Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2012, 298AMvB

Besluit van 25 juni 2012, houdende aanwijzing van zeeschepen ten aanzien waarvan artikel 693 en de afdelingen 12 en 12a van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 5 april 2012, nr. 247315;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 mei 2012, no. W.12.0114/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2012, nr. 273409;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Artikel 693 en afdeling 12 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing ten aanzien van:

  • a. schepen die uitsluitend varen op Nederlandse binnenwateren of wateren, binnen of dicht grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar Nederlandse havenvoorschriften gelden;

  • b. onbemande schepen die niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn voorzien;

  • c. oorlogsschepen en marinehulpschepen;

  • d. reddingsvaartuigen;

  • e. pleziervaartuigen.

Artikel 2

Artikel 693 en afdeling 12a van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op onoverdekte zeevissersschepen die in de regel niet buiten het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 25 juni 2012

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

Uitgegeven de derde juli 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

In de Wet van 6 juli 2011 houdende implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) (Stb. 394) is een regeling ter zake van de zee-arbeidsovereenkomst opgenomen in afdeling 12 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Voorts zijn in een nieuwe afdeling 12a bepalingen opgenomen met betrekking tot de zeevarende in de zeevisserij. Op de arbeidsovereenkomst van deze zeevarende zijn de afdelingen 1 tot en met 9 en 11 en 12 van titel 10 van Boek 7 BW van toepassing voor zover daarvan in afdeling 12a niet is afgeweken (art. 7: 740 lid 1 BW).

Tenslotte voorziet het nieuwe artikel 7: 693 BW in een regeling over de aansprakelijkheid van de inlener bij het verrichten van arbeid aan boord van een zeeschip, als bedoeld in artikel 7: 695 BW.

Dit artikel is ook van toepassing op de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, van de zeevarende in de zeevisserij (art. 7: 740 lid 1 BW).

Artikel 2, eerste lid, van Boek 8 BW, bevat een definitie van zeeschip die voor het gehele BW geldt, derhalve ook voor de afdelingen 12 en 12a van titel 10 van Boek 7 BW. Volgens deze definitie zijn zeeschepen de schepen die als zeeschip te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 en de schepen die niet te boek staan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee bestemd zijn.

In artikel 2, tweede lid, van Boek 8 BW is de mogelijkheid voorzien om bij algemene maatregel van bestuur schepen die geen zeeschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als zeeschip aan te wijzen of bepalingen van dit wetboek niet van toepassing te verklaren op schepen die zeeschepen zijn.

Om in de afdelingen 12 en 12a van titel 10 van Boek 7 BW aan te sluiten bij de minder ruime omschrijving van zeeschip in het Maritiem Arbeidsverdrag, is van deze laatst genoemde uitzonderingsmogelijkheid gebruik gemaakt. Dit besluit is reeds aangekondigd in de memorie van toelichting bij de implementatiewet (Kamerstukken II 2010/2011, 32 534, nr. 3, blz. 18).

Dezelfde categorieën schepen worden uitgezonderd als in het in de implementatiewet opgenomen artikel 2, tweede lid, van de Wet zeevarenden (Kamerstukken II 2010/2011, 32 534, nr. 3, blz. 31-32). Het betreft hier schepen die uitsluitend varen op Nederlandse binnenwateren of wateren binnen of dicht grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar Nederlandse havenvoorschriften gelden; onbemande schepen die niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn voorzien; oorlogsschepen en marinehulpschepen; reddingsvaartuigen; pleziervaartuigen (artikel 1) en onoverdekte zeevissersschepen, die in de regel niet buiten het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht (artikel 2).

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.