namelijk het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie.

Artikel 27

Door middel van dit artikel wordt bewerkstelligd dat als het wetsvoorstel Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies wordt aanvaard en in werking treedt, dat ook het opleggen van een boete op grond van die wet in de departementale registratie wordt opgenomen.

Artikel 26

In het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen was de wettelijke grondslag voor subsidies aan instellingen die experimenten uitvoeren en kennisoverdrachtactiviteiten verrichten op het gebied van het bouwen, het wonen en de woonomgeving opgenomen. In de nieuwe subsidiestructuur wordt deze grondslag op het niveau van ministeriële regeling vastgelegd. Het genoemde besluit kan daarmee worden ingetrokken. Hiertoe strekt artikel 26.

Artikel 27

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit. Het besluit zal in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij is voorzien in de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding. Op die manier kan worden voorzien in gelijktijdige inwerkingtreding met de Kaderwet overige BZK-subsidies (de gewijzigde Wet overige BZK-subsidies) die eenzelfde inwerkingtredingsbepaling bevat en die de basis vormt voor dit besluit. Bij de inwerkingtreding zal rekening worden gehouden met het systeem van vaste verandermomenten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.