Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2012, 340Wet

Wet van 5 juli 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten om te voorzien in een brede en duurzame grondslag voor innovatieve experimenten (Innovatieve experimenteerruimte onderwijs)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in navolging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het beroepsonderwijs ook voor het primair onderwijs en het voortgezet (speciaal) onderwijs een brede grondslag te creëren voor innovatieve experimenten ter bevordering van de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs, zowel in Nederland als het Caribische deel van Nederland;

dat in verband hiermee de desbetreffende onderwijswetten dienen te worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I WIJZIGING WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS

De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

Na Hoofdstuk I, titel IV, afdeling 11A, wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 11B. Experimenten

Artikel 176k. Ruimte voor innovatie
  • 1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7, afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7 en afdeling 9 paragrafen 1 en 2, van de wet.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969.

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en titel IV, afdelingen 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7 van de Wet op de expertisecentra, en titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

  • 8. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL II WIJZIGING WET PRIMAIR ONDERWIJS BES

De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

Na Hoofdstuk I, afdeling 10, wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 10A. Experimenten

Artikel 145a. Ruimte voor innovatie
  • 1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, paragraaf 1, van de wet.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet BES.

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, of een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES kan worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling III van de Wet voortgezet onderwijs BES. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, of de Wet voortgezet onderwijs BES vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

ARTIKEL III WIJZIGING WET OP DE EXPERTISECENTRA

De Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd:

Na titel IV wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidende:

TITEL V. EXPERIMENTEN

Artikel 171. Ruimte voor innovatie
  • 1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149 en 151, van de wet.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969.

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school of instelling als bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en titel IV, afdeling 4 tot en met 7 en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7, van de Wet op het primair onderwijs, en titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, of de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

  • 8. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL IV WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 10b6, eerste lid, onder e, wordt «assistenopleiding» vervangen door: assistentopleiding.

B

Na titel IVC wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidende:

TITEL IVD. EXPERIMENTEN

Artikel 118t. Ruimte voor innovatie
  • 1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk I en van titel III, afdeling II, van de wet.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke artikelen van het in het eerste lid genoemde hoofdstuk en de daar genoemde afdeling wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van:

    • a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969,

    • b. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet,

    • c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000,

    • d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7 en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7 en afdeling 9, paragrafen 1 en 2, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149 en 151, van de Wet op de expertisecentra, hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6 en 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5a, hoofdstuk 6 en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3 en hoofdstuk 11, paragraaf 4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

  • 8. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL V WIJZIGING WET VOORTGEZET ONDERWIJS BES

De Wet voortgezet onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

Na titel V wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidende:

TITEL VA. EXPERIMENTEN

Artikel 205a. Ruimte voor innovatie
  • 1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk I en van titel III, afdeling III, van de wet.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke artikelen van het in het eerste lid genoemde hoofdstuk en de daar genoemde afdeling wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van:

    • a. artikel 1 van de Leerplichtwet BES,

    • b. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES.

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES, of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school, instelling of uitvoeringsinstantie respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdeling 1, 2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, paragraaf 1, van de Wet primair onderwijs BES, dan wel hoofdstuk 2, titel 2, en de hoofdstukken 6 en 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet primair onderwijs BES of de Wet educatie en beroepsonderwijs BES vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

ARTIKEL VI WIJZIGING VAN DE WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 11.a.1, vierde lid, wordt in de eerste volzin, na «ten hoogste zes jaar» ingevoegd:, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald.

2. Titel 1 van hoofdstuk 12 komt te luiden:

TITEL 1. OVERGANGSBEPALINGEN EXPERIMENT LEERGANG VM2

Artikel 12.1.1. Duur van experiment leergang vm2
  • 1. Het experiment leergang vm2, dat is onderverdeeld in zes leergangen van vier jaar die per opvolgend leerjaar zijn of worden gestart, wordt voor de toepassing van artikel 11a.1, vierde lid, geacht te zijn gestart op 1 augustus 2008.

  • 2. Artikel 11a.1, vierde lid, wordt ten aanzien van de duur van het experiment leergang vm2 zodanig toegepast dat een leerling die deelneemt aan een leergang die binnen de termijn van zes jaar is gestart, de leergang van vier jaar kan doorlopen.

ARTIKEL VII WIJZIGING VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

Artikel 1.7a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt aan de eerste volzin, na «ten hoogste zes jaar» ingevoegd:, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald.

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van artikel 8.1.1 van die wet, indien hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet van toepassing wordt verklaard.

ARTIKEL VIII INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat artikel VII terugwerkt tot en met 1 augustus 2011.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 5 juli 2012

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

De Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen

Uitgegeven de vierentwintigste juli 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 116