Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2010, 72Wet

Wet van 17 februari 2010 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en enige andere wetten in verband met de harmonisatie van de uitkeringsrechten en het onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers brengen van de commissarissen van de Koning, de burgemeesters en de bestuurders van waterschappen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de uitkeringsrechten van politieke ambtsdragers worden geharmoniseerd en dat de commissarissen van de Koning en de burgemeesters onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers worden gebracht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. In het derde lid wordt «de toeslagen bedoeld in de artikelen 14b, 25a, 27a, 27b, 59b, 70a, 73, 139b, 148a, 150a en 150b» vervangen door: de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid.

Aa

Artikel 2, tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente of voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap.

Ab

In artikel 2b, tweede lid, wordt «gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders» vervangen door: gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap.

B

In artikel 6, vierde lid, wordt «artikel 7, eerste lid» vervangen door: artikel 7.

C

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «zes jaren» vervangen door: vier jaren.

2. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vijfde en zesde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn ontslag voorafgaat ten minste tien jaren minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

  • 4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.

D

Na artikel 7 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 6, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2. De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 3. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

    • a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

    • b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;

    • c. de reistijd naar en van het werk;

    • d. het geboden loon;

    • e. het werkloosheidsrisico.

  • 4. Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld in artikel 8;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 7b

  • 1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 7c

  • 1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Da

In artikel 8d vervalt het zevende lid.

E

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

2. In het zesde lid wordt «artikel 7, vierde lid,» vervangen door: artikel 7, zesde lid,.

F

Artikel 13a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met het achtste lid tot derde tot en met negende lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.

2. In het vierde lid wordt «tweede lid» tweemaal vervangen door: derde lid

3. In het zevende en achtste lid wordt «vijfde lid» telkens vervangen door: zesde lid.

F0

In de artikelen 14, tweede lid, 27a, vierde lid, 27b, derde lid, 139, tweede lid, en 150a, vierde lid, en 150b, derde lid, wordt «aangepast» telkens vervangen door: gewijzigd.

Fa

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

3. In het vijfde lid wordt na «bedragen» ingevoegd: op grond van persoonlijke omstandigheden.

G

Artikel 14aa komt te luiden:

Artikel 14aa

Artikel 14a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

Ga

In artikel 14b, vijfde lid, vervalt: van artikel 105 en.

H

In artikel 15, tweede lid, onder c, wordt «artikel 13a, vijfde lid» vervangen door: artikel 13a, zesde lid.

I

In artikel 17, derde lid, onder d, wordt «artikel 13a, vijfde lid» vervangen door: artikel 13a, zesde lid.

Ia

Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «Algemene nabestaandenwet» ingevoegd: , zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.

2. In het vierde lid wordt «en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen» vervangen door: van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid,.

Ib

Artikel 22b, derde lid, aanhef en onderdeel a, komt te luiden:

  • 3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

    • a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;.

Ic

Artikel 25a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. voor de wees, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.

Id

Na artikel 36 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

  • 1. De artikelen 7, derde en vierde lid, en 7a tot en met 7c zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In dat geval wordt in artikel 7, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen: zes jaren.

  • 2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 7a tot en met 7c het ambt van minister vervult en geen ambt bekleedt in het na de eerstvolgende verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer aantredende kabinet, zijn de artikelen 7a tot en met 7c niet van toepassing. In dat geval wordt in artikel 7, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen: zes jaren.

J tot en met R

[Vervallen]

S

Het opschrift van de vijfde afdeling komt te luiden:

Vijfde afdeling. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen

T

Artikel 130 komt te luiden:

Artikel 130

  • 1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters, wethouders en leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

    • a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;

    • b. provincie: gemeente;

    • c. provinciale staten: de raad;

    • d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.

  • 2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

    • a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de voorzitter;

    • b. provincie: waterschap;

    • c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap;

    • d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap.

  • 3. Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde.

  • 4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de hoofdstukken 22 tot en met 29 niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:

    a. gewezen lid van gedeputeerde staten:

    hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft;

    b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten:

    hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen;

    c. wedde:

    wedde inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;

    d. deeltijdfactor:

    een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten wedde exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die wedde is afgeleid.

U

In artikel 131, derde lid, wordt «artikel 132, eerste, tweede of derde lid» vervangen door: artikel 132.

V

Artikel 132 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «zes jaren» vervangen door: vier jaren.

2. In het tweede lid wordt «50 jaar» vervangen door: 55 jaar.

3. Onder vernummering van het derde, vierde en vijfde lid tot vierde, vijfde en zesde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

W

Na artikel 132 wordt drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 132a

  • 1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 131, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2. De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 3. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

    • a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

    • b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;

    • c. de reistijd naar en van het werk;

    • d. het geboden loon;

    • e. het werkloosheidsrisico.

  • 4. Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld in artikel 133;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 132b

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2. Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als gedeputeerde per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 132c

  • 1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 132a of 132b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Wa

In artikel 133d vervalt het zevende lid.

X

Artikel 134 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het vijfde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 132c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

2. In het zevende lid wordt «artikel 132, vijfde lid,» vervangen door: artikel 132, zesde lid,.

Xa

Na artikel 137 vervalt het kopje «Vervanging».

Y

Na artikel 137 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 137a. Waarneming

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet, dan wel krachtens artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet het ambt vancommissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van artikel 132, steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens artikel 133 toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.

Z

Artikel 138a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de laatste volzin vervangen door: Voor de toepassing van de eerste en de tweede volzin wordt de vergoeding voor de werkzaamheden als lid van provinciale staten niet beschouwd als daar bedoelde inkomsten, indien gedeputeerde staten geen collectieve verzekering hebben afgesloten waarbij ten behoeve van de leden van provinciale staten wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in geldelijke voorzieningen bij invaliditeit en overlijden.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot derde tot en met achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.

3. In het vierde lid, eerste en tweede volzin, wordt «tweede lid» telkens vervangen door: derde lid.

4. In het zesde lid wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

5. In het zevende lid wordt «vierde lid» vervangen door «vijfde lid» en wordt «artikel 13a, zevende lid,» vervangen door: artikel 13a, achtste lid,.

Za

Artikel 139, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Hoofdstuk 17 is van toepassing op het pensioen, voor zover berekend over de in het eerste lid bedoelde tijd.

Zb

Artikel 139a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

2. In het derde lid, onder b, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

3. In het vijfde lid, eerste zin, wordt na «bedragen» ingevoegd: op grond van persoonlijke omstandigheden.

AA

Artikel 139aa komt te luiden:

Artikel 139aa

Artikel 139a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

BB

Artikel 139c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 139a, vierde lid, onderdeel a» vervangen door: artikel 139a, derde lid, onderdeel a.

2. In het vijfde lid vervalt «van artikel 157 en».

CC

In artikel 140, tweede lid, onder c, wordt «artikel 138a, vierde lid» vervangen door: artikel 138a, vijfde lid.

DD

In artikel 142, derde lid, onder d, wordt «artikel 138a, vierde lid» vervangen door: artikel 138a, vijfde lid.

DDa

Artikel 145a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «Algemene nabestaandenwet» ingevoegd: , zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.

2. In het vierde lid wordt «en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen» vervangen door: van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, eerste lid,.

DDb

Artikel 145b, derde lid, aanhef en onderdeel a, komt te luiden:

  • 3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

    • a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;.

DDc

Artikel 148a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. voor de wees, bedoeld in artikel 148, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan de provincie. De toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, eerste lid.

DDd

In artikel 157, eerste lid, wordt na «deze afdeling» ingevoegd «, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen,» en vervalt de komma na «aanpassing».

EE

In artikel 160, derde lid, wordt «artikel 139, vierde lid» vervangen door: artikel 138a, derde lid, laatste volzin.

FF

Artikel 162 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «2.» geplaatst.

2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. De besluiten ter uitvoering van deze afdeling worden genomen door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, tenzij anders is bepaald.

GG

Na artikel 163 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 163a

In afwijking van artikel 130 is deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de Wet privatisering ABP, en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.

Artikel 163b

  • 1. De artikelen 132, derde lid, en 132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In artikel 132, eerste lid, wordt in dat geval voor «vier jaren» gelezen «zes jaren» en in artikel 132, tweede lid, wordt in dat geval voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.

  • 2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 132, derde lid, is benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap en op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 132, derde lid, niet overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP was, en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden van provinciale staten, de gemeenteraad onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap niet wordt herbenoemd, dan wel bij herbenoeming in hetzelfde ambt onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezing de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, wordt in artikel 132, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen «zes jaren» en in artikel 132, tweede lid, voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.

  • 3. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 132a tot en met 132c is benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen 132a tot en met 132c niet overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP was, en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden van provinciale staten, de gemeenteraad onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap niet wordt herbenoemd, zijn de artikelen 132a tot en met 132c niet van toepassing.

ARTIKEL II

In artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet privatisering ABP wordt «voorzitters van deelgemeenteraden» vervangen door: leden van dagelijkse besturen van deelgemeenten.

ARTIKEL III

De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 6, eerste lid, onder a, wordt na «staatssecretaris,» ingevoegd «commissaris van de Koning, burgemeester,» en wordt na «deelgemeente,» ingevoegd «voorzitter van een waterschap,».

ARTIKEL IV

De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 6, eerste lid, onder a, wordt na «staatssecretaris,» ingevoegd «commissaris van de Koning, burgemeester,» en wordt na «deelgemeente,» ingevoegd «voorzitter van een waterschap,».

ARTIKEL IV0

Artikel 72, eerste lid, van de Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c vervalt.

2. De onderdelen d, e en f worden geletterd c, d en e.

ARTIKEL IV1

Artikel 73, eerste lid, van de Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c vervalt.

2. De onderdelen d tot en met g worden geletterd c tot en met f.

ARTIKEL IVa

De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 32a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de tweede volzin ingevoegd: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doet de voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Voordelen ten laste van het waterschap, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover het algemeen bestuur dit bij verordening bepaalt. De verordening behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

B

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doet de voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur.

2. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede tot en met zesde lid vervalt het tweede lid.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «vierde lid» vervangen door: derde lid.

4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «vierde lid» vervangen door: derde lid.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «zesde lid» vervangen door: vijfde lid.

C

Artikel 49, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «voorzitter» ingevoegd «op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» en wordt «vastgesteld» vervangen door: gesteld.

2. Onderdeel b vervalt.

3. De onderdelen c en d worden geletterd b en c.

ARTIKEL IVb

Artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen «– wethouders;» en «– gedeputeerden» vervallen.

2. Na het onderdeel «– commissarissen van de Koning» worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

  • gedeputeerden;

  • burgemeesters;

  • wethouders;.

3. Het onderdeel «– de leden van dagelijkse besturen van waterschappen, met uitzondering van de voorzitters» wordt vervangen door: – de leden van dagelijkse besturen van waterschappen, waaronder de voorzitters.

ARTIKEL V

Artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Ziektewet, zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T, blijven van toepassing ten aanzien van gewezen commissarissen van de Koning, burgemeesters en voorzitters van een waterschap, die zijn afgetreden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T.

ARTIKEL VI

  • 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen Z, eerste lid, en Za, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 augustus 2001.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen G en AA, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen F en Z, tweede tot en met vijfde lid, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005.

  • 5. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen A, tweede lid, Fa, Ga, Ia, Ib, Ic, Zb, BB, DDa, DDb, DDc en DDd in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 31 december 2008.

  • 6. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen A, eerste lid, Da, F0, Wa en FF, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Lech, 17 februari 2010

Beatrix

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de zesentwintigste februari 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 30 424