Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2012, 296Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 27 juni 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater) (Stb. 2012, 222)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 juni 2012, nr. IenM/BSK-2012/107825, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel II van de Wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater) (Stb. 2012, 222);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater) (Stb. 2012, 222) treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 juni 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma

Uitgegeven de negenentwintigste juni 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit stelt de datum van inwerkingtreding vast van de wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater) (Stb. 2012, 222). Dit is 1 juli 2012.

In afwijking van aanwijzing 174, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving is niet de gebruikelijke termijn aangehouden van drie maanden tussen de publicatiedatum van deze wet en het tijdstip van inwerkingtreding voor een regeling die relevant is voor medeoverheden.

Daartoe wordt gebruik gemaakt van de uitzonderingsgrond dat dit, gelet op de doelgroep, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt (aanwijzing 174, vierde lid, onder a). De wet heeft tot doel om, vooral op verzoek van medeoverheden die op korte termijn met de gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater willen beginnen, de belemmeringen weg te nemen, die daarvoor in de huidige Wet bodembescherming liggen besloten. Hierdoor wordt gebiedsontwikkeling mogelijk, waarmee in de huidige moeilijke economische situatie aanmerkelijke private en publieke voordelen zijn gemoeid. De Wet bodembescherming staat daaraan nu nog in de weg. Een spoedige inwerkingtreding van de wet is daarom gewenst. De wet biedt op basis van vrijwilligheid de mogelijkheid tot een gebiedsgerichte aanpak. Het niet aanhouden van de minimuminvoeringstermijn van drie maanden heeft dus geen nadelige gevolgen voor medeoverheden die nog niet op korte termijn met de gebiedsgerichte aanpak kunnen beginnen en heeft evenmin nadelige gevolgen voor bedrijven of burgers.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma