Wet van 1 november 2012 tot wijziging van de artikelen 8 en 89 van de Postwet 2009

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de tijdelijke basis voor het stellen van regels omtrent arbeidsvoorwaarden in de postmarkt te verlengen, te flexibiliseren en te vereenvoudigen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Postwet 2009 wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 2, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel j door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. postbezorger:

een ieder die in opdracht van een postvervoerbedrijf of met instemming van een postvervoerbedrijf voor dat postvervoerbedrijf brieven, geadresseerde tijdschriften en geadresseerde dagbladen op afzonderlijke adressen aflevert.

B

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Een postvervoerbedrijf heeft met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen minimumpercentage van de postbezorgers die voor hem postvervoer verrichten een arbeidsovereenkomst. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de datum bepaald met ingang waarvan een postvervoerbedrijf aan een minimumpercentage moet voldoen. De toepassing van een minimumpercentage kan daarbij worden beperkt tot bepaalde categorieën postvervoerbedrijven of bepaalde omstandigheden.

Ba

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Een verlener van de universele postdienst rekent de kosten die anderen in rekening brengen voor het uitvoeren van gedeelten van de universele postdienst slechts toe aan de universele postdienst voor zover die kosten overeenkomstig de op grond van de artikelen 22, tweede lid, en 25, zesde lid, vastgestelde regels zijn toe te rekenen aan de universele postdienst.

  • 3. Een verlener van de universele postdienst maakt de toerekening van de kosten van anderen, bedoeld in het tweede lid, inzichtelijk voor ieder gedeelte van de universele postdienst dat hij door anderen laat uitvoeren.

  • 4. Een verlener van de universele postdienst die gedeelten van de universele postdienst door anderen laat uitvoeren waarborgt de volledige en juiste uitvoering van de door de anderen uitgevoerde gedeelten van de universele postdienst.

Bb

Artikel 39, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Een ieder verstrekt het college desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft hem desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.

Bc

In artikel 49, eerste lid, wordt «16, vijfde lid» vervangen door «16, vijfde tot en met negende lid» en wordt «39, derde lid» vervangen door: «39, eerste en derde lid».

C

Artikel 89 komt te luiden:

Artikel 89

  • 1. Artikel 8 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

  • 2. De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL II

Na inwerkingtreding van deze wet berust de op artikel 8 van de Postwet 2009 gebaseerde algemene maatregel van bestuur op artikel 8 van de Postwet 2009 zoals dat luidt na inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 1 november 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

Uitgegeven de zevende november 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 722

Naar boven