Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2012
Nr. 258

Gepubliceerd op 15 juni 2012 09:00
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier



Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met nationale visa en enkele andere onderwerpen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de Vreemdelingenwet 2000 te wijzigen teneinde daarin regels op te nemen met betrekking tot nationale visa en enkele andere onderwerpen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Vreemdelingenwet 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel h vervalt.

2. Onderdeel i komt te luiden:

i. Onze Minister:

Onze Minister voor Immigratie en Asiel;

B

Na artikel 1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. annulering van een visum:

intrekking van een visum met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van de verlening;

b. machtiging tot voorlopig verblijf:

visum voor de toegang tot Nederland voor verblijf van meer dan drie maanden;

c. terugkeervisum:

visum voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten;

d. visum:

elk der visa voor toegang tot Nederland met het oog op verblijf van niet langer dan drie maanden, afgegeven door of vanwege een bevoegde autoriteit als bedoeld in een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, alsmede de onder b en c bedoelde visa.

Artikel 1b

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder referent: een Nederlander of een in Nederland gevestigde vreemdeling die op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, in Nederland rechtmatig verblijft dan wel het bevoegd gezag van een in Nederland kantoorhoudende rechtspersoon, die een aanvraag heeft ingediend omtrent een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van een vreemdeling.

C

Na hoofdstuk 1 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 1A NATIONALE VISA

Afdeling 1. Algemeen
Paragraaf 1. Interdepartementale coördinatie
Artikel 2a
  • 1. Indien het belang van de internationale betrekkingen naar het oordeel van Onze Minister van Buitenlandse Zaken betrokken is bij een besluit inzake verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf beslist Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

  • 2. Onze Minister kan aan het hoofd van de desbetreffende Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwijzingen geven over de uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels inzake de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf door de ambtenaren werkzaam op die vertegenwoordiging door tussenkomst van en voor zover het de buitenlandse betrekkingen kan raken in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Paragraaf 2. Benodigde visa
Artikel 2b

Een ten behoeve van de toegang tot Nederland door Onze Minister verleend visum waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, dan wel een door een bevoegde autoriteit van een andere staat verleend visum, dat krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daaraan is gelijkgesteld, geldt als het ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor de toegang tot Nederland benodigde visum, onverminderd het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Paragraaf 3. Bevoegdheid
Artikel 2c

Onze Minister is bevoegd:

  • a. de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

  • b. een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder ervan, hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden;

  • c. een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum in te trekken of te annuleren.

Paragraaf 4. Leges; voorschriften, beperkingen en verplichtingen
Artikel 2d
  • 1. Voor het behandelen, daaronder begrepen de toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum, is de vreemdeling Onze Minister een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van de Rijkswet op de consulaire tarieven reeds een vergoeding is verschuldigd.

Artikel 2e
  • 1. De machtiging tot voorlopig verblijf wordt verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel waarvoor het verblijf wordt toegestaan. Aan de machtiging kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 2. Onze Minister kan het terugkeervisum met het oog op de bescherming van de belangen waarop het bepaalde bij of krachtens deze wet betrekking heeft onder beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden.

  • 3. Onze Minister kan alsnog voorschriften aan een reeds verleende machtiging tot voorlopig verblijf of reeds verleend terugkeervisum verbinden, voorschriften die daaraan zijn verbonden wijzigen, alsnog beperkingen daaraan verbinden, beperkingen wijzigen, de geldigheidsduur inkorten dan wel de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum intrekken:

    • a. op verzoek van de vreemdeling;

    • b. indien uit naderhand gebleken feiten en omstandigheden komt vast te staan dat verlening ervan onjuist was;

    • c. indien feiten en omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat deze zich verzetten tegen de handhaving of ongewijzigde handhaving van het verleende; of

    • d. indien de vreemdeling de op hem rustende verplichtingen krachtens deze wet niet naleeft.

  • 4. Indien de vreemdeling nog geen toegang heeft verkregen kan Onze Minister de machtiging tot voorlopig verblijf annuleren op de gronden, vermeld in het derde lid.

Paragraaf 5. Buiten behandeling laten, hoorplicht, rechtsmiddelenclausule en motivering
Artikel 2f
  • 1. In afwijking van artikel 4:5, eerste en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum buiten behandeling laten zonder de vreemdeling in de gelegenheid te hebben gesteld de aanvraag aan te vullen indien:

    • a. de door de vreemdeling ingediende aanvraag niet door de vreemdeling in persoon is ingediend;

    • b. voor de aanvraag in voorkomend geval geen gebruik is gemaakt van een daartoe voorgeschreven formulier dat volledig is ingevuld en ondertekend;

    • c. de aanvraag niet is gesteld in de Nederlandse, Franse of Engelse taal; of

    • d. de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald.

  • 2. De artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

Artikel 2g

Indien Onze Minister overeenkomstig de aanvraag besluit, kan hij in afwijking van de artikelen 3:45 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht vermelding van de mogelijkheid om bezwaar te maken en van de motivering achterwege laten.

Afdeling 2. Machtiging tot voorlopig verblijf
Paragraaf 1. Verlening en weigering
Artikel 2h
  • 1. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling die heeft aangetoond of ten behoeve van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

  • 2. Onze Minister kan in afwijking van het eerste lid een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen indien daarmee een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen dan wel het belang van de internationale betrekkingen de verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf vordert.

Artikel 2i
  • 1. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2h, eerste lid, onverminderd het tweede lid van dat artikel.

  • 2. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf voorts weigeren indien het belang van de internationale betrekkingen zich tegen verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf verzet of de vreemdeling niet voldoet aan het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 2j
  • 1. Indien Onze Minister besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf stelt hij de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis. Een machtiging tot voorlopig verblijf kan tot uiterlijk drie maanden na de dagtekening van die kennisgeving worden afgegeven. In geval de machtiging tot voorlopig verblijf niet kan worden afgegeven in het land van herkomst of bestendig verblijf, op grond dat de Nederlandse vertegenwoordiging is gesloten of zich daar niet of niet langer een Nederlandse vertegenwoordiging bevindt, kan de Onze Minister de termijn, bedoeld in de tweede volzin, eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen.

  • 2. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf bedraagt ten hoogste drie maanden vanaf de datum van afgifte, met dien verstande dat een machtiging tot voorlopig verblijf slechts een maal kan worden benut voor het verkrijgen van toegang tot Nederland. De geldigheid van een machtiging tot voorlopig verblijf vervalt in elk geval met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 heeft gedaan. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf kan niet worden verlengd.

  • 3. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf kan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet overschrijden, met dien verstande dat het document voor grensoverschrijding na verloop van de machtiging tot voorlopig verblijf nog tenminste drie maanden geldig moet zijn. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin.

Paragraaf 2. Aanvraag en afgifte
Artikel 2k
  • 1. In afwijking van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf:

    • a. bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of van bestendig verblijf dan wel, bij gebreke daarvan, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd, dan wel bij het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, van Curaçao, of van Sint Maarten aldaar, door de vreemdeling in persoon; of

    • b. bij Onze Minister door een referent. Onze Minister kan besluiten de aanvraag, ingediend door een referent, zijnde een gastgezin van een au pair of een onderneming of rechtspersoon, dan wel een vestiging daarvan, voor zover vereist ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, die ten behoeve van het voorgenomen verblijf op grond van een machtiging tot voorlopig verblijf of het verblijf op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, niet te behandelen, indien die referent onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid van een vreemdeling voor wie als referent werd opgetreden. Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 2. De machtiging tot voorlopig verblijf wordt bij de vertegenwoordiging dan wel het Kabinet, bedoeld in het eerste lid, aan de vreemdeling in persoon afgegeven.

  • 3. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Paragraaf 3. Vereiste gegevens; beslistermijn
Artikel 2l
  • 1. De vreemdeling dan wel de referent verstrekt Onze Minister de door hem voor de beoordeling van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf verlangde gegevens en bescheiden desgevraagd in persoon.

  • 2. Met het oog op de beoordeling van het vereiste ten aanzien van het beschikken over voldoende middelen van bestaan, gesteld bij of krachtens deze wet, kan Onze Minister van de vreemdeling zekerheidstelling voor de daarmee gemoeide kosten verlangen tot een door Onze Minister te bepalen bedrag. Deze zekerheidsstelling kan mede omvatten het beschikken over een toereikende reisverzekering ter dekking van ziektekosten.

Artikel 2m

Onze Minister beslist binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.

Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 2n

Onze Minister brengt de machtiging tot voorlopig verblijf aan in het document voor grensoverschrijding of op een blad waarop een visum kan worden aangebracht als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2002 (PbEG 2002, L53/4).

Afdeling 3. Terugkeervisum
Artikel 2o
  • 1. Een terugkeervisum kan worden verleend voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten gedurende het tijdvak dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h of l.

  • 2. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder c en d.

  • 3. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 heeft gedaan en rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h.

Artikel 2p
  • 1. Een terugkeervisum kan worden geweigerd indien:

    • a. de vreemdeling niet door overlegging van documenten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek mogelijk maakt;

    • b. de vreemdeling niet zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

    • c. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in Nederland aan maatregelen van toezicht op grond van deze wet heeft onttrokken;

    • d. uit oogpunt van toezicht op grond van deze wet, opsporing of vervolging van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van een vonnis of om andere gewichtige redenen bezwaar bestaat tegen vertrek uit Nederland van de vreemdeling;

    • e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing als bedoeld in artikel 8, onderdeel f, g of h, kan worden verwacht;

    • f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en niet heeft beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomend met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, dan wel niet op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet van de verplichting tot het beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf is vrijgesteld of ontheven; of

    • g. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan of verdacht wordt van terrorisme, oorlogsmisdaden, of andere misdaden tegen de menselijkheid.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2q
  • 1. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Het terugkeervisum kan worden verleend voor een of meer reizen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de geldigheidsduur van een terugkeervisum ten behoeve van een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, onderdeel f, g of h, ten hoogste drie maanden en is het geldig voor één reis.

  • 3. Onze Minister kan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.

  • 4. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan niet worden verlengd.

Artikel 2r

Een terugkeervisum wordt door de vreemdeling in persoon aangevraagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening van een terugkeervisum.

Artikel 2s

Onze Minister beslist binnen twee weken na ontvangst van een aanvraag om verlening van een terugkeervisum. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste twee weken.

Artikel 2t

Onze Minister brengt het terugkeervisum aan in het document voor grensoverschrijding of op een blad waarop een visum kan worden aangebracht als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 februari 2002 (PbEG 2002, L53/4).

Afdeling 4. Nadere regels
Artikel 2u
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen aan de verplichtingen die krachtens dit hoofdstuk op de vreemdeling rusten kan worden voldaan door diens wettelijke vertegenwoordiger.

Ca

In artikel 4, eerste lid, wordt «artikel 5, eerste lid, onder a, van de Schengengrenscode» vervangen door: artikel 5, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode.

D

Aan artikel 16, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid;

    • j. de vreemdeling in Nederland verblijf heeft gehouden, anders dan op grond van artikel 8.

E

In artikel 17, eerste lid, onderdeel a, worden de woorden «Onze Minister van Buitenlandse Zaken» vervangen door: bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

Ea

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a

  • 1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen met toepassing van artikel 16, eerste lid, onderdeel j, indien het betreft:

    • a. de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder j;

    • b. de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf onder een beperking als bedoeld in artikel 15;

    • c. de vreemdeling die minderjarig en alleenstaand is;

    • d. de vreemdeling die als slachtoffer of getuige-aangever als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, direct voorafgaand aan de aanvraag verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, en in aanmerking komt voor verblijf onder een andere beperking.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën worden aangewezen waarin de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet wordt afgewezen, op grond dat de toepassing van artikel 16, eerste lid, onder j, van een onevenredige hardheid zou kunnen getuigen.

F

Aan artikel 24, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

G

Artikel 25 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «zes maanden» vervangen door: 90 dagen.

2. Het vierde lid, eerste volzin, komt te luiden:

Indien de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid, kan de termijn voor het geven van de beschikking in afwijking van het tweede lid voor ten hoogste drie maanden worden verlengd.

Ga

Aan artikel 29 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het eerste lid, onder e en f, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

H

Artikel 37 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De vreemdeling is, volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33. Daarbij kan Onze Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

I

(vervallen)

J

Artikel 76 komt te luiden:

Artikel 76

  • 1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking omtrent de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in artikel 1a, onderdeel b, de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 20, dan wel de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 67, wordt in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist binnen negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

  • 2. Onverminderd artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de beslissing worden verdaagd voor ten hoogste dertien weken indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van het bezwaarschrift advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.

K

In artikel 107a, eerste lid, wordt direct voorafgaande aan de woorden «de grensbewaking» ingevoegd: de visumverlening,.

L

In artikel 108, vierde lid, eerste volzin, wordt «de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten» vervangen door: de in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten.

ARTIKEL II

  • 1. Op de behandeling van aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet blijft het recht dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 2. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken en beroep in te stellen tegen een besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet van toepassing.

  • 3. Op de behandeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 25, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 4. Op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet, gegeven op een aanvraag als bedoeld in het derde lid, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

ARTIKEL III

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 24 mei 2012

Beatrix

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers

De Minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

Uitgegeven de vijftiende juni 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 31 549


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl