Besluit van 26 februari 2011 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enige andere besluiten in verband met de vaststelling van het Landelijk sociaal statuut Nederlandse politie (Besluit landelijk sociaal statuut politie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 oktober 2010, 2010-0000661764;

Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2010, no. W04.10.0498/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 22 februari 2011, 5686587/11/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit algemene rechtspositie politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 55i wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een regionaal politiekorps, twee of meer regionale politiekorpsen die een duurzaam samenwerkingsverband in stand houden of gaan houden, het Korps landelijke politiediensten, het LSOP, een voorziening tot samenwerking of een onderdeel daarvan alsmede het organisatieonderdeel waarin bijzondere ambtenaren van politie werkzaam zijn, die belangrijke gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in kwantitatieve en kwalitatieve zin.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van een ambtenaar vanwege een privatisering of verzelfstandiging van een dienstonderdeel van de politie als gevolg waarvan ambtenaren overgaan naar een private onderneming of enig ander bestuursorgaan, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Onder reorganisatiegebied wordt verstaan:het gebied waarbinnen een reorganisatie als bedoeld in het tweede of derde lid plaatsvindt of zal plaatsvinden.

  • 5. Indien geen sprake is van een reorganisatie, maar wel van een wijziging van de plaats van tewerkstelling waardoor een geheel team of een gehele afdeling een andere plaats van tewerkstelling krijgt, worden bij ministeriële regeling aangegeven extra reiskosten beschikbaar gesteld.

B

Artikel 55j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het bevoegd gezag meldt, door tussenkomst van Onze Minister, tijdig een voorgenomen besluit tot een reorganisatie bij de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onder tijdig melden dan wel informeren als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid wordt verstaan melden dan wel informeren voordat een reorganisatie onomkeerbare personele gevolgen heeft. Van onomkeerbare personele gevolgen is in elk geval sprake zodra voorgenomen besluiten tot plaatsing bekend zijn gemaakt.

C

Na artikel 55j worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 55ja

  • 1. Het bevoegd gezag kan tijdens de voorbereiding van een reorganisatie individuele ambtenaren die behoren tot het reorganisatiegebied alsmede groepen ambtenaren die eenzelfde, vergelijkbare of uitwisselbare functie binnen het verwachte reorganisatiegebied vervullen, aanwijzen als pre-herplaatsingskandidaat.

  • 2. Aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is mogelijk nadat het bevoegd gezag de betrokken ondernemingsraad, overeenkomstig artikel 31a, zesde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, heeft ingelicht.

  • 3. De inlichting, bedoeld in het tweede lid, gebeurt schriftelijk en bevat in ieder geval de redenen van de aanwijzing en de daarmee beoogde doelen.

  • 4. De ambtenaar die behoort tot het reorganisatiegebied, kan bij het bevoegd gezag schriftelijk een aanvraag doen hem aan te wijzen als pre-herplaatsingskandidaat.

  • 5. De ambtenaar wordt over zijn aanwijzing als pre-herplaatsingskandidaat schriftelijk geïnformeerd.

  • 6. Aanwijzing vindt plaats voor een objectief bepaalbare duur.

  • 7. Onverminderd het vorig lid, eindigt een aanwijzing als pre-herplaatsingskandidaat altijd:

    • a. op het moment dat definitief over de rechtspositie van de individuele ambtenaar in het kader van dit hoofdstuk een besluit is genomen; of

    • b. op het moment dat het bevoegd gezag de aanwijzing schriftelijk intrekt.

  • 8. Op aanvraag van de pre-herplaatsingskandidaat wordt gedurende de periode van aanwijzing door het bevoegd gezag toepassing gegeven aan één of meer flankerende voorzieningen.

  • 9. De ambtenaar die is aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat, kan gedurende de periode van aanwijzing het bevoegd gezag vragen om:

    • a. bij het vrijwillig aanvaarden van een nieuwe functie overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 55r, tweede en derde lid;

    • b. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 55t;

    • c. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 75, derde lid, onder a.

Artikel 55jb

  • 1. Bij het besluit om te reorganiseren kan het bevoegd gezag een functie aanmerken als een sleutelfunctie, zijnde een nieuwe functie met een groot organisatorisch belang.

  • 2. Bij de invulling van een sleutelfunctie is artikel 55l, eerste lid, niet van toepassing.

  • 3. De vervulling van een sleutelfunctie geschiedt met inachtneming van het door het bevoegd gezag gehanteerde vacaturebeleid, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder e, van de Wet op de ondernemingsraden.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing als er geen vacaturebeleid is vastgesteld.

  • 5. De voorrangspositie van pre-herplaatsingskandidaten is niet van toepassing bij de invulling van een sleutelfunctie.

D

Artikel 55l wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht, wordt als eerste als herplaatsingskandidaat aangewezen. In het geval dat twee ambtenaren, werkzaam bij één en dezelfde organisatie als bedoeld in artikel 55i, tweede lid en derde lid, een gelijk aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht, wordt degene met het minst aantal jaren in politiedienst, als eerste tot herplaatsingskandidaat aangewezen. Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst of politiedienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen de tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.

2. Het vierde lid komt te vervallen.

3. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat is aangewezen en een functie bezet binnen het gezagsbereik, wordt op diens aanvraag door het bevoegd gezag aangewezen als herplaatsingskandidaat, indien op de hierdoor vrijkomende formatieplaats een herplaatsingskandidaat wordt herplaatst.

E

Na artikel 55l worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 55la

De reorganisatiecommissie wordt paritair samengesteld en bestaat uit drie leden. De reorganisatiecommissie brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 55l, vierde lid, een schriftelijk oordeel uit aan het bevoegd gezag.

Artikel 55lb

  • 1. De ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.

  • 2. Onverminderd artikel 55l, geschiedt de plaatsing in de situatie dat de in het eerste lid bedoelde functie voorkomt op meerdere plaatsen van tewerkstelling, zoveel mogelijk in volgorde van voorkeur van de betrokken ambtenaar. Indien er sprake is van meerdere voorkeuren op één en dezelfde plaats van tewerkstelling wordt als volgt gehandeld:

    • a. als eerste wordt geplaatst de ambtenaar die in de bestaande organisatie op diezelfde plaats van tewerkstelling was geplaatst;

    • b. indien er dan nog te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar die het dichtst bij de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling woont;

    • c. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst, de ambtenaar met het grootste aantal jaren in overheidsdienst;

    • d. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar met het grootste aantal jaren in politiedienst.

  • 3. Het bevoegde gezag houdt bij de plaatsing op vergelijkbare of uitwisselbare functies rekening met het gestelde in artikel 55o, eerste lid. In elk geval dient het bevoegd gezag bij de plaatsing rekening te houden met het gestelde, als bedoeld in artikel 55o, vierde lid, onder d.

  • 4. Met een beroep op de in het derde lid gebleken feiten en omstandigheden kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen hem in afwijking van artikel 55l, tweede lid, als herplaatsingskandidaat aan te wijzen.

F

Artikel 55o wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Onder een passende functie wordt ook verstaan een functie, als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, waarin op aanvraag van de ambtenaar de mogelijkheid tot telewerken is opgenomen tenzij het belang van de dienst zich ertegen verzet. Per roosterperiode van vier weken wordt afgesproken hoeveel dagen de ambtenaar zal telewerken. Het bevoegd gezag waar de passende functie zich voordoet, beslist over de aanvraag tot telewerken.

2. In het vierde lid (nieuw), onderdelen a en b, wordt «de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat» vervangen door: de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de herplaatsingskandidaat.

3. In het vierde lid (nieuw), onderdeel c, wordt «de salarisschaal van de herplaatsingskandidaat» vervangen door: de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de herplaatsingskandidaat.

4. In het vierde lid (nieuw), onderdeel d, wordt «werkplek» vervangen door: plaats van tewerkstelling.

G

Artikel 55p wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als er maar één herplaatsingkandidaat is waarvoor de functie passend is.

H

Artikel 55q, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Wanneer het belang van de dienst dat vordert, is de herplaatsingskandidaat verplicht, behoudens het eerste aanbod, een passende functie te aanvaarden, in het geval van een herplaatsing in het kader van een reorganisatie.

I

Na artikel 55r wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 55ra

  • 1. Individuele en persoonsgebonden rechten, toegekend bij besluit van het bevoegd gezag, blijven bij aanwijzing als herplaatsingskandidaat of plaatsing of herplaatsing van de ambtenaar in stand.

  • 2. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak behoudt bij de plaatsing of herplaatsing op een administratief technische functie in het kader van een reorganisatie als bedoeld in artikel 55i zijn aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

J

Artikel 55u komt te luiden:

Artikel 55u

Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van dit hoofdstuk met inbegrip van regels over het proces van reorganisatie en flankerende voorzieningen voor ambtenaren.

K

Na artikel 55u worden zeven artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 55v

Indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, kan het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, afwijken van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk worden afgeweken.

Artikel 55w

Van dit hoofdstuk en van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk kan, in overeenstemming met de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, uitsluitend worden afgeweken bij reorganisaties waarbij naast de arbeidsvoorwaarden van de sector Politie ook arbeidsvoorwaarden van andere sectoren of rechtspersonen betrokken zijn.

Artikel 55x

  • 1. Voor de ambtenaar die voor de inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie als herplaatsingskandidaat was aangewezen en nog niet was herplaatst op een passende functie, is het sociaal statuut van toepassing dat gold op het moment dat de ambtenaar werd aangewezen als herplaatsingskandidaat.

  • 2. Indien voor de herplaatsingskandidaat, bedoeld in het eerste lid, op een onderdeel toepassing van het Besluit landelijk sociaal statuut politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie gunstiger is, geldt op verzoek van de herplaatsingskandidaat voor dat onderdeel het Besluit landelijk sociaal statuut politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie.

  • 3. In het geval dat voor de inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie is besloten dat het Besluit landelijk sociaal statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie worden toegepast indien deze ten opzichte van de voor inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie geldende sociale statuten en regelingen op een onderdeel gunstiger zijn, dan wordt op verzoek van de ambtenaar het Besluit landelijk sociaal statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie toegepast, ook indien het gaat om al bestaande toekenningen.

  • 4. Als er sprake is van een verzoek als bedoeld in het tweede of derde lid, is de in het verzoek gemaakte keuze bindend.

Artikel 55y

  • 1. Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de pre-herplaatsingskandidaat aan wie, nadat hij tot pre-herplaatsingskandidaat of herplaatsingskandidaat is aangewezen, van wie door het bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, op eigen verzoek ontslag verleend wordt op grond van artikel 87 en die, behoudens de vrijwillige politie, buiten de politie werkzaam gaat zijn wordt een vertrekstimuleringspremie toegekend.

  • 2. De vertrekstimuleringspremie bedraagt:

    • a. één-twaalfde bruto maandsalaris voor iedere maand dat een ambtenaar in politiedienst is geweest, tot en met een maximum van 120 maanden en

    • b. één-zestiende bruto maandsalaris voor iedere maand boven de 120 maanden,

    met dien verstande dat de premie nooit meer kan bedragen dan het totaal van de bezoldiging tot aan het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat.

  • 3. De vertrekstimuleringspremie bedraagt in alle gevallen maximaal:

    • gedurende het eerste jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 125.000,

    • gedurende het tweede jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 100.000,

    • gedurende het derde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 75.000,

    • gedurende het vierde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 50.000,

    • gedurende het vijfde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 25.000,

  • 4. Gedurende het zesde jaar en volgende jaren van aanwijzing als herplaatsingskandidaat bestaat geen recht op toekenning van een vertrekstimuleringspremie.

  • 5. Voor de berekening van de vertrekstimuleringspremie wordt uitgegaan van het laatstgenoten salaris, verhoogd met het percentage van de eindejaarsuitkering en de vakantieuitkering op de datum waarop het ontslag ingaat. De fiscale consequenties die aan deze premie zijn verbonden, komen voor rekening van de herplaatsingskandidaat dan wel de pre-herplaatsingskandidaat. De berekening van het maandsalaris is een gewogen salaris op grond van de aanstellingen van de ambtenaar in het verleden.

  • 6. Op verzoek van de ambtenaar kan de vertrekstimuleringspremie rechtstreeks betaald worden aan een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij of gestort worden in een bankspaarregeling.

  • 7. Aan de ambtenaar aan wie een terugkeergarantie als omschreven in artikel 55bb van dit besluit is verleend, wordt de vertrekstimuleringspremie toegewezen onder voorwaarde dat de ambtenaar geen gebruik maakt van de terugkeergarantie. Uitkering van de vertrekstimuleringspremie vindt in dat geval plaats nadat is gebleken dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Artikel 55z

Aan de herplaatsingskandidaat en de preherplaatsingskandidaat die een functie buiten de politie heeft aanvaard, wordt kwijtschelding verleend van de terugbetalingsverplichtingen, opgenomen in de regelgeving van de rechtspositie van de ambtenaar.

Artikel 55aa

  • 1. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat of pre-herplaatsingskandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag op diens verzoek ontheven van werkzaamheden, met behoud van aanspraken tot het einde van zijn loopbaan indien

    • a. op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingskandidaat kan worden geplaatst of een herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst en

    • b. er op het moment van ontheffen een ontslagbesluit is genomen met een ingangsdatum maximaal 18 maanden na het moment van ontheffen, dan wel

    • c. de ambtenaar binnen 18 maanden na het moment van ontheffen, gebruik maakt van de levensloopregeling in de vorm van einde loopbaanverlof en daarbij is vastgelegd dat het levensloopverlof wordt voortgezet tot aan het moment van ontslag.

  • 2. De inkomsten van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die de ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf en aangevangen met ingang van de dag waarop hij is ontheven van zijn werkzaamheden, worden in mindering gebracht op de bezoldiging, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten, dan wel een gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid.

  • 3. De ambtenaar is verplicht om vanaf het moment waarop hij wordt ontheven van zijn werkzaamheden, aan het bevoegd gezag opgave te doen van de inkomsten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 55bb

  • 1. Aan de ambtenaar aan wie eervol ontslag op eigen verzoek wordt verleend om een functie te aanvaarden op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, kan op diens verzoek een terugkeergarantie worden gegeven.

  • 2. De garantie geldt voor de duur van de wettelijke proeftijd die is opgenomen in de arbeidsovereenkomst en is in te roepen als de ambtenaar buiten eigen schuld of toedoen in de proeftijd wordt ontslagen. Indien de ambtenaar bij de nieuwe werkgever binnen de proeftijd wordt ontslagen, meldt de ambtenaar dit binnen drie werkdagen bij zijn oorspronkelijke korps.

  • 3. De hernieuwde aanstelling gaat in binnen drie werkdagen na melding van het ontslag bij het oorspronkelijke korps.

  • 4. Gegarandeerd wordt uitsluitend een hernieuwde aanstelling bij het oorspronkelijke korps met een bezoldiging overeenkomstig de bezoldiging bij vertrek, tenzij de ambtenaar weigert.

  • 5. De ambtenaar die was aangewezen als herplaatsingskandidaat op het moment van ontslag op eigen verzoek, wordt bij terugkeer aangewezen als herplaatsingskandidaat voor de op het moment van ontslag resterende termijn, met een minimum van drie maanden.

ARTIKEL II

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit rangen politie, komt te luiden:

  • 1. De ambtenaar die in een reorganisatie als bedoeld in artikel 55i Besluit algemene rechtspositie politie, negatief verticaal geplaatst is, behoudt, indien hij daartoe een aanvraag heeft gedaan, de rang die is verbonden aan de functie waaraan dezelfde salarisschaal is verbonden als de salarisschaal die is opgenomen in bijlage I van het Besluit bezoldiging politie en die voor hem gold voor het tijdstip waarop de negatieve verticale plaatsing plaatsvond.

ARTIKEL III

In artikel 6 van het Besluit bezoldiging politie wordt, onder vernummering van het achtste en negende lid tot het negende en tiende lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 8. De lagere salarisschaal uit het zesde lid, onderdeel d, en het zevende lid, geldt niet indien de uitzondering van artikel 55ra van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is.

ARTIKEL IV

Aan artikel 6 van het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Bij ministeriële regeling kan in geval van een reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie, van de beperking van het maximum aantal kilometers enkele reis, zoals bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken ter voorkoming van negatieve financiële gevolgen voor de ambtenaar.

ARTIKEL V

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit landelijk sociaal statuut politie.

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 maart 2010.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 26 februari 2011

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

Uitgegeven de zestiende maart 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 2 maart 2010 is het formeel akkoord, genaamd Akkoord sector politie tot verlenging en aanvulling arbeidsvoorwaardenakkoord 2008–2010, door de werkgever en de vakbonden gesloten. Het Landelijk sociaal statuut (LSS) was onderdeel van dat akkoord. Het LSS bevat afspraken over de wijze waarop de personele gevolgen van reorganisaties bepaald worden. Dit besluit bevat die afspraken die in een amvb vastgelegd moeten worden. Dit besluit (art 55u) bevat een grondslag voor een nadere regeling van andere onderdelen uit het LSS, deze zijn opgenomen in een ministeriële regeling.

Daarnaast bevat het akkoord van 2 maart 2010 ook het Convenant toepassing en uitvoering van het Landelijk sociaal statuut voor de Nederlandse politie (het Convenant). Het Convenant is gesloten tussen de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, de politievakbonden, vertegenwoordigd in de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, en de bevoegde gezagen. In het Convenant spreken partijen onder meer af dat de voorrangspositie van herplaatsingskandidaten niet alleen geldt bij het invullen van vacatures binnen de eigen organisatie, maar ook geldt bij het invullen van vacatures die vallen onder een ander bevoegd gezag dat partij is bij het Convenant. Dit Convenant zal, na ondertekening van de partijen, in de Staatscourant geplaatst worden.

Het LSS

Het LSS zoals dat wordt vastgelegd bij of krachtens dit besluit, is van toepassing op alle reorganisaties binnen de politie en vervangt daarmee alle regionale reorganisatiestatuten van de korpsen en andere onderdelen van de politie. Deze statuten (hoe ook genaamd) zijn door de betreffende bevoegde gezagen per 2 maart 2010 ingetrokken.

Het LSS is in essentie, gelet op de inhoud, te onderscheiden in een procedureel deel en in een materieel deel.

Het procedurele deel sluit aan op de wijze van reorganiseren die gebruikelijk is bij de politie en voorziet in het opstellen van een personeelsplaatsingsplan met als voornaamste pijlers een functievergelijking en een inventarisatie van de voorkeuren van de betrokken ambtenaren. Nieuw in het procedurele deel ten opzichte van de meeste regionale statuten is een gedetailleerder beschrijving van de verschillende stappen in de totstandkoming van een personeelsplaatsingsplan. Ook nieuw is een uitbreiding van de mogelijkheden om rekening te houden met doelstellingen van diversiteit bij de invulling van sleutelfuncties.

Twee andere nieuwe onderdelen zijn de landelijke voorrangspositie van herplaatsingskandidaten en de mogelijkheid om vooruitlopend op een reorganisatie pre-herplaatsingskandidaten aan te wijzen.

De landelijke voorrangspositie zorgt ervoor dat ambtenaren die zijn aangewezen als herplaatsingskandidaat voorrang hebben bij het invullen van vacatures bij alle bevoegde gezagen die onderdeel uitmaken van de politie. Bij het realiseren van dit voorrangsrecht speelt het in te richten Mobiliteitscentrum Nederlandse politie een belangrijke rol.

De mogelijkheid om pre-herplaatsingskandidaten aan te wijzen, is in het leven geroepen om bij dreigende boventalligheid beter gebruik te maken van de mobiliteitsbereidheid van betrokken ambtenaren. Door mobiliteit te stimuleren via het beschikbaar stellen van flankerende voorzieningen en via een bepaalde voorrangspositie bij vacatures wordt waar mogelijk voorkomen dat herplaatsingskandidaten moeten worden aangewezen en dat gedwongen mobiliteit noodzakelijk wordt. Het aanwijzen van pre-herplaatsingskandidaten is gebonden aan regels. Zie over deze beide onderwerpen verder de artikelsgewijze toelichting bij dit besluit.

Het materiële deel van het LSS voorziet in het beschikbaar stellen van flankerende voorzieningen voor (pre-)herplaatsingskandidaten en remplaçanten. De in het LSS opgenomen voorzieningen zijn limitatief. Een aantal voorzieningen is echter zonder als zodanig benoemd te zijn al opgenomen in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Dit betreft bijvoorbeeld de artikelen 55r (scholingskosten) en 55t (loonsuppletie). Flankerende voorzieningen worden toegepast op verzoek van de ambtenaar. Voor het merendeel van de flankerende voorzieningen bestaat recht op toepassing, aangegeven met een R in onderstaande tabel. Waar een K staat, bestaat geen recht, maar kan het bevoegd gezag een verzoek om toepassing afwijzen. Bij sommige voorzieningen bestaat wel een recht, maar is de hoogte van dat recht niet vooraf bepaald.

Het totale pakket aan flankerende voorzieningen en waar zij in de regelgeving terecht zijn gekomen is als volgt:

 

Pre HPK

HPK

Outplacement (art 15 Regeling)

K

jaar 1 K – daarna R

Opleidingskosten (art 16 Regeling)

R

R

Verhuiskosten en reiskosten woon-werkverkeer (art 17 Regeling)

R

R

Stimuleringspremie (55y Barp)

R

R

Reiskosten (art 18 Regeling)

K

R

Terugkeergarantie (55bb Barp)

R

R

Loonsuppletie (55t Barp)

R

R

Sollicitatieverlof (art 20 Regeling)

R

R (volgt uit Barp)

Kwijtschelding terugbetalingen (55z Barp)

R

R

Gezien de diversiteit aan voorzieningen in de voormalige regionale reorganisatiestatuten en aanvullende afspraken rond reorganisaties, is niet aan te geven wat nieuw is in het materiële deel. Dit verschilt per bevoegd gezag en per geval. De belangrijkste voorzieningen zien op de vergoeding van extra kosten, bijvoorbeeld voor opleiding, bij verhuizing of bij toename van de reisafstand, en op het faciliteren van vrijwillige uitstroom, bijvoorbeeld via een aflopende stimuleringspremie, het geven van een terugkeergarantie en de opname van een remplaçantenregeling.

Ook voor het recht dat bestaat op toekenning van voorzieningen is in zijn algemeenheid niet aan te geven in hoeverre dit nieuw is. Dit was namelijk in regionale reorganisatiestatuten verschillend geregeld. Belangrijk te noemen is dat in het LSS voor herplaatsingskandidaten in de meeste gevallen een recht bestaat op de toekenning van flankerende voorzieningen.

Een deel van de afspraken uit het LSS is verwerkt in dit besluit. Het andere deel is, via de delegatiegrondslag van artikel 55u Barp in een ministeriële regeling geregeld: Regeling landelijk sociaal statuut politie.

Overeenstemming vakbonden

Over dit besluit is overeenstemming bereikt met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

In artikel 55i van het Barp wordt aangegeven wat er wordt verstaan onder een reorganisatie. Daarbij wordt onder meer aangesloten bij de bepalingen in artikel 47 Politiewet 1993.

De wijziging van het derde lid houdt in dat ook bij de overgang van een ambtenaar naar een private onderneming in verband met de privatisering van het dienstonderdeel waarin hij werkzaam is en op de overgang van de ambtenaar naar een zelfstandig bestuursorgaan in verband met de verzelfstandiging van het dienstonderdeel sprake is van een reorganisatie.

Daarnaast wordt in het artikel aangegeven wat wordt verstaan onder reorganisatiegebied. Hier valt ook onder de voorziening tot samenwerking.

Voor het begrip belangrijke gevolgen zoals dat in dit artikel wordt gebruikt, is aangesloten bij het begrip zoals dat in de Wet op de ondernemingsraden te vinden is. Dit begrip wordt door de rechter casuïstisch toegepast. Er is geen vaste definitie van in de rechtspraktijk.

Het vijfde lid beschrijft de situatie dat men de plaats van tewerkstelling wijzigt als gevolg van een organisatorische noodzaak zonder personele gevolgen. In die situatie is de Regeling landelijk sociaal statuut politie van kracht waarin uitwerking wordt gegeven van de reiskosten. Het gaat hierbij louter en alleen om reiskosten, omdat er organisatorische bewegingen zijn om de wijziging van de plek van te werkstelling zonder dat er sprake is van een reorganisatie. Het geldt echter niet in individuele gevallen.

Een situatie waarin de Regeling landelijk sociaal statuut (materieel) van toepassing is, terwijl er geen sprake is van een reorganisatie, doet zich bijvoorbeeld voor zodra het bevoegde gezag besluit om één of meerdere locaties dan wel politiebureaus te sluiten of samen te voegen, met als resultaat dat meerdere ambtenaren hierdoor een andere plaats van tewerkstelling toegekend krijgen. Hiervoor is gekozen om er voor zorg te dragen dat deze ambtenaren wat betreft de reiskosten in eenzelfde positie worden gebracht als die ambtenaren waarbij wel sprake zou zijn van een reorganisatie. Als er wel sprake is van een reorganisatie, bijvoorbeeld omdat door een wijziging van een plaats van tewerkstelling een langere reistijd dan drie uur per dag van en naar de werkplek ontstaat, dan is wel de gehele Regeling landelijk Sociaal Statuut van toepassing.

De Regeling landelijk sociaal statuut is niet van toepassing als het gaat om wijzigingen van de plaats van tewerkstelling om organisatorische of andere redenen in individuele gevallen, die geen deel uitmaken van een reorganisatie.

Artikel I, onderdeel B

Er bestond een discrepantie tussen de regelgeving in het Barp en de Regeling melding voorgenomen reorganisaties. Door de wijziging van artikel 55j van het Barp en een wijziging van genoemde regeling zijn de stukken met elkaar in overeenstemming gebracht. De informatieplicht van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken is hiermee uit het Barp gehaald en de meldingsplicht van de korpsen aan de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken door tussenkomst van de minister is hierbij opgenomen.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 55ja Barp

Als het bevoegd gezag ziet aankomen dat vanwege toekomstige aanpassingen in de taken of organisatie het niet te vermijden is om op termijn herplaatsingskandidaten aan te wijzen, kan het individuele medewerkers of groepen medewerkers waarvoor dat noodzakelijk zal zijn, al in een vroeg stadium aanwijzen als pre-herplaatingskandidaat. Ambtenaren die behoren tot het (verwachte) reorganisatiegebied, kunnen ook zelf aanvragen om aangewezen te worden als pre-herplaatsingskandidaat.

Onder eenzelfde, vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt in artikel 55ja verstaan dat een functie na de reorganisatie volledig gelijk is aan de voorgaande functie of een functie in grote lijnen gelijk is dan wel gelijkend op de oude functieomschrijving.

Alle als pre-herplaatsingskandidaat aangewezen ambtenaren krijgen recht op een pakket flankerende voorzieningen waarop zij een beroep kunnen doen als zij vrijwillig mobiel worden, en zij kunnen aanspraak maken op een aantal voorzieningen in het Barp dat normaal alleen beschikbaar is voor aangewezen herplaatsingskandidaten. In het Convenant is opgenomen dat zij daarbij worden ondersteund door een bepaalde voorrangspositie.

Aan de pre-herplaatsingsstatus zijn geen verplichtingen verbonden. Het is geheel aan de aangewezen ambtenaar zelf om te beslissen of hij mobiel wil worden. Als een ambtenaar geen gebruik maakt van de rechten die zijn verbonden aan de pre-herplaatsingsstatus, is dit later, als er uiteindelijk een aanwijzing tot herplaatsingskandidaat volgt, niet van invloed op de daaraan verbonden rechten en plichten.

De aanwijzing van pre-herplaatingskandidaten is per definitie tijdelijk. Aanwijzing geschiedt voor een objectief bepaalbare duur. Dat wil zeggen dat de duur van de periode bij de aanwijzing nog niet hoeft vast te staan, maar in de toekomst wel objectief bepaalbaar moet zijn. Bijvoorbeeld: een aanwijzing die eindigt op het moment dat twee ambtenaren van een onderdeel zijn geplaatst in een functie buiten het reorganisatiegebied heeft een objectief bepaalbare duur. Een aanwijzing die eindigt op het moment dat voldoende ambtenaren van een onderdeel zijn geplaatst in een functie buiten het reorganisatiegebied heeft geen objectief bepaalbare duur en is dus niet toegestaan. Aanwijzing kan volgens het zevende lid verder op twee manieren eindigen. De eerste manier is op het moment dat definitief over de rechtspositie van de individuele ambtenaar in het kader van dit hoofdstuk een besluit is genomen. Hieronder wordt verstaan dat de ambtenaar een plaatsingsbesluit heeft ontvangen of een besluit tot aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Een tweede manier om de aanwijzing te eindigen is doordat het bevoegd gezag de aanwijzing schriftelijk intrekt.

Het pakket flankerende voorzieningen dat beschikbaar is voor pre-herplaatsingskandidaten, is vrijwel gelijk aan dat voor aangewezen herplaatsingskandidaten. De afwijkingen zijn in de Regeling landelijk sociaal statuut politie aangegeven.

De aanwijzing van pre-herplaatsingskandidaten is pas mogelijk nadat het bevoegd gezag schriftelijk en gemotiveerd de ondernemingraad van het voornemen om aan te wijzen op de hoogte heeft gebracht. Hierbij moeten ten minste de redenen, de beoogde doelen en een globaal tijdspad worden aangegeven. De ondernemingsraad wordt niet op de hoogte gesteld als er een aanwijzing op aanvraag plaatsvindt, in een individueel geval.

De aanwijzing tot pre-herplaatsingskandidaat is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er is dus geen mogelijkheid tot bezwaar en beroep omdat de aanwijzing niet is gericht op rechtsgevolgen.

Artikel 55jb Barp

In verband met een reorganisatie kunnen van bepaalde functionarissen nieuwe competenties/kwaliteiten worden gevraagd, die in verband staan met de nieuwe organisatie. Deze functionarissen vervullen zogenoemde sleutelfuncties. Sleutelfunctie is gedefinieerd als een nieuwe functie, niet zijnde een vergelijkbare of een uitwisselbare functie, met een groot organisatorisch belang en die als zodanig door het bevoegd gezag is aangemerkt. Dit zijn veelal leidinggevende functies. Uitgegaan mag worden dat voor dergelijke functies het tactische, strategische belang doorslaggevend is.

Het bevoegd gezag dat wenst over te gaan tot het aanmerken van een functie als een sleutelfunctie, zal expliciet aan moeten geven wat het belang is voor de nieuwe organisatie. Overigens is het aanmerken van sleutelfuncties alleen mogelijk bij zogenaamde nieuwe functies. Uit artikel 55l van het Barp volgt namelijk dat bij vergelijkbare of uitwisselbare functies in eerste instantie de functievolgers worden geplaatst. Bij de melding van een voorgenomen reorganisatie zal ook de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken over het voornemen tot aanwijzing van sleutelfuncties een oordeel geven.

De wijze van vervulling van deze functies zal plaatsvinden overeenkomstig het, met instemming van de ondernemingsraad, vastgestelde vacaturebeleid van het korps dat geldt voor de invulling van hogere of speciale functies. De selectie vindt plaats op basis van geschiktheid. Indien er geen apart vacaturebeleid is vastgesteld dat van toepassing is op de te vervullen sleutelfuncties, dan heeft dit tot gevolg dat de vervulling plaatsvindt met inachtneming van de normale procedure die geldt voor alle functies.

Artikel I, onderdeel D

Twee of meer ambtenaren kunnen een gelijk aantal jaren in overheidsdienst hebben, en het kan voorkomen dat op grond van dit criterium niet kan worden beslist wie van hen de functie volgt waarvoor hun oorspronkelijke functie als vergelijkbaar of uitwisselbaar is aangemerkt en wie als herplaatsingskandidaat dient te worden aangemerkt. Beide statussen zijn voor de betrokken ambtenaren van wezenlijke invloed op hun verdere positie in de reorganisatie.

De situatie komt zeer zelden voor, wat niet wegneemt dat zij voorkomt. Het is gewenst dat altijd duidelijk is welke ambtenaren als functievolger en welke als herplaatsingskandidaat kunnen worden aangewezen. In het tweede lid wordt voor een dergelijke situatie een tweede criterium aangereikt.

Onder jaren in politiedienst wordt verstaan het totaal aantal jaren dat men bij de politie is aangesteld. Alle jaren van aanstelling bij enig onderdeel van de politie worden alsdan bij elkaar opgeteld. Ook bij overheidsdienstjaren wordt ononderbroken diensttijd bij elkaar opgeteld.

Het derde lid maakt het mogelijk dat een ambtenaar binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag zelf kiest voor aanwijzing als herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 55i, tweede lid, Barp. Voorwaarde hierbij is dat door die aanwijzing een plaats vrijkomt die door een (pre-) herplaatsingskandidaat wordt ingenomen. Het is voor de toepassing van dit artikel niet voldoende dat een vrijkomende plek kan worden ingenomen, het gaat om een feitelijke wisseling. Er moet daadwerkelijk sprake zijn van een formele plaatsing op de vrijgekomen plaats.

De mogelijkheid die dit artikellid biedt, kan bijvoorbeeld benut worden in een situatie van boventalligheid, waarbij een of meer ambtenaren niet geplaatst kunnen worden op hun eigen ongewijzigde functie, terwijl één of meer van de wel geplaatste ambtenaren juist liever mobiel wordt met ondersteuning van flankerende voorzieningen die beschikbaar zijn voor herplaatsingskandidaten. Ook biedt het een mogelijkheid om een ambtenaar die buiten het reorganisatiegebied valt zich aan te laten wijzen als herplaatsingskandidaat.

Het bevoegd gezag maakt een redelijke afweging of het mogelijk is aan het verzoek te voldoen. Verwacht mag worden dat een verzoek niet te snel wordt afgewezen. Er dient door het bevoegd gezag gemotiveerd te worden waarom het verzoek niet tot vervanging kan leiden. Het niet volledig in alle facetten kunnen vervangen van de vertrekkende ambtenaar is geen reden om af te wijzen.

Bij de uitvoering van dit artikel is van belang dat er geen onderscheid gemaakt mag worden naar deeltijders: in de Ambtenarenwet is in artikel 125g opgenomen dat men geen onderscheid mag maken op grond van een verschil in arbeidsduur.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 55la Barp

Dit artikel was eerst het vierde lid van artikel 55l en daardoor niet duidelijk te vinden. Dat is door verplaatsing naar een zelfstandig artikel opgelost. De reorganisatiecommissie moet niet verward worden met een plaatsingsadviescommissie of de commissie op grond van de Regeling melding voorgenomen reorganisatie. Deze reorganisatiecommissie heeft als taak om over een aanvraag van het bevoegde gezag om af te wijken van de plaatsingsvolgorde een oordeel uit te brengen aan het bevoegde gezag. Het bevoegd gezag moet daarvoor een gemotiveerd verzoek indienen bij de commissie.

Artikel 55lb Barp

Indien een ambtenaar een vergelijkbare of uitwisselbare functie heeft, dan wordt hij geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie. Daarbij wordt artikel 55l van het Barp in acht genomen.

Het artikel geeft ook de volgorde aan hoe de ambtenaren met een vergelijkbare of uitwisselbare functie worden geplaatst. Bij deze plaatsing wordt ook met artikel 55o van het Barp rekening gehouden.

Als een ambtenaar meerdere plaatsen van tewerkstelling heeft, dan is voor de toepassing van dit artikel de hoofdplaats van tewerkstelling bepalend (zie hierover artikel 10 Barp).

De ambtenaar kan met gebruikmaking van het vierde lid zelf de keuze maken om alsnog aangemerkt te worden als herplaatsingskandidaat.

Artikel I, onderdeel F

De aanleiding voor het opnemen van het telewerken is de voorwaarde in artikel 55o, vierde lid, onderdeel d, van het Barp waarin de reisafstand als een reden kan worden aangemerkt om een functie niet passend te verklaren. Dit zou, in overleg tussen de ambtenaar en het bevoegd gezag, opgelost kunnen worden door een deel van de arbeidstijd met telewerken in te vullen. Hierbij wordt wel benadrukt dat de passendheid een rol speelt en niet de geschiktheid van een ambtenaar. De afspraak om een deel van de arbeidstijd in te vullen middels telewerken kan door het bevoegd gezag worden vastgelegd in het aanstellings- of plaatsingsbesluit.

Het telewerken gaat gepaard met kosten die gedragen worden door het bevoegd gezag volgens de regels in de Arbeidsomstandighedenwet.

Het gaat bij de vergelijking van de salarisschalen om de salarisschaal die behoort bij de functie die de ambtenaar bekleedt en niet om de persoonlijke schaal. Om dit te verduidelijken zijn in het vierde lid, onderdelen a, b en c wijzigingen aangebracht.

Voor het bepalen van de reistijd zoals bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, wordt geen aansluiting gezocht bij de uitvoering van de Werkloosheidswet maar wordt een berekening gemaakt aan de hand van de via artikel 36 Brvvp voorgeschreven routeplanner dan wel aan de hand van 9292ov.nl. Bij de toepassing van 9292ov.nl kan gebruik worden gemaakt van alle modaliteiten in het systeem voor het berekenen van de reistijd. De voor beoordeling van passendheid in aanmerking te nemen wijze van reizen wordt in redelijkheid bepaald door het bevoegd gezag, rekening houdend met alle omstandigheden en mogelijkheden, de bestaande gewoonte van de ambtenaar en de door de ambtenaar aangegeven voorkeur. Afwijken van de gegeven voorkeur is mogelijk, maar wordt door het bevoegd gezag gemotiveerd. Ambtenaren worden goed voorgelicht over zowel de rechten als de risico’s van bovenstaande.

Voor het vaststellen van de reistijd zijn in de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken de volgende stappen afgesproken:

  • de ambtenaar maakt zijn voorkeur bekend;

  • het bevoegd gezag beslist, nadat de plaatsingsadviescommissie heeft geadviseerd;

  • van zowel het bevoegd gezag als de ambtenaar wordt een redelijke opstelling verwacht (zie hierna de voorbeelden);

  • het bevoegd gezag maakt de keuze (aan de hand van welk vervoermiddel wordt de reistijd bepaald) binnen de grenzen van het redelijke en let daarbij ook op hetgeen gebruikelijk is in de situatie van de betrokken ambtenaar;

  • als van de voorkeur van de ambtenaar wordt afgeweken, dient dat door het bevoegd gezag te worden gemotiveerd;

  • bij het gebruik van openbaar vervoer wordt de OV-planner gehanteerd en bij gebruik van de auto de routeplanner zoals die ook geldt bij de berekening van de tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer.

Het gaat erom dat van alle partijen een redelijke opstelling mag worden verwacht. Bovendien geldt voor de ambtenaar het niet onbelangrijke aandachtspunt dat bij gebreke van een passende functie, de aanwijzing kan volgen tot herplaatsingskandidaat. Het staat de ambtenaar vrij om een langere reisafstand dan drie uren per dag te accepteren, mits dit een volstrekt vrijwillige en weloverwogen keuze is geweest en niet onverantwoord geacht moet worden.

Een aantal voorbeelden ter verduidelijking:

De ambtenaar is in de oude situatie woonachtig op tien kilometer afstand van de huidige plaats van tewerkstelling en legt deze afstand merendeels met de fiets af. Door de reorganisatie is de nieuwe plaats van tewerkstelling op zestig kilometer afstand van de woning gelegen. Het is evident dat de ambtenaar in de nieuwe situatie niet langer op de fiets naar zijn werk kan (zou de ambtenaar anders beweren dan is dit – gezien de afstand – een onredelijke opstelling). De ambtenaar kan dan de keus maken om te reizen met de auto of het openbaar vervoer en die voorkeur aan het bevoegd gezag aangeven. Indien hij voor de auto kiest, dan wordt de daartoe gebruikelijke routeplanner gehanteerd via de snelste route. De snelste route is niet de kortste route qua afstand. Bij de keus voor openbaar vervoer is de reistijd zoals berekend via de OV-planner bepalend. Zie de website: 9292ov.nl waarbij de regiotaxi buiten beschouwing blijft. Wanneer de reistijd op basis van de routeplanner (auto) dan wel de OV-planner onder de drie uren per dag blijft, dan is sprake van een passende functie. Het tweede voorbeeld is dat de ambtenaar in de oude situatie woonachtig is op 15 kilometer afstand van de huidige plaats van tewerkstelling. Door de reorganisatie is de nieuwe plaats van tewerkstelling op 55 kilometer afstand van de woning gelegen. In de oude situatie maakte de ambtenaar gebruik van de auto maar uit kostenoverwegingen geeft hij in de nieuwe situatie de voorkeur aan het openbaar vervoer. Als dit volgens het bevoegd gezag geen onredelijke keuze is van de ambtenaar zal de vraag of sprake is van een passende functie beantwoord moeten worden aan de hand van de ov-planner. Een derde situatie is dat de ambtenaar in de oude situatie woonachtig is op twintig kilometer afstand van de huidige plaats van tewerkstelling. Door de reorganisatie is de nieuwe plaats van tewerkstelling op dertig kilometer afstand van de woning gelegen. In de oude situatie maakte de ambtenaar gebruik van het openbaar vervoer en was hij werkzaam in een functie met volledige onregelmatigheid. Het voornemen bestaat om de ambtenaar te herplaatsen in een andere functie met volledige onregelmatigheid. Het huishouden waartoe hij behoort heeft weliswaar de beschikking over een auto maar deze is merendeels in gebruik bij de partner. Het is niet onredelijk dat de ambtenaar ook in de nieuwe situatie kiest voor het openbaar vervoer, maar vanwege de volledige onregelmatigheid kan hij meerdere diensten per roosterperiode niet op tijd aanvangen c.q. niet meer op tijd thuiskomen omdat het openbaar vervoer niet rijdt. In dit geval is de functie met volledige onregelmatigheid in de nieuwe plaats van tewerkstelling dus geen passende functie. Dit bijvoorbeeld omdat de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling 24 uur per dag met openbaar vervoer was te bereizen (bijv. Utrecht–Amsterdam) en de nieuwe plaats van tewerkstelling niet meer 24 uur per dag met openbaar vervoer bereisbaar is (bijv. Utrecht–Woudrichem op de Utrechtse Heuvelrug).

Artikel I, onderdeel G

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan bij het herplaatsen van ambtenaren de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat in aanmerking brengen voor plaatsing in de desbetreffende functie. Uiteraard zal het bevoegde gezag aan zijn beslissing om een ambtenaar te herplaatsen en een aantal andere dus niet, objectiveerbare argumenten ten grondslag dienen te leggen. Deze objectiveerbare argumenten zullen vervolgens een rol dienen te spelen bij de motivering van zijn beslissing. Zo kan een rol spelen dat de te benoemen ambtenaar over concrete kennis, vaardigheden, opleidingsniveau et cetera dient te beschikken om voor herplaatsing in die functie in aanmerking te komen. Reële mogelijkheden van om-, her-, en bijscholing mogen daarin niet onbenut blijven.

In het tweede lid is de situatie beschreven dat er maar één herplaatsingskandidaat is waarvoor de functie passend is. In dat geval zal deze herplaatsingskandidaat in die functie herplaatst worden. Geschiktheid speelt in dit geval dus geen rol.

Artikel I, onderdeel H

In het Barp ontbrak een formele grond om een herplaatsingskandidaat te herplaatsen op een andere functie. Met het tweede lid van dit artikel is een grondslag opgenomen om een herplaatingskandidaat in verband met een reorganisatie te herplaatsen. Een herplaatsing op grond van dit artikel heeft voor de ambtenaar geen gevolgen voor zijn status. Of het nu gaat om een herplaatsing op een administratieve-technische functie van een ambtenaar, aangesteld voor de politietaak of een ambtenaar die is aangewezen op grond van de Regeling aanwijzing administratief technische functies, beiden houden hun oorspronkelijke status, dus de executieve status of de aangewezen administratief-technische status. Zie ook artikel 55ra Barp.

Een passende functie voor een herplaatsingskandidaat kan ook een functie zijn waarvoor een lagere salarisschaal geldt dan de voor de ambtenaar geldende salarisschaal. Uit artikel 6, zesde juncto zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (hierna Bbp) volgt dat voor de herplaatsingkandidaat die lagere salarisschaal gaat gelden na vijf jaar of afhankelijk van zijn diensttijd na een langere termijn. Het is in het belang van zowel het bevoegd gezag als de ambtenaar dat deze een functie krijgt op het niveau van de voor hem geldende salarisschaal. Op beide partijen rust een inspanningsverplichting om dit doel te verwezenlijken. Het belang van het bevoegd gezag bij een functie op het niveau van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, is dat aan de zogehete bovenschaligheid een einde komt. De ambtenaar voorkomt hiermee een toekomstige salarisachteruitgang.

Artikel I, onderdeel I

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat individuele en persoonsgebonden rechten in stand blijven bij plaatsing of herplaatsing in het kader van een reorganisatie. Voorwaarde is dat het gaat om bij besluit toegekende rechten. Voorbeelden van rechten die onder dit artikel vallen, zijn een persoonlijke salarisschaal en een toekenning op grond van de vervallen flexbepalingen waaronder 30a Bbp. Als een ambtenaar bijvoorbeeld een individuele toekenning heeft voor reistijd woon-werkverkeer op grond van het vervallen artikel 30a van het Bbp en de reistijd blijft gelijk of neemt toe na plaatsing of herplaatsing, dan behoudt hij de oorspronkelijke toekenning. Indien de reistijd vermindert, dan wordt de oorspronkelijke toekenning naar rato herberekend. Om de gevolgen van de (her)plaatsing van een ambtenaar die is aangesteld voor de politietaak en nu wordt aangesteld in een administratief technische functie, te verzachten, is bepaald dat dit gebeurt met behoud van de executieve status. Naast behoud van rechten doelt dit artikel ook op behoud van rang. Eenzelfde soort garantie is bepaald voor de ambtenaar die is aangewezen op grond van de Regeling administratief technische functies en door de reorganisatie wordt geplaatst op een functie waaraan deze aanwijzing niet is verbonden.

Artikel I, onderdeel J

Artikel 55v

Dit artikel biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid af te wijken van hetgeen is bepaald in dit besluit, zij het alleen in individuele gevallen en als het leidt tot onbillijke uitkomsten van overwegende aard of als er sprake is van een bijzondere situatie. Daarbij moeten de individuele belangen en die van de organisatie worden afgewogen. Het bevoegd gezag kan zich hierbij laten adviseren door een bestaande dan wel op te richten commissie.

Artikel 55w

In dit artikel is aangegeven dat door het bevoegd gezag alleen van dit besluit kan worden afgeweken bij reorganisaties waarbij ook arbeidsvoorwaarden van andere sectoren dan de politie betrokken zijn. Indien dit niet het geval is, geldt dit besluit.

Artikel 55x

In artikel 55x, eerste lid, is bepaald dat indien een ambtenaar als herplaatsingskandidaat is aangewezen voordat het Besluit landelijk sociaal statuut politie in werking is getreden en hij nog steeds herplaatsingskandidaat is op het moment van inwerkingtreding, dan is dit anders. In dat geval houdt de ambtenaar recht op toepassing van de regionale regeling die gold voor de reorganisatie als gevolg waarvan de ambtenaar als herplaatsingskandidaat is aangewezen. Daarnaast heeft hij, als dat tot een gunstiger uitkomst leidt, recht op toepassing van het Besluit landelijk sociaal statuut politie of de daarop berustende regeling. Wat in dit geval gezien wordt als een gunstiger uitkomst is ter beslissing van de ambtenaar. Deze kan aangeven op welk van de beide regelingen hij een beroep doet.

Als voorbeeld wordt gegeven dat de ambtenaar voor 2 maart 2010 als herplaatsingskandidaat is aangewezen en na 2 maart 2010 wordt herplaatst. De ambtenaar kan dan gebruik maken van alle voorzieningen van het sociaal statuut behorend bij de oude reorganisatie, ook als dat een voorziening is die niet in het Landelijk sociaal statuut voorkomt. De ambtenaar kan ook gebruik maken van een voorziening in het Landelijk sociaal statuut die niet in het oude sociaal statuut voorkomt. Komt een voorziening in beide statuten voor, dan kan de ambtenaar kiezen op welk statuut hij een beroep doet.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat deze regeling ook van toepassing is indien vóór de inwerkingtreding van deze regeling het bevoegd gezag bij de behandeling van de melding van een reorganisatie in de Adviescommissie melding voorgenomen reorganisaties heeft toegezegd dat de bepalingen ook van toepassing zullen zijn op de gemelde reorganisatie. Dit moet blijken uit het advies van de Adviescommissie en de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie aan het korps waarin de bevindingen van de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken zijn opgenomen.

Indien de ambtenaar volgens het tweede of het derde lid een keus heeft tussen twee sociale statuten, maakt hij deze keus en staat deze daarna vast. De keus kan daarna dus niet meer gewijzigd worden.

Artikel 55y

De vertrekstimuleringspremie is beschikbaar voor pre-herplaatsingskandidaten en herplaatsingskandidaten die ontslag krijgen op eigen verzoek. Dit is dan wel een ontslag anders dan met het oogmerk direct dan wel indirect gebruik te maken van een vorm van ouderdomspensioen of van de Regeling bijzondere ontslaguitkering politie dan wel de Regeling ontslaguitkering vliegers KLPD.

De premie is op twee manieren gemaximeerd.

Ten eerste is bepaald dat de premie nooit hoger kan zijn dan het totaal van de bezoldiging tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Als voor een bepaalde categorie ambtenaren in het Barp een andere eindleeftijd is bepaald, geldt voor die ambtenaren het totaal van de bezoldiging tot aan het bereiken van die leeftijd.

Ten tweede is de hoogte van de premie tot een absoluut maximum beperkt. Dit maximum is in het eerste jaar na aanwijzing als herplaatsingskandidaat € 125.000 en loopt per jaar terug als in het artikel opgesomd. Door deze terugloop ontstaat een extra stimulans om ook in de beginfase al actief te kijken naar mogelijkheden van herplaatsing buiten de politie. De beide maximeringen worden in het geval van deeltijders naar rato verminderd.

De hoogte van de premie wordt bepaald door de lengte van het dienstverband binnen de politie. Dit is een ander begrip dan het aantal dienstjaren, dat wordt gebruikt bij sommige andere bepalingen. Dienstjaren bij de overheid buiten de politie tellen dus niet mee bij de berekening van de hoogte van de vertrekstimuleringspremie. Er wordt gerekend in dienstjaren en volle maanden waarin de ambtenaar in dienst is geweest bij de politie.

Voor de berekening wordt wel aangesloten bij het bepaalde in artikel 55l, waarin is aangegeven dat voor de berekening van het aantal in politiedienst doorgebrachte jaren rekening wordt gehouden met de tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren. Daarnaast hoeft de periode in politie- en overheidsdienst niet onafgebroken te zijn.

De meer of minder gewerkte uren op grond van de artikelen 28a en 28b Barp worden niet betrokken in de berekening van de stimuleringspremie. In het geval een ambtenaar op grond van artikel 37a Bbp een andere functie is opgedragen, wordt bij de berekening van de stimuleringspremie uitgegaan van de oorspronkelijke salarisschaal die voor de ambtenaar gold.

Als de premie wordt uitgekeerd is dit in beginsel fiscaal loon. Het is mogelijk de premie rechtstreeks, zonder tussenkomst van de ambtenaar zelf, onder te brengen bij een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij of te gebruiken voor een bankspaarregeling. Als de premie wordt gebruikt voor bepaalde in de fiscale wetgeving aangegeven doelen leidt dit tot uitstel van belasting tot het doel tot uitkering komt.

De premie zal niet worden uitgekeerd indien de ambtenaar gebruik maakt van een regeling welke direct dan wel indirect leidt tot een vorm van ouderdomspensioen. Hierbij wordt gedacht aan FPU, AFUP, einde loopbaanverlof of een regeling in die trant.

Om te voorkomen dat een ambtenaar eerst de vertrekstimuleringspremie accepteert en daarna gebruik maakt van de terugkeergarantie, gebeurt de toekenning van de premie onder voorbehoud. Bij gebruikmaking van de terugkeergarantie moet de premie worden terugbetaald. Een rekenvoorbeeld voor de vertrekpremie naar rato ter verduidelijking:

Een ambtenaar heeft een dienstverband gehad van in totaal 38 jaar, daarvan heeft hij 8 jaar 100% (36 uur) gewerkt, 8 jaar 75% (27 uur), 8 jaar 50% (18 uur waarvan 4 jaar met ouderschapsverlof derhalve een plus van 4x 0,5), 8 jaar 100% (36 uur) en 6 jaar 100% minus RPU 36 uur. Deelfactor wordt hierdoor 34 (8+6+4 (+2) +8+6). 38 jaar dienstverband maal 12 maanden is 456 maanden.

A: 120 maanden x 1/12 maand salaris

B: 336 maanden x 1/16 maand salaris

A: is gelijk aan 10

B: is gelijk aan 21

Dit levert de volgende rekenregel: 31 maanden x maandsalaris x 34 (deelfactor)/38 =

Met een fictief salaris bedrag van € 3000,– bruto is dat 31 x 3000 x 34/38 = € 82.684,00.

Bij vertrek met 59 jaar naar 65 jaar = max 72 maanden 72 x € 3000,– = € 216.000,–

Bij vertrek 63 jaar naar 65 jaar = max 24 maanden 24 x € 3000,– = € 72.000,–

Ingeval men 63 jaar is, is het resterende salaris tot aan pensioen lager dan de vertrekstimuleringspremie, en dat de premie dan niet € 82.684,– is maar € 72.000,–. In het andere geval blijft de premie binnen het totaalbedrag aan salaris (€ 216.000,–) en dus wel het geheel wordt toegekend.

Artikel 55z

In de rechtspositie, bijvoorbeeld het Barp, Bbp of Brvvp, is op een aantal plaatsen een terugbetalingsverplichting opgenomen, bijvoorbeeld voor opleidingskosten. In dit artikel is vastgelegd dat de (pre-)herplaatsingskandidaat die een functie buiten de politie gaat bekleden, bij ontslag ontheven wordt van deze verplichting. Het gaat hier onder andere om de terugbetalingsverplichting van artikel 41 Barp (ouderschapsverlof) en artikel 67 Barp (studiekosten).

Artikel 55aa

Dit artikel betreft een speciale variant van de remplaçantenregeling. In deze variant gaat het niet om doorschuiven van flankerende voorzieningen, maar om ontheffing van taken tot een vastgelegde vertrekdatum in de nabije toekomst. Als voldaan wordt aan de in het artikel genoemde voorwaarden, kan de plaats van de ambtenaar direct worden ingenomen door een (pre-)herplaatsingskandidaat.

Iedere ambtenaar kan een aanvraag doen bij het bevoegd gezag om van de mogelijkheid van artikel 24 gebruik te maken.

Onder de aanspraken in dit lid wordt verstaan al hetgeen hij aan zijn rechtspositie kan ontlenen, tot het moment dat hij zijn verzoek tot ontheffing van werkzaamheden heeft gedaan. Als ontslagmoment geldt in het geval van levensloop de 18 maanden plus de duur van de levensloop van de ambtenaar.

Ook hier geldt dat verwacht mag worden dat het verzoek niet te snel wordt afgewezen. Als het verzoek kan worden ingewilligd, kunnen afspraken worden gemaakt over een eventuele inzet op andere taken tot aan het einde van de loopbaan. Dit is zowel voor de ambtenaar als voor het bevoegd gezag facultatief. Er bestaat aan beide zijden geen verplichting om tot afspraken te komen.

In het tweede en derde lid van dit artikel, is de bepaling opgenomen dat een ambtenaar die gebruik maakt van dit artikel eventuele inkomsten die hij tijdens het ontheven zijn van werkzaamheden naast zijn salaris als politieambtenaar ontvangt, moet opgeven. Als er sprake is van inkomsten, dan worden die verrekend met zijn salaris om een niet te rechtvaardigen voordeel uit deze situatie te voorkomen.

Artikel 55bb

De ambtenaar die ontslag krijgt op eigen verzoek om een functie in de private sector te gaan vervullen, valt in die nieuwe arbeidsverhouding onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Als de arbeidsovereenkomst bij de nieuwe werkgever een proeftijdbeding bevat, is het mogelijk dat de arbeidsovereenkomst door de nieuwe werkgever tijdens de proeftijd zonder vormvereisten en per direct wordt beëindigd. Een overstap naar de private sector is daarmee een risico. Om dit risico te beperken, bepaalt dit artikel dat voor een beperkte periode een terugkeergarantie kan worden gegeven. De ambtenaar kan van de terugkeergarantie gebruik maken als hij buiten eigen schuld of toedoen door de nieuwe werkgever in de proeftijd wordt ontslagen. De ambtenaar zal dan wel binnen drie werkdagen na het ontslag dit moeten melden bij het oorspronkelijke korps om zonder gevolgen voor het pensioen en dergelijke gebruik te maken van de garantie. Als er een hernieuwde aanstelling volgt, gaat deze in binnen drie dagen na de melding van het ontslag.

De garantie is beperkt tot een terugkeer bij het oorspronkelijke korps in een vaste aanstelling met een bezoldiging overeenkomstig de bezoldiging bij vertrek. Er bestaat geen garantie dat dit kan in de eigen functie of op de eigen plaats van tewerkstelling.

Als de ambtenaar voor vertrek was aangewezen als herplaatsingskandidaat, geldt bij terugkeer de resterende termijn van de herplaatsingstatus op het moment van vertrek, met een minimum van drie maanden. Om een samenloop tussen de stimuleringspremie uit artikel 19 en de terugkeergarantie te voorkomen, wordt de stimuleringspremie pas uitgekeerd nadat de terugkeergarantie uit dit artikel ongebruikt is verlopen.

Artikel II

De wijziging van het Besluit rangen politie houdt in dat de ambtenaar die door een reorganisatie er wat betreft functie (en dus ook in rang) op achteruitgaat, toch recht blijft houden op zijn oorspronkelijke rang. Hiermee wordt bedoeld de rang die de ambtenaar had direct voorafgaande aan de reorganisatie. De ambtenaar moet hiertoe wel zelf een verzoek indienen bij het bevoegde gezag.

Artikel III

In de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken is afgesproken dat individuele en persoonsgebonden rechten en plichten in stand blijven bij herplaatsing of plaatsing. De regelgeving in het Besluit bezoldiging politie (Bbp) voor herplaatste ambtenaren regelt echter dat men minimaal vijf jaar na herplaatsing of plaatsing terug gaat naar een lagere salarisschaal of zijn loonsuppletie kwijt raakt. Omdat dat niet conform de afspraken over het sociaal statuut is, wordt in artikel 6 van het Bbp een lid ingevoegd waarbij de uitzondering die geformuleerd is in artikel 55ra, ook geldt en een ambtenaar dus niet in dat geval kan worden teruggezet in salarisschaal.

Artikel IV

In de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken is afgesproken dat de beperking zoals die geldt in artikel 6, tweede lid, van het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie niet geldt in het geval van een reorganisatie. Daartoe is aan artikel 6 een nieuw lid toegevoegd wat aangeeft dat bij ministeriële regeling afgeweken kan worden van het maximum dat is genoemd in het tweede lid. Hier is voor gekozen om te voorkomen dat een ambtenaar bij een gedwongen verplaatsing slechts voor een deel van de extra kilometers extra reiskosten maakt, omdat hij een langere reis dan het maximum moet maken naar zijn nieuwe plaats van tewerkstelling.

Artikel VI

Op 2 maart 2010 is het formeel akkoord, genaamd Akkoord sector politie tot verlenging en aanvulling arbeidsvoorwaardenakkoord 2008–2010, getekend door de werkgever en de vakbonden. Het Landelijk sociaal statuut was onderdeel van dat akkoord. Daarom is afgesproken de regelgeving die betrekking heeft op het Landelijk sociaal statuut per 2 maart 2010 in werking te laten treden.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven