Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2010
Nr. 494

Gepubliceerd op 1 oktober 2010 09:01



Beschikking van de Minister van Justitie van 27 september 2010 tot plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Burgerlijk Wetboek BES, zoals gewijzigd bij de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Aanpassingsregeling BES-wetten

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 24, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Besluit:

de tekst van het Burgerlijk Wetboek BES, zoals gewijzigd bij de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Aanpassingsregeling BES-wetten in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

’s-Gravenhage, 27 september 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de eerste oktober 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

TEKST VAN HET BURGERLIJK WETBOEK BES, ZOALS GEWIJZIGD BIJ DE AANPASSINGSWET OPENBARE LICHAMEN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA EN DE AANPASSINGSREGELING BES-WETTEN

BOEK 1 PERSONEN- EN FAMILIERECHT

TITEL 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
  • 1. Allen die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten.

  • 2. Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld.

Artikel 2

Het kind waarvan een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 3
  • 1. De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, de verlening van brieven van vaderschap of een adoptie als een geboorte.

  • 2. Door huwelijk ontstaat tussen de ene echtgenoot en een bloedverwant van de andere echtgenoot aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot en diens bloedverwant.

  • 3. Door ontbinding van het huwelijk wordt de aanverwantschap niet opgeheven.

TITEL 2 Het recht op de naam
Artikel 4
  • 1. Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven.

  • 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

  • 3. Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven.

  • 4. Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 5
  • 1. De geslachtsnaam van een kind is die van zijn vader, en anders die van de moeder.

  • 2. Is de moeder onbekend, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de geboorteakte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in afwachting van het koninklijk besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld.

Artikel 6

De geslachtsnaam wordt ten aanzien van een ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.

Artikel 7
  • 1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, bij koninklijk besluit worden gewijzigd.

  • 2. Hij wiens geslachtsnaam of voornamen niet bekend zijn, kan verzoeken dat bij koninklijk besluit voor hem een geslachtsnaam of voornamen worden vastgesteld.

  • 3. Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij koninklijk besluit heeft geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die vóór de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan.

  • 4. Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij koninklijk besluit blijft in stand, niettegenstaande een latere erkenning of verlening van brieven van vaderschap.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld, en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Artikel 8

Hij die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig, wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te behoren.

Artikel 9
  • 1. Een vrouw die gehuwd is of die gehuwd is geweest en niet is hertrouwd, is steeds bevoegd de geslachtsnaam van haar man te voeren of op de in het verkeer gebruikelijke wijze aan de hare te doen voorafgaan.

  • 2. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven zijn, kan de rechter in eerste aanleg, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van de man aan de vrouw de haar in het eerste lid toegekende bevoegdheid ontnemen.

TITEL 3 Woonplaats
Artikel 10
  • 1. De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

  • 2. Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.

Artikel 11
  • 1. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

  • 2. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de beheerders van de basisadministratie persoonsgegevens heeft kennis gegeven.

Artikel 11a

Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hun woonplaats, indien zij het tegenovergestelde voornemen niet aan de dag hebben gelegd.

Artikel 12
  • 1. Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn curator. Oefenen beide ouders te zamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.

  • 2. Wanneer iemands goederen onder bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder.

  • 3. Wanneer ten behoeve van een persoon een mentorschap is ingesteld, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor.

  • 4. Wanneer de persoon van wie de woonplaats wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest, duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe woonplaats is verkregen.

Artikel 13

Het sterfhuis van een overledene is daar, waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.

Artikel 14

Een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen, mede aldaar woonplaats.

Artikel 15

Een persoon kan een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.

TITEL 4 Burgerlijke stand
AFDELING 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand
Artikel 16
  • 1. In elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn twee of, naar goedvinden van het bestuurscollege, meer ambtenaren van de burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren van de burgerlijke stand worden belast met het verrichten van bepaalde taken. Deze dragen de titel van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren worden door het bestuurscollege benoemd, geschorst of ontslagen. Een benoeming kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden.

  • 3. Ambtenaar van de burgerlijke stand van een openbaar lichaam kan slechts zijn een ambtenaar in dienst van dat openbaar lichaam. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan mede zijn een persoon die geen ambtenaar in dienst van het openbaar lichaam is.

  • 4. De ambtenaar of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand wordt tot zijn betrekking niet toegelaten dan na voor de rechter in eerste aanleg de navolgende eed dan wel belofte te hebben afgelegd: «Ik zweer (beloof) dat ik de betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met eerlijkheid en nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de wettelijke voorschriften, de burgerlijke stand betreffende, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen; dat ik voorts, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder enige naam of voorwendsel, aan iemand iets heb gegeven of beloofd, en dat ik, om iets in deze betrekking te doen of te laten, van niemand enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Zo waarlijk helpe mij God almachtig». («Dat verklaar en beloof ik»).

Artikel 16a

De ambtenaar van de burgerlijke stand is belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere vermeldingen, alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers en de zorg voor de toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens betreft.

Artikel 16c

Het bestuurscollege bepaalt de uren, waarop het bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het publiek geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel mogelijk te beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de zaterdag, de zondag, de algemeen erkende feestdagen en de overige daarvoor door het bestuurscollege aan te wijzen dagen waarop de diensten van het openbaar lichaam niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.

Artikel 16d
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de door het bestuurscollege te treffen voorzieningen ten behoeve van de taakuitoefening door de ambtenaar van de burgerlijke stand, en voorts ten aanzien van al wat verder de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand betreft.

AFDELING 2 De registers van de burgerlijke stand en de bewaring daarvan
Artikel 17
  • 1. Er bestaan voor elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden.

  • 2. Er bestaat in de gemeente ‘s-Gravenhage, naast de in het eerste lid genoemde registers, een register voor de inschrijving van de in afdeling 6 bedoelde rechterlijke uitspraken. Ten aanzien van het in de eerste zin bedoelde register zijn in plaats van de artikelen 17a, 17b en 17c de artikelen 17a, 17b en 17c van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Artikel 17a
  • 1. De registers van de burgerlijke stand worden in het daartoe door het bestuurscollege bestemde gebouw bewaard totdat zij naar een archiefbewaarplaats voor de bewaring van archiefbescheiden van openbare lichamen in de zin van de Archiefwet BES worden overgebracht.

  • 2. De overbrenging naar de archiefbewaarplaats van de in het daartoe bestemde gebouw berustende registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden kan eerst plaats vinden onderscheidenlijk ten minste honderd jaar, ten minste vijfenzeventig jaar en ten minste vijftig jaar na de afsluiting van deze registers.

Artikel 17b

De beheerder van een archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 17a, is belast met het bewaren van de onder hem berustende registers, met het toevoegen van latere vermeldingen aan de daarin opgenomen akten en met de afgifte van afschriften en uittreksels van deze akten.

Artikel 17c

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de registers, alsmede de in artikel 17b genoemde handelingen ten aanzien van die registers.

AFDELING 3 Akten van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten
Artikel 18
  • 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.

  • 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan zich de wettelijk vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook andere bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van de akte of voor de vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij kan zich te dien einde, zonder hiervoor enige vergoeding verschuldigd te zijn, inlichtingen verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit andere openbare registers.

  • 3.1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen het opmaken van de akten betreft.

Artikel 18a
  • 1. Partijen bij een akte van de burgerlijke stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen betreffende een feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken.

  • 2. Belanghebbende partijen zijn partijen die met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg brengen voor henzelf of voor medepartijen, dan wel voor henzelf en medepartijen.

  • 3. De belanghebbende partijen kunnen zich door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen vertegenwoordigen.

  • 4. Wanneer een gevolmachtigde een verklaring aflegt, geldt hij zowel als de door hem vertegenwoordigde persoon als partij bij de akte.

  • 5. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of belanghebbende partij voorkomt.

Artikel 18b
  • 1. Blijft een partij bij een akte van de burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke de in artikel 18, tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de ambtenaar van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden ongenoegzaam, dan weigert deze tot het opmaken van de akte over te gaan.

  • 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.

  • 3. Van een weigering als bedoeld in het eerste of het tweede lid, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de partijen bij de akte en de belanghebbende partijen toekomen, onder vermelding van de tegen die weigering openstaande voorziening van afdeling 11. Een afschrift van deze mededeling doet hij aan de gezaghebber en aan de officier van justitie toekomen.

Artikel 18c
  • 1. Van alle in registers opgenomen akten van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften, alsmede van de daarop betrekking hebbende latere vermeldingen.

AFDELING 4 De akten van geboorte en van overlijden
Artikel 19
  • 1. Een akte van geboorte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het kind is geboren.

  • 2. Indien de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het kind is aangetroffen. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het kind is geboren.

Artikel 19a

In geval van geboorte op een varend schip tijdens een zeereis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of tijdens een luchtreis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met een luchtvaartuig, wordt de akte van geboorte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar dat kind het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het kind is geboren.

Artikel 19b

Indien de plaats of de dag van de geboorte van het kind niet bekend is, dan wel indien de naam, met inbegrip van de voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de geboorteakte ten aanzien van deze punten opgemaakt krachtens een bevel en overeenkomstig de aanwijzingen van het Openbaar Ministerie.

Artikel 19c

Zijn krachtens artikel 5, tweede lid, in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig afschrift van de akte aan de Minister van Justitie.

Artikel 19d
  • 1. Indien het geslacht van het kind twijfelachtig is, wordt een geboorte-akte opgemaakt, waarin wordt vermeld dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.

  • 2. Binnen drie maanden na de geboorte, of, bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van het overlijden, wordt onder doorhaling van de in het eerste lid bedoelde akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het geslacht, indien dit inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld aan de hand van een ter zake overgelegde medische verklaring.

  • 3. Is binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt uit de overgelegde medische verklaring dat het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.

Artikel 19e
  • 1. Tot de aangifte van een geboorte is bevoegd de moeder van het kind.

  • 2. Tot de aangifte is verplicht de vader.

  • 3. Wanneer de vader ontbreekt of verhinderd is de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht:

    • a. ieder die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig is geweest;

    • b. de bewoner van het huis waar de geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in een inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een gevangenis of in een soortgelijke inrichting, het hoofd van die inrichting of een door hem bij onderhandse akte bijzonderlijk tot het doen van de aangifte aangewezen ondergeschikte.

  • 4. Voor een in het derde lid, onderdeel b, genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een in dat lid, onderdeel a, genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.

  • 5. Wanneer tot de aangifte bevoegde of verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de gezaghebber van het openbaar lichaam alwaar de geboorteakte moet worden opgemaakt.

  • 6. De verplichting tot aangifte moet worden vervuld binnen vijf dagen na de dag der bevalling. Van een aangifte later dan de vijfde dag, wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan het Openbaar Ministerie.

  • 7. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de identiteit van de aangever vast.

  • 8. Bij de aangifte kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of de verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld gekomen, dan kan hij zich een door een zodanige hulpverlener nadien opgemaakte verklaring doen overleggen.

  • 9. Wordt geen gevolg gegeven aan het verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging van een verklaring als bedoeld in het achtste lid, of is in de verklaring vermeld dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel 19b van toepassing.

Artikel 19f
  • 1. Een akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het overlijden heeft plaatsgevonden.

  • 2. Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het lijk is gevonden of aan land gebracht.

  • 3. Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk op Bonaire, Sint Eustatius of Saba aan land wordt gebracht.

Artikel 19g

In geval van overlijden tijdens een zeereis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in een luchtvaartuig tijdens een luchtreis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het lijk het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het overlijden heeft plaats gevonden.

Artikel 19h
  • 1. Tot de aangifte van een overlijden is bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt.

  • 2. Binnen de in de Begrafeniswet BES en de Crematiewet BES gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte.

  • 3. Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of nalaten binnen de in de Begrafeniswet BES en de Crematiewet BES gestelde termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de officier van justitie binnen wiens rechtsgebied de akte van overlijden moet worden opgemaakt.

  • 4. In de gevallen, bedoeld in artikel 19f, tweede en derde lid, geschiedt de aangifte schriftelijk door de officier van justitie of hulpofficier van justitie.

Artikel 19i
  • 1. Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden wordt opgenomen.

  • 2. Wanneer een kind binnen de in artikel 19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is ten aanzien van de aangifte artikel 19h van overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.

Artikel 19ia

Geen begraving of verbranding mag geschieden zonder het verlof, vrij van zegel en kosteloos door de ambtenaar van de burgerlijke stand af te geven.

Artikel 19ib

De ambtenaar, die het verbaal van schouwing zal hebben opgemaakt, is verplicht aan die van de burgerlijke stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereist zal worden om de akte van overlijden op te maken.

Artikel 19j
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte en van overlijden, en de inhoud daarvan.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens geregeld op welke wijze en waar de akten van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone wijze kan geschieden.

AFDELING 5 Latere vermeldingen
Artikel 20
  • 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke akten houdende erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder, van brieven van vaderschap, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen, van bevestigingen van opties mede houdende vaststelling van namen en naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen alsmede van besluiten tot intrekking van zulke bevestigingen of besluiten, van de opgave van afwijkende namen die een persoon die meer dan één nationaliteit bezit, voert in overeenstemming met het recht van het land waarvan hij mede de nationaliteit bezit, alsmede van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste zes weken oud is en die inhouden:

    • a. een last tot wijziging van de voornamen, een adoptie, een herroeping van een adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gegrondverklaring van een ontkenning van het vaderschap, of een vernietiging van zulk een uitspraak;

    • b. de nietigverklaring van een huwelijk of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen.

  • 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die een echtscheiding, een ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen, inhouden.

Artikel 20a
  • 1. De in artikel 20, eerste lid, bedoelde latere vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen, bedoeld in dat lid, onderdeel b, worden toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon.Van een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt.

  • 2. De in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, bedoelde latere vermeldingen worden toegevoegd aan de huwelijksakte van de betrokken persoon.

  • 3. Wanneer als gevolg van het huwelijk of van de echtscheiding een verandering intreedt in de geslachtsnaam van een persoon, wordt hiervan, voor zover zij niet in de huwelijksakte is vermeld, aan deze akte een latere vermelding toegevoegd.Tevens wordt daarvan een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene en de geboorteakten van diens kinderen, voor zover hun naam eveneens verandert.

  • 4. Van een aan de ambtenaar van de burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk wordt, evenals van beschikkingen of akten waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van aangifte een latere vermelding toegevoegd.

Artikel 20b
  • 1. Van akten en uitspraken die in het buitenland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 20, wordt, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet, op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba voorkomende huwelijks- of geboorteakte. Van een verandering van de geslachtsnaam wordt op verzoek van een belanghebbende tevens een latere vermelding gevoegd bij de geboorteakte van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun naam eveneens verandert.

  • 2. Indien een latere vermelding ambtshalve aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon of personen op wie de akte betrekking heeft.

Artikel 20c

De artikelen 18 en 18b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20d

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud daarvan.

Artikel 20e
  • 1. Van de in artikel 20, eerste lid, genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • 2. Van brieven van vaderschap, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen en van naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen zendt de Minister van Justitie onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van de betrokken persoon berust.

  • 3. De notaris die een akte van erkenning heeft opgemaakt, zendt onverwijld een afschrift of een uittreksel daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van het kind berust.

Artikel 20f

De ambtenaar van de burgerlijke stand die een latere vermelding van de erkenning toevoegt aan de akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en de latere vermelding aan de personen op wie de akte betrekking heeft. Hij zendt een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van erkenning heeft opgemaakt. Deze akte wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van laatstgenoemd afschrift.

Artikel 20g

De ambtenaar van de burgerlijke stand die aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding toevoegt, waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, dat brieven van vaderschap zijn verleend of dat een naam van hem is gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de bewaarder van het in artikel 244 bedoelde openbare register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige zijn opgenomen.

AFDELING 6 Akten van inschrijving van bepaalde rechterlijke uitspraken
Artikel 21
  • 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand te ‘s Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die inhouden de nietigverklaring van een huwelijk, een echtscheiding, de ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een ingeschreven uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte niet in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde akten worden ingeschreven in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand te ‘s-Gravenhage.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten van inschrijving en de inhoud daarvan.

AFDELING 7 De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand, alsmede van afschriften en uittreksels
Artikel 22
  • 1. De akte van geboorte bewijst ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is geboren.Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe aan de vermelding van de plaats waar het is aangetroffen.

  • 2. De akte van overlijden bewijst ten aanzien van een ieder dat op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte krachtens artikel 19f, tweede lid, is opgemaakt, dat het lijk van de daarin genoemde persoon op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, is gevonden.

  • 3. Voor het overige hebben akten van de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten.

Artikel 22a

Authentieke afschriften of uittreksels, in de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde bewaarder van het register, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tenzij bewezen wordt dat zij daarmede niet overeenstemmen.

AFDELING 8 De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand
Artikel 23

De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand, daaronder begrepen de in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van deze akten, is beperkt overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften.

Artikel 23a

Van de akten van de burgerlijke stand mogen slechts de bewaarders en het Openbaar Ministerie inzage nemen. Voorts kunnen de rechter en het Openbaar Ministerie overlegging van akten bevelen.

Artikel 23b
  • 1. Een ieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet blijkt.

  • 2. Van de in het eerste lid bedoelde akten alsmede van de akten van erkenning wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven.

    Dit afschrift bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.

  • 3. Een verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te hebben.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en uittreksels betreft.

    Daarbij worden tevens regels gegeven voor het opmaken van uittreksels van akten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt.

  • 5. Weigert de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn weigering.

Artikel 23c

De in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van de akten van de burgerlijke stand zijn slechts openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de burgerlijke stand berusten.

AFDELING 9 De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen
Artikel 24
  • 1. Aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het Openbaar Ministerie worden gelast door de rechter in eerste aanleg. De rechter kan bij zijn beschikking tot verbetering van een akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die buiten zijn rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. De tweede zin is van overeenkomstige toepassing in gevallen dat de rechter een beschikking tot aanvulling, doorhaling of verbetering geeft met betrekking tot de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, met dien verstande dat de in de tweede zin bedoelde bevoegdheid van de rechter dan ook kan worden uitgeoefend ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in zijn eigen rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.

  • 2. De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam in welks registers de akte of latere vermelding is of had moeten zijn opgenomen. In gevallen dat de akte of latere vermelding is of had moeten worden opgenomen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zendt de in de eerste zin bedoelde griffier het afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van die gemeente.

Artikel 24a

Kennelijke misslagen en kennelijke schrijf- of spelfouten kunnen worden verbeterd met toestemming van de officier van justitie binnen wiens rechtsgebied de akte in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. De toestemming van de officier van justitie kan eveneens betrekking hebben op dezelfde verbetering ten aanzien van een akte betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in een ander rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.

Artikel 24b
  • 1. Aanvulling van een register van de burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van een nieuwe akte in dat register.

  • 2. Van een verbetering of een doorhaling op grond van deze afdeling wordt een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende akte, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.

AFDELING 10 De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van een buitenlandse akte of uitspraak
Artikel 26
  • 1. Een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, in het buitenland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde verklaring voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand of op vordering van het Openbaar Ministerie worden afgegeven.

Artikel 26a

De rechter in eerste aanleg kan, op verzoek of ambtshalve, bij de in artikel 26, eerste lid, bedoelde verklaring voor recht tevens de toevoeging van een latere vermelding, op grond van artikel 24, eerste lid, aan een in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba voorkomende akte gelasten.

Artikel 26d

De overlegging van een authentiek afschrift van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft, kan worden verlangd. Artikel 986, derde en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26e

De griffier van het college waarbij de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens registers een op de belanghebbende betrekking hebbende akte is opgenomen, waaraan een latere vermelding van de beschikking moet worden toegevoegd.

AFDELING 11 Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting
Artikel 27

Naar aanleiding van een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b of 20c te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen acht weken na de verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen.

Artikel 27a

De rechter kan, op verzoek van een belanghebbende partij of ambtshalve, bij zijn beschikking tevens een verklaring als bedoeld in artikel 26, afgeven, alsmede een last als bedoeld in artikel 26a.

Artikel 27b

De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

AFDELING 12

[Vervallen.]

TITEL 5 Het huwelijk
Algemene bepaling
Artikel 30
  • 1. Het huwelijk kan slechts bestaan tussen een man en een vrouw.

  • 2. De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen.

AFDELING 1 Vereisten tot het aangaan van een huwelijk
Artikel 31
  • 1. Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.

  • 2. Het in het eerste lid vermelde huwelijksbeletsel bestaat niet wanneer zij die met elkander een huwelijk willen aangaan de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, en de vrouw een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht.

  • 3. De Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde vereiste.

Artikel 32

Een huwelijk mag niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

Artikel 33

De man kan tegelijkertijd slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man door het huwelijk verbonden zijn.

Artikel 35
  • 1. Een minderjarige mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van zijn ouders.

  • 2. Zijn de geestvermogens van een ouder zodanig gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen, dan is zijn toestemming niet vereist.

  • 3. Een minderjarige die onder voogdij staat, heeft bovendien de toestemming van zijn voogd nodig.

Artikel 36

Voor zover een volgens artikel 35 vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op verzoek van de minderjarige door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen.

Artikel 39
  • 1. Heeft de rechter in eerste aanleg de toestemming verleend, dan is de termijn van beroep veertien dagen en kan gedurende die termijn de beschikking niet worden ten uitvoer gelegd.

  • 2. Hij die tegen een verleende toestemming opkomt, is verplicht dit binnen de termijn van beroep bij deurwaardersexploit te doen aanzeggen aan de ambtenaar of ambtenaren van de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk kan worden voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij het recht om de nietigverklaring van het huwelijk op grond van het ontbreken van zijn toestemming te vragen, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de beschikking van de rechter in eerste aanleg vernietigt en het huwelijk reeds is voltrokken.

Artikel 41
  • 1. Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature, hetzij familierechtelijk bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als broeder en zuster.

  • 2. De Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die broeder en zuster door adoptie zijn.

Artikel 42

Zij die met elkander een huwelijk willen aangaan, mogen niet tegelijkertijd op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek een geregistreerd partnerschap of een huwelijk met een persoon van gelijk geslacht zijn aangegaan.

AFDELING 2 Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan
Artikel 43
  • 1. Zij die met elkaar een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel 44, eerste lid, genoemde bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het huwelijk zal worden voltrokken.

  • 2. De aangifte geschiedt in persoon of bij zodanige geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken.

  • 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt van de aangifte een akte op.

Artikel 44
  • 1. Voor de aangifte van het huwelijk worden de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd:

    • a. de geboorteakte van ieder der aanstaande echtgenoten, en van elk van hen een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, tenzij zij niet als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens behoeven te zijn ingeschreven;

    • b. een akte van huwelijkstoestemming, gegeven door hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is; de akte van huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt; de toestemming kan ook bij de huwelijksakte worden gegeven; is de toestemming door de rechter verleend, dan wordt diens beschikking overgelegd;

    • c. een akte van overlijden van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest;

    • d. in geval van tweede of verder huwelijk, bewijsstukken aantonende dat het vorige huwelijk geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert;

    • e. het bewijs van de ontheffing of de vergunning van de Minister van Justitie, in geval deze is vereist;

    • f. indien een beschikking als bedoeld in titel 4, afdeling 12, of een vrijstelling krachtens artikel 62 is verkregen, ook deze;

    • g. de verklaring, bedoeld in artikel 31, tweede lid, in geval deze vereist is;

    • h. een door de gezaghebber aan de ambtenaar van de burgerlijke stand afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, over een titel tot verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschikt of om toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verzocht, dan wel voornemens is niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verblijven; de verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft; heeft deze geen woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere aanstaande echtgenoot; de verklaring is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden in het buitenland woonplaats hebben.

  • 2. Voor de voltrekking van het huwelijk worden, naast de in het eerste lid genoemde bescheiden, de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd:

    • a. de akte van huwelijksaangifte;

    • b. indien stuiting heeft plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;

    • c. een schriftelijke opgave van de namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd om als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig te zijn.

  • 3. De in het eerste en tweede lid genoemde bescheiden vormen de bijlagen van de huwelijksakte.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, alsmede de in het eerste lid, onderdeel h, bedoelde verklaring.

Artikel 45
  • 1. Een aanstaande echtgenoot die in de onmogelijkheid is zijn door artikel 44 vereiste geboorteakte te vertonen, kan dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door de rechter in eerste aanleg van zijn geboorteplaats of woonplaats, op verklaring van vier meerderjarige getuigen.

  • 2. Deze verklaring houdt de vermelding in van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, benevens de oorzaken die beletten een akte daarvan over te leggen.

  • 3. Het ontbreken van een geboorteakte kan ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke, maar beëdigde verklaring, afgelegd door de getuigen die bij de voltrekking van het huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding gemaakt.

Artikel 45a

Indien partijen niet in staat zijn de akten van overlijden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van artikel 45 worden verholpen.

Artikel 46

Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte is gedaan.

Artikel 47
  • 1. Indien een minderjarige een huwelijk wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand van welke personen daartoe de toestemming wordt vereist.

  • 2. Voorts onderzoekt die ambtenaar of de minderjarige onder toezicht gesteld of voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwd is. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij ondertoezichtstelling de rechter in eerste aanleg en in het andere geval de voogdijraad onverwijld van het voorgenomen huwelijk.

Artikel 48

Indien hij die wil hertrouwen het gezag heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld kennis aan de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de bedoelde ouder.

Artikel 49
  • 1. Trouwbeloften geven geen rechtsvordering tot het aangaan van een huwelijk, noch tot schadevergoeding wegens de niet-vervulling van de beloften; alle afwijkende bedingen zijn nietig.

  • 2. Indien echter een akte van huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte.

Artikel 49a
  • 1. Indien een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander, vluchteling of staatloze van wie het personele statuut door de wetgeving van Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaald wordt, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een huwelijk wenst aan te gaan, wordt op zijn verzoek aan hem een verklaring van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig het model, toegevoegd aan de op 5 september 1980 te München tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een verklaring van huwelijksbevoegdheid (Trb. 1981, 71), afgegeven.

  • 2. Deze verklaring wordt afgegeven:

    • a. aan degene die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats heeft door de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn woonplaats;

    • b. aan degene die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn laatste woonplaats aldaar.

  • 3. De verklaring wordt door de bevoegde autoriteit niet afgegeven alvorens deze, door kennisneming van de bescheiden, vermeld in artikel 44, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en zo nodig van die, vermeld in de artikelen 45 en 45a, alsmede in artikel 27b, zich ervan heeft overtuigd dat naar het recht van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen beletselen tegen het huwelijk bestaan.

  • 4. De verklaring van huwelijksbevoegdheid is, te rekenen van het tijdstip van afgifte, gedurende zes maanden geldig.

  • 5. Onverminderd artikel 6 van de in het eerste lid genoemde Overeenkomst worden de in het eerste lid van dat artikel bedoelde onveranderlijke vermeldingen op de verklaring bovendien gedrukt in de Engelse en de Spaanse taal.

AFDELING 3 Stuiting van het huwelijk
Artikel 50

Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 51
  • 1. Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters, voogden en curatoren van een der aanstaande echtgenoten.

  • 2. De in het eerste lid genoemde personen zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk zou veroorzaken van de partij waarvan zij bloedverwant, voogd of curator zijn.

Artikel 52

Hij die met een der partijen door huwelijk verbonden is dan wel met een der partijen op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek een geregistreerd partnerschap is aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat huwelijk of dat geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan huwelijk stuiten.

Artikel 53
  • 1. Het Openbaar Ministerie is verplicht een voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een der in de artikelen 31 tot en met 33 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is.

  • 2. Het Openbaar Ministerie is bevoegd het huwelijk te stuiten van een minderjarige die onder toezicht is gesteld of voorlopig aan de voogdijraad is toevertrouwd, indien het belang van die minderjarige zich tegen het aangaan van het huwelijk verzet; daarbij kan het belang dat de wederpartij bij het huwelijk heeft, mede in aanmerking worden genomen.

  • 3. Het Openbaar Ministerie is voorts bevoegd het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te stuiten indien het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 54
  • 1. De stuiting geschiedt door betekening van een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het huwelijk zal worden voltrokken.

  • 2. De akte houdt de keus van een woonplaats in dat openbaar lichaam en de gronden van de stuiting in en vermeldt de hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk te stuiten; alles op straffe van nietigheid.

  • 3. De opposant zal afschrift der akte van stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij tegen welke de stuiting is gericht.

Artikel 55

Een stuiting kan worden opgeheven:

  • a. op dezelfde wijze als waarop zij is geschied;

  • b. door een verklaring, in persoon afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, genoemd in artikel 54;

  • c. door een verklaring, afgelegd ten overstaan van een notaris;

  • d. door een in kracht van gewijsde gegane beschikking, gegeven op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 56

Het huwelijk mag niet worden voltrokken, voordat de stuiting is opgeheven.

Mocht het desniettemin voltrokken zijn hangende een geding tot opheffing van de stuiting, dan kan dit geding op verlangen van de opposant worden voortgezet en wordt het huwelijk nietig verklaard, indien de rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.

Artikel 57

Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad.

AFDELING 4 De voltrekking van het huwelijk
Artikel 58
  • 1. Komt vast te staan dat op het tijdstip waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden, meer dan zes maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel h, dan doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over te gaan, wederom een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid niet vereist is.

  • 2. Indien de overlegging van een verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel h, op het tijdstip van de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot voltrekking van het huwelijk over te gaan, alsnog een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid niet vereist is.

  • 3. De verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Een verklaring is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats hebben.

Artikel 62
  • 1. Het huwelijk mag niet worden voltrokken vóór de veertiende dag na de datum van de akte van huwelijksaangifte.

  • 2. De gezaghebber is bevoegd uit hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven wachttijd.

Artikel 63

Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in het openbaar in het daartoe door het bestuurscollege bestemde gebouw voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van het bij de huwelijksaangifte aangewezen openbaar lichaam.

Artikel 64

Indien een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het voor de huwelijksvoltrekking bestemde gebouw te begeven of indien de gezaghebber daartoe toestemming verleent, kan het huwelijk worden voltrokken elders in hetzelfde openbaar lichaam, mits dit in tegenwoordigheid van zes meerderjarige getuigen geschiedt.

Artikel 65

De aanstaande echtgenoten zijn verplicht bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.

Artikel 66

Het staat de Minister van Justitie vrij uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde te voltrekken.

Artikel 67
  • 1. De aanstaande echtgenoten moeten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden.

  • 2. Terstond nadat deze verklaring is afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand dat partijen door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het daartoe bestemde register een akte op.

AFDELING 5 Nietigverklaring van een huwelijk
Artikel 69
  • 1. Voor zover hieronder niet anders is bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om te zamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door:

    • a. de bloedverwanten in de opgaande lijn van een der echtgenoten;

    • b. ieder der echtgenoten;

    • c. alle overige personen die daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze alleen na de ontbinding van het huwelijk;

    • d. het Openbaar Ministerie, echter alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.

  • 2. Hij die met een der echtgenoten nog door een vroeger huwelijk dan wel door een eerder op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gesloten geregistreerd partnerschap is verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan van dat huwelijk of die registratie de nietigverklaring van het daarna gesloten huwelijk te verzoeken.

Artikel 70
  • 1. Op verzoek van de ouders, de echtgenoten en het Openbaar Ministerie kan een huwelijk worden nietig verklaard, wanneer het ten overstaan van een niet bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het vereiste aantal getuigen is voltrokken.

  • 2. De bevoegdheid van een echtgenoot om uit dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken, vervalt indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een akte van huwelijksvoltrekking ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.

Artikel 71
  • 1. Een echtgenoot kan de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken, wanneer dit onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten.

  • 2. Een gelijk verzoek komt de echtgenoot toe, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem afgelegde verklaring.

  • 3. De bevoegdheid van de echtgenoot de nietigverklaring wegens bedreiging of dwaling te verzoeken, vervalt wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het ophouden van de bedreiging of de ontdekking van de dwaling, zonder dat het verzoek is ingediend.

Artikel 71a

Op vordering van het Openbaar Ministerie kan een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde worden nietig verklaard indien het oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 72

Een huwelijk kan niet nietig worden verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking een der echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk van de andere echtgenoot zou veroorzaken.

Artikel 73

De nietigverklaring van een huwelijk uit hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het ophouden van de stoornis.

Artikel 74

De nietigverklaring van een huwelijk dat aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan niet worden verzocht, wanneer deze op de dag van het verzoek de vereiste ouderdom heeft, noch wanneer de vrouw vóór de dag van het verzoek zwanger is geworden.

Artikel 75
  • 1. Wegens het ontbreken van een vereiste toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het huwelijk alleen door die derde worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer hij die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, het huwelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd, of wanneer drie maanden verlopen zijn nadat hij met de huwelijksvoltrekking bekend is geworden.

  • 2. Hij die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden, wanneer het in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba is voltrokken, of wanneer het, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangegaan, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

Artikel 76

Behoudens het in artikel 56 bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op grond van een verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 77
  • 1. De nietigverklaring van het huwelijk werkt zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.

  • 2. Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een echtscheiding:

    • a. ten aanzien van de kinderen der echtgenoten, tenzij de nietigverklaring is geschied ingevolge artikel 71a;

    • b. ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een gemeenschap van goederen aanspraak maken wanneer het huwelijk dan wel op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gesloten geregistreerd partnerschap wegens het bestaan van een vroeger huwelijk is nietig verklaard;

    • c. ten aanzien van andere personen dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te goeder trouw vóór de inschrijving der nietigverklaring rechten hebben verkregen.

AFDELING 6 Bewijs van het bestaan van het huwelijk
Artikel 78

Het bestaan van een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gesloten huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien.

Artikel 79

Heeft het huwelijksregister niet bestaan of is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de huwelijksakte, dan kan het huwelijk door getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is.

Artikel 80

Wordt in een geding betwist dat een kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op.

TITEL 6 Rechten en verplichtingen van echtgenoten
Artikel 81

Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd.

Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.

Artikel 82

Echtgenoten zijn jegens elkander verplicht hun kinderen te verzorgen en op te voeden.

Artikel 83
  • 1. Echtgenoten zijn jegens elkander tot samenwoning verplicht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. De verplichting vervalt eveneens, indien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is gedaan dan wel een beschikking betreffende een of meer voorlopige voorzieningen van kracht is.

  • 2. De plaats van de samenwoning wordt in onderling overleg vastgesteld. Indien een der echtgenoten onder curatele staat, of zich omtrent de plaats van samenwoning niet kan of wil verklaren, bepaalt de andere echtgenoot deze.

  • 3. Geschillen omtrent het in het tweede lid bepaalde worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist.

Artikel 84
  • 1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen der echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.

  • 2. De echtgenoten zijn jegens elkander verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde uitgaven bij te dragen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover niet bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

  • 3. Bij huwelijkse voorwaarden kan een van het eerste en het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.

  • 4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid, worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist.

  • 5. Op verzoek van beide of van een der echtgenoten kan de rechter een gegeven beschikking of een bij huwelijkse voorwaarden getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.

  • 6. Wanneer de echtgenoten niet samenwonen en dit te wijten is aan onredelijk gedrag van een der echtgenoten, treedt voor de in het tweede lid omschreven verplichtingen in de plaats de verplichting van die echtgenoot om aan de andere echtgenoot een bedrag voor diens levensonderhoud uit te keren, onverminderd beider verplichting om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Bij het vaststellen van de uitkering wordt het bestaan van een regeling als bedoeld in het derde lid, mede in aanmerking genomen.

Artikel 85
  • 1. De ene echtgenoot is naast de andere voor het geheel aansprakelijk voorde door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten.

  • 2. De ene echtgenoot is verplicht aan de andere die met hem samenwoont, ten behoeve van de gewone gang van de huishouding voldoende gelden ter beschikking te stellen; wonen echtgenoten in onderling overleg niet samen, dan is de ene echtgenoot verplicht aan de andere voldoende gelden ter beschikking te stellen ten behoeve van de gewone gang van diens huishouding.

  • 3. Hij mag daarbij rekening houden met het bedrag dat de andere echtgenoot uit de onder diens bestuur staande goederen voor dit doel dient te bestemmen.

  • 4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent een en ander worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist. Op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, kan bij veranderde omstandigheden een gegeven beschikking worden gewijzigd.

Artikel 86
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 85, eerste lid. Wordt een zodanig verzoek toegewezen, dan kan de rechter tevens bepalen dat die echtgenoot niet meer verplicht is aan de andere echtgenoot overeenkomstig artikel 85, tweede lid, gelden ter beschikking te stellen.

  • 2. Een overeenkomstig dit artikel gegeven rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of opgeheven.

  • 3. De beschikking kan aan derden die van haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen.

  • 4. In de beschikking kan worden bepaald dat zij bovendien moet worden bekend gemaakt in een of meer door de rechter aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.

Artikel 88
  • 1. Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:

    • a. overeenkomsten strekkende tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten te zamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel daarvan behoren;

    • b. giften, met uitzondering van de gebruikelijke, van de niet bovenmatige en van die waarvoor tijdens zijn leven niets aan zijn vermogen wordt onttrokken;

    • c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt;

    • d. overeenkomsten van koop op afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken.

  • 2. De echtgenoot behoeft de toestemming niet, indien hij tot het verrichten der rechtshandeling is verplicht op grond van de wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling waarvoor die toestemming is verleend of niet was vereist.

  • 3. De toestemming moet schriftelijk worden verleend, indien een wettelijk voorschrift voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.

  • 4. Toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.

  • 5. Indien de andere echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de rechter in eerste aanleg worden ingeroepen.

Artikel 89
  • 1. Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 88, heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder trouw was.

  • 3. Het einde van het huwelijk en scheiding van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan. Indien de andere echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit die rechtshandeling wordt, geldt artikel 51, derde lid, van Boek 3 voor hem slechts zolang de termijn van artikel 52, eerste lid, van Boek 3 niet is verstreken.

  • 4. De verklaring of rechtsvordering tot vernietiging behoeft, in afwijking van de artikelen 50, eerste lid, en 51, tweede lid, van Boek 3, niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de handeling heeft verricht.

  • 5. De echtgenoot die een beroep op de vernietingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.

Artikel 90
  • 1. Een echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap.

  • 2. Het bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de uitoefening, met uitsluiting van de andere echtgenoot, van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen de bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen.

  • 3. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der goederen.

  • 4. De echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten.

Artikel 91
  • 1. Indien een echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de goederen der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate tekortschiet in het bestuur van de goederen der gemeenschap, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de andere echtgenoot aan deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De rechter kan bij de opdracht nadere regels stellen omtrent het bestuur en de vertegenwoordiging in de zin van het vierde lid.

  • 2. De artikelen 86, tweede tot en met vierde lid, en 90, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De rechter gelast de oproeping van beide echtgenoten en, zo de in het eerste lid eerstgenoemde echtgenoot een vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze.

  • 4. De echtgenoot aan wie het bestuur over goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.

Artikel 92
  • 1. Is aan een derde niet kenbaar wie van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, bevoegd achten.

  • 2. De echtgenoot die ten gevolge van een rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te goeder trouw in het bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de stoornis niet heeft verzet binnen een redelijke termijn nadat zij te zijner kennis is gekomen. De bevoegdheid van de echtgenoot tot beëindiging van de stoornis vervalt eveneens indien de derde hem een redelijke termijn heeft gesteld ter uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

  • 3. Aan een derde kan niet worden tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het huwelijk is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling of tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande gemeenschap, niet opeisbaar is.

Artikel 92a

Deze titel is niet van toepassing op van tafel en bed gescheiden echtgenoten.

TITEL 7 De wettelijke gemeenschap van goederen
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 93

Van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege algehele gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse voorwaarden niet is afgeweken.

Artikel 94
  • 1. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met uitzondering van goederen die de echtgenoten tijdens het bestaan van de gemeenschap hebben verkregen door erfopvolging, making of gift. De gemeenschap omvat in geen geval goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

  • 2. Zij omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten.

  • 3. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Artikel 95
  • 1. Voor een schuld van een echtgenoot, die in de gemeenschap is gevallen, kunnen zowel de goederen der gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.

  • 2. De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen der gemeenschap.

Artikel 96
  • 1. Ook voor een schuld van een echtgenoot, die niet in de gemeenschap is gevallen, kunnen de goederen der gemeenschap worden uitgewonnen, tenzij de andere echtgenoot eigen goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden.

  • 2. De echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap.

AFDELING 2 Het bestuur van de gemeenschap
Artikel 97
  • 1. Een goed der gemeenschap staat onder het bestuur van de echtgenoot van wiens zijde het in de gemeenschap is gevallen, voor zover niet de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen of de rechter met toepassing van artikel 91 anders heeft bepaald. Een goed dat moet worden geacht in de plaats te treden van een bepaald ander goed, komt onder het bestuur van de echtgenoot die het vervangen goed bestuurde. Een goed dat op naam van een der echtgenoten is gesteld, staat evenwel onder diens bestuur. Elk der echtgenoten is bevoegd tot stuiting van verjaring ten behoeve van de gemeenschap.

  • 2. Is een goed der gemeenschap met toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur het stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te beschouwen, bij laatstgenoemde echtgenoot en voor het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de rechter in eerste aanleg kan de dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen beëindigen.

Artikel 98

De echtgenoten verstrekken elkander desgevraagd inlichtingen over het gevoerde bestuur, alsmede over de stand der goederen en schulden van de gemeenschap.

AFDELING 3 Ontbinding van de gemeenschap
Artikel 99
  • 1. De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden:

    • a. door het eindigen van het huwelijk;

    • b. door scheiding van tafel en bed;

    • c. door een beschikking die de gemeenschap opheft;

    • d. door opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden.

  • 2. Te zamen met een verzoek waarvan toewijzing ontbinding tot gevolg zal hebben kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek 3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap, tot gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de verdeling, telkens voor het geval de gemeenschap wordt ontbonden.

Artikel 100
  • 1. De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

  • 2. Zij die bij de ontbinding van de gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.

Artikel 101

Na de ontbinding der gemeenschap heeft ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike strekkende kleren en kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.

Artikel 102

Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was.Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden.

Artikel 103
  • 1. Ieder der echtgenoten heeft het recht van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige overeenkomsten zijn nietig.

  • 2. Het deel der gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere echtgenoot.

  • 3. De echtgenoot die afstand heeft gedaan, kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn bed met bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs overnemen.

  • 4. Door deze afstand wordt hij ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was.

  • 5. Hij blijft aansprakelijk voor de schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap aansprakelijk was. Indien hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.

  • 6. Indien de andere echtgenoot een schuld der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan. Heeft hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan.

Artikel 104
  • 1. De echtgenoot die van het in artikel 103 omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, op verbeurte van dit voorrecht.

  • 2. Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap door opheffing of door scheiding van tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 105
  • 1. De erfgenamen van een echtgenoot door wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in artikel 104 gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in dat artikel omschreven wijze afstand te doen binnen drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn geworden.

  • 2. De aanspraak van de echtgenoot tot terugvordering van zijn bed, beddegoed, en kleren uit de gemeenschap kan niet worden overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.

Artikel 106

De rechter in eerste aanleg van de zittingsplaats waar de akte van afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van bijzondere omstandigheden verlengen.

Artikel 107
  • 1. De echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg.

  • 2. Hij die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103, vierde lid, in te roepen.

Artikel 108
  • 1. Afstand van de gemeenschap, door een echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 103, tweede en derde lid, en verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen. De wetsbepalingen betreffende de vereffening van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien hij die tot vereffening van de gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de rekening en verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103, vierde lid, in te roepen.

  • 3. De termijn van drie maanden, genoemd in artikel 1062 van Boek 4, begint met de aanvang van de dag waarop hij aan artikel 104, eerste lid, heeft voldaan. De rechter in eerste aanleg kan de termijn op zijn verzoek op grond van bijzondere omstandigheden verlengen; deze verlenging kan ook na verloop van de termijn nog worden verzocht.

AFDELING 4 Opheffing van de gemeenschap bij beschikking
Artikel 109

Een echtgenoot kan opheffing van de gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.

Artikel 110
  • 1. Het verzoek moet in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, worden ingeschreven, en moet openlijk worden bekend gemaakt in een veelgelezen dagblad of in een dagblad, verschijnend in het openbaar lichaam waar de tot kennisneming van het verzoek bevoegde rechter zitting houdt. De bekendmaking vermeldt de datum van het verzoek en de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van ieder der echtgenoten. De beschikking mag niet worden gegeven binnen een maand nadat de bekendmaking heeft plaatsgehad.

  • 2. De echtgenoot die de opheffing van de gemeenschap vraagt, kan tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES nader zijn aangegeven.

Artikel 111
  • 1. De beschikking waarbij het verzoek tot opheffing van de gemeenschap is toegewezen, werkt terug tot de dag waarop aan artikel 110, eerste lid, is voldaan, vanaf welke dag de echtgenoten worden geacht te zijn gehuwd met uitsluiting van gemeenschap van goederen, onder al zodanige bedingen als de beschikking zal hebben vastgesteld.

  • 2. Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 3. Een op het tweede lid gegronde vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 112
  • 1. De opheffing van de gemeenschap moet, om tegen derden die daarvan onkundig waren, te werken, openlijk worden bekend gemaakt en, nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2. De bekendmaking geschiedt door plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant en in een of meer in de beschikking aangewezen dagbladen. Het uittreksel bevat de gegevens, bedoeld in artikel 110, eerste lid, alsmede de dagtekening van de beschikking en de aanduiding van de rechter in eerste aanleg die haar heeft gegeven. De gronden waarop de beschikking berust, mogen in het uittreksel niet worden opgenomen.

Artikel 113

Is de gemeenschap door opheffing ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.

TITEL 8 Huwelijkse voorwaarden
AFDELING 1 Huwelijkse voorwaarden in het algemeen
Artikel 114

Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.

Artikel 115
  • 1. Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.

  • 2. Een volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.

Artikel 116
  • 1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie van het gerecht in eerste aanleg binnen welks rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is aangegaan, ter griffie van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

  • 2. De wijze van inrichting en raadpleging van het register wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld.

Artikel 117
  • 1. Huwelijkse voorwaarden, vóór het huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben gegeven; is de toestemming van de rechter in eerste aanleg nodig, dan kan worden volstaan met vasthechting van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot toestemming van de rechter in eerste aanleg is artikel 39, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.

Artikel 118
  • 1. Na de huwelijksvoltrekking kunnen huwelijkse voorwaarden slechts gemaakt of gewijzigd worden, wanneer het huwelijk ten minste een jaar heeft bestaan.

  • 2. Een echtgenoot die onder curatele staat, kan hiertoe slechts met toestemming van zijn curator overgaan.

Artikel 119
  • 1. Het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk behoeft de goedkeuring van de rechter in eerste aanleg. Bij het verzoekschrift der echtgenoten wordt een ontwerp van de notariële akte overgelegd.

  • 2. De rechter kan, alvorens op het verzoek te beslissen, bevelen dat het in twee door hem aangewezen dagbladen wordt bekend gemaakt. In de bekendmaking moeten de door de rechter aangewezen dag en uur worden opgenomen, waarop schuldeisers zullen worden gehoord, en moet worden vermeld dat het ontwerp van de akte op de griffie ter inzage ligt.

  • 3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een redelijke grond voor het maken of wijzigen van de huwelijkse voorwaarden ontbreekt, of indien er gevaar voor benadeling van schuldeisers bestaat.

  • 4. Indien de akte niet is verleden binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking waarbij de goedkeuring is verleend, vervalt deze.

Artikel 120
  • 1. Tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is aangewezen.

  • 2. Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.

  • 3. De rechter kan bij de goedkeuring, bedoeld in artikel 119, bepalen dat de inschrijving moet worden bekend gemaakt in een of meer door hem aangewezen dagbladen en in de Staatscourant. In dat geval werken de ingeschreven bepalingen ten nadele van derden diedaarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.

Artikel 121
  • 1. Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de openbare orde strijden.

  • 2. Zij kunnen niet bepalen dat een hunner tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden, dan zijn aandeel in de goederen der gemeenschap beloopt.

  • 3. Zij kunnen niet afwijken van de rechten die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.

Artikel 122

Titel 7 is van toepassing, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk of door de aard der bedingen, bij de huwelijkse voorwaarden gemaakt, is afgeweken.

Artikel 130

Een echtgenoot kan tegen derden zijn aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, slechts bewijzen door hun vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden of in een door de partijen en de notaris ondertekende, aan de minuut van die akte vastgehechte beschrijving. Indien de vermelding van een goed geen afdoende omschrijving daarvan biedt, kan aanvullend bewijs door alle middelen worden geleverd; ten aanzien van goederen die een echtgenoot buiten diens weten opgekomen waren, kan het bewijs door alle middelen worden geleverd.

Artikel 131
  • 1. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt, wanneer tussen hen een gemeenschap bestaat die dit goed kan omvatten; bestaat er geen zodanige gemeenschap, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.

  • 2. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.

AFDELING 2 Giften bij huwelijkse voorwaarden
Artikel 146
  • 1. Echtgenoten of aanstaande echtgenoten mogen bij huwelijkse voorwaarden aan elkander, of een van beiden aan de andere, giften doen.

  • 2. Deze giften kunnen tot onderwerp hebben tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig omschreven goederen, of de gehele of gedeeltelijke nalatenschap; onder een gift van de gedeeltelijke nalatenschap is begrepen de gift van een of meer bepaalde goederen uit de nalatenschap.

  • 3. Deze giften kunnen slechts worden herroepen, wanneer de begiftigde in gebreke is de hem bij de gift opgelegde verplichtingen na te komen.

  • 4. Deze giften zijn van waarde zonder uitdrukkelijke aanneming door degene aan wie zij gedaan zijn.

  • 5. Zij kunnen plaatshebben onder voorwaarden welker uitvoering van de wil van de schenker afhangt.

  • 6. De giften van tegenwoordige en bepaaldelijk omschreven goederen zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van overleving van de begiftigde, tenzij die voorwaarde uitdrukkelijk mocht zijn gemaakt.

Artikel 147
  • 1. Giften van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap zijn slechts in dezelfde gevallen als andere giften in huwelijkse voorwaarden herroepelijk.

  • 2. De echtgenoot die zijn gehele of gedeeltelijke nalatenschap heeft weggeschonken, kan over de goederen, in die gift begrepen, niet om niet beschikken, behalve over geringe sommen tot beloning of om andere redenen door de rechter te beoordelen.

  • 3. Een gift van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap strekt niet ten voordele van de kinderen of andere rechtverkrijgenden van de begiftigde echtgenoot, wanneer deze vóór of gelijktijdig met de schenker mocht overlijden.

Artikel 148

Bij de huwelijkse voorwaarden kunnen ook andere personen dan de echtgenoten aan dezen of aan een dezer giften doen, echter alleen van tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig omschreven goederen. Op deze giften is artikel 146 van toepassing.

TITEL 9 Ontbinding van het huwelijk
AFDELING 1 Ontbinding van het huwelijk in het algemeen
Artikel 149

Het huwelijk eindigt:

  • a. door de dood;

  • b. op de dag die in de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, genoemd is als de dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden, ook indien bewezen wordt dat de vermiste op die dag nog in leven was;

  • c. door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2;

  • d. door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig titel 10, afdeling 2.

AFDELING 2 Echtscheiding
Artikel 150
  • 1. Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.

  • 2. Indien uit het huwelijk een of meer kinderen zijn geboren, die nog minderjarig zijn, kan echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten niet worden uitgesproken tegen de wil van de andere echtgenoot, tenzij de echtgenoten ten minste drie jaren onafgebroken duurzaam gescheiden hebben geleefd.

  • 3. De termijn van drie jaren kan door de rechter worden bekort, indien de andere achtgenoot zich heeft schuldig gemaakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.

Artikel 151

Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.

Artikel 153
  • 1. Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;

    • b. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.

Artikel 154
  • 1. Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.

  • 2. Ieder der echtgenoten is tot op het tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.

Artikel 157
  • 1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.

  • 2. Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden.

  • 3. De rechter kan op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan 12 jaar na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 4. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van 12 jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 5. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is, niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

  • 6. Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaar en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 158

Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 159
  • 1. Bij de overeenkomst kan worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden.

    Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.

  • 2. Het beding vervalt, indien de overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst is ingediend.

  • 3. Ondanks een zodanig beding kan op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

Artikel 160

Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd.

Artikel 163
  • 1. De echtscheiding komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 2. De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van hen.

  • 3. Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

Artikel 164
  • 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 2. Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking.

Artikel 165
  • 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

  • 2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.

  • 3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.

Artikel 166

Indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen, herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling. Op het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden vóór het aangaan van het nieuwe huwelijk vindt artikel 119 overeenkomstige toepassing.

TITEL 10 Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
AFDELING 1 Scheiding van tafel en bed
Artikel 168

Door scheiding van tafel en bed wordt de verplichting der echtgenoten tot samenwoning opgeheven.

Artikel 169
  • 1. Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.

  • 2. De artikelen 151 en 154 tot en met 159 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen aanvangen op de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot die dag.

  • 3. Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.

Artikel 173
  • 1. De scheiding van tafel en bed komt tot stand door inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2. De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van hen.

  • 3. Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

Artikel 174
  • 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 2. Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

Artikel 175
  • 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot op het ogenblik dat de beschikking is ingeschreven een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden nadat de beschikking is ingeschreven, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

  • 2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.

  • 3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.

Artikel 176

Een scheiding van tafel en bed eindigt van rechtswege door de verzoening van de echtgenoten; deze doet alle gevolgen van het huwelijk herleven alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling.

Artikel 177
  • 1. De verzoening komt tot stand door de inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2. De inschrijving geschiedt op gemeenschappelijk verzoek van partijen.

AFDELING 2 Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Artikel 179
  • 1. Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding ten minste drie jaren heeft geduurd.

  • 2. De termijn van drie jaren kan op verzoek van een echtgenoot worden b mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.

Artikel 180
  • 1. Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft ingediend, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;

    • b. indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, naar redelijkheid generlei verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.

Artikel 181

Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek uitgesproken.

Artikel 182

De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en met 160 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

Artikel 183
  • 1. De ontbinding van het huwelijk komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 2. De artikelen 163, tweede en derde lid, en 166 zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL 11 Afstamming
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 197

Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.

Artikel 198

Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.

Artikel 199

Vader van een kind is de man:

  • a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;

  • b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind;

  • c. die het kind heeft erkend;

  • d. ten aanzien van wie ten behoeve van het kind brieven van vaderschap zijn verleend;

    of

  • e. die het kind heeft geadopteerd.

Artikel 199a

De in deze titel gestelde termijnen kunnen door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 199b

Een ieder heeft het recht om voor zover mogelijk te weten van welke biologische ouders men afstamt.

AFDELING 2 Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap
Artikel 200
  • 1. Het in artikel 199, onderdeel a en b, bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend:

    • a. door de vader of de moeder van het kind;

    • b. door het kind zelf.

  • 2. De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man voor het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.

  • 3. De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker.

  • 5. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

  • 6. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

Artikel 201
  • 1. Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.

  • 2. Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het kind het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker, binnen een jaar na die kennisneming.

Artikel 202
  • 1. Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

  • 2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

  • 3. Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

AFDELING 3 Erkenning
Artikel 203
  • 1. Erkenning van een kind dat geen vader heeft kan geschieden:

    • a. bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;

    • b. bij elke notariële akte.

  • 2. De erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

Artikel 204
  • 1. De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

    • a. door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;

    • b. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;

    • c. indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder;

    • d. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder;

    • e. Na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan;

    • f. door een man tussen wie en het kind een leeftijdsverschil van minder dan zestien jaren bestaat, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is.

  • 2. De in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning.

  • 3. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van het gerecht in eerste aanleg worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

Artikel 205
  • 1. Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij het gerecht in eerste aanleg worden ingediend:

    • a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

    • b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

    • c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

  • 2. Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning vorderen.

  • 3. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

  • 4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is.

    Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

  • 5. Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

    Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 206
  • 1. Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

  • 2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

  • 3. Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene.Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

AFDELING 4 Brieven van vaderschap
Artikel 207
  • 1. Indien de man die, kennis dragende van de zwangerschap van de moeder, voornemens was het kind te erkennen of vóór de geboorte met de moeder te huwen, vóór of kort na de geboorte van het kind is overleden zonder het te hebben erkend, kunnen aan de Minister van Justitie brieven van vaderschap worden ver- zocht. Het verzoek kan zowel door de moeder als door het kind worden gedaan.

  • 2. De vaststelling van het vaderschap, vervat in de brieven van vaderschap, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Artikel 208

Over het verzoek om brieven van vaderschap wint de Minister van Justitie het advies in van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit hoort, zo mogelijk, bloedverwanten van de man en van de moeder of doet hen horen; het kan ook bevelen dat het verzoek in door hem aan te wijzen dagbladen wordt bekend gemaakt.

AFDELING 5 Inroeping of betwisting van staat
Artikel 209

Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.

Artikel 210

Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.

Artikel 211
  • 1. Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan worden ingediend:

    • a. door het kind zelf;

    • b. door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren nadien is overleden.

  • 2. Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voortzetten.

AFDELING 6 De bijzondere curator
Artikel 212

In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door het gerecht in eerste aanleg dat over de zaak beslist. Ook de voogdijraad kan tot bijzondere curator worden benoemd.

TITEL 12 Adoptie
Artikel 227
  • 1. Adoptie geschiedt door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van twee personen van verschillend geslacht tezamen of op verzoek van één persoon alleen.

  • 2. Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.

  • 3. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft, en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan.

  • 4. Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.

  • 5. In zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte op te treden.

Artikel 228
  • 1. Voorwaarden voor adoptie zijn:

    • a. dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

    • b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;

    • c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste zestien jaren ouder dan het kind is;

    • d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

    • e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

    • f. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen het gezag heeft.

  • 2. Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:

    • a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of

    • b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of

    • c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht BES.

Artikel 229
  • 1. Door adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.

  • 2. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.

  • 3. In afwijking van het tweede lid blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot van die ouder of de levensgezel van die ouder van verschillend geslacht het kind adopteert.

  • 4. Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan het gerecht in eerste aanleg bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 230
  • 1. De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

  • 2. De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken dat de rechter de door artikel 228 gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.

Artikel 231
  • 1. De adoptie kan door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.

  • 2. Het verzoek tot herroeping wordt door de geadopteerde bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met de adoptie. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

  • 3. De in het tweede lid gestelde termijn kan door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 232
  • 1. Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.

  • 2. De familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.

  • 3. Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing.

TITEL 13 Minderjarigheid
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 233

Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest of met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.

Artikel 234
  • 1. Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.

  • 2. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.

  • 3. De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.

AFDELING 2 Handlichting
Artikel 235
  • 1. Handlichting waarbij aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend, kan wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op zijn verzoek door de rechter in eerste aanleg worden verleend.

  • 2. Zij wordt niet verleend tegen de wil van de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige uitoefenen, met inachtneming nochtans van artikel 253a.

  • 3. Bij het verlenen van handlichting bepaalt de rechter uitdrukkelijk welke bevoegdheden van een meerderjarige aan de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele ontvangst van zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van verhuringen, het in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door handlichting niet bekwaam tot het beschikken over registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.

  • 4. Hij kan ter zake van de handlichting zelf en van handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting bekwaam is, eisende of verwerende in rechte optreden.

    Artikel 12, eerste lid, geldt voor die handelingen niet.

Artikel 236
  • 1. Een verleende handlichting kan door de rechter in eerste aanleg worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.

  • 2. De intrekking geschiedt op verzoek van een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze het gezag over hem uitoefenen en met inachtneming van artikel 253a, of op verzoek van de voogd.

Artikel 237
  • 1. Een beschikking waarbij handlichting is verleend of ingetrokken, moet worden bekend gemaakt in de Staatscourant en in twee in de beschikking aan te wijzen dagbladen.

  • 2. In de bekendmaking moet nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot welk einde zij is verleend. Vóór de bekendmaking werkt zomin de handlichting als haar intrekking tegen derden die hiervan onkundig waren.

AFDELING 3 Voogdijraden
Artikel 238
  • 1. Op ieder eiland is een voogdijraad.

  • 2. De taak en de bevoegdheden van de voogdijraden worden bij wet bepaald.

  • 3. De door de voogdijraad gemaakte kosten komen ten laste van de Staat.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden hun samenstelling en werkwijze geregeld, alsmede de wijze, waarop de door de voogdijraden gemaakte kosten door hen verantwoord en door de Staat betaald worden.

Artikel 239
  • 1. Iedere voogdijraad kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba optreden ten behoeve van een minderjarige, die binnen zijn gebied hetzij zijn woonplaats of laatste woonplaats hetzij zijn werkelijk verblijf heeft.

  • 2. Indien op grond van deze bepaling twee voogdijraden bevoegd zouden zijn op te treden, doet het optreden van een van deze raden de bevoegdheid van de andere eindigen.

  • 3. Ten behoeve van een minderjarige, die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf heeft, zijn de werkeenheden in het arondissement Amsterdam van de Nederlandse raad voor de kinderbescherming bevoegd op te treden.

Artikel 240
  • 1. De voogdijraden zorgen voor de minderjarigen die hun krachtens enig wettelijk voorschrift door de rechter of het Openbaar Ministerie voorlopig zijn toevertrouwd.

  • 2. De voogdijraad draagt zorg, dat de gelden die hem ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop recht hebbende worden uitbetaald, en ziet toe dat zij overeenkomstig hun bestemming worden besteed.

Artikel 241
  • 1. Indien de voogdijraad blijkt, dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de rechter in eerste aanleg in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien.

  • 2. Indien het ter voorkoming van de zedelijke of lichamelijke ondergang van zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan het Openbaar Ministerie hem voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen; deze laatste wendt zich in dit geval binnen zes weken tot de rechter in eerste aanleg ten einde een voorziening in het gezag over deze minderjarige te verkrijgen.

Artikel 242

De voogdijraad stelt zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.

Artikel 243
  • 1. De bestuurscolleges en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de voogdijraden alle inlichtingen, en verstrekken hun kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, die deze raden ter uitvoering van hun taak van hen vragen; de te verstrekken afschriften en uittreksels zijn vrij van zegel.

  • 2. Alle verzoeken die de voogdijraden ter uitvoering van hun taak tot de rechter richten,worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvragen, zijn vrij van zegel en worden hun door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.

  • 3. Alle stukken en exploiten, die van de voogdijraden uitgaan, zijn vrij van zegel en worden voor zover hun registratie vereist is, gratis geregistreerd.

AFDELING 4 Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag
Artikel 244

Bij elke zittingsplaats van het gerecht in eerste aanleg berusten openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt.

TITEL 14 Het gezag over minderjarige kinderen
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 245
  • 1. Minderjarigen staan onder gezag.

  • 2. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.

  • 3. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend.

    Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.

  • 4. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

Artikel 246

Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.

Artikel 247
  • 1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

  • 2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

Artikel 248

Artikel 247, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt.

Artikel 249

De minderjarige dient rekening te houden met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt.

Artikel 250

Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechter in eerste aanleg indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

AFDELING 2 Ouderlijk gezag
§ 1. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding
Artikel 251
  • 1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.

  • 2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed kunnen de ouders op hun eensluidend verzoek gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag. De rechter in eerste aanleg wijst dit verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  • 3. Indien een zodanig verzoek niet is gedaan of indien het verzoek is afgewezen, bepaalt de rechter in eerste aanleg aan wie van de ouders voortaan alleen het gezag over ieder der kinderen zal toekomen.

  • 4. De beslissingen op grond van het tweede en derde lid worden gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking. Totdat het gezag van beide ouders of van één van hen ingevolge een beslissing als bedoeld in het tweede of derde lid aanvangt, komt dit toe aan degene die ook tijdens het geding het gezag uitoefende, zulks met dezelfde bevoegdheden en onder dezelfde verplichtingen als deze toen had.

  • 5. Indien de beslissing op grond van het tweede lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechter haar aan op eensluidend verzoek van de ouders. Een zodanige beslissing op grond van het derde lid wordt aangevuld op verzoek van een der ouders, van de voogdijraad of ambtshalve.

Artikel 252
  • 1. De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezamenlijk uit, indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 bedoelde register is aangetekend.

  • 2. De aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek:

    • a. één of beide ouders onbevoegd is tot het gezag,

    • b. één van beide ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag uitoefent,

    • c. een voogd met het gezag over het kind is belast, of

    • d. de voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken.

  • 3. Tegen de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechter in eerste aanleg worden verzocht de aantekening te gelasten. Hij wijst het verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Artikel 253
  • 1. Indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen en onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag dan wel daarvan is ontheven of ontzet.

  • 2. De echtgenoot voor wie het gezag niet is herleefd, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien door verzoening van de echtgenoten een scheiding van tafel en bed eindigt.

Artikel 253a

In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechter in eerste aanleg worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

§ 2. Het gezag van één ouder anders dan na scheiding
Artikel 253b
  • 1. Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of indien de vader en moeder van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.

  • 3. Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde moeder de rechter in eerste aanleg verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten.

  • 4. Wanneer de vader het gezag over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

  • 5. Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Artikel 253c
  • 1. De tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezaggezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.

  • 2. Wanneer de moeder het gezag over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

  • 3. Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Artikel 253d
  • 1. Indien de voorziening in het gezag over een kind als bedoeld in artikel 253b, eerste lid, komt te ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn de rechter in eerste aanleg verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  • 3. Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het belang van het kind oordeelt.

  • 4. Indien voordat over het verzoek van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Artikel 253e

Inwilliging van het verzoek van een der ouders, bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d, heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste het gezag verliest.

Artikel 253f

Na de dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.

Artikel 253g
  • 1. Indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de rechter in eerste aanleg dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast.

  • 2. De rechter doet dit op verzoek van de voogdijraad, de overlevende ouder of ambtshalve.

  • 3. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

  • 4. Het derde lid is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292.

Artikel 253h
  • 1. Indien na het overlijden van één der ouders een voogd is benoemd, kan de rechter in eerste aanleg deze beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast.

  • 2. Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  • 3. Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 en deze inmiddels is opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring
Artikel 253ha
  • 1. De minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden kan, indien zij de leeftijd van zestien jarenheeft bereikt, de rechter in eerste aanleg verzoeken haar meerderjarig te verklaren.

  • 2. Het verzoek kan ten behoeve van de vrouw ook worden gedaan door de voogdijraad.

    Deze behoeft hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de vrouw haar toestemming intrekt.

  • 3. Het verzoek kan ook vóór de bevalling door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist.

  • 4. De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de moeder daarmee belast.

  • 5. De minderjarige vrouw is bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.

§ 3. Het bewind van de ouders
Artikel 253i
  • 1. In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is.

  • 2. Artikel 253a is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Oefent een ouder het gezag alleen uit, dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd en het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.

  • 4. Van het eerste en derde lid kan worden afgeweken:

    • a. indien de rechter bij de beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over het kind aan een van de ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet, heeft bepaald dat de ouder die niet het gezag over het kind zal uitoefenen, het bewind over het vermogen van het kind zal voeren;

    • b. ingevolge artikel 276, tweede lid, bij ontheffing of ontzetting van het gezag;

    • c. indien hij die een minderjarige goederen schenkt of vermaakt, bij de gift onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal voeren.

  • 5. In het laatstbedoelde geval zijn de ouders, of indien een ouder het gezag alleen uitoefent, die ouder, bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen.

  • 6. Bij het vervallen van het door de schenker of erflater ingesteld bewind zijn het eerste en tweede lid, onderscheidenlijk het derde lid, van toepassing.

Artikel 253j

De ouders of een ouder moeten het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens voor de vruchten van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan toekent.

Artikel 253k

Op het bewind van de ouders of een ouder zijn de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 253l
  • 1. Elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij de ouder inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de huishouding van het gezin.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere ouder het gezag uitoefent.

  • 3. Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.

Artikel 253m

De ouder heeft geen vruchtgenot van het vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen hebben.

AFDELING 3 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen
Artikel 253n
  • 1. Op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan de rechter in eerste aanleg het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als dan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.

  • 2. Artikel 251, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 253o
  • 1. Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge de paragrafen 1, 2 en 2a en artikel 253n kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter in eerste aanleg worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen te worden belast, kan slechts van beide ouders afkomstig zijn.

  • 2. De rechter in eerste aanleg is eveneens bevoegd kennis te nemen van verzoeken tot wijziging van beslissingen inzake het gezag of samenhangend met gezag die door een buitenlandse autoriteit zijn gegeven na een in het buitenland tot stand gekomen echtscheiding of scheiding van tafel en bed, indien de minderjarige gewoon verblijf heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze rechter is voorts bevoegd om in het gezag te voorzien of een met het gezag samenhangende beslissing te geven, indien de buitenlandse beslissing niet voor erkenning in aanmerking komt, dan wel indien na de echtscheiding of scheiding van tafel en bed zodanige beslissing niet is gegeven en de minderjarige gewoon verblijf heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 253p
  • 1. In de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

  • 2. Na de gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of voordat de beschikking houdende scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

  • 3. Indien een aantekening was gedaan als bedoeld in artikel 252, eerste lid, begint het aan één der ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling aan beide ouders.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing, indien een verzoek van beide ouders als bedoeld in artikel 251, tweede lid, is toegewezen en inzake het gezag gedurende de scheidingsprocedure geen voorlopige voorzieningen zijn getroffen.

Artikel 253q
  • 1. Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.

  • 2. Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechter in eerste aanleg een voogd.

  • 3. Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de rechter in eerste aanleg de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt hij een voogd.

  • 4. De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad of ambtshalve.

  • 5. Wanneer de grond van de onbevoegdheid van de in het derde lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn verzoek, wederom met het gezag belast, indien de rechter in eerste aanleg overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd. Indien de ouders gezamenlijk met het gezag wensen te worden belast, dient het verzoek daartoe van beiden afkomstig te zijn.

Artikel 253r
  • 1. Artikel 253q is van overeenkomstige toepassing, indien:

    • a. één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of

    • b. het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.

  • 2. Het gezag dat aan één of beide ouders toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.

Artikel 253s
  • 1. Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.

  • 2. Voor zover de volgens het eerste lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  • 3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.

AFDELING 4 Ondertoezichtstelling van kinderen
Artikel 254
  • 1. Indien een kind zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de rechter in eerste aanleg het onder toezicht stellen.

  • 2. Hij kan dit doen op verzoek van een van de ouders, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, een van de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad, de voogdijraad of op vordering van het Openbaar Ministerie.

Artikel 255
  • 1. Bij de toewijzing van het verzoek of van de vordering benoemt de rechter in eerste aanleg tevens een gezinsvoogd, die onder zijn leiding op het kind toezicht houdt.

  • 2. Bij deze benoeming let de rechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort.

  • 3. De rechter in eerste aanleg die een kind onder toezicht heeft gesteld, kan de vervulling van de taak overdragen aan de rechter in eerste aanleg van de woon- of verblijfplaats van de minderjarige. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld.

Artikel 256

De rechter in eerste aanleg is bevoegd te allen tijde de gezinsvoogd door een ander te vervangen.

Artikel 257

De rechter in eerste aanleg kan hangende het onderzoek het kind voorlopig onder toezicht stellen. Dit voorlopige toezicht blijft gelden totdat omtrent de ondertoezichtstelling bij gewijsde is beslist.

Artikel 258
  • 1. De rechter in eerste aanleg bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op een termijn van ten hoogste één jaar, die hij telkens met ten hoogste één jaar kan verlengen.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan de ondertoezichtstelling te allen tijde opheffen.

    Zij eindigt door de meerderjarigheid van het kind.

Artikel 259

De gezinsvoogd zoekt zoveel mogelijk persoonlijk aanraking met het kind en met het gezin waartoe het behoort. Hij bevordert het geestelijk, lichamelijk en toekomstig stoffelijk welzijn van het kind. Hij dient de ouders van raad bij de verzorging en opvoeding en tracht hen te overreden hiertoe het nodige te doen.

Artikel 260
  • 1. Bij de verzorging en opvoeding van het onder toezicht gestelde kind moeten de ouders zich gedragen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

  • 2. Een ouder, die met de gezinsvoogd van mening verschilt ten aanzien van de in het belang van het kind te nemen maatregelen, kan op mondeling of schriftelijk verzoek de beslissing van de rechter in eerste aanleg inroepen.

  • 3. Aanwijzingen tot het nemen van maatregelen die kosten zullen veroorzaken, kan de gezinsvoogd slechts geven met machtiging van de rechter in eerste aanleg.

  • 4. Plaatsing van het kind buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de ouders daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogd overgaan, alleen krachtens de artikelen 262 en 263.

Artikel 261

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen dat het kind door de gezinsvoogd voor hem wordt gebracht.

Artikel 262

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen het kind tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid voor ten hoogste drie maanden doen opnemen in een door hem aan te wijzen observatiehuis. Hij kan de termijn van de opneming eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen, indien het belang van het kind dit gebiedend noodzakelijk maakt.

Artikel 263
  • 1. Indien dit in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, kan de rechter in eerste aanleg het kind doen opnemen in een door hem aan te wijzen inrichting of elders dan in een inrichting.

  • 2. Bij zijn keuze let de rechter in eerste aanleg op de wensen van hen die het gezag uitoefenen, en op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort.

  • 3. De rechter in eerste aanleg bepaalt de duur van de opneming op een termijn van ten hoogste een jaar. Hij kan deze termijn telkens met een jaar verlengen en te allen tijde verkorten.

  • 4. De termijn van opneming in een tuchtschool kan een jaar of, indien het kind nog niet veertien jaren oud is, zes maanden niet overschrijden.

  • 5. Opneming in een inrichting eindigt mede door een besluit van de Minister voor Jeugd en Gezin, de rechter in eerste aanleg gehoord, wanneer de Minister voor Jeugd en Gezin dit in verband met een juiste verdeling der in de aangewezen inrichtingen beschikbare plaatsruimte noodzakelijk oordeelt.

Artikel 263a
  • 1. Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in de artikelen 262 en 263, kan de rechter in eerste aanleg of de gezinsvoogd voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.

  • 2. Een beslissing van de gezinsvoogd geldt als een aanwijzing. Artikel 260, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 263b
  • 1. Voor de duur van de maatregel kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de gezinsvoogd of ambtshalve een rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.

  • 2. Op het verzoek van de met het gezag belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaren of ouder en de gezinsvoogd kan de rechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  • 3. Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.

Artikel 264
  • 1. De kosten van de maatregelen bedoeld bij de artikelen 260, derde lid, 262 en 263 komen ten laste van de ouders, of – voor zover deze onvermogend zijn – ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, komen die kosten ten laste van de Staat. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

Artikel 265

Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven ten aanzien van alles wat in verband met de uitvoering van de voorschriften van deze afdeling nog nadere voorziening behoeft.

AFDELING 5 Ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag
Artikel 266

Mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, kan de rechter in eerste aanleg een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Artikel 267
  • 1. Ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de voogdijraad of op vordering van het Openbaar Ministerie.

  • 2. In het geval, bedoeld in artikel 268, tweede lid, onderdeel d, kan, indien de rechter in eerste aanleg een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden door degene die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd en opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een persoon wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing verzocht of gevorderd, dan blijft artikel 253s, tweede lid, buiten toepassing totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.

Artikel 268
  • 1. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet.

  • 2. Deze regel lijdt uitzondering:

    • a. indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een opneming krachtens de artikelen 262 en 263 van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om het kind voor zedelijke of lichamelijke ondergang te behoeden;

    • b. indien zonder de ontheffing van de ene ouder de ontzetting van de andere ouder het kind niet aan diens invloed zou onttrekken;

    • c. indien de geestvermogen van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

    • d. indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad – van tenminste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.

Artikel 269
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt, kan hij een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van:

    • a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen;

    • b. slecht levensgedrag;

    • c. onherroepelijke veroordeling:

      • wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;

      • wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht BES;

      • tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer;

    • d. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmeren van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming;

    • e. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.

  • 2. Onder misdrijf wordt in dit artikel begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

Artikel 270
  • 1. Ontzetting van het gezag wordt slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of aanverwanten van het kind tot en met de vierde graad, de voogdijraad, of op vordering van het Openbaar Ministerie.

  • 2. In het geval, bedoeld in artikel 269, eerste lid, onderdeel e, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich genomen heeft.

Artikel 271
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg het in het belang van het kind noodzakelijk acht, kan hij een ouder wiens ontzetting verzocht of gevorderd is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke bevoegdheid komt hem toe ten opzichte van een ouder wiens ontheffing verzocht of gevorderd is, in de gevallen, bedoeld in artikel 268, tweede lid.

  • 2. Indien de andere ouder mede het gezag uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen uitgeoefend.

  • 3. Acht de rechter in dit laatste geval de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om het kind aan diens invloed te onttrekken, dan kan hij ook de andere ouder schorsen.

  • 4. Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan vertrouwt de rechter het kind voorlopig toe aan de voogdijraad, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind de bevoegdheden verleent die hij geschikt acht.

  • 5. De in dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

Artikel 272
  • 1. Op grond van feiten die tot ontzetting van een ouder kunnen leiden, kan het Openbaar Ministerie – indien het dit in het belang van het kind noodzakelijk acht – het kind aan het gezag van de ouders onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Gelijke bevoegdheid komt het toe op grond van feiten die tot ontheffing van een ouder kunnen leiden in de gevallen, bedoeld in artikel 268, tweede lid.

  • 2. De toevertrouwing vervalt, indien het Openbaar Ministerie niet binnen veertien dagen van de rechter in eerste aanleg haar bekrachtiging heeft gevorderd.

  • 3. Wordt de bekrachtiging tijdig gevorderd, dan kan de rechter in eerste aanleg hetzij de teruggave van het kind aan zijn ouders bevelen, hetzij een van de beschikkingen geven, bedoeld in artikel 271.

  • 4. In dit laatste geval bepaalt de rechter tevens hoe lang de gegeven beschikking van kracht zal blijven. Is echter voor het einde van deze termijn – die op verzoek van de voogdijraad kan worden verlengd – een verzoek of vordering tot ontzetting of ontheffing aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat over de ontzetting of de ontheffing bij gewijsde is beslist. De rechter kan die beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

Artikel 273

De kosten die de voogdijraad maakt ten behoeve van het hem toevertrouwde kind, komen ten laste van de ouders, of – voor zover deze onvermogend zijn – ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, blijven die kosten ten laste van de Staat, met inachtneming van de regels dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur te stellen. Wanneer de toevertrouwing niet door de ontzetting of de ontheffing van één of beide ouders gevolgd wordt, kan de rechter in eerste aanleg bevelen, dat hetgeen zij of het kind ter bestrijding van bedoelde kosten hebben betaald hun geheel of ten dele wordt teruggegeven. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

Artikel 274
  • 1. Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.

  • 2. In geval van ontheffing of ontzetting van een ouder die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de rechter in eerste aanleg te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  • 3. De rechter die het verzoek, bedoeld in het tweede lid, heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Hij doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en niet dan op grond van omstandigheden, waarmede de rechter bij het geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen houden.

Artikel 275
  • 1. Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechter een voogd over de minderjarigen.

  • 2. Ieder die tot uitoefening van de voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken met de voogdij te worden belast.

Artikel 276
  • 1. Indien de ontheven of ontzette ouder het bewind over het vermogen van zijn kind voerde, wordt hij tevens veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn opvolger in dit bewind.

  • 2. Zijn er kinderen die goederen gemeen hebben en komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de rechter een van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechter van hem verlangt.

  • 3. Op het bewind krachtens het tweede lid is artikel 253k van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder is aangewezen, en anders afdeling 6, paragraaf 10. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

Artikel 277
  • 1. Indien de rechter overtuigd is dat een minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden toevertrouwd, kan hij deze ouder op zijn verzoek in het gezag herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek daartoe door hen beiden gedaan.

  • 2. Indien bij gelegenheid van de ontzetting of ontheffing het gezag aan de andere ouder was opgedragen, belast de rechter de ontheven of ontzette ouder die alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 278
  • 1. Het verzoek, bedoeld in artikel 277, kan ook worden gedaan door de voogdijraad.

  • 2. Hangende het onderzoek kan zowel de voogdijraad als de te herstellen ouder de rechter verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door hem te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechter is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen.

AFDELING 6 Voogdij
§ 1. Voogdij in het algemeen
Artikel 280

De voogdij begint:

  • a. voor de voogd die door een ouder is benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het overlijden van deze ouder bereid verklaart de voogdij te aanvaarden; de verklaring moet door de betrokkene in persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg dat overeenkomstig artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES in zaken betreffende minderjarigen bevoegd is; de verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of – indien de persoon die de verklaring moet afleggen, zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt – binnen vier weken nadat de benoeming is betekend; tot betekening kan iedere belanghebbende, alsmede de voogdijraad opdracht geven;

  • b. voor de voogd die – nadat hij zich bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden – door de rechter is benoemd: op de dag waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan, of – zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard – daags nadat de benoeming van de voogd is verstrekt of verzonden;

een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten overstaan van de rechter die benoemt; een schriftelijke bereidverklaring wordt neergelegd ter griffie waar de benoeming zal geschieden.

Artikel 281
  • 1. De voogdij eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij:

    • a. de voogd is ontslagen of ontzet;

    • b. het gezag over de onder zijn voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen; of

    • c. de voogdij overeenkomstig artikel 299a of 302, vierde lid, aan een andere voogd is opgedragen.

  • 2. Is een beschikking als in het eerste lid bedoeld, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen
Artikel 292
  • 1. Voor zover een ouder het gezag over zijn kinderen uitoefent, kan hij bij uiterste wilsbeschikking of bij uitsluitend hiertoe verleden notariële akte bepalen wie na zijn dood voortaan als voogd het gezag over deze kinderen zal uitoefenen.

  • 2. Hij kan geen rechtspersoon als voogd aanwijzen.

  • 3. Hebben beide ouders van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan weten wie het eerst overleden is, dan bepaalt de rechter in eerste aanleg ambtshalve wiens beschikking gevolg heeft.

Artikel 293

De door de ouder getroffen regeling heeft geen gevolg of vervalt:

  • a. indien na zijn overlijden de andere ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking het gezag over zijn kinderen uitoefent;

  • b. indien en voor zover hij op het tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen niet meer uitoefende.

§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen
Artikel 295

De rechter in eerste aanleg benoemt een voogd over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien.

Artikel 296
  • 1. Is voorziening nodig in afwachting van het begin der voogdij overeenkomstig artikel 280, dan benoemt de rechter in eerste aanleg een voogd voor de duur van deze omstandigheden.

  • 2. Zodra bedoelde omstandigheden zijn vervallen, wordt deze voogd op verzoek van hem die hij vervangt, door de rechter in eerste aanleg ontslagen.

Artikel 297
  • 1. De rechter in eerste aanleg benoemt insgelijks een voogd, wanneer voorziening nodig is wegens:

    • a. tijdelijke onmogelijkheid, waarin een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen,

    • b. onbekendheid van bestaan of verblijfplaats van de voogd, of

    • c. in gebreke blijven van de voogd, het gezag uit te oefenen.

  • 2. Is de benoeming op het eerste lid, onderdeel c, gegrond, dan kan de rechter de benoemde voogd een beloning toekennen en is de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige aansprakelijk voor de kosten die de vervanging veroorzaakt, alsmede, behoudens zijn verhaal op de benoemde voogd, voor diens verrichtingen.

  • 3. Zodra de in het eerste lid genoemde omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt, door de rechter in eerste aanleg ontslagen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

Artikel 298

Gedurende de in de artikelen 296 en 297 bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij geschorst.

Artikel 299

De rechter in eerste aanleg benoemt de voogd op verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.

Artikel 299a
  • 1. Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad – ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tot voogd te benoemen.

  • 2. Indien de minderjarige door meer dan een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.

  • 3. Het verzoek kan ook worden gedaan door de voogdijraad.

  • 4. De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.

  • 5. Is het bij het eerste lid bedoelde verzoek gedaan, dan blijft artikel 336a, tweede lid, buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.

Artikel 301
  • 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de rechter in eerste aanleg onverwijld kennis:

    • a. van het overlijden van ieder die minderjarige kinderen achterlaat;

    • b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag uitoefent.

  • 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de voogdijraad onverwijld kennis:

    • a. van het overlijden van ieder, die minderjarige kinderen nalaat, tenzij van rechtswege in het gezag over deze kinderen is voorzien;

    • b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, geboren binnen 306 dagen nadat het huwelijk van zijn moeder door de dood van haar echtgenoot is ontbonden, en van ieder kind, ten aanzien van wie alleen het moederschap vaststaat;

    • c. van iedere latere vermelding houdende een erkenning, die is toegevoegd aan een geboorteakte van een minderjarige;

    • d. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van brieven van vaderschap;

    • e. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van een rechterlijke uitspraak die een minderjarige betreft, houdende een ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van staat of vernietiging van zulk een uitspraak.

  • 3. Indien het huwelijk van de overledene die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de burgerlijke stand – zo de andere ouder nog leeft – deze omstandigheden tevens aan de voogdijraad; deze zendt alsdan de door hem ontvangen kennisgeving door aan de rechter in eerste aanleg die over het verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed heeft beslist.

§ 4. Voogdij van rechtspersonen
Artikel 302
  • 1. De rechter kan – mits op haar verzoek of na haar bereidverklaring – de voogdij opdragen aan een hier te lande gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, wier statuten of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven, en die blijkens schriftelijke door Onze Minister van Justitie aanvaarde verklaring van het bestuur zich onderwerpt aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.

  • 2. De rechter die de voogdij aan een rechtspersoon opdraagt, let hierbij op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.

  • 3. Elke voogdij van een rechtspersoon die door fusie ophoudt te bestaan, gaat over op de verkrijgende rechtspersoon, mits deze een rechtspersoon is waaraan de rechter krachtens het eerste lid een voogdij kan opdragen.

  • 4. Niettemin kan de rechter vervolgens op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de voogdijraad, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij aan een ander opdragen.

Artikel 303
  • 1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, heeft de met voogdij belaste rechtspersoon dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden.

  • 2. De uitoefening van de voogdij geschiedt door het bestuur. Dit kan een of meer van zijn leden schriftelijk machtigen tot de uitoefening van de voogdij over de minderjarigen die in de machtiging zijn genoemd.

Artikel 304
  • 1. Met de rechtspersoon zijn de bestuurders hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.

  • 2. Iedere bestuurder zal zich echter van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen schuld heeft aan de schade.

  • 3. Indien het bestuur overeenkomstig artikel 303, tweede lid, een of meer van zijn leden in het bijzonder tot de uitoefening van de voogdij gemachtigd heeft, wordt vermoed dat de schade uitsluitend aan de schuld van deze leden te wijten is.

Artikel 305
  • 1. De rechtspersoon, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt de voogdijraad binnen wiens gebied deze minderjarigen verblijven, alsook de voogdijraad binnen wiens gebied zij vóór hun laatste overplaatsing hebben verbleven, schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden.

  • 2. De plaatsen, waar met voogdij belaste rechtspersonen minderjarigen geplaatst hebben, worden door iedere voogdijraad in zijn gebied bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der minderjarigen dienstig acht.

Artikel 306
  • 1. Zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg mag een rechtspersoon een hem toevertrouwde minderjarige niet in het buitenland plaatsen.

  • 2. De rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.

§ 5. Ontslag van de voogdij
Artikel 322

Iedere voogd kan zich van zijn bediening doen ontslaan, indien:

  • a. hij aantoont dat hij ten gevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen;

  • b. hij de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft;

  • c. een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechter in eerste aanleg deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.

§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij
Artikel 324
  • 1. Wanneer een voogd op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de rechter in eerste aanleg hem en vervangt hem door een andere voogd.

  • 2. Hij doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.

Artikel 325

«r»

§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen
Artikel 326
  • 1. Kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.

  • 2. Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht.

  • 3. De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf.Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

§ 8. Ontzetting van voogdij
Artikel 327
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan hij een voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op grond van:

    • a. slecht levensgedrag;

    • b. misbruik van zijn bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij;

    • c. de omstandigheid, dat hij op een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij – of op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag – is ontzet;

    • d. de omstandigheid dat hij in staat van faillissement verkeert;

    • e. de omstandigheid dat hij in persoon, of dat zijn vader, moeder, echtgenoot of kind met de minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is;

    • f. onherroepelijke veroordeling:

      • wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;

      • wegens het plegen tegen de minderjarige van een der misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht BES;

      • tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer;

    • g. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmering van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming;

    • h. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.

  • Gronden voor ontzetting

    2. Onder misdrijf wordt in het eerste lid begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

Artikel 328

Ontzetting van een met voogdij belaste rechtspersoon kan slechts op de in artikel 327, eerste lid, onderdelen b tot en met e, genoemde gronden geschieden.

Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats hebben, indien hij nalaat de voogdijraad overeenkomstig artikel 305 op de hoogte te houden van de plaatsen waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich bevinden, dan wel indien hij het door de voogdijraad uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.

Artikel 329
  • 1. Ontzetting van de voogdij kan slechts worden uitgesproken op verzoek van een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, de voogdijraad, of op vordering van het Openbaar Ministerie.

  • 2. In het geval, bedoeld in artikel 327, eerste lid, onderdeel h, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem die de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich heeft genomen.

  • 3. In het geval, bedoeld in artikel 367, kan de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreken, ook al had de voogdijraad deze niet verzocht.

Artikel 331
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van de kinderen noodzakelijk acht, kan hij een voogd wiens ontzetting verzocht of gevorderd is, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn voogdij over een of meer der minderjarigen schorsen.

  • 2. Bij schorsing van de voogd vertrouwt de rechter de minderjarigen voorlopig toe aan de voogdijraad, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen der minderjarigen zodanige bevoegdheden verleent als hij geschikt zal achten.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde beschikkingen blijven van kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter in eerste aanleg kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

Artikel 332

Op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, kan de officier van justitie, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Artikel 272, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 333
  • 1. De kosten die de voogdijraad ten behoeve van de hem toevertrouwde minderjarige maakt, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat met inachtneming van de regels dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur te stellen. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

Artikel 334
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreekt, voorziet hij tevens in het gezag.

  • 2. Ieder die tot uitoefening van het gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken daarmede te worden belast.

Artikel 335

Hij die van de voogdij over een bepaalde minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die minderjarige worden benoemd.

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige
Artikel 336

De voogd draagt zorg dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.

Artikel 336a
  • 1. Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.

  • 2. Voor zover de volgens het eerste lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige acht.

  • 3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter in eerste aanleg te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.

§ 10. Het bewind van de voogd
Artikel 337
  • 1. De voogd vertegenwoordigt de minderjarige in burgerlijke handelingen.

  • 2. De voogd moet het bewind over het vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.

  • 3. Indien goederen die de minderjarige geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen.Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.

Artikel 338
  • 1. De voogd zorgt dat het vermogen van de minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samengesteld, zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.

  • 2. Binnen acht weken na het begin van zijn voogdij doet de voogd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de minderjarige schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes.

  • 3. Binnen acht maanden na het begin van zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de minderjarige.

  • 4. In de boedelbeschrijving is begrepen een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.

Artikel 339
  • 1. Wanneer de goederen van de minderjarigen een waarde van USD 14000,– niet te boven gaan, kan de voogd een door hem ondertekende, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent in plaats van de boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de goederen der minderjarigen te zamen een waarde van USD 28000,– niet te boven gaan.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met overeenkomstige toepassing van artikel 338 moet worden opgemaakt en ingeleverd.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in het eerste lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 340
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan bij gebleken noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339, stellen.

  • 2. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in artikel 339 is ingeleverd, doet de rechter binnen tien dagen na het einde van die termijn de voogd ten verhore oproepen.

Artikel 341
  • 1. In de boedelbeschrijving of in de verklaring, bedoeld in artikel 339, moet de voogd opgeven wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen uitoefenen.

  • 2. Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.

Artikel 342
  • 1. De artikelen 338 tot en met 341 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de minderjarige gedurende de voogdij door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.

  • 2. De ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES aan wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen heeft verkregen, is verplicht de rechter in eerste aanleg van diens woonplaats hiervan te verwittigen.

Artikel 343

De voogd kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten die hij in diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het bepaalde bij de volgende artikelen.

Artikel 344
  • 1. Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in bewaring bij de Nederlandsche Bank N.V. of een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES geregistreerde kredietinstelling.

  • 2. De rechter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige moeten worden bewaard. De rechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de rechter, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, bevoegd.

  • 3. Voor effecten aan toonder, spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige te zamen met een of meer andere personen toekomen, geldt het eerste en tweede lid, wanneer de voogd die onder zijn berusting heeft. De rechter in eerste aanleg onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen geven. Overigens is de rechter in eerste aanleg, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, bevoegd.

Artikel 345
  • 1. De voogd behoeft machtiging van de rechter in eerste aanleg om de navolgende handelingen voor rekening van de minderjarige te verrichten:

    • a. aangaan van overeenkomsten strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;

    • b. giften doen, andere dan gebruikelijke, niet bovenmatige;

    • c. een making of gift, waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;

    • d. geld lenen of de minderjarige als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;

    • e. overeenkomen dat een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan bepalen dat de voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de minderjarige, het disponeren over saldi bij giro- of kredietinstellingen daaronder begrepen.

  • 3. Voor het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken, behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES of indien het voorwerp van de onzekerheid of het geschil een waarde van USD 840,– niet te boven gaat, noch indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, genoemd in het derde lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 346
  • 1. De voogd kan geen goederen van de minderjarige kopen of huren zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt.

  • 2. In geval van openbare verkoop of verhuur moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.

Artikel 347
  • 1. Een in strijd met artikel 345 of 346 verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar; op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde van de minderjarige.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een rechtshandeling anders dan om niet, indien de wederpartij te goeder trouw was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft berokkend.

Artikel 348
  • 1. De voogd kan, zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten laste van de minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van een derde verkrijgen.

  • 2. Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de overeenkomst nietig.

Artikel 349
  • 1. Een voogd die zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

  • 2. De voogd mag niet zonder machtiging van de rechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een gedane uitspraak berusten.

  • 3. Hij kan, alvorens voor de minderjarige in rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechter.

Artikel 350
  • 1. De voogd draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de minderjarige.

  • 2. Hij behoeft voor elke belegging van gelden van de minderjarige machtiging van de rechter in eerste aanleg. Nochtans mag hij, voor zover de rechter niet anders bepaalt, zonder diens machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES geregistreerde kredietinstelling op rekeningen, bestemd voor de belegging van gelden van minderjarigen, met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van de rechter.

Artikel 351
  • 1. Wanneer het vermogen van de minderjarige of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel, landbouw of nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze met anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de rechter in eerste aanleg.

  • 2. Zonder machtiging van de rechter mag de voogd een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet onverdeeld laten.

Artikel 352

Ondanks het ontbreken der vereiste machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel 350 of artikel 351, geldig.

Artikel 353
  • 1. De voogd kan een de minderjarige opgekomen erfenis niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

  • 2. Hij kan niet zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg een de minderjarige opgekomen erfenis verwerpen, noch van een deze toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.

Artikel 354

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde de voogd ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

Artikel 355
  • 1. Aan een met het gezag belaste ouder of aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk aan te gaan, kan de rechter in eerste aanleg opdragen binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de kinderen op te maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter griffie van het gerecht in te leveren.

  • 2. De artikelen 339, 340 en 341 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 356
  • 1. Aanwijzingen en machtigingen, als in deze paragraaf bedoeld, geeft de rechter in eerste aanleg slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden als hij dienstig oordeelt.

  • 2. Hij kan een gegeven aanwijzing of machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden wijzigen.

Artikel 357

Indien de kosten van een ten behoeve van een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens laste zijn gebracht, treedt – in geval dientengevolge het vermogen van de minderjarige moet worden aangesproken – in de plaats van de bij artikel 345 bedoelde machtiging van de rechter in eerste aanleg, diens aanwijzing van de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.

Artikel 358
  • 1. De voogd mag alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in rekening brengen.

  • 2. Indien de rechter in eerste aanleg een bedrag bepaalt hetwelk jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet gespecificeerd te verantwoorden.

  • 3. De rechter kan de voogd een beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder benoemd is.

Artikel 359
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde ambtshalve aan de voogd de verplichting opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van het gerecht een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van de minderjarige.

  • 2. De datum voor de indiening van de rekening wordt door de rechter bepaald.

Artikel 360
  • 1. Bij verschil van mening omtrent de rekening kan de rechter in eerste aanleg verbetering daarvan gelasten.

  • 2. Hij kan een of meer deskundigen benoemen, ten einde de ingediende rekening te onderzoeken.

  • 3. De rechter kan de kosten van dit onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten dele ten laste van de voogd brengen.

  • 4. De voogd ontvangt een afschrift van het door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.

Artikel 361

De periodiek door de voogd gedane rekening of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.

Artikel 362

De rechter in eerste aanleg kan ambtshalve de schade vaststellen die blijkens de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft, en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen.

Artikel 363
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast.

    Inpandgeving van effecten aan toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de Nederlandsche Bank N.V.

  • 2. De rechter bepaalt een redelijke termijn binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat hij de van hem verlangde zekerheid gesteld heeft.

  • 3. De rechter kan de voogd toestaan een gestelde zekerheid door een andere te vervangen.

    Indien het belang van de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of handhaving daarvan niet nodig is, kan de rechter hem machtigen daarvan namens de minderjarige afstand te doen.

Artikel 364
  • 1. De door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel 377 verjaard zijn.

  • 2. Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen in de grootboeken der nationale schuld.

Artikel 365

Indien de voogd in gebreke blijft:

  • a. gehoor te geven aan een oproeping van de rechter in eerste aanleg om voor hem te verschijnen;

  • b. een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 in te leveren;

  • c. op de door de rechter bepaalde datum zijn periodieke rekening in te dienen;

  • d. aan de minderjarige toebehorende spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet te diens name heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren;

  • e. de rechter het bewijs te leveren dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld heeft; of

  • f. de schadevergoeding te betalen waartoe de rechter hem ingevolge artikel 362 veroordeeld heeft, kan de rechter de voogdijraad hiervan in kennis stellen.

Artikel 366

Insgelijks kan de rechter in eerste aanleg de voogdijraad ervan in kennis stellen, dat:

  • a. de voogd in gevallen waarin hij machtiging van de rechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig voert;

  • b. de voogd zich in zijn bewind aan ontrouw, plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig gemaakt.

Artikel 367

De voogdijraad die van de rechter in eerste aanleg zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na onderzoek van de overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes weken na de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de rechter de vraag of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid, onderdeel b, moet volgen.

Artikel 369
  • 1. Indien minderjarigen die onder voogdij van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van een der minderjarigen een van de voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van hem verlangde waarborgen.

  • 2. Komt de in het eerste lid omschreven bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze nadat een van hen daarvan heeft gebruik gemaakt.

  • 3. Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

Artikel 370
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt.

  • 2. De rechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige.

  • 3. Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

  • 4. De rechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van de voogd of de bewindvoerder of ambtshalve wijzigen.

  • 5. De bewindvoerder is verplicht aan de rechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.

  • 6. Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording af te leggen.

  • 7. Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de rechter.

  • 8. Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

  • 9. De rechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, de voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 371

De voogd is verplicht ter griffie van het gerecht in eerste aanleg kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.

Artikel 371a
  • 1. De griffier van het gerecht dat een voogd benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de voogd.

  • 2. Woont de voogd niet meer binnen het rechtsgebied of is hij opgevolgd door een voogd binnen een ander rechtsgebied, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar de griffier van het gerecht waar de voogd of opvolgende voogd woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij
Artikel 372

Na het einde van zijn bewind doet de voogd daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet op de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders, en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van de Staat.

Artikel 373

Deze rekening en verantwoording doet de voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn opvolger in het bewind.

Artikel 374
  • 1. Bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de voogd wiens bewind eindigt, woonplaats heeft.

  • 2. Over geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de rechter.

  • 3. Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

Artikel 375

Een rechtshandeling die de meerderjarig gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de meerderjarig gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.

Artikel 376

Wat de minderjarige aan de voogd schuldig blijft, draagt geen rente, zolang hij niet – na het sluiten der rekening – met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.

Artikel 377

Elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind – zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd – verjaart door verloop van vijf jaren na de dag waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.

TITEL 15 Omgang, informatie en raadpleging
Artikel 377a
  • 1. Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar.

  • 2. De rechter in eerste aanleg stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

  • 3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

    • a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,

    • b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,

    • c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

    • d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Artikel 377b
  • 1. De ouder die alleen met het gezag is belast, is gehouden de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

  • 2. Indien het belang van het kind zulks vereist, kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft.

  • 3. Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 377c
  • 1. Onverminderd artikel 377b wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

  • 2. Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.

Artikel 377d
  • 1. Onverminderd het tweede lid begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

  • 2. De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor de voogd het gezag is begonnen.

Artikel 377e

De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Artikel 377f
  • 1. Onverminderd artikel 377a kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of indien het kind dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.

  • 2. De artikelen 377d en 377e zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 377g

De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Artikel 377h
  • 1. In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b, eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 377c, eerste en tweede lid.

  • 2. De artikelen 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL 16 Curatele
Artikel 378
  • 1. Een meerderjarige kan door de rechter in eerste aanleg onder curatele worden gesteld:

    • a. wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen;

    • b. wegens verkwisting;

    • c. wegens gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen, waardoor hij:

      • zijn belangen niet behoorlijk waarneemt,

      • in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft, of

      • de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt.

  • 2. Indien te verwachten is dat ten aanzien van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, van een der in het eerste lid genoemde gronden voor curatele sprake zal zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden uitgesproken.

Artikel 379

De curatele kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten alsmede door zijn voogd; zij kan ook worden gevorderd door het Openbaar Ministerie.

Artikel 380
  • 1. De rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan, desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.

  • 2. Hij regelt in deze beschikking de bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een curator niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan degene wiens curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet zonder medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van beschikking verrichten.

  • 3. In de beschikking kan tevens worden bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden verhaald.

  • 4. De beschikking kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was.

  • 5. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter in eerste aanleg daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

Artikel 381
  • 1. De curatele werkt met ingang van de dag waarop zij is uitgesproken.

    In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder curatele gestelde meerderjarig wordt.

  • 2. Vanaf deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.

  • 3. Een onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming voor een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend.

  • 4. Met betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Hij is bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze bestemming te beschikken.

  • 6. In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft, bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.

Artikel 382

Hij die onder curatele staat mag geen familierechtelijke handelingen verrichten zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg.

Artikel 383
  • 1. De rechter benoemt bij het uitspreken van de curatele of, indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht, zo spoedig mogelijk daarna een curator.

  • 2. De rechter volgt bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

  • 3. Tenzij het tweede lid is toegepast, wordt, indien de onder curatele gestelde is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd. Huwt de onder curatele gestelde of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de niet onder curatele staande echtgenoot of de andere levensgezel in de plaats van de tegenwoordige curator wordt benoemd.

  • 4. De taak van de curator vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden. Op die dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de rechter in eerste aanleg aan de curator rekening en verantwoording van zijn bemoeienissen af te leggen; wordt hij zelf tot curator benoemd, dan wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd. Indien de curator vóór de meerderjarigheid van de onder curatele gestelde is benoemd, vangt zijn taak aan op het tijdstip waarop de curatele in werking treedt.

  • 5. Indien het verzoek tot ondercuratelestelling wordt afgewezen, eindigt het bewind van de provisionele bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 384

Indien een beschikking waarbij curatele is uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen, neemt de taak van de curator daags na deze uitspraak een einde.

De inmiddels door de curator of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder curatele gestelde verbindend.

Artikel 385
  • 1. Behoudens het in de artikelen 383 en 384 bepaalde vinden de artikelen 250, 280, onderdeel b, 281, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 297 tot en met 299, 322, onderdelen a en c, 324, 336 en 372 tot en met 377 bij curatele overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. in geval van benoeming van een ouder tot curator een bereidverklaring als bedoeld in artikel 280, onderdeel b, niet is vereist;

    • b. aan de voogdijraad ter zake geen bevoegdheden toekomen;

    • c. de curator te allen tijde wegens gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek van de onder curatele gestelde, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve door de rechter in eerste aanleg kan worden ontslagen.

  • 2. Een curator die niet is de echtgenoot of andere levensgezel of bloedverwant in de rechte lijn van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag verzoeken wanneer hij de curatele ten minste acht jaren heeft uitgeoefend; het ontslag wordt verleend zodra de rechter in eerste aanleg zich in staat acht een geschikte opvolger te benoemen.

Artikel 386
  • 1. Op het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing.Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator – de ouder-curator daaronder begrepen – als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de rechter in eerste aanleg, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven.

  • 2. De inkomsten van hem die onder curatele is gesteld, moeten in de eerste plaats worden besteed voor een voldoende verzorging van de betrokkene.

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 365 tot en met 367 treedt de officier van justitie in de plaats van de voogdijraad, en het ontslag, bedoeld in artikel 385, eerste lid, onderdeel c, in de plaats van de ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid, onderdeel b.

  • 4. Indien een gehuwde onder curatele wordt gesteld, en tussen de echtgenoten het bestuur over hun goederen en de goederen der gemeenschap anders is verdeeld dan volgens de regels van de wet en van huwelijkse voorwaarden, bepaalt de rechter bij het uitspreken van de curatele of en in hoeverre die verdeling ook voor de curator zal gelden.

Artikel 387
  • 1. De rechter in eerste aanleg heeft mede het vermogen om de persoon die uit hoofde van gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen onder curatele is gesteld, hetzij tegelijk met deze voorziening, hetzij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch, zo nodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, ter verpleging in een inrichting te doen plaatsen, wanneer blijkt dat hij in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, en de vertraging tot de afloop van het rechterlijk onderzoek gevaarlijk zou kunnen zijn, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om, hangende dat onderzoek, zodanige voorlopige behoedmiddelen, en desnoods de vastzetting, te bevelen als de omstandigheden vorderen.

  • 2. De inrichtingen waar de verpleging bedoeld in het eerste lid kan plaats vinden, worden aangewezen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de minister, belast met de zorg voor de volksgezondheid. Een aanwijzing kan te allen tijde worden ingetrokken. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld.

Artikel 388

Het verzoek tot vastzetting kan aan de rechter in eerste aanleg worden gedaan door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator en door het Openbaar Ministerie.

Artikel 389
  • 1. De curatele eindigt wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat de oorzaken die tot de curatele hebben aanleiding gegeven, niet meer aanwezig zijn.

  • 2. Het verzoek of de vordering daartoe kan worden gedaan door dezelfde personen die de curatele kunnen verzoeken of vorderen.

  • 3. De curatele eindigt voorts wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ten behoeve van de betrokken persoon een bewind als bedoeld in titel 19, dan wel een mentorschap als bedoeld in titel 20, is ingesteld.

Artikel 390
  • 1. Alle uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven, een provisioneel bewind wordt ingesteld of een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, worden binnen tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de verzoekers in de Staatscourant benevens in twee door de rechter aan te wijzen dagbladen bekendgemaakt. In geval de verzoekers daarmede nalatig zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden aan derden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

  • 2. De bekendmaking van een ondercuratelestelling op eigen verzoek of op vordering van het Openbaar Ministerie geschiedt vanwege de curator, indien deze bij de ondercuratelestelling is benoemd, of anders vanwege de griffier.

Artikel 391

Ter griffie van de rechtbank te ‘s-Gravenhage berusten openbare registers, waarin aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben op curatele. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt.

TITEL 17 Levensonderhoud
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 392
  • 1. Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden:

    • a. de ouders;

    • b. de kinderen;

    • c. behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders.

  • 2. Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen, bedoeld in artikel 395a, slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.

  • 3. De in het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot overeenkomstig titel 6, 9 of 10 kan worden verkregen.

Artikel 394

De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.

Artikel 395

Een stiefouder is, onverminderd artikel 395a, alleen verplicht gedurende zijn huwelijk levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenoot.

Artikel 395a
  • 1. Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt.

  • 2. Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot die de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt, verplicht te voorzien in de in het eerste lid bedoelde kosten.

Artikel 395b
  • 1. Heeft de rechter het bedrag bepaald dat een ouder of stiefouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker of de man die in artikel 394 daarmee is gelijkgesteld ter zake van de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of stiefkind moet betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip de rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie als in artikel 395a bedoeld.

  • 2. Hetzelfde geldt indien de rechter met toepassing van artikel 406a het bedrag heeft vastgesteld dat een ouder of stiefouder ter bestrijding van de kosten van een maatregel van kinderbescherming aan de voogdijraad moet uitkeren.

  • 3. De voogdijraad draagt zorg dat de gelden die hem krachtens dit artikel worden uitgekeerd, aan het kind worden uitbetaald.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel is bevoegd de voogdijraad die laatstelijk voor het meerderjarig worden van het kind overeenkomstig artikel 239 bevoegd was op te treden. Deze raad kan ook wijziging van het bedrag dat is verschuldigd ter zake van levensonderhoud en studie, verzoeken.

  • 5. In afwijking van het eerste en tweede lid is het bedrag aan het kind verschuldigd en dient dit ook aan hem te worden betaald, indien het kind aan de voogdijraad schriftelijk heeft medegedeeld van optreden van deze laatste volledig af te zien.

Artikel 396
  • 1. De verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders tot het verstrekken van onderhoud vervalt wanneer het huwelijk van het behuwdkind is ontbonden.

  • 2. De verplichting bestaat niet jegens een behuwdkind dat is gescheiden van tafel en bed en jegens een schoonouder nadat deze is hertrouwd.

Artikel 397
  • 1. Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.

  • 2. Zijn meerdere bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht, dan is ieder van hen gehouden een deel van het bedrag te voldoen dat de tot onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht en de verhouding waarin een ieder tot de gerechtigde staat.

Artikel 398
  • 1. Wanneer hij die tot levensonderhoud verplicht is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de rechter in eerste aanleg bevelen dat hij de bloed- of aanverwant aan wie hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het nodige voorzien.

  • 2. Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te verzoeken hun toe te staan zich van hun onderhoudsplicht jegens hun behoeftig meerderjarig kind op de in het eerste lid omschreven wijze te kwijten.

Artikel 399

De rechter kan de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen in afdeling 2 is bepaald omtrent de voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen.

Artikel 400
  • 1. Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn ouders, zijn kinderen en stiefkinderen voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders.

  • 2. Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.

Artikel 401
  • 1. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot wijziging van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.

  • 2. De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157, derde of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede zin, of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. Verlenging is niet mogelijk indien de rechter zulks ingevolge artikel 157, vijfde lid, heeft bepaald. Op een verzoek tot verlenging is artikel 157, vijfde lid, tweede en derde zin, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat het eerste lid, eerste zin, van toepassing is op een verzoek tot wijziging van een termijn die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.

  • 4. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  • 5. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Artikel 402
  • 1. De rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn.

  • 2. Bij de vaststelling van een bedrag bepaalt de rechter tevens of dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden voldaan.

  • 3. Zouden op de dag dat de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd, reeds meer dan één termijn verschenen zijn of meer dan één termijn terugbetaald moeten worden, dan kan de rechter ook daarvoor een betaling in termijnen toestaan.

Artikel 402a
  • 1. De bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde lid, overeenkomt met de ontwikkeling der lonen overeenkomstig de laatste gegevens over een geheel jaar, per 30 september van enig jaar, van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  • 2. De wijziging gaat in op 1 januari volgende op de in het eerste lid genoemde datum. De beschikking waarin het percentage is vastgesteld, wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 3. Het percentage van de wijziging van de bedragen voor levensonderhoud kan worden afgerond op tienden van een procent. Daarbij vindt, indien van het procentuele verschil der lonen het tweede of een volgend cijfer achter de komma 5 bedraagt, voor wat betreft die cijfers afronding naar beneden plaats.

  • 4. De wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur worden uitgesloten. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en op welke wijze het bedrag voor levensonderhoud anders dan van rechtswege periodiek zal worden gewijzigd.

  • 5. Bij de uitspraak, waarbij de tweede zin van het vierde lid toepassing heeft gevonden, en ook nadien, kan de rechter een regeling geven omtrent de wijze en de tijdstippen waarop de tot uitkering verplichte persoon aan de tot uitkering gerechtigde gegevens dient te verschaffen ten behoeve van de vaststelling van de wijziging van het bedrag voor levensonderhoud. Deze beslissingen kunnen worden gegeven en nadien worden gewijzigd op verzoek van de tot uitkering verplichte of gerechtigde persoon.

  • 6. De uitsluiting van de wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak worden ingetrokken. Voor zover het een uitsluiting betreft waarbij de tweede zin van het vierde lid niet is toegepast, kan de intrekking alleen geschieden in de gevallen, bedoeld in artikel 401.

  • 7. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de betaling van levensonderhoud geschiedt met inachtneming van de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane wijzigingen van rechtswege dan wel met inachtneming van de wijzigingen overeenkomstig de tweede zin van het vierde lid.

Artikel 403

Geen uitkering is verschuldigd over de tijd die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken.

AFDELING 2 Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen
Artikel 404
  • 1. Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

  • 2. Gelijke verplichting bestaat voor een stiefouder in het geval van artikel 395.

Artikel 406
  • 1. Komt een ouder of stiefouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk na, dan kan zowel de voogdijraad als de andere ouder of voogd de rechter in eerste aanleg verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren.

  • 2. De rechter kan het in het eerste lid bedoelde bedrag reeds bepalen gelijktijdig met een door hem te geven beslissing omtrent het gezag.

Artikel 406a

Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349, eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet.

Artikel 406b
  • 1. De erfgenamen van de in artikel 394 bedoelde verwekker of van de man die in artikel 394 daarmee is gelijkgesteld, kunnen na zijn overlijden verplicht worden tot betaling van een som ineens ter zake van levensonderhoud en studie van het kind dat de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt.

  • 2. De in het vorige lid bedoelde som is ten hoogste gelijk aan het wettelijk erfdeel waartoe het kind gerechtigd zou zijn geweest, indien de erflater zijn vader was.

  • 3. De aanspraken moeten door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind of het kind zelf binnen een jaar na het overlijden van de erflater bij het gerecht in eerste aanleg geldend worden gemaakt.

Artikel 406c
  • 1. Bij iedere beschikking, waarbij:

    • a. ingevolge een der artikelen 262, 263 of 326 de plaatsing van een minderjarige in een van de daarbedoelde inrichtingen of elders dan in een inrichting wordt bevolen,

    • b. ingevolge artikel 823, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES of een der artikelen 271, 272, 331 of 332 een minderjarige voorlopig aan de voogdijraad wordt toevertrouwd, dan wel

    • c. de gezinsvoogd machtiging wordt verleend om aanwijzing te geven tot een maatregel, als bedoeld in artikel 260, derde lid, stelt de rechter tevens vast welk bedrag de ouders of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn -de minderjarige ter bestrijding van de kosten van bedoelde maatregelen aan de voogdijraad moeten betalen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde beslissing omtrent de kosten is uitvoerbaar bij voorraad.

Artikel 407
  • 1. Wijziging van het bedrag van een periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding kan zowel door de voogdijraad als door hem die het gezag over het kind uitoefent, worden verzocht.

  • 2. Gelijktijdig met een door de rechter in eerste aanleg te geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechter op verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met de voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Artikel 408

Een periodieke uitkering of som ineens tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding waarvan het bedrag door de rechter is bepaald, moet ten behoeve van het kind aan de voogdijraad worden betaald.

AFDELING 3 Kosten van bevalling
Artikel 408a
  • 1. De verwekker van een kind – zelfs al was het dood geboren – is verplicht om aan de moeder van het kind de kosten van haar bevalling en van haar onderhoud gedurende de eerste zes weken na de bevalling te vergoeden. Artikel 394, derde en vierde lid, is daarbij van toepassing.

  • 2. De vergoeding van de kosten wordt naar billijkheid en met inachtneming van het plaatselijk gebruik vastgesteld.

  • 3. Het vorderingsrecht vervalt na verloop van een jaar, te rekenen van de dag der bevalling.

AFDELING 4 Uitkering tot levensonderhoud na beëindiging van een langdurige buitenhuwelijkse samenleving anders dan door de dood
Artikel 408b

Hebben twee personen langdurig samengeleefd als waren zij gehuwd en is aan deze samenleving anders dan door de dood een einde gekomen, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is van overeenkomstige toepassing.

TITEL 18 Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen
AFDELING 1 Onderbewindstelling in geval van afwezigheid
Artikel 409
  • 1. Indien iemand die zijn woonplaats heeft verlaten niet voldoende orde op het bestuur van zijn goederen heeft gesteld, en er noodzakelijkheid bestaat om daarin geheel of gedeeltelijk te voorzien of de afwezige te doen vertegenwoordigen, benoemt de rechter in eerste aanleg, op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het Openbaar Ministerie, een bewindvoerder, ten einde het bewind over het geheel of een gedeelte van de goederen van de afwezige te voeren en diens overige belangen waar te nemen.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met iemand die zijn woonplaats heeft verlaten, gelijk gesteld hij wiens bestaan onzeker is geworden of die onbereikbaar is, ook al staat niet vast dat hij zijn woonplaats heeft verlaten.

Artikel 410
  • 1. Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, 358, eerste lid, en 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind.

  • 2. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

  • 3. Goedkeuring van een ingediende rekening door de rechter brengt geen nadeel toe aan de bevoegdheid van de rechthebbenden om na het einde van het bewind over dezelfde tijdruimte rekening en verantwoording te vragen, voor zover dit niet onredelijk is.

  • 4. De bewindvoerder kan ook voor andere dan vermogensbelangen van de afwezige opkomen, behoudens voor zover de rechter zulks heeft uitgesloten.

  • 5. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 411

Het bewind eindigt:

  • a. door een gezamenlijk besluit van de rechthebbende en de bewindvoerder;

  • b. door opzegging door de rechthebbende aan de bewindvoerder met inachtneming van een termijn van een maand;

  • c. wanneer de dood van de rechthebbende komt vast te staan.

AFDELING 2 Personen wier bestaan onzeker is
Artikel 412
  • 1. Wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven mocht zijn, anderen zouden gerechtigd zijn, verleent de rechter in eerste aanleg aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris.

  • 2. De rechter kan zo nodig openbare oproepingen bevelen en behoedmiddelen ten behoeve van de belanghebbenden voorschrijven.

  • 3. Indien na het verlenen van de machtiging mocht blijken dat de vermiste op de dag van het openvallen der nalatenschap heeft bestaan, kan de teruggave van de in bezit gekomen goederen en van de vruchten worden gevorderd, op de voet en onder de beperkingen als hierna bij de verklaring van vermoedelijk overlijden is aangegeven.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op een uitkering uit levensverzekering, waartoe de persoon wiens bestaan onzeker is de eerstgeroepen begunstigde is.

Artikel 413
  • 1. Is het bestaan van een persoon onzeker en is de in het tweede lid aangegeven tijdruimte verlopen, dan kunnen belanghebbenden de rechter in eerste aanleg verzoeken dat hij hun zal gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat hij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde tijdruimte beloopt vijf jaren, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven. De termijn wordt verkort tot een jaar, indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

  • 3. Het gelasten van de oproeping van de vermiste en de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden, bedoeld in het eerste lid, kunnen ook worden gevorderd door het openbaar ministerie.

Artikel 414
  • 1. De rechter in eerste aanleg stelt dag en uur vast waartegen de vermiste moet worden opgeroepen. De oproep loopt op een termijn van een maand of zoveel langer als de rechter mocht bevelen. De oproeping geschiedt overeenkomstig Boek 1, titel 10, afdeling 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

  • 2. Indien de vermiste niet verschijnt, noch iemand voor hem opkomt die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste doet blijken, verklaart de rechter dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, onverminderd zijn bevoegdheid de beschikking, bedoeld in het eerste lid, eerst nog eenmaal te herhalen alsmede het horen van getuigen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten, ten bewijze dat is voldaan aan de vereisten die artikel 413 stelt.

  • 3. De beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, noemt de dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden; als zodanig geldt de dag, volgende op die van de laatste tijding van zijn leven, tenzij voldoende vermoedens bestaan dat hij daarna nog enige tijd in leven was.

  • 4. De rechter kan tevens bepalen, dat de kosten die een verzoeker als bedoeld in artikel 413, eerste lid, heeft gemaakt, ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.

Artikel 416

Geen hogere voorziening is toegelaten tegen beschikkingen, houdende bevel tot oproeping van de vermiste.

Artikel 417
  • 1. Zodra de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verlaten woonplaats of, bij gebreke van verlaten woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van de gemeente ’s-Gravenhage. Deze ambtenaar maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, welke in overeenstemming is met de beschikking en dit uitdrukkelijk vermeldt.

  • 2. Deze akte bewijst ten aanzien van een ieder dwingend dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is overleden.

Artikel 418
  • 1. Erfgenamen en legatarissen van hem die vermoedelijk overleden is verklaard, zijn verplicht alvorens zij de goederen der nalatenschap in bezit nemen, ten genoegen van de rechter in eerste aanleg zekerheid te stellen voor hetgeen zij aan de vermoedelijk overleden verklaarde, mocht deze terugkeren, of aan erfgenamen of legatarissen die een beter recht mochten hebben, moeten afdragen.

  • 2. De erfgenamen zijn verplicht na de inbezitneming een behoorlijke boedelbeschrijving op te maken.

  • 3. Registergoederen mogen niet vervreemd of bezwaard worden, tenzij om gewichtige redenen en met verlof van de rechter in eerste aanleg. Kunnen zij bij een boedelscheiding niet zonder verkoop worden verdeeld, dan worden zij onder bewind van een derde gesteld, die de inkomsten van die goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande bij de verdeling is vastgesteld, zal uitkeren.

  • 4. De verdeling geschiedt bij authentieke akte, waaruit tevens moet blijken wat aan legatarissen of andere gerechtigden is uitgekeerd.

  • 5. De goederen der nalatenschap mogen niet worden verkwist en daaruit mogen niet bovenmatige giften worden gedaan.

  • 6. Erfgenamen en legatarissen zijn verplicht desgevraagd aan de rechter de nodige inlichtingen te geven.

  • 7. De in dit artikel genoemde verplichtingen vervallen op het door de rechter bepaalde tijdstip, en uiterlijk na verloop van vijf jaren na de dag waarop de akte overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt. De rechter die de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, geeft kan, gelet op de omstandigheden van het geval, daarbij tevens bepalen dat een of meer der in dit lid artikel genoemde verplichtingen niet zullen bestaan.

Artikel 419

De akte waarbij zekerheid is gesteld, de boedelbeschrijving en de akte van verdeling moeten in origineel of in authentiek afschrift worden neergelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.

Artikel 420
  • 1. Wanneer het aan de rechter in eerste aanleg blijkt dat een erfgenaam of legataris de hem in de artikelen 418 en 419 opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, kan hij voor de goederen die aan die erfgenaam of legataris uit de nalatenschap toekomen, een bewindvoerder benoemen, wiens bewind eindigt wanneer de rechter beslist dat de betrokkene alsnog zijn wettelijke verplichtingen heeft nageleefd.

  • 2. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, 358, eerste lid, en 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind.

  • 3. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

  • 4. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 421

Hetgeen in de artikelen 418 tot en met 420 is bepaald omtrent erfgenamen die goederen uit de nalatenschap ontvangen, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot die goederen ontvangt ten gevolge van de ontbinding van een huwelijksgemeenschap of de beëindiging van een deelgenootschap.Voor het uit dezen hoofde ontvangene behoeft echter geen zekerheid te worden gesteld.

Artikel 422
  • 1. Wanneer de vermiste terugkeert, of wanneer blijkt dat de dag van overlijden in de akte van overlijden onjuist is vermeld, is ieder die enige goederen van de vermiste ingevolge de artikelen 418 tot en met 421 in zijn bezit of onder zijn bewind heeft, aan de teruggekeerde of aan hen die alsdan blijken tot de goederen gerechtigd te zijn, rekening, verantwoording en afgifte schuldig.

  • 2. Rechten door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.

  • 3. Is het leven van de vermiste ten behoeve van derden verzekerd geweest, dan behouden dezen hun recht op hetgeen aan hen op het tijdstip van de terugkeer van de verzekerde is uitbetaald of als reeds opeisbaar was verschuldigd; in dat geval kunnen aan de verzekering geen andere rechten op de uitkering worden ontleend.

Artikel 423
  • 1. Indien binnen vijf jaar na de dag waarop de akte van overlijden overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt, wordt bewezen dat deze akte onjuist is, zijn zij die te goeder trouw de vruchten van de nalatenschap hebben genoten, slechts verplicht daarvan de helft terug te geven; wordt de onjuistheid later bewezen, dan behoeven zij geen vruchten terug te geven.

  • 2. Indien eerst meer dan tien jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, wordt bewezen dat de akte onjuist is, zijn zij die de goederen te goeder trouw in bezit hebben genomen, slechts verplicht de alsdan nog aanwezige goederen in de staat waarin zij zich bevinden, af te geven, benevens de prijs van de vervreemde goederen of de goederen die daarvoor in de plaats zijn getreden; alles zonder enige vruchten of vergoeding voor niet meer aanwezige goederen en zonder verplichting van rekening en verantwoording.

  • 3. Iedere verbintenis tot teruggave vervalt wanneer twintig jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, zijn verlopen.

AFDELING 3 Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen
Artikel 426
  • 1. Indien het lichaam van een vermist persoon niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende de rechter in eerste aanleg verklaren dat de vermiste is overleden:

    • a. indien de vermissing heeft plaatsgevonden in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • b. indien de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuisbehorend schip of luchtvaartuig;

    • c. indien de vermiste een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander was;

    • d. indien de vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

  • 2. Indien een persoon buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende de rechter in eerste aanleg verklaren dat die persoon is overleden:

    • a. indien het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuisbehorend schip of luchtvaartuig;

    • b. indien de overledene een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander was;

    • c. indien de overledene zijn woon- of verblijfplaats had in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

  • 3. Voor zover mogelijk bevatten de vordering of het verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, of daarmee vergezeld gaande bescheiden de in artikel 427 genoemde gegevens.

Artikel 427
  • 1. De beschikking, houdende verklaring dat de in artikel 426 bedoelde persoon is overleden, noemt de dag en zo mogelijk het uur van het overlijden. Indien de dag van overlijden niet bekend is, wordt deze door de rechter in eerste aanleg vastgesteld en in de beschikking vermeld. De rechter houdt hierbij rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder of het tijdstip waarop het overlijden moet hebben plaatsgehad.

  • 2. Voorts vermeldt de beschikking de geslachtsnaam, de voornamen, de kunne en, zo mogelijk, de plaats van het overlijden, de woonplaats van de overledene, de plaats en de dag van geboorte van de overledene en de geslachtsnaam en de voornamen van de persoon of van de personen met wie de overledene gehuwd is geweest.

Artikel 429

De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage. Deze maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, die hij in het register van overlijden opneemt.

Artikel 430

De akten, opgemaakt volgens artikel 429, gelden als akten van overlijden in de zin van artikel 19f, eerste lid.

TITEL 19 Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen
Artikel 431
  • 1. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de rechter in eerste aanleg een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot een huwelijksgemeenschap waarin hij gehuwd is, en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot staan.

  • 2. Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.

Artikel 432
  • 1. Instelling van het bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator of zijn mentor, bedoeld in titel 20; zij kan ook worden gevorderd door het Openbaar Ministerie.

  • 2. De rechter voor wie een verzoek of vordering tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind.

  • 3. Een verzoek of vordering tot instelling van een bewind ten behoeve van een rechthebbende die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van een curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind.

  • 4. In geval van een bestuursopdracht, of een verzoek daartoe, als bedoeld in artikel 91, zijn het tweede en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 433
  • 1. Tenzij bij de onderbewindstelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 432, eerste lid, of van een bewindvoerder, hetzij op vordering van het Openbaar Ministerie, hetzij ambtshalve, het ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de rechthebbende uitbreiden of een of meer goederen uit het bewind ontslaan; hij kan tevens handelingen als bedoeld in artikel 441, tweede lid, onderdeel f, aanwijzen en de aanwijzing van zulke handelingen intrekken.

Artikel 434
  • 1. In beschikkingen als bedoeld in de artikelen 432 en 433, tweede lid, bepaalt de rechter ambtshalve welke goederen onder bewind worden gesteld, onderscheidenlijk uit het bewind worden ontslagen.

  • 2. Onderbewindstelling van een goed en het ontslag van een goed uit het bewind treden in werking daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 431, tweede lid, treedt de onderbewindstelling in werking op het tijdstip waarop de rechthebbende meerderjarig wordt.

Artikel 435
  • 1. De rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. In alle andere gevallen geschiedt de benoeming door de rechter in eerste aanleg. De rechter vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon.

  • 2. Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd.

  • 3. De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

  • 4. Tenzij het derde lid is toegepast, wordt, indien de rechthebbende is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd.

  • 5. Handelingsonbekwamen, zij van wie één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in deze titel zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren, kunnen niet bewindvoerder worden.

  • 6. Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd.

  • 7. De benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 436
  • 1. De bewindvoerder is verplicht zo spoedig mogelijk een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te maken en een afschrift daarvan in te leveren ter griffie van het ingevolge artikel 429c, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES bevoegde gerecht in eerste aanleg.

  • 2. De artikelen 339, 363 en 364 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien tot het bewind registergoederen behoren, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, te doen inschrijven. Is een onderneming of een aandeel in een vennootschap onder firma onder bewind gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in het handelsregister te doen inschrijven.

  • 4. Tenzij de rechter anders bepaalt, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES geregistreerde kredietinstelling; de bewindvoerder is voorts verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt, zoveel mogelijk van deze rekening gebruik te maken.

  • 5. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

Artikel 437
  • 1. De rechter kan twee of meer bewindvoerders benoemen, indien hij dit in het belang van een goed bewind nodig acht.

  • 2. Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan, tenzij de rechter anders bepaalt, ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren, alleen verrichten.

  • 3. Bij verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de rechter. Deze kan ook een verdeling van het loon vaststellen.

Artikel 438
  • 1. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder.

  • 2. Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de rechter in eerste aanleg over de onder het bewind staande goederen beschikken.

Artikel 439
  • 1. Indien een rechtshandeling ongeldig is omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.

  • 2. Indien een goed is vervreemd of bezwaard door iemand die daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt recht daarop slechts worden tegengeworpen,zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.

Artikel 440
  • 1. Gedurende het bewind kunnen schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, tweede lid, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald.

  • 2. Indien de onderbewindstelling alle goederen betreft die daarvoor krachtens artikel 431, eerste lid, in aanmerking komen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk zou zijn.

Artikel 441
  • 1. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.

  • 2. Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de rechter in eerste aanleg voor de volgende handelingen:

    • a. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;

    • b. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;

    • c. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;

    • d. overeenkomen dat een boedel waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;

    • e. het aangaan, buiten het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van USD 840,– niet te boven gaat;

    • f. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.

  • 3. De rechter in eerste aanleg kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in het tweede lid bedoeld, te verrichten, en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken.

  • 4. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging overeenkomstig het tweede lid. De rechter in eerste aanleg kan, in stede van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.

  • 5. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen erfenis te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag genoemd in het tweede lid, onderdeel e, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 442
  • 1. Heeft iemand als bewindvoerder een rechtshandeling verricht, dan richten de rechten en verplichtingen van de wederpartij zich naar hetgeen dienaangaande is bepaald Boek 3, titel 3. Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had behoren te zijn.

  • 2. De rechthebbende is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. Wanneer hij onder bewind staande goederen aanwijst die voor de schuld voldoende verhaal bieden, is hij niet verplicht de schuld ten laste van zijn overige vermogen te voldoen.

Artikel 443

De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 444

Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 445
  • 1. De bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de rechter in eerste aanleg.

  • 2. Indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is, wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de rechter. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de rechter belet niet dat de rechthebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is.

  • 3. De rechter kan de bewindvoerder, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve, vrijstellen van de verplichting om de periodieke rekening en verantwoording te zijnen overstaan af te leggen; hij kan ook bepalen dat deze wijze van aflegging der rekening en verantwoording slechts over een door hem te bepalen aantal jaren zal geschieden.

  • 4. Voor het overige vindt het aangaande de voogdijrekening in titel 14, afdeling 6, paragrafen 10 en 11, bepaalde overeenkomstige toepassing.

Artikel 446
  • 1. Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, wordt bij het afleggen van de periodieke rekening en verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning, aan de rechthebbende uitgekeerd. Op verzoek van de rechthebbende kan de rechter andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen.

  • 2. Bij zijn eindrekening en verantwoording draagt de bewindvoerder alle goederen af aan hem die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is. De bewindvoerder is bevoegd de afdracht op te schorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo.

  • 3. Wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd, dan blijven, tenzij de rechter anders bepaalt, de netto-opbrengst of de af te dragen goederen onder het bewind van de bewindvoerder, totdat de rechthebbende tot de ontvangst in staat is of de onzekerheid wie rechthebbende is, is opgeheven.

Artikel 447
  • 1. Tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld, komt de bewindvoerder of, wanneer er meer bewindvoerders zijn, hun te zamen 5% der netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toe. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de rechter in eerste aanleg, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven.

  • 2. Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan wordt het loon dat hun gezamenlijk toekomt, tussen hen verdeeld in evenredigheid met de betekenis van de door ieder van hen verrichte werkzaamheden.

Artikel 448
  • 1. De taak van de bewindvoerder eindigt:

    • a. bij het einde van het bewind;

    • b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;

    • c. door zijn dood, faillietverklaring of ondercuratelestelling;

    • d. door de instelling van een bewind als bedoeld in deze titel over één of meer van zijn goederen;

    • e. door ontslag, dat hem door de rechter in eerste aanleg met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.

  • 2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of de rechthebbende, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de rechter in eerste aanleg voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.

  • 3. Een gewezen bewindvoerder blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, rust deze verplichting op zijn erfgenamen, onderscheidenlijk de curator, indien zij van het bewind kennis dragen; in het geval, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, geldt dit voor de bewindvoerder, belast met het daar bedoelde bewind.

  • 4. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 449
  • 1. Het bewind eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de rechthebbende.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan, het bewind opheffen op verzoek van de rechthebbende of op vordering van het Openbaar Ministerie; de beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst.

TITEL 20 Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen
Artikel 450
  • 1. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de rechter in eerste aanleg te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

  • 2. Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het mentorschap reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.

  • 3. Het mentorschap kan eveneens worden ingesteld, indien te verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

Artikel 451
  • 1. Het mentorschap kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot en met de vierde graad, zijn voogd, zijn curator of zijn bewindvoerder, bedoeld in titel 19. In het in artikel 450, derde lid, bedoelde geval kan het mentorschap uitsluitend worden verzocht door de betrokkene.

  • 2. Het mentorschap kan, behoudens in het in artikel 450, derde lid, bedoelde geval, voorts worden gevorderd door het Openbaar Ministerie of worden verzocht door degene die de instelling waar de betrokkene duurzaam wordt verzorgd, exploiteert of die daarvan de leiding heeft. In het laatste geval wordt in het verzoekschrift tevens vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen – bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen – niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan.

  • 3. De rechter bij wie een verzoek of vordering tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap.

  • 4. Een verzoek of vordering tot omzetting van curatele in mentorschap ten behoeve van een persoon die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van de curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap.

  • 5. Het mentorschap treedt in werking daags nadat de griffier de beschikking heeft verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 450, tweede lid, treedt het mentorschap in werking op het tijdstip waarop de betrokken persoon meerderjarig wordt.

Artikel 452
  • 1. De rechter die het mentorschap instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. In geval van vervanging van de mentor geschiedt de benoeming door de rechter in eerste aanleg. De rechter vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.

  • 2. Zo nodig kan een tijdelijke mentor worden benoemd.

  • 3. De rechter volgt bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

  • 4. Tenzij het derde lid is toegepast, wordt, indien de betrokkene is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot mentor benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd. Huwt de betrokkene of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene in de plaats van de tegenwoordige mentor wordt benoemd.

  • 5. Indien ten behoeve van de betrokkene in een bewind als bedoeld in titel 19, is voorzien, wordt, indien de bewindvoerder een natuurlijke persoon is, bij voorkeur de bewindvoerder tot mentor benoemd.

  • 6. Geen mentor kunnen worden:

    • a. handelingsonbekwamen;

    • b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld;

    • c. rechtspersonen;

    • d. de direct betrokken of behandelend hulpverlener;

    • e. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de betrokkene verblijft.

  • Benoeming mentor

    7. De taak van de mentor vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 453
  • 1. Tenzij uit wet of verdrag anders voortvloeit, is de betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding.

  • 2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze rechtshandelingen zelf te verrichten.

  • 3. Ten aanzien van andere handelingen dan rechtshandelingen betreffende de in het eerste lid genoemde aangelegenheden treedt de mentor, voor zover de aard van de desbetreffende handeling dit toelaat, in plaats van de betrokkene op.

  • 4. De mentor geeft aan de betrokkene raad in hem betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en waakt over diens belangen ter zake.

  • 5. Verzet de betrokkene zich tegen een handeling van ingrijpende aard in aangelegenheden als in het tweede en derde lid bedoeld, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien zij kennelijk nodig is ten einde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen.

Artikel 453a
  • 1. Indien de rechter dit noodzakelijk acht, beslist hij tevens dat artikel 246 van overeenkomstige toepassing is.

  • 2. Tijdens het mentorschap kan de rechter een beslissing nemen als in het eerste lid bedoeld, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, of van de mentor, hetzij op vordering van het Openbaar Ministerie, hetzij ambtshalve.

Artikel 454
  • 1. De mentor is gehouden degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. De mentor bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht. Hij betracht de zorg van een goed mentor.

  • 2. De mentor is jegens de betrokkene aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed mentor te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 455

Degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld, is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de mentor in zijn hoedanigheid in naam van de betrokkene verricht.

Artikel 456

De mentor kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de betrokkene of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 457
  • 1. Een rechtshandeling verricht in strijd met artikel 453, is overeenkomstig het tweede en derde lid vernietigbaar.

  • 2. Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de betrokkene, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die het mentorschap kende of had behoren te kennen; jegens een zodanige persoon wordt de betrokkene vermoed onbevoegd te zijn geweest.

  • 3. Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de mentor, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die de onbevoegdheid van de mentor kende of had behoren te kennen.

Artikel 458

Voor zover een of meer van de goederen van de betrokkene onder een bewind als bedoeld in titel 19, staan, is de bewindvoerder, indien hij niet tevens mentor is, niet tot optreden bevoegd ten aanzien van aangelegenheden als in artikel 453, eerste lid, bedoeld.

Artikel 459
  • 1. De mentor doet desgevraagd van zijn werkzaamheden verslag aan de rechter in eerste aanleg. De rechter kan te allen tijde verschijning van de mentor in persoon gelasten. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

  • 2. Aan het einde van zijn mentorschap doet de mentor van zijn werkzaamheden schriftelijk verslag aan zijn opvolger, aan de rechter in eerste aanleg, alsmede aan de betrokkene indien het mentorschap door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld of door opheffing eindigt.

Artikel 460
  • 1. De mentor mag de bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen.

  • 2. De rechter kan aan de mentor ten laste van de betrokkene een beloning toekennen indien hij zulks redelijk acht, de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking genomen.

Artikel 461
  • 1. De taak van de mentor eindigt:

    • a. bij het einde van het mentorschap;

    • b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;

    • c. door zijn dood;

    • d. door zijn ondercuratelestelling of door instelling van een mentorschap te zijnen behoeve;

    • e. door ontslag, dat hem door de rechter in eerste aanleg met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.

  • 2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de betrokkene, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de rechter in eerste aanleg voorlopige voorzieningen in het mentorschap treffen en de mentor schorsen.

  • 3. Een gewezen mentor blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de betrokkene kan worden uitgesteld, totdat wederom een persoon bevoegd is ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 453, eerste lid. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, rust deze verplichting op diens curator of mentor, indien deze van het mentorschap kennis draagt.

  • 4. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 462
  • 1. Het mentorschap eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de betrokkene.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat, het mentorschap opheffen op verzoek van de betrokkene of zijn mentor, dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst.

BOEK 2 RECHTSPERSONEN

TITEL 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
  • 1. De bepalingen van deze titel gelden voor de in dit boek in afzonderlijke rechtsvormen geregelde rechtspersonen: de stichting, de stichting particulier fonds,de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap.

  • 2. Artikel 3 geldt ook voor andere rechtsvormen die als rechtspersoon hebben te gelden. Voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit en de aard van de rechtspersoon zich niet daartegen verzet kunnen de overige bepalingen van deze titel analogisch worden toegepast op die andere rechtspersonen.

  • 3. Van de bepalingen van dit boek kan slechts worden afgeweken voor zover dat uit de wet blijkt.

Artikel 2
  • 1. Een rechtspersoon ontstaat niet bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte, voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de rechtspersoon niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking.

  • 2. Vernietiging van de rechtshandeling waardoor een rechtspersoon is ontstaan, tast diens bestaan niet aan. Het vervallen van de deelneming van een of meer oprichters van een rechtspersoon heeft op zichzelf geen invloed op de rechtsgeldigheid van de deelneming der overblijvende oprichters.

  • 3. Is ten name van een niet bestaande rechtspersoon een vermogen gevormd, dan verklaart de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie dat dit vermogen toebehoort aan een bij die beschikking in het leven geroepen rechtspersoon in de voorgewende rechtsvorm. Tenzij een andere oplossing de rechter geraden voorkomt ontbindt de rechter die rechtspersoon bij dezelfde beschikking.

    Het zesde tot en met het achtste lid van artikel 24 vinden overeenkomstige toepassing. De andere oplossing kan bestaan in het alsnog vaststellen van statuten door de rechter en het aanwijzen van bestuurders, commissarissen, leden of aandeelhouders.

  • 4. Is het niet ontstaan van de rechtspersoon geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer personen die voor de ontbinding hebben gefungeerd als oprichter, bestuurder, commissaris, lid of aandeelhouder, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort.

Artikel 3
  • 1. Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit.

  • 2. Leden, aandeelhouders en anderen die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit.

Artikel 4
  • 1. Is een notariële akte van oprichting vereist dan wordt deze verleden in de taal die de oprichters kiezen, mits de notaris deze taal verstaat. Is de taal een andere dan het Papiaments of de Nederlandse, Engelse of Spaanse taal, dan wordt een door een beëdigd vertaler ondertekende Nederlandse vertaling aan de akte gehecht.

  • 2. De akte bevat in elk geval:

    • a. de statuten van de rechtspersoon;

    • b. tenzij het gaat om een stichting die bij uiterste wilsbeschikking wordt opgericht, de namen en woonplaatsen van de eerste bestuurders en van de overige functionarissen die er volgens de wet of de statuten moeten zijn.

  • 3. Waar in dit boek wordt gesproken van een notariële akte wordt daaronder verstaan een akte verleden door of ten overstaan van een notaris die in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba het notarisambt uitoefent. Een volmacht tot medewerking aan de akte moet schriftelijk zijn verleend.

Artikel 5
  • 1. De notaris, ten overstaan van wie de akte van oprichting wordt verleden, draagt zorg dat deze voldoet aan het in dit boek bepaalde en dat de vereiste stukken daaraan zijn gehecht. Hij draagt vervolgens zorg dat de rechtspersoon zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven in het handelsregister en dat tegelijkertijd een authentiek afschrift van de akte met de ingevolge dit boek daaraan gehechte stukken ten kantore van het handelsregister wordt gedeponeerd. Tevens draagt hij zorg dat zo spoedig mogelijk in de Staatscourant, mededeling gedaan wordt van de oprichting van de rechtspersoon.

  • 2. Is de akte van oprichting notarieel verleden dan is voor een wijziging van de statuten steeds ook een notariële akte vereist. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing. Naast het afschrift van de authentieke akte van statutenwijziging wordt steeds een afschrift van de gewijzigde statuten gedeponeerd. Iedere bestuurder is bevoegd de akte te doen verlijden, onverminderd de bevoegdheid van de algemene vergadering een ander daartoe te machtigen.

  • 3. Bij verzuim in de naleving van de uit het eerste en tweede lid voortvloeiende verplichtingen is de notaris persoonlijk aansprakelijk jegens hen die daardoor schade hebben geleden.

Artikel 6
  • 1. Uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten rechtspersoon, ontstaan slechts rechten en verplichtingen voor de rechtspersoon, wanneer hij die rechtshandelingen bij of na zijn oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt.

  • 2. Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten rechtspersoon zijn daardoor hoofdelijk verbonden. Deze verbondenheid vervalt een jaar na de bekrachtiging, tenzij schriftelijk anders is bedongen.

Artikel 7
  • 1. De rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

  • 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen, besluit of overeenkomst geldende regel of beslissing is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 8
  • 1. Met uitzondering van de in artikel 239 bedoelde aandeelhouderbestuurde vennootschap heeft iedere rechtspersoon een bestuur.

  • 2. Behoudens wettelijke of statutaire beperkingen, daaronder begrepen beperkingen krachtens de statuten of door een krachtens de wet of de statuten vastgesteld reglement, is het bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon. Individuele bestuurders oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het bestuur.

  • 3. Bij de vervulling van zijn taak richt het bestuur zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen is het bestuur van een rechtspersoon die niet een stichting is, zonder opdracht van de algemene vergadering niet bevoegd aangifte te doen tot faillietverklaring van de rechtspersoon.

  • 5. De rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon wordt niet aangemerkt of mede aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

  • 6. In geval van faillissement van de rechtspersoon zijn loon en andere vergoedingen die de bestuurder toekomen in verband met de uitoefening van zijn functie, vanaf de dag van de faillietverklaring niet voor rekening van de boedel, voor zover de rechter-commissaris in het faillissement niet anders beslist.

  • 7. Het bepaalde in het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op vergoedingen die toekomen aan leden van andere organen van de rechtspersoon.

Artikel 9
  • 1. De rechter in eerste aanleg van het openbaar lichaam waar de rechtspersoon zijn statutaire zetel of, bij gebreke daarvan, zijn centrum van activiteiten heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen die krachtens dit boek of de statuten tegen een bestuurder of de rechtspersoon worden ingesteld, alsook van de rechtsvorderingen waartoe de overeenkomst tussen een bestuurder en de rechtspersoon aanleiding geeft. Hetzelfde geldt voor alle overige in dit boek geregelde procedures. Tenzij anders is overeengekomen geldt hetzelfde voor procedures die voortvloeien uit de aandeelhoudersovereenkomst bedoeld in het tweede lid van de artikelen 127 en 227 en artikel 240.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat alle of bepaalde geschillen tussen twee of meer van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde personen als zodanig worden beslist door arbitrage.

Artikel 10
  • 1. Behoudens beperkingen in de wet en de statuten is het bestuur bevoegd tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Indien er meer bestuurders zijn is iedere bestuurder bevoegd, voor zover de statuten niet anders bepalen.

  • 2. Beperkingen van de bestuursbevoegdheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 strekken mede tot beperking van de daarmee samenhangende vertegenwoordigingsbevoegdheid.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen kan, onverminderd het bepaalde in de Handelsregisterwet 2009 BES, een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in het eerste en tweede lid, aan een wederpartij die de beperking kent of behoort te kennen worden tegengeworpen. Artikel 61, tweede en derde lid, van Boek 3, vindt overeenkomstige toepassing. Aan de wederpartij komt slechts toe een beroep op het bepaalde in het vierde lid van dit artikel.

  • 4. Iedere bestuurder is te allen tijde bevoegd en desgevraagd verplicht om aan een wederpartij uitsluitsel te geven over de vraag of aan een statutaire, wettelijke of andere voorwaarde voor het intreden van vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of een bestuurder is voldaan. Wordt niet binnen redelijke termijn uitdrukkelijk verklaard dat aan de voorwaarde is voldaan dan kan de wederpartij, die niet uit anderen hoofde met het vervuld zijn van de voorwaarde bekend is of behoort te zijn, de rechtshandeling als ongeldig van de hand wijzen, mits dit terstond na afloop van die termijn geschiedt.

  • 5. De statuten kunnen ook aan andere door of krachtens de statuten aan te wijzen functionarissen, al dan niet tezamen met bestuurders, vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen.

Artikel 11
  • 1. De rechtspersoon wordt bij rechtshandelingen met of rechtsgedingen tegen een bestuurder vertegenwoordigd door de raad van commissarissen. Ontbreekt een raad van commissarissen dan wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door de overige bestuurders tezamen of, zo deze ontbreken, door een voor dat geval door de algemene vergadering aan te wijzen persoon. Bij de stichting geschiedt de aanwijzing door de rechter op verzoek van een belanghebbende.

  • 2. Van het bepaalde in het eerste lid kan in de statuten of in een krachtens de statuten door de algemene vergadering, bij de stichting door een ander orgaan, vastgesteld reglement worden afgeweken. Daarbij kunnen ook bijzondere regels inzake de besluitvorming bij tegenstrijdig belang worden vastgesteld. De regeling kan mede betrekking hebben op tegenstrijdige belangen tussen de rechtspersoon enerzijds, een commissaris, lid of aandeelhouder anderzijds.

  • 3. De algemene vergadering is steeds bevoegd om, met gehele of gedeeltelijke terzijdestelling van het eerste lid, de statutaire regeling of het daarop gebaseerde reglement, voor gevallen als bedoeld in het eerste lid, dan wel voor andere gevallen van tegenstrijdig belang tussen de rechtspersoon en een bestuurder, commissaris, lid of aandeelhouder, incidenteel of voor een bepaalde periode, een of meer personen als bijzonder vertegenwoordiger van de rechtspersoon aan te wijzen.

  • 4. De bestuurder of commissaris die weet of behoort te begrijpen dat ter zake van een voorgenomen rechtshandeling sprake is van een tegenstrijdig belang tussen hem en de rechtspersoon, bevordert zoveel mogelijk dat de algemene vergadering, of de aangewezen bijzonder vertegenwoordiger, daarvan tijdig op de hoogte worden gesteld. Indien geen bijzonder vertegenwoordiger is aangewezen geldt het bepaalde in dit lid niet voor de bestuurder of commissaris van een vennootschap waarvan de aandelen op een beurs verhandeld worden, tenzij de statuten anders bepalen.

  • 5. Bij de besluitvorming in de algemene vergadering ingevolge het derde lid heeft degene wiens tegenstrijdig belang in het geding is geen stemrecht. Hetzelfde geldt voor een door de betrokkene beheerste rechtspersoon.

Artikel 12
  • 1. De statuten moeten voorschriften bevatten omtrent de wijze waarop in het bestuur van de rechtspersoon tijdelijk wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat het orgaan dat een bestuurder benoemt een plaatsvervangend bestuurder kan aanwijzen, die bij belet of ontstentenis van de bestuurder diens taken waarneemt en diens bevoegdheden uitoefent. Een plaatsvervangend bestuurder heeft voor de toepassing van de wet als bestuurder te gelden voor zover het tegendeel niet uit de wet blijkt.

Artikel 13
  • 1. De rechtspersoon treedt niet buiten zijn statutaire doelomschrijving.

  • 2. Tenzij de statuten een beroep op doeloverschrijding uitsluiten is een door de rechtspersoon verrichte rechtshandeling vernietigbaar indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten; slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen.

  • 3. De bevoegdheid om een beroep op vernietiging te doen vervalt zes maanden na de dag waarop de rechtshandeling is verricht.

Artikel 14
  • 1. Iedere bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de binnen zijn werkkring gelegen taak.

  • 2. Tot de werkkring van een bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de statuten aan één of meer andere bestuurders zijn toegedeeld.

  • 3. Iedere bestuurder draagt niettemin verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is gehouden zoveel mogelijk bij te dragen tot het afwenden van de gevolgen van een schadetoebrengend feit, ook al behoort de aangelegenheid niet tot zijn werkkring. De bestuurders aan wie ingevolge het tweede lid bepaalde taken zijn toegedeeld houden de overige bestuurders regelmatig op de hoogte van de stand van zaken op dat taakgebied.

  • 4. De aansprakelijkheid ter zake van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid van dit artikel is een hoofdelijke voor alle bestuurders. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling, mede gelet op zijn werkkring en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

  • 5. Wordt in geval van faillissement van de rechtspersoon een vordering uit hoofde van dit artikel ingesteld door de curator dan komt aan de bestuurder een beroep op kwijting, in welke vorm dan ook door de rechtspersoon verleend, niet toe. De bestuurder kan in dit geval ook geen beroep doen op verrekening met een vordering op de rechtspersoon.

Artikel 15
  • 1. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Iedere bestuurder heeft recht op inzage in de administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.

  • 2. Onverminderd het elders in de wet bepaalde is het bestuur verplicht jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans en een staat van baten en lasten, op te maken en op papier te stellen.

  • 3. Het bestuur is verplicht de in het eerste en tweede lid bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tien jaren te bewaren.

  • 4. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

  • 5. Het boekjaar van een rechtspersoon is het kalenderjaar, indien in de statuten geen ander boekjaar is aangewezen.

Artikel 16
  • 1. In geval van faillissement van de rechtspersoon is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, zijnde het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

  • 2. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 15 of de jaarrekening niet tijdig is opgemaakt, wordt vermoed dat er ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt indien de rechtspersoon volledig aansprakelijk vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en niet voldaan is aan de verplichtingen uit artikel 15a van Boek 3. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen.

  • 3. Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat het onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, mede gelet op zijn werkkring en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

  • 4. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing ten aanzien van de bestuurder die bewijst dat het niet voldoen aan die verplichtingen, mede gelet op zijn werkkring en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om een verbeterde nakoming van die verplichtingen te bevorderen.

  • 5. De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders of bepaalde bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van het onbehoorlijk bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld.

  • 6. Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter, al dan niet met toepassing van het vijfde lid, bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt, een staat wordt opgemaakt overeenkomstig Boek 2, titel 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

  • 7. Op vordering van de curator of een aangesproken bestuurder kan de rechter bepalen dat bij de berekening van het tekort en de verdeling van de opbrengst uit hoofde van dit artikel via de uitdelingslijst de vordering van een schuldeiser geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing blijft indien en voor zover analogische toepassing van artikel 101, eerste lid, van Boek 6 daartoe aanleiding geeft. De vordering wordt ingesteld tegen de daartoe in het geding geroepen schuldeiser.

  • 8. Bij de toepassing van het eerste lid wordt slechts in aanmerking genomen het onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement of de in de zin van artikel 238 van de Faillissementswet BES daaraan voorafgaande surséance van betaling. Artikel 14, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 9. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die gedurende enig tijdvak binnen de in het achtste lid bedoelde periode het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder, dan wel als oprichter kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter, anders dan ingevolge de laatste volzin van artikel 2, derde lid, benoemde functionaris.

  • 10. De bovenstaande leden van dit artikel vinden toepassing bij de naamloze en de besloten vennootschap. Voor het overige vinden zij slechts toepassing bij de rechtspersoon aan welke gedurende enig tijdvak binnen de in het achtste lid bedoelde periode een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 2009 BES toebehoorde, waarbij dan alleen onbehoorlijk bestuur gedurende dat tijdvak in aanmerking wordt genomen.

  • 11. De bovenstaande leden zijn van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders van niet door het recht van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beheerste rechtspersonen, indien deze in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba failliet worden verklaard. Als bestuurders zijn eveneens aansprakelijk degenen die met de leiding van de in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verrichte werkzaamheden zijn belast. Bevoegd is de rechter die het faillissement heeft uitgesproken.

  • 12. Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van de overeenkomst met de bestuurder of op grond van artikel 14.

Artikel 17
  • 1. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

  • 2. Ten aanzien van de aan het slot van het eerste lid bedoelde bestuurder vinden artikel 14, vierde lid, en artikel 16, derde en vierde lid, overeenkomstige toepassing.

Artikel 18
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat de bestuurstaken op de in dit artikel bepaalde wijze worden verdeeld over een algemeen bestuur en een uitvoerend bestuur.

  • 2. Behoudens beperkingen overeenkomstig artikel 8, tweede lid, is het uitvoerend bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon, voor zover dit betrekking heeft op de dagelijkse gang van zaken. Het uitvoerend bestuur is voorts belast met de overige taken die in dit boek aan het bestuur zijn toebedeeld.

  • 3. Behoudens beperkingen in de wet en de statuten is het uitvoerend bestuur bevoegd tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Artikel 10 vindt overeenkomstige toepassing.

  • 4. Tot de taak van het algemeen bestuur behoort in elk geval: het als zodanig benoemen van uitvoerende bestuurders en het vaststellen van hun bezoldiging als zodanig, het beslissen over aangelegenheden die de dagelijkse gang van zaken te boven gaan en het houden van toezicht op het uitvoerend bestuur.

  • 5. Bij twijfel of een aangelegenheid tot de dagelijkse gang van zaken behoort beslist het algemeen bestuur of dit zo is.

  • 6. Een of meer leden van het algemeen bestuur kunnen tevens lid zijn van het uitvoerend bestuur, mits zij in het algemeen bestuur een minderheid vormen en tezamen in het algemeen bestuur minder stemmen kunnen uitbrengen dan de overige leden van het algemeen bestuur tezamen.

  • 7. Het uitvoerend bestuur verschaft het algemeen bestuur en de individuele leden van het algemeen bestuur tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens.

  • 8. Het algemeen bestuur is te allen tijde bevoegd een uitvoerend bestuurder als zodanig te ontslaan of voor een periode van maximaal twee maanden te schorsen.

  • 9. Voor de toepassing van artikel 8, derde lid, heeft het algemeen bestuur als bestuur te gelden. Het uitvoerend bestuur oefent zijn bevoegdheden als zodanig uit met inachtneming van de besluiten van het algemeen bestuur. Binnen het uitvoerend bestuur oefenen individuele bestuurders hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het uitvoerend bestuur.

  • 10. Onverminderd het bepaalde in het negende lid hebben voor de toepassing van de wet leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden, voor zover het tegendeel niet uit de wet blijkt.

Artikel 19
  • 1. Tenzij toepassing is gegeven aan artikel 18 kunnen de statuten bepalen dat er een raad van commissarissen is of kan zijn. Zij omschrijven dan de taak van de raad van commissarissen.

  • 2. Tot de taak van de raad van commissarissen behoort in elk geval het houden van toezicht op het bestuur.

  • 3. De raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen is de raad van commissarissen bevoegd iedere bestuurder te schorsen. De schorsing vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen.

  • 5. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden bevatten.

  • 6. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen en de individuele commissarissen tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens.

  • 7. Het bepaalde in de artikelen 9, 14 en 16 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van commissarissen zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. Tenzij de statuten anders bepalen, sluit dit niet uit dat een commissaris, met inachtneming van de vorige zin, in het bijzonder opkomt voor de belangen van degene die hem heeft benoemd of voorgedragen en deze belangen relatief zwaar laat wegen.

  • 8. Op de benoeming, de schorsing en het ontslag van commissarissen zijn onderscheidenlijk de artikelen 51, eerste lid, onder c, 80 en 236 van overeenkomstige toepassing. Bij de naamloze vennootschap is artikel 136 van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde in artikel 139.

Artikel 20
  • 1. Een stem is nietig in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is; een stem kan niet worden vernietigd.

  • 2. Een onbekwame die lid is van een vereniging, kan zijn stemrecht daarin zelf uitoefenen, voor zover de statuten zich daartegen niet verzetten; in andere gevallen komt de uitoefening van het stemrecht toe aan zijn wettelijke vertegenwoordiger.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen, is het in de vergadering van een orgaan van een rechtspersoon uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.

  • 4. Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid der vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.

Artikel 21
  • 1. Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten is nietig, tenzij iets anders uit de wet voortvloeit.

  • 2. Nietig is ook een besluit indien een door dit boek of de statuten voorgeschreven quorum, meerderheid, voorstel, voordracht of machtiging ontbreekt. Nietig is voorts een besluit zolang een door dit boek of de statuten voorgeschreven goedkeuring van een ander orgaan ontbreekt.

  • 3. Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon is vernietigbaar op vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van het voorschrift dat niet is nageleefd wegens:

    • a. onverminderd het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, strijd met bepalingen van de wet of de statuten, die de tot standkoming van besluiten regelen;

    • b. strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 7 wordt geëist;

    • c. strijd met een krachtens de statuten vastgesteld reglement;

    • d. strijd met een aandeelhoudersovereenkomst als bedoeld in het tweede lid van de artikelen 127 en 227, waarbij alle aandeelhouders en ook de vennootschap partij zijn.

  • 4. De bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen vervalt zes maanden na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd.

Artikel 22
  • 1. De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of verzet door derden, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe.

  • 2. Is het besluit een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht, of is het een vereiste voor de geldigheid van zulk een rechtshandeling, dan kan de nietigheid of vernietiging van het besluit niet aan die wederpartij worden tegengeworpen, indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde, kende noch behoefde te kennen. Niettemin kan de nietigheid of vernietiging van een besluit tot uitgifte van aandelen aan de beoogd aandeelhouder en een besluit tot benoeming van een bestuurder of een commissaris aan de benoemde worden tegengeworpen; de rechtspersoon vergoedt echter de schade van de wederpartij, indien deze het gebrek in het besluit kende noch behoefde te kennen.

Artikel 23

Bij de vaststelling in hoeverre is voldaan aan een quorum of meerderheidseis, wordt geen rekening gehouden met lidmaatschappen of aandelen waarvan de wet bepaalt of de statuten bepalen dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht.

Artikel 24
  • 1. De rechter kan de rechtspersoon ontbinden indien:

    • a. zijn doel of werkzaamheden geheel of ten dele in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde, de wet of de statuten;

    • b. de oprichtingshandeling ernstige gebreken vertoont;

    • c. de statuten in strijd zijn met de wet;

    • d. in geval van ontstentenis van alle bestuurders, niet op de voet van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde voorschriften tijdelijk in het bestuur is voorzien;

  • 2. De rechter kan een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ook ontbinden bij het geheel ontbreken van leden.

  • 3. De rechter kan een naamloze of besloten vennootschap voorts ontbinden indien:

    • a. niet ten minste één aandeel met volledig stemrecht dat deelt in de winst, dan wel één aandeel met volledig stemrecht en één aandeel dat deelt in de winst, wordt gehouden door een ander dan de vennootschap zelf;

    • b. het verzoek tot ontbinding is gedaan binnen een jaar na de oprichting en de vennootschap niet kan aantonen dat de in artikel 101, eerste lid, onder b, respectievelijk 201, eerste lid, onder b bedoelde verklaring juist was dan wel de in artikel 101, tweede lid, respectievelijk 201, tweede lid bedoelde oprichtingsbalans bij waardering van de getoonde activa en passiva naar in het maatschappelijk verkeer aanvaardbare maatstaven de toen bestaande toestand juist weergaf.

  • 4. Ontbinding kan worden verzocht door een belanghebbende of het openbaar ministerie. Van de indiening van het verzoek wordt door de indiener mededeling gedaan in de Staatscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de indiening tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving.

  • 5. De rechter gaat niet over tot ontbinding voordat hij de rechtspersoon in de gelegenheid heeft gesteld de gronden voor ontbinding weg te nemen. Voor wat betreft de in het derde lid, onder b, genoemde grond geldt dat de rechter de ontbinding niet uitspreekt alvorens hij de vennootschap in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn haar eigen vermogen alsnog in overeenstemming te brengen met de daar bedoelde verklaring of balans.

  • 6. De beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, houdt in de benoeming van een curator en de aanwijzing van een rechter commissaris.

  • 7. De vereffening van de ontbonden rechtspersoon geschiedt door de curator onder toezicht van de rechter commissaris, overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet BES.

  • 8. Van de beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, wordt door de curator mededeling gedaan in de Staatscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de beschikking tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 9. Is de ontbindingsgrond geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer oprichters, huidige of voormalige bestuurders of commissarissen, dan wel huidige of voormalige leden of aandeelhouders, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort. Artikel 14, vijfde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 25
  • 1. Een in het handelsregister ingeschreven rechtspersoon wordt op verzoek van de Kamer van Koophandel door een beschikking van de rechter ontbonden, indien:

    • a. de rechtspersoon, ondanks aanmaning, het voor zijn inschrijving in het handelsregister of voor de inschrijving van een aan hem toebehorende ondernemingverschuldigde bedrag niet heeft voldaan gedurende ten minste een jaar na de datum waarvoor hij dat bedrag had moeten voldoen;

    • b. er gedurende ten minste zes maanden geen bestuurders van de rechtspersoon in het register staan ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel met betrekking tot alle ingeschreven en tot inschrijving opgegeven bestuurders zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:

      • 1°. de bestuurder is overleden;

      • 2°. de bestuurder is gedurende zes maanden niet bereikbaar gebleken op het in het register of bij de opgaaf vermelde adres.

  • 2. Van haar voornemen ontbinding te verzoeken doet de Kamer van Koophandel schriftelijk mededeling aan alle ingeschreven en tot inschrijving opgegeven bestuurders op het in het register of bij de opgaaf vermelde adres. Ook doet zij daarvan mededeling in de Staatscourant en in een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnend nieuwsblad. De kosten van de publicaties zijn voor rekening van de rechtspersoon.

  • 3. Het ontbindingsverzoek kan uitsluitend worden ingediend binnen de periode gelegen tussen een maand en drie maanden na het verzenden van de in het tweede lid bedoelde mededeling en het verschijnen van de in vorige lid bedoelde publicaties. Van de indiening van het verzoek wordt door de Kamer inschrijving gedaan in het register.

  • 4. Verschijnt de rechtspersoon dan gaat de rechter niet tot ontbinding over alvorens hij de rechtspersoon in de gelegenheid heeft gesteld de gronden voor de ontbinding weg te nemen.

  • 5. Het zesde tot en met het negende lid van artikel 24 vinden overeenkomstige toepassing. Indien de rechter de Kamer van Koophandel tot curator benoemt kan de Kamer de benoeming niet weigeren.

Artikel 26
  • 1. De rechter voor wie een verzoek tot ontbinding van een rechtspersoonaanhangig is, kan op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een voorziening treffen als bedoeld in het derde lid van artikel 255 indien het belang van de rechtspersoon of een andere in artikel 7, eerste lid, bedoelde persoon, dan wel het belang van de crediteuren van de rechtspersoon dit eist. De overige bepalingen van artikel 255 vinden overeenkomstige toepassing.

  • 2. Zolang een verzoek tot ontbinding van een naamloze of besloten vennootschap aanhangig is, mogen de aandeelhouders hun aandelen niet vervreemden, verpanden of met vruchtgebruik belasten zonder toestemming van de rechter.

  • 3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor aandelen die worden verhandeld op een beurs.

Artikel 27
  • 1. De rechtspersoon wordt, onverminderd het elders in de wet bepaalde, ontbonden:

    • a. door een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is en de statuten dat toelaten, door een besluit van een daartoe in de statuten aangewezen orgaan of derde;

    • b. na faillietverklaring, door hetzij opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten, hetzij insolventie.

  • 2. Een bepaling in de akte van oprichting of de statuten die een andere wijze van ontbinding aangeeft wordt, onverminderd het elders in de wet bepaalde, voor niet geschreven gehouden.

  • 3. Van de ontbinding wordt door de vereffenaars, in het geval van het eerste lid, onder b, door de curator, mededeling gedaan in de Staatscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de ontbinding tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving.

Artikel 28
  • 1. Na haar ontbinding geldt als doel van de rechtspersoon de vereffening van zijn vermogen en alles wat daartoe dienstig kan zijn.

  • 2. In alle van de rechtspersoon uitgaande stukken worden aan de naam van de rechtspersoon aan het slot toegevoegd de voluit geschreven woorden «in liquidatie» of de vertaling daarvan in de daarvoor in aanmerking komende taal.

Artikel 29
  • 1. Indien noch bij de statuten noch bij besluit van de algemene vergadering vereffenaars zijn aangewezen of benoemd, treedt het bestuur als zodanig op. De rechter is te allen tijde bevoegd om op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een vereffenaar te ontslaan, een of meer andere vereffenaars aan te wijzen, deze van de nodige instructies te voorzien en een beslissing te nemen ten aanzien van de beloning van vereffenaars en de onderlinge verdeling van die beloning.

  • 2. Zijn er twee of meer vereffenaars, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden tot vereffening verrichten, tenzij anders is bepaald. Bij verschil van mening tussen de vereffenaars beslist de rechter op de voet van het eerste lid, tweede zin. Voor het overige vinden de bepalingen omtrent de bevoegdheden, plichten en aansprakelijkheid van bestuurders ten aanzien van de vereffenaars zo veel mogelijk toepassing, onverminderd het bepaalde in het eerste lid van artikel 28.

  • 3. Blijkt de vereffenaar dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen dan doet hij aangifte tot faillietverklaring, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd schriftelijk instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.

  • 4. Indien noch bij de statuten, noch bij besluit van de algemene vergadering of bij de aanwijzing van vereffenaars door de rechter anders is bepaald, heeft de raad van commissarissen ten aanzien van de vereffenaars dezelfde taak als hij voor de ontbinding ten aanzien van het bestuur had.

Artikel 30
  • 1. De vereffenaar maakt de activa van de rechtspersoon te gelde, wikkelt de verhoudingen tot derden af en betaalt de schulden. Hetgeen na de voldoening van de schuldeisers overblijft wordt aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd uitgekeerd, of anders aan de leden of aandeelhouders. Bij de naamloze en besloten vennootschap vindt het derde lid van artikel 118, respectievelijk artikel 218 overeenkomstige toepassing. Heeft geen ander recht op het overschot dan keert de vereffenaar dit uit aan de Staat.

  • 2. De vereffenaar is bevoegd om, indien de staat van de boedel daartoe aanleiding geeft, uitkeringen bij voorbaat te doen.

Artikel 31
  • 1. Zodra het einde van de vereffening in zicht is, stelt de vereffenaar een rekening en verantwoording op van de vereffening waaruit blijkt in hoeverre elk van de schuldeisers is voldaan en, zo van een overschot sprake is, de omvang en samenstelling daarvan. Ter zake van het overschot stelt hij een plan van uitkering op dat de grondslagen van de uitkering bevat.

  • 2. De vereffenaar legt de in het eerste lid genoemde stukken gedurende een periode van ten minste dertig dagen ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister. In de Staatscourant, alsmede schriftelijk aan houders van aandelen op naam en alle bekende crediteuren, maakt hij bekend waar en tot wanneer deze stukken ter inzage liggen.

  • 3. Uiterlijk op de dertigste dag nadat zowel de ter inzage legging als de bekendmaking daarvan in het blad, bedoeld in het vorige lid, heeft plaatsgevonden, kan iedere schuldeiser of gerechtigde tegen de in het eerste lid genoemde stukken door een verzoekschrift bij de rechter in verzet komen. De vereffenaar doet van gedaan verzet op dezelfde wijze mededeling als van de terinzage legging. Is geen verzet gedaan of is het gedaan verzet ingetrokken dan gaat de vereffenaar tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over.

  • 4. De rechter kan na gedaan verzet zodanige instructies voor een voortgezette vereffening geven en zodanige wijzigingen in het plan van uitkering aanbrengen als hem juist voorkomt.

  • 5. Zodra de beslissing op elk verzet onherroepelijk is geworden doet de vereffenaar daarvan mededeling op dezelfde wijze als van het gedaan verzet. Hij gaat vervolgens tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid vindt geen toepassing indien de vereffenaar terstond bij zijn aantreden vaststelt dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.

  • 7. De vereffening eindigt en de rechtspersoon houdt op te bestaan op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. De vereffenaar stelt een slotverantwoording op en legt deze ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister.

Artikel 32
  • 1. Op verzoek van iemand die daarbij een redelijk belang heeft kan de rechter de vereffening heropenen of alsnog openen en een of meer vereffenaars benoemen.

  • 2. Indien het verzoek is gedaan door een achteraf opkomende schuldeiser is de vereffenaar bevoegd van de rechthebbenden tot het overschot het door ieder te veel ontvangene terug te vorderen.

Artikel 33
  • 1. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden rechtspersoon gedurende tien jaren berusten onder de vereffenaar of de daartoe door de rechter op verzoek van de vereffenaar aangewezen bewaarder.

  • 2. Tegen een aanwijzing door de rechter is geen rechtsmiddel toegelaten.

Artikel 34
  • 1. Iedere bewaarder is gehouden zijn aanwijzing of benoeming als zodanig ter inschrijving op te geven aan het kantoor van de handelsregisters, waar de ontbonden rechtspersoon was ingeschreven.

  • 2. De rechthebbenden tot het overschot en hun rechtverkrijgenden kunnen door de rechter, worden gemachtigd tot inzage van de boeken en bescheiden, indien zij aantonen als zodanig bij die inzage een redelijk belang te hebben.

Artikel 35
  • 1. Rechterlijke uitspraken, inhoudende:

    • a. worden door de griffier van de rechterlijke instantie waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was aan de beheerder van het handelsregister gezonden met het verzoek zorg te dragen voor deponering en inschrijving van het uit die uitspraak blijkende relevante feit, zulks onverminderd de elders uit de wet voortvloeiende verplichting van anderen om van dat feit opgaaf ter inschrijving te doen.

  • 2. In geval van faillissement of surséance van betaling van een rechtspersoon die is ingeschreven in het handelsregister, worden de aankondigingen welke krachtens de Faillissementswet BES in de Staatscourant worden opgenomen, door hem die met die openbaarmaking is belast, mede ter inschrijving in dat register opgegeven.

Artikel 36
  • 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit boek wordt met een schriftelijke uiting gelijkgesteld een per exploit, telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekst overbrengend communicatiemiddel gedane uiting.

  • 2. Uit alle geschriften, gedrukte stukken en schriftelijke uitingen van de rechtspersoon, met uitzondering van uitingen per telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekstoverbrengend communicatiemiddel, moeten de volledige naam van de rechtspersoon, het openbaar lichaam waar hij zijn statutaire zetel heeft en zijn plaats van vestiging duidelijk blijken. Is de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister dan wordt ook het inschrijfnummer vermeld.

Artikel 37
  • 1. Voor de oprichting van een rechtspersoon, die bij notariële akte moet worden opgericht, zijn de oprichters aan de Staat een vast recht verschuldigd. De hoogte van het vast recht wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

  • 2. Het vast recht wordt ten behoeve van de Staat door de notaris voor wie de akte van oprichting wordt verleden geïnd. Indien een notaris nalaat het vast recht te innen, is hij niettemin afdrachtsplichtig.

  • 3. Het vast recht wordt op aangifte afgedragen binnen dertig dagen na de dag dat de akte van oprichting is verleden. De aangifte wordt gedaan door het aanbieden van de akte van oprichting.

  • 4. De aangifte wordt gelijktijdig met de betaling gedaan bij de ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba waar de akte van oprichting is verleden.

  • 5. Invordering geschiedt overeenkomstig afdeling 3 van titel 5 van hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES.

  • 6. Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de statuten en bij omzetting van een naamloze of besloten vennootschap, met dien verstande dat het vast recht dan door de vennootschap verschuldigd is.

TITEL 2 De stichting
Artikel 50
  • 1. De stichting en de stichting particulier fonds zijn als zodanig bij notariële akte opgerichte rechtspersonen die geen leden of aandeelhouders kennen en beogen met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken.

  • 2. Als leden van een stichting worden niet aangemerkt:

    • a. personen aan wie bij of krachtens de statuten de bevoegdheid is gegeven om in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te voorzien of om bestuurders of leden van andere organen van de stichting te schorsen en te ontslaan,

    • b. deelnemers aan een pensioenfonds dat door de stichting wordt beheerd.

  • 3. Het doel van een stichting die niet is een stichting particulier fonds, mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.

  • 4. Uitkeringen die voortvloeien uit een recht op pensioen, worden niet aangemerkt als uitkeringen bedoeld in het derde lid.

  • 5. Het doel van een stichting particulier fonds mag niet inhouden het uitoefenen van een bedrijf.

  • 6. Als bedrijf bedoeld in het vijfde lid wordt niet aangemerkt:

    • a. het zich bezig houden met de belegging van haar kapitaal, ongeacht de aard van die beleggingen;

    • b. het houden van een belang in een andere rechtspersoon;

    • c. het deelnemen in een commanditaire vennootschap als commanditaire vennoot.

  • 7. Waar in de wet gesproken wordt van stichting geldt de bepaling eveneens voor de stichting particulier fonds, tenzij het tegendeel blijkt.

Artikel 51
  • 1. De statuten moeten inhouden:

    • a. de naam van de stichting, met het woord stichting respectievelijk stichting particulier fonds of een vertaling daarvan als deel van de naam;

    • b. het doel van de stichting;

    • c. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders;

    • d. het openbaar lichaam waar zij haar zetel heeft;

    • e. de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de stichting of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld.

  • 2. De statuten van de stichting kunnen door haar organen slechts worden gewijzigd, indien en voor zover de statuten daartoe de mogelijkheid openen, onverminderd het bepaalde in artikel 5.

Artikel 52
  • 1. Wanneer een erflater iets heeft vermaakt aan een stichting die hij in een bij notariële akte gemaakte uiterste wilsbeschikking heeft opgericht, is de stichting erfgenaam of legataris, naar gelang het haar vermaakte aan een erfstelling of aan een legaat beantwoordt.

  • 2. Heeft hij bij een in andere vorm gemaakte uiterste wil verklaard een stichting in het leven te roepen, dan wordt deze beschikking aangemerkt als een aan de gezamenlijke erfgenamen opgelegde last om die stichting op te richten.

  • 3. Degene op wie een last om een stichting op te richten rust, kan daartoe op vordering van het openbaar ministerie worden veroordeeld door de rechter in eerste aanleg van het openbaar lichaam waar de erflater ten tijde van zijn overlijden woonde of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet binnen het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba had, door de rechter in eerste aanleg te Bonaire. De rechter kan bepalen, dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van hem die tot de rechtshandeling gehouden is of dat een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten.

Artikel 53
  • 1. Indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging uitsluiten of daarin niet voorzien, of zij die tot wijziging de bevoegdheid hebben zulks nalaten, kan de rechter op verzoek van een oprichter, van het bestuur of van het openbaar ministerie de statuten wijzigen.

  • 2. De rechter wijkt daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af. Indien wijziging van het doel noodzakelijk is, wijst hij een doel aan dat aan het bestaande verwant is. Met inachtneming van het vorenstaande is de rechter bevoegd, zo nodig, de statuten op andere wijze te wijzigen dan is verzocht.

  • 3. Met overeenkomstige toepassing van het eerste en tweede lid kan de rechter de statuten wijzigen om ontbinding van de stichting op een grond als vermeld in artikel 24 of artikel 57, eerste lid, onder a, te voorkomen.

  • 4. In een geding, waarin ontbinding van een stichting op een grond als in het derde lid vermeld wordt verzocht kan de rechter de in dit artikel bedoelde bevoegdheden ook ambtshalve uitoefenen.

Artikel 54
  • 1. Bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, dan wel het bestuur naar behoren wordt gevoerd, zijn het openbare ministerie en iedere belanghebbende bevoegd aan het bestuur inlichtingen te verzoeken.

    De inlichtingen worden desgevraagd op schrift gesteld.

  • 2. Bij niet of niet behoorlijke voldoening aan het verzoek, alsmede wanneer er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, kan de rechter, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, een onderzoeker benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij de stichting gedurende een bepaald tijdvak en daarover voor een bepaald of nader vast te stellen tijdstip schriftelijk aan hem te rapporteren. De rechter kan aan de onderzoeker richtlijnen verstrekken met betrekking tot de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht.

  • 3. Het bestuur is gehouden aan het onderzoek alle vereiste medewerking te verlenen.

    De rechter is bevoegd te dier zake de hem geraden voorkomende bevelen te geven. De rechter kan bepalen dat de verzoeker zekerheid stelt voor de kosten van het onderzoek op de door hem vast te stellen wijze en tot een door hem vast te stellen maximum.

  • 4. Op verzoek van de onderzoeker kan de rechter getuigen en deskundigen horen.

    Ook kan hij op verzoek van de onderzoeker dan wel op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker, de onderzoeker gehoord, voorzieningen treffen als bedoeld in het derde lid van artikel 255.

  • 5. De voorziening kan te allen tijde op verzoek van een belanghebbende worden ingetrokken, verlengd of gewijzigd. Zij vervalt op het door de rechter bepaalde tijdstip en in elk geval op het tijdstip dat twee maanden zijn verstreken nadat het rapport overeenkomstig het zesde lid ter griffie van het gerecht is neergelegd, tenzij voordien een verzoek is ingediend op de voet van artikel 55. De voorziening vervalt dan in elk geval wanneer het verzoek wordt afgewezen en die beslissing onherroepelijk is geworden. Wordt het verzoek geheel of gedeeltelijk toegewezen dan kan de rechter desgevraagd of ambtshalve de voorziening verlengen totdat overeenkomstig de statuten dan wel op de voet van artikel 56, tweede lid, in de vervulling van de ledige plaats is voorzien. Het vierde en vijfde lid van artikel 255 vinden overeenkomstige toepassing.

  • 6. Het door de onderzoeker uitgebrachte rapport wordt ter griffie van het gerecht neergelegd en in afschrift verstrekt aan de stichting en de oorspronkelijke verzoeker. Uit het rapport moet blijken dat de inhoud daarvan aan het bestuur in concept is voorgelegd alsmede tot welke opmerkingen van het bestuur en bijstellingen van de inhoud deze opmerkingen aanleiding hebben gegeven.

  • 7. Het is aan de onderzoeker verboden hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt verder bekend te maken dan zijn onderzoek met zich brengt.

  • 8. De rechter begroot de kosten van het onderzoek. Hij kan desgevraagd of ambtshalve bepalen dat deze kosten geheel of gedeeltelijk zullen worden gedragen door de stichting, de oorspronkelijke verzoeker dan wel, indien daartoe gronden zijn, een of meer van de huidige of voormalige bestuurders van de stichting.

  • 9. Ten aanzien van de stichting particulier fonds kan een verzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid uitsluitend worden gedaan door het openbaar ministerie. De tweede volzin van het vierde lid en het vijfde lid zijn in dit geval niet van toepassing.

Artikel 55
  • 1. Op verzoek van het openbaar ministerie of een belanghebbende kan een bestuurder door de rechter worden ontslagen indien:

    • a. hij iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of de statuten;

    • b. naar het oordeel van de rechter uit het in artikel 54, zesde lid, bedoelde rapport blijkt dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur of dat zijn optreden als zodanig aan een behoorlijk functioneren van het bestuur in de weg staat.

  • 2. De rechter kan bepalen dat een door hem ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar nadat het ontslag onherroepelijk is geworden geen bestuurder van een stichting kan zijn.

  • 3. Ten aanzien van de stichting particulier fonds kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden gedaan door het openbaar ministerie.

Artikel 56
  • 1. Telkens wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats voorzien. De rechter neemt daarbij zoveel mogelijk de statuten in acht.

  • 2. De rechter kan desverzocht of ambtshalve in de ledige plaats voorzien tegelijk met de toewijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 55.

Artikel 57
  • 1. De rechter ontbindt de stichting op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien:

    • a. het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel en in hoge mate onwaarschijnlijk is dat een voldoende vermogen door bijdragen of op andere wijze binnen afzienbare tijd zal worden verkregen;

    • b. het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt en wijziging van het doel niet in aanmerking komt.

  • 2. De rechter kan desverzocht of ambtshalve de stichting ontbinden tegelijk met de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 53 of 56.

  • 3. Het vierde tot en met het achtste lid van artikel 24 zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL 3 De vereniging
Artikel 70
  • 1. De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel, anders dan een dat is omschreven in artikel 90, eerste of tweede lid.

  • 2. Een vereniging wordt bij meerzijdige rechtshandeling opgericht.

  • 3. Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen.

Artikel 71
  • 1. Wordt een vereniging opgericht bij een notariële akte dan moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende bepalingen in acht worden genomen.

  • 2. De statuten moeten inhouden:

    • a. de naam van de vereniging en het openbaar lichaam waar zij haar zetel heeft;

    • b. het doel van de vereniging;

    • c. de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd;

    • d. de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering;

    • e. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders;

    • f. de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de vereniging of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld.

Artikel 72
  • 1. Een vereniging die niet overeenkomstig het eerste lid van artikel 71 is opgericht, kan geen regels kennen die als statuten in de zin van dit boek hebben te gelden, tenzij deze schriftelijk zijn vastgelegd in een daartoe bestemd document.

  • 2. De algemene vergadering van een vereniging als in het eerste lid bedoeld kan besluiten de statuten te doen opnemen in een notariële akte. Alsdan is artikel 71 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 73
  • 1. Een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, kan geen registergoederen verkrijgen en kan geen erfgenaam zijn.

  • 2. De bestuurders van een zodanige vereniging zijn hoofdelijk naast de vereniging verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur ontstaan of opeisbaar worden. Na hun aftreden zijn zij voorts hoofdelijk verbonden voor schulden, voortspruitend uit een tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling.

    Aansprakelijkheid ingevolge een der voorgaande volzinnen rust niet op degene die niet tevoren over de rechtshandeling is geraadpleegd en die heeft geweigerd haar, toen zij hem bekend werd, als bestuurder voor zijn verantwoording te nemen.

    Ontbreken personen die ingevolge de eerste of tweede volzin naast de vereniging zijn verbonden, dan zijn degenen die handelden, hoofdelijk verbonden.

  • 3. De bestuurders van een zodanige vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister. Daarbij leggen zij een afschrift van de statuten ten kantore van dat register neer. Is een afschrift bij het register neergelegd dan zijn in geval van statutenwijziging de bestuurders verplicht aldaar tevens een afschrift van de wijziging en van de gewijzigde statuten neer te leggen.

  • 4. Heeft de inschrijving bedoeld in het derde lid plaatsgevonden, dan is degene die uit hoofde van het tweede lid wordt verbonden slechts aansprakelijk, voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vereniging niet aan de verbintenis zal voldoen.

Artikel 74
  • 1. Een vereniging kan naast gewone leden ook een of meer andere soorten van leden hebben.

  • 2. Gewone leden hebben de rechten en verplichtingen die in dit boek aan leden zijn toegekend. Leden, niet zijnde gewone leden, hebben deze rechten en verplichtingen voor zover de statuten niet anders bepalen.

Artikel 75

Tenzij de statuten anders bepalen, beslist het bestuur over de toelating van een lid en kan bij niet-toelating de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten.

Artikel 76
  • 1. Het lidmaatschap van de vereniging is persoonlijk, tenzij de statuten anders bepalen.

  • 2. Tenzij de statuten van de vereniging anders bepalen, gaat het lidmaatschap van een rechtspersoon die door fusie of splitsing ophoudt te bestaan, over op de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving op een van de verkrijgende rechtspersonen.

Artikel 77

Verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.

Artikel 78
  • 1. Het lidmaatschap eindigt:

    • a. door de dood van het lid, tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten;

    • b. door opzegging door het lid;

    • c. door opzegging door de vereniging;

    • d. door ontzetting.

  • 2. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, voorts wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de opzegging door het bestuur.

  • 3. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

  • 4. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

  • 5. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een boekjaar eindigt, blijft, tenzij de statuten anders bepalen, desniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd.

Artikel 79
  • 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan opzegging van het lidmaatschap slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. In ieder geval kan het lidmaatschap worden beëindigd door opzegging tegen het eind van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, indien redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.

  • 2. Een opzegging in strijd met het in het eerste lid bepaalde, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgende op de datum waartegen was opgezegd.

  • 3. Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit of statutenwijziging waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld. Het besluit of de gewijzigde statutaire bepaling is alsdan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen.

  • 4. Een lid kan zijn lidmaatschap ook met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit is meegedeeld tot omzetting van de vereniging in een andere rechtsvorm, tot fusie of tot splitsing.

Artikel 80
  • 1. Het bestuur wordt uit de leden benoemd. De statuten kunnen echter bepalen dat bestuurders ook buiten de leden kunnen worden benoemd.

  • 2. De benoeming geschiedt door de algemene vergadering. De statuten kunnen de wijze van benoeming echter ook anders regelen, mits elk lid middellijk of onmiddellijk aan de stemming over de benoeming der bestuurders kan deelnemen.

  • 3. De statuten kunnen bepalen, dat een of meer der bestuurders, mits minder dan de helft, door andere personen dan de leden worden benoemd.

  • 4. Is in de statuten bepaald dat een bestuurder in een vergadering uit een bindende voordracht moet worden benoemd, dan kan aan die voordracht het bindend karakter worden ontnomen door een met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen genomen besluit van die vergadering. In de statuten kan worden bepaald dat op deze vergadering ten minste een bepaald aantal stemmen moet kunnen worden uitgebracht; dit aantal mag niet hoger worden gesteld dan twee derden van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht.

  • 5. Indien ingevolge de statuten een bestuurder door leden of afdelingen buiten een vergadering wordt benoemd, dan moet aan de leden gelegenheid worden geboden kandidaten te stellen. De statuten kunnen bepalen dat dit recht slechts aan een aantal leden gezamenlijk toekomt, mits hun aantal niet hoger wordt gesteld dan een vijfde van het aantal leden dat aan de verkiezing kan deelnemen. De statuten kunnen voorts bepalen dat aldus gestelde kandidaten slechts zijn benoemd, indien zij ten minste een bepaald aantal stemmen op zich hebben verenigd, mits dit aantal niet groter is dan twee derden van het aantal der uitgebrachte stemmen.

  • 6. Een bestuurder kan, ook al is hij voor een bepaalde tijd benoemd, te allen tijde door het orgaan dat hem heeft benoemd, worden ontslagen of geschorst. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bestuurders die bij de oprichting zijn aangewezen geacht te zijn benoemd door de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit.

  • 7. Tenzij de statuten anders bepalen, wijst het bestuur uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan.

  • 8. Indien artikel 18 toepassing heeft gevonden geldt het in dit artikel bepaalde voor de benoeming van het algemeen bestuur.

Artikel 81
  • 1. Behoudens het in artikel 82 bepaalde, hebben alle leden die niet geschorst zijn, toegang tot de algemene vergadering en hebben zij daar ieder één stem; een geschorst lid heeft toegang tot de vergadering waarin het besluit tot schorsing wordt behandeld, en is bevoegd daarover het woord te voeren. De statuten kunnen aan bepaalde leden meer dan één stem toekennen.

  • 2. Tenzij de statuten anders bepalen, treden de voorzitter en de secretaris van het bestuur of hun vervangers, als zodanig ook op bij de algemene vergadering.

  • 3. De statuten kunnen bepalen dat personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen lid zijn, in de algemene vergadering stemrecht kunnen uitoefenen. Het aantal der door hen gezamenlijk uitgebrachte stemmen zal echter niet meer mogen zijn dan de helft van het aantal der door de leden uitgebrachte stemmen.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen, kan iemand die krachtens het eerste lid of derde lid stemgerechtigd is, aan een andere stemgerechtigde schriftelijk volmacht verlenen tot het uitbrengen van zijn stem.

Artikel 82
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering zal bestaan uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen. De wijze van verkiezing en het aantal van de afgevaardigden worden door de statuten geregeld; elk lid moet middellijk of onmiddellijk aan de verkiezing kunnen deelnemen. Het vierde en vijfde lid van artikel 80 zijn bij de verkiezing van overeenkomstige toepassing. Artikel 81, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen afgevaardigde zijn.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat bepaalde besluiten van de algemene vergadering aan een referendum zullen worden onderworpen. De statuten regelen de gevallen waarin, de tijd waarbinnen, en de wijze waarop het referendum zal worden gehouden. Hangende de uitslag van het referendum wordt de uitvoering van het besluit geschorst.

Artikel 83
  • 1. Aan de algemene vergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan andere organen zijn toegekend.

  • 2. Een eenstemmig besluit van alle leden of afgevaardigden, ook al zijn deze niet in een vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur genomen, dezelfde kracht als een besluit van de algemene vergadering.

Artikel 84
  • 1. Het bestuur roept de algemene vergadering bijeen, zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt, of wanneer het daartoe volgens de wet of de statuten verplicht is.

    De statuten kunnen deze bevoegdheid ook aan anderen dan het bestuur verlenen.

  • 2. Op schriftelijk verzoek van ten minste een zodanig aantal leden of afgevaardigden als bevoegd is tot het uitbrengen van een tiende gedeelte der stemmen in de algemene vergadering of van een zoveel geringer aantal als bij de statuten is bepaald, is het bestuur verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken na indiening van het verzoek.

  • 3. Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen, tenzij in de statuten de wijze van bijeenroeping der algemene vergadering voor dit geval anders is geregeld, de verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan op de wijze waarop het bestuur de algemene vergadering bijeenroept of bij advertentie in ten minste één ter plaatse waar de vereniging gevestigd is, veelgelezen dagblad. De verzoekers kunnen alsdan anderen dan bestuurders belasten met de leiding der vergadering en het opstellen der notulen.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen wordt de vergadering gehouden in het openbaar lichaam van de statutaire zetel.

Artikel 85

De artikelen 80 tot en met 84 zijn van overeenkomstige toepassing op de afdelingen van een vereniging die geen rechtspersonen zijn en die een algemene vergadering en een bestuur hebben. Hetgeen in die artikelen omtrent de statuten is bepaald, kan in een afdelingsreglement worden neergelegd.

Artikel 86
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5 kan in de statuten van de vereniging geen verandering worden gebracht dan door een besluit van een algemene vergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. De termijn voor oproeping tot een zodanige vergadering bedraagt ten minste zeven dagen, de dag van de oproeping en de dag van vergadering niet meegerekend.

  • 2. Zij die de oproeping tot de algemene vergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten ten minste vijf dagen vóór de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage leggen tot na afloop van de dag waarop de vergadering wordt gehouden. Aan de afdelingen waaruit de vereniging bestaat en aan afgevaardigden moet het voorstel ten minste veertien dagen vóór de vergadering ter kennis zijn gebracht; de vorige volzin is alsdan niet van toepassing.

  • 3. Het bepaalde in de eerste twee leden is niet van toepassing, indien in de algemene vergadering alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en het besluit tot statutenwijziging met algemene stemmen wordt genomen. 4. Het in dit artikel en de eerste twee leden van het in artikel 87 bepaalde is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot ontbinding.

Artikel 87
  • 1. Tenzij de statuten anders bepalen, behoeft een besluit tot statutenwijziging ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen.

  • 2. Voor zover de bevoegdheid tot wijziging bij de statuten mocht zijn uitgesloten, is wijziging niettemin mogelijk met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

  • 3. Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen beperkt, kan slechts worden gewijzigd met inachtneming van gelijke beperking.

  • 4. Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen uitsluit, kan slechts worden gewijzigd met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

Artikel 88

De vereniging kan, voor zover uit de statuten niet het tegendeel voortvloeit, ten behoeve van de leden rechten bedingen en, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald, te hunnen laste verplichtingen aangaan. Zij kan nakoming van bedongen rechten jegens en schadevergoeding aan een lid vorderen, tenzij dit zich daartegen verzet.

Artikel 89
  • 1. Het bestuur brengt op een algemene vergadering binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering, een jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Het legt een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans, een staat van baten en lasten en een toelichting op deze stukken, ter goedkeuring aan de vergadering voor. De jaarrekening wordt ondertekend door de bestuurders en, zo die er zijn, de commissarissen; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Na verloop van de termijn kan ieder lid van de gezamenlijke bestuurders in rechte vorderen dat zij deze verplichtingen nakomen.

  • 2. Ontbreekt een raad van commissarissen en wordt omtrent de getrouwheid van de stukken aan de algemene vergadering niet overgelegd een verklaring afkomstig van een deskundige als bedoeld in artikel 121, eerste lid, dan benoemt de algemene vergadering jaarlijks een commissie van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken. De commissie onderzoekt de stukken bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid en brengt aan de algemene vergadering verslag van haar bevindingen uit. Het bestuur is verplicht de commissie ten behoeve van haar onderzoek alle door haar gevraagde inlichtingen te verschaffen, haar desgewenst de kas en de waarden te tonen en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vereniging voor raadpleging beschikbaar te stellen.

TITEL 4 De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij
Artikel 90
  • 1. De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen.

  • 2. De onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten of leden en mogelijk anderen in het kader van een wettelijke regeling verzekerd te houden, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent.

  • 3. De statuten van een coöperatie kunnen haar veroorloven overeenkomsten als die welke zij met haar leden sluit, ook met anderen aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de statuten van een onderlinge waarborgmaatschappij die geen bepaling als bedoeld in artikel 92 kennen.

  • 4. Indien een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij de in het derde lid bedoelde bevoegdheid uitoefent, mag zij dat niet in een zodanige mate doen, dat de overeenkomsten met de leden slechts van ondergeschikte betekenis zijn.

  • 5. De naam van een coöperatie moet het woord «coöperatief» bevatten of een afleiding daarvan, die van een onderlinge waarborgmaatschappij het woord «onderling» of «wederkerig» of een afleiding daarvan. Is de akte van oprichting in een andere taal dan de Nederlandse gesteld dan kan het equivalent van deze woorden in die andere taal worden gebruikt.

Artikel 91

De bepalingen van titel 3 zijn, met uitzondering van artikel 70, derde lid, op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij van toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.

Artikel 92
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat zij die bij de ontbinding leden waren, of minder dan een jaar te voren hebben opgehouden leden te zijn, tegenover de rechtspersoon naar de daarbij aangegeven maatstaf voor een tekort aansprakelijk zijn; wordt een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ontbonden door haar insolventie nadat zij in staat van faillissement is verklaard, dan wordt de termijn van een jaar niet van de dag der ontbinding, maar van de dag der faillietverklaring gerekend. De statuten kunnen een langere termijn dan een jaar vaststellen.

  • 2. Bevatten de statuten niet een maatstaf voor ieders aansprakelijkheid, dan zijn allen voor gelijke delen aansprakelijk.

  • 3. Kan op een of meer van de leden of oud-leden het bedrag van zijn aandeel in het tekort niet worden verhaald, dan zijn voor het ontbrekende de overige leden en oud-leden, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel, aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid bestaat ook, indien de vereffenaars afzien van verhaal op een of meer leden of oud-leden, op grond dat door de uitoefening van het verhaalsrecht een bate voor de boedel niet zou worden verkregen. Indien de vereffening geschiedt onder toezicht van personen, door de wet met dat toezicht belast, kunnen de vereffenaars van dat verhaal slechts afzien met machtiging van deze personen.

  • 4. De aansprakelijke leden en oud-leden zijn gehouden tot onmiddellijke betaling van hun aandeel in een geraamd tekort, vermeerderd met 50 ten honderd, of zoveel minder als de vereffenaars voldoende achten, tot voorlopige dekking van een nadere omslag voor de kosten van invordering en van het aandeel van hen, die in gebreke mochten blijven aan hun verplichting te voldoen.

  • 5. Een lid of oud-lid is niet bevoegd tot verrekening van zijn schuld uit hoofde van dit artikel.

Artikel 93
  • 1. Indien de statuten een regeling bevatten als bedoeld in artikel 92 kunnen zij de verplichting van de leden of oud-leden om in een tekort bij te dragen, tot een maximum beperken.

  • 2. Bevatten de statuten geen regeling als bedoeld in artikel 92 dan zijn de leden of oud-leden niet gehouden om in een tekort bij te dragen.

Artikel 94
  • 1. Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op, ten minste bestaande uit een balans, een winst en verliesrekening en een toelichting op deze stukken.

  • 2. De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt mede ondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld.

  • 3. De opgemaakte jaarrekening wordt aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen.

  • 4. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij.

  • 5. Artikel 15, derde lid, vindt overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gelden niet voor de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij die in haar statuten de artikelen 120 tot en met 122, al dan niet tezamen met de artikelen 123 en 124, van overeenkomstige toepassing heeft verklaard. In dat geval zijn ook de artikelen 125 en 126 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 95
  • 1. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn niet bevoegd door een besluit wijzigingen in de met haar leden in de uitoefening van haar bedrijf aangegane overeenkomsten aan te brengen, tenzij zij zich deze bevoegdheid in de overeenkomst op duidelijke wijze hebben voorbehouden. Een verwijzing naar statuten, reglementen, algemene voorwaarden of dergelijke, is daartoe niet voldoende.

  • 2. Op een wijziging als in het eerste lid bedoeld kan de rechtspersoon zich tegenover een lid slechts beroepen indien de wijziging schriftelijk aan het lid was medegedeeld.

Artikel 96

Voor de coöperatie geldt voorts dat, met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden. Een voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.

Artikel 97

Voor een coöperatie, die in haar statuten een regeling heeft opgenomen als bedoeld in artikel 92, gelden bovendien de volgende bepalingen:

  • a. Het lidmaatschap wordt schriftelijk aangevraagd. Aan de aanvrager wordt eveneens schriftelijk bericht, dat hij als lid is toegelaten of geweigerd. Wanneer hij is toegelaten, wordt hem tevens medegedeeld onder welk nummer hij als lid in de administratie der coöperatie is ingeschreven. Niettemin behoeft, ten bewijze van de verkrijging van het lidmaatschap, van een schriftelijke aanvrage en een schriftelijk bericht als hiervoor bedoeld, niet te blijken.

  • b. De geschriften, waarbij het lidmaatschap wordt aangevraagd, worden gedurende ten minster tien jaren door het bestuur bewaard. Echter behoeven de hier bedoelde geschriften niet te worden bewaard voor zover het betreft diegenen, van wie het lidmaatschap kan blijken uit een door en ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie.

  • c. De opzegging van het lidmaatschap kan slechts geschieden, hetzij bij een afzonderlijk geschrift, hetzij door een door het lid ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie. Het lid dat de opzegging doet, ontvangt daarvan een schriftelijke erkenning van het bestuur. Wordt de schriftelijke erkenning niet binnen veertien dagen gegeven, dan is het lid bevoegd de opzegging op kosten van de coöperatie bij deurwaardersexploot te herhalen.

  • d. Een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de ledenlijst wordt ten kantore van het handelsregister neergelegd bij de inschrijving van de coöperatie. Binnen een maand na het einde van ieder boekjaar wordt door het bestuur een schriftelijke opgave van de wijzigingen die de ledenlijst in de loop van het boek jaar heeft ondergaan, aan de ten kantore van het handelsregister neergelegde lijst toegevoegd of wordt, indien de Kamer van Koophandel dit nodig oordeelt, een nieuwe lijst neergelegd.

Artikel 98

Voor een onderlinge waarborgmaatschappij gelden voorts de volgende bepalingen:

  • a. Zij die als verzekeringnemer bij een onderlinge waarborgmaatschappij een overeenkomstvan verzekering lopende hebben, zijn van rechtswege lid van de waarborgmaatschappij. Bij de onderlinge waarborgmaatschappij die krachtens haar statuten ook verzekeringnemers die geen lid zijn mag verzekeren, kan van deze bepaling worden afgeweken.

  • b. Tenzij de statuten anders bepalen, duurt het lidmaatschap dat uit een verzekeringsovereenkomst ontstaat, voort totdat alle door het lid met de waarborgmaatschappij gesloten verzekeringsovereenkomsten zijn geëindigd. Bij overdracht of overgang van de rechten en verplichtingen uit zodanige overeenkomst gaat het lidmaatschap, voor zover uit die overeenkomst voortvloeiende, op de nieuwe verkrijger of de nieuwe verkrijgers over, een en ander behoudens afwijkende bepalingen in de statuten.

Artikel 99
  • 1. Het is aan een persoon die geen coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is, verboden zaken te doen met gebruik van de aanduiding «coöperatief», «onderling» of «wederkerig» of een afleiding daarvan.

  • 2. Ingeval van overtreding van dit verbod kan iedere coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij vorderen, dat de overtreder zich op straffe van een door de rechter te bepalen dwangsom onthoudt het gewraakte woord bij het doen van zaken te gebruiken.

TITEL 5 De naamloze vennootschap
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 100
  • 1. De naamloze vennootschap is een rechtspersoon met een of meer op naam of aan toonder gestelde aandelen.

  • 2. De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte. Bij de oprichting wordt ten minste één aandeel met volledig stemrecht, dat deelt in de winst, dan wel één aandeel met volledig stemrecht en één aandeel dat deelt in de winst, bij een oprichter of een derde geplaatst.

  • 3. Rechten die stemrecht noch aanspraak op winstuitkering omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt.

Artikel 101
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4, tweede lid, bevat de akte van oprichting in elk geval:

    • a. de aantallen en soorten van de bij de oprichting geplaatste aandelen, alsmede de namen en woonplaatsen van degenen die deze aandelen hebben genomen;

    • b. indien uitsluitend in geld wordt gestort, een verklaring van alle oprichters dat het eigen vermogen van de vennootschap bij oprichting niet negatief is.

  • 2. Wordt in natura gestort dan wordt aan de akte gehecht een door alle oprichters getekende oprichtingsbalans die een eigen vermogen toont dat niet negatief is.

  • 3. Heeft de vennootschap bij de oprichting een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het eerste lid onder b en het tweede lid het bedrag daarvan in aanmerking genomen.

  • 4. De akte wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht getekend door iedere oprichter en door ieder die blijkens de akte een of meer aandelen neemt.

Artikel 102
  • 1. De statuten vermelden de naam, het openbaar lichaam waar de vennootschap haar zetel heeft en het doel van de vennootschap. De naam vangt aan of eindigt met de woorden naamloze vennootschap, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot «N.V.». De naam mag niet in andere dan Latijnse schrifttekens gesteld zijn.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat er verschillende soorten aandelen zijn. Zij kunnen aan een of meer soorten een nominale waarde toekennen. De nominale waarde kan in een of meer vreemde muntsoorten worden uitgedrukt.

  • 3. Door statutenwijziging kan de nominale waarde worden opgeheven of gewijzigd. Vermeerdering van de nominale waarde mag er niet toe leiden dat het nominaal kapitaal groter wordt dan het eigen vermogen van de vennootschap. Als nominaal kapitaal heeft te gelden de som van de nominale waarden van de uitgegeven aandelen.

  • 4. Kennen de statuten aandelen met een nominale waarde, dan bevatten zij bepalingen met betrekking tot de aan die aandelen en andere aandelen verbonden stem-, winst- en liquidatierechten.

AFDELING 2 De aandelen
Artikel 103
  • 1. Voor zover de wet of de statuten niet anders bepalen zijn aan alle aandelen gelijke rechten en verplichtingen verbonden.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat ter zake van aandelen van een of meer soorten onderaandelen kunnen worden uitgegeven, die de bij de uitgifte aan te geven fractie van een aandeel vertegenwoordigen.

  • 3. De bepalingen van dit boek over aandelen en aandeelhouders vinden overeenkomstige toepassing op onderaandelen en houders daarvan voor zover uit die bepalingen niet anders blijkt.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen gelden voor de toepassing van artikel 129, eerste lid, en 132, eerste lid, onderaandelen die tezamen ten minste een of meer aandelen vertegenwoordigen als zoveel aandelen, ongeacht de gerechtigdheid tot de onderaandelen.

Artikel 104
  • 1. De algemene vergadering van aandeelhouders of een daartoe in of krachtens de statuten aangewezen ander orgaan is bevoegd na de oprichting te besluiten tot uitgifte van nieuwe aandelen op naam. De daarop volgende uitgifte geschiedt bij een door de vennootschap en de nemer getekende akte. Artikel 15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de akte.

  • 2. Aandelen aan toonder kunnen niet als zodanig worden uitgegeven. In de akte van oprichting kan echter ten aanzien van daarbij geplaatste aandelen worden bepaald dat op verzoek van de aandeelhouder een toonderbewijs wordt afgegeven, zulks tegen inlevering van het aandeelbewijs op naam, indien dit is afgegeven. Indien de statuten dat mogelijk maken kan dit ook worden bepaald in een latere akte van uitgifte. Vanaf de afgifte van het toonderbewijs geldt het betrokken aandeel als een aandeel aan toonder.

  • 3. Rust op de houder van het aandeel op naam een bijstortingsverplichting als bedoeld in artikel 107, vierde lid, dan wordt het toonderbewijs niet afgegeven voordat daaraan is voldaan.

Artikel 105
  • 1. Aan de latere verkrijger te goeder trouw kan niet worden tegengeworpen dat een aandeel aan toonder niet rechtsgeldig in omloop is gebracht of dat niet aan de stortingsplicht of bijstortingsplicht is voldaan.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat een daarbij aangewezen orgaan bevoegd is houders van aandelen aan toonder van een bepaalde soort of serie, dan wel alle houders van aandelen aan toonder te verplichten hun aandelen aan toonder om te zetten in aandelen op naam. De verplichting wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 130, eerste lid. Is de verplichting bekendgemaakt dan is artikel 301, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Aandelen aan toonder worden op verzoek van de aandeelhouder, onder afgifte van het aandeelbewijs aan de vennootschap, door deze in aandelen op naam omgezet.

  • 4. De aandeelhouder die ten genoege van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn toonderbewijs is verloren of teniet is gegaan wordt op zijn verzoek, tot het tegendeel blijkt, door de vennootschap als aandeelhouder op naam aangemerkt. Tegenover de vennootschap en derden is hij aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade.

Artikel 106
  • 1. Tenzij de statuten ten aanzien van alle of bepaalde soorten aandelen anders bepalen heeft iedere aandeelhouder bij uitgifte van aandelen ten aanzien van iedere soort een voorkeursrecht in evenredigheid met het aantal door hem gehouden aandelen van die soort. De statuten kunnen bepalen dat een in de statuten aangewezen orgaan bij alle of bepaalde emissies over het al of niet bestaan van een voorkeursrecht en de modaliteiten daarvan beslist.

  • 2. Ten aanzien van de bekendmaking van het voorkeursrecht vindt artikel 130, eerste lid, overeenkomstige toepassing. Het voorkeursrecht kan worden uitgeoefend gedurende ten minste twee weken na de bekendmaking.

Artikel 107
  • 1. De nemer van een aandeel is verplicht de tegenprestatie te voldoen die in de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte is vastgesteld. Indien anders dan in geld wordt gestort, wordt de waarde van de storting in de akte van oprichting of de akte van uitgifte in een bedrag weergeven. Worden aandelen met een nominale waarde genomen dan bedraagt de waarde van de tegenprestatie ten minste het nominale bedrag van het aandeel.

  • 2. In de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte kan worden bepaald dat de tegenprestatie, of een deel daarvan, pas na verloop van een bepaalde tijd opeisbaar zal zijn of pas opeisbaar zal zijn na een daartoe strekkend besluit van een in die akte of dat besluit genoemd orgaan. In geval van faillissement van de vennootschap gaat de bevoegdheid tot het nemen van dit besluit over op de curator.

  • 3. Voor zover de vordering van de vennootschap tot voldoening van de tegenprestatie niet onvoorwaardelijk opeisbaar is voordat één jaar na de uitgifte van het aandeel is verstreken, wordt deze vordering buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het eigen vermogen van de vennootschap, zoals bedoeld in dit boek, en bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde waarde.

  • 4. Als bijstortingsplicht wordt in de wet aangeduid iedere verplichting tot storting op een uitgegeven aandeel die niet onmiddellijk en onvoorwaardelijk opeisbaar is.

  • 5. Behoudens ontheffing van de bijstortingsplicht op de voet van artikel 115 kan de houder van een aandeel niet worden ontheven van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel. Bij vervreemding van een aandeel blijft de vervreemder nog gedurende een jaar naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen.

  • 6. Ten aanzien van een verplichting tot storting of bijstorting op een aandeel kan de wederpartij van de vennootschap zich nimmer op verrekening beroepen.

Artikel 108
  • 1. Aan de nemer of houder van een aandeel op naam wordt desgevraagd een op naam gesteld aandeelbewijs afgegeven. De waarde van de verrichte storting en de eventuele bijstortingsverplichting worden daarop aangetekend.

  • 2. Aan de latere verkrijger te goeder trouw kan niet worden tegengeworpen dat het daarop door de vennootschap vermelde aangaande de storting of de bijstortingsverplichting onjuist of onvolledig is.

Artikel 109
  • 1. Het bestuur houdt een register bij, waarin de namen en adressen van alle houders van aandelen op naam zijn opgenomen, met vermelding van de soort aandeel, het daaraan verbonden stemrecht, het daarop gestorte of als gestort weergegeven bedrag, de eventuele bijstortingsverplichting, de dag van verkrijging en het al of niet afgegeven zijn van een aandeelbewijs. Aangetekend worden ook de vestiging of overdracht van vruchtgebruik op de aandelen en de vestiging van pandrecht op de aandelen, alsmede een daarmee samenhangende overgang van stemrecht. Het register wordt regelmatig bijgehouden. Bij iedere mutatie wordt de dag waarop deze is aangebracht vermeld.

  • 2. Iedere aandeelhouder heeft recht op inzage in het register voor zover het betreft de door hem gehouden aandelen. De statuten kunnen het inzagerecht aan anderen toekennen.

Artikel 110
  • 1. Aandelen zijn overdraagbaar, behoudens het in artikel 111 en elders in de wet bepaalde.

  • 2. Levering van aandelen op naam geschiedt door een door partijen getekende akte van overdracht en hetzij betekening van die akte aan de vennootschap, hetzij erkenning van de overdracht door de vennootschap. Erkenning geschiedt door een ondertekende aantekening op de akte van overdracht of een aan de verkrijger gerichte schriftelijke verklaring van de vennootschap. Betreft het aandelen waarop een bijstortingsplicht rust, dan kan erkenning slechts geschieden wanneer de akte van overdracht een vaste dagtekening draagt.

  • 3. Indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven kan dat stuk, voorzien van een door partijen ondertekende aantekening tot overdracht, als akte van overdracht gelden.

  • 4. De statuten kunnen bepalen dat, indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven, als akte van overdracht uitsluitend kan gelden een stuk als bedoeld in het derde lid. Zij kunnen ook bepalen dat erkenning of betekening slechts kan geschieden na inlevering van het afgegeven aandeelbewijs, zulks onverminderd het recht van de opvolgend aandeelhouder op afgifte van een te zijnen name gesteld aandeelbewijs op de voet van artikel 108, eerste lid. In beide gevallen lijdt de regel uitzondering wanneer de vervreemder ten genoege van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn aandeelbewijs verloren is gegaan. De vervreemder, die zich op deze bepaling beroept, is tegenover de vennootschap en derden aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade.

  • 5. De levering en de dag daarvan worden in het register, bedoeld in artikel 109, aangetekend.

  • 6. Levering van beursgenoteerde aandelen kan ook geschieden overeenkomstig het bij die beurs gebruikelijke systeem.

Artikel 111
  • 1. De overdraagbaarheid van aandelen op naam kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van toedeling van aandelen op naam uit een gemeenschap.

  • 2. Een overdracht of toedeling die de instemming heeft van alle aandeelhouders is geldig.

  • 3. In geval van executoriaal beslag, faillissement, afgifte van een legaat of toedeling uit een gemeenschap kan de rechter bepalingen als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren. Het verzoek daartoe kan worden gedaan door onderscheidenlijk de executant, de curator of een belanghebbende bij de afgifte van het legaat of de toedeling. De rechter wijst het verzoek slechts toe indien de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen. De rechter kan bepalen dat de vennootschap aan de executant of de curator inzage moet geven in het register bedoeld in artikel 109.

Artikel 112
  • 1. De bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op aandelen kan niet bij de statuten worden beperkt of uitgesloten.

  • 2. Tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald, komen het stemrecht en de overige zeggenschapsrechten toe aan de aandeelhouder. De statuten kunnen de aan de vruchtgebruiker toekomende rechten beperken of uitsluiten.

Artikel 113
  • 1. De bevoegdheid tot het vestigen van een pandrecht op aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Voor zover het tegendeel niet volgt uit een voorziening als bedoeld in het tweede lid komen de aan het aandeel verbonden rechten toe aan de aandeelhouder.

  • 2. Tenzij de statuten anders bepalen kan bij de vestiging of in een aanvullende akte tussen aandeelhouder en pandhouder worden bepaald dat de aan de aandelen verbonden rechten, al dan niet voorwaardelijk, geheel of gedeeltelijk toekomen aan de pandhouder.

  • 3. Wordt pandrecht gevestigd met toepassing van het tweede lid van artikel 236 van Boek 3 en vervolgens een voorziening als bedoeld in het tweede lid van dit artikel getroffen in een aanvullende akte, dan is voor de geldigheid van die akte vereist dat artikel 110, tweede lid, overeenkomstige toepassing heeft gevonden. Ook artikel 110, derde, vierde en vijfde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

  • 4. In afwijking van het tweede lid van artikel 236 van Boek 3 kan pandrecht op aandelen op naam ook worden gevestigd zonder betekening of erkenning als bedoeld in artikel 110.

    Artikel 239 van Boek 3 vindt overeenkomstige toepassing.

AFDELING 3 Het vermogen en de jaarrekening
Artikel 114
  • 1. De vennootschap kan geen eigen aandelen nemen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in titel 7 kunnen de statuten de verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen van derden uitsluiten, beperken of aan voorwaarden onderwerpen. Zolang de vennootschap direct of indirect eigen aandelen houdt, kunnen de daaraan verbonden rechten niet worden uitgeoefend. Artikel 118, vijfde en zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op verkrijging van eigen aandelen.

  • 3. De vennootschap kan door een daarop gericht besluit van de algemene vergadering of een door de statuten aangewezen ander orgaan door de vennootschap gehouden eigen aandelen intrekken.

Artikel 115
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat een orgaan per soort aandelen kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling of ontheffing van een bijstortingsplicht als bedoeld in artikel 107, vierde lid, mits het eigen vermogen van de vennootschap op het tijdstip van de terugbetaling of ontheffing ten minste nihil is en door de terugbetaling of ontheffing niet negatief wordt. Een besluit dat niet aan deze voorwaarde voldoet heeft geen enkele rechtskracht.

  • 2. Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het eerste lid het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen.

Artikel 116
  • 1. Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op, ten minste bestaande uit een balans, een winst en verliesrekening en een toelichting op deze stukken.

  • 2. De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt mede ondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld.

  • 3. De opgemaakte jaarrekening wordt aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen.

  • 4. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap.

  • 5. Artikel 15, derde lid, vindt overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken.

  • 6. Iedere aandeelhouder en iedere houder van schuldbrieven aan toonder heeft gedurende twee jaren na het tijdstip van opmaken, onderscheidenlijk goedkeuren van de jaarrekening recht op inzage in de krachtens het vijfde lid bewaarde stukken.

Artikel 117
  • 1. De algemene vergadering of een ander daartoe bij de statuten aangewezen orgaan is bevoegd om een externe deskundige te benoemen ten einde op de boekhouding regelmatig toezicht te houden, alsmede aan de algemene vergadering verslag uit te brengen omtrent de door het bestuur opgemaakte jaarrekening.

  • 2. De deskundige is gerechtigd tot inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap, waarvan de kennisneming tot richtige vervulling van zijn taak nodig is. Het is hem verboden hetgeen hem nopens de zaken der vennootschap blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt.

  • 3. De deskundige brengt zijn verslag ook ter kennis van het bestuur, de raad van commissarissen en het orgaan dat hem heeft benoemd.

Artikel 118
  • 1. In onmiddellijke samenhang met de goedkeuring van de jaarrekening, beslist de algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan over de uitkering of inhouding van de uit die jaarrekening blijkende winst en over het doen van andere uitkeringen ten laste van het uit die jaarrekening blijkende eigen vermogen.

  • 2. De algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan kan besluiten tot het doen van tussentijdse uitkeringen ten laste van een lopend boekjaar of ten laste van een afgesloten boekjaar, waarvan de jaarrekening nog niet is goedgekeurd.

  • 3. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel bij iedere uitkering recht op een gelijk bedrag en geeft ieder onderaandeel recht op de dienovereenkomstige fractie van dat bedrag. De statuten kunnen bepalen dat de aandelen die de vennootschap zelf houdt meetellen bij de berekening van de verdeling van uitkeringen. De statuten kunnen de verdeling van uitkeringen geheel of gedeeltelijk overlaten aan een daartoe aangewezen orgaan.

  • 4. Het recht op uitkering vervalt door een tijdsverloop van drie jaren na het einde van de dag, waarop hetzij daaraan voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de uitkeringsgerechtigde daarvan kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Bij de statuten kan worden bepaald dat het recht op uitkering niet vervalt of een langere termijn worden gesteld.

  • 5. Uitkeringen aan aandeelhouders en andere uitkeringsgerechtigden mogen niet worden gedaan indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door die uitkering negatief zou worden. Een besluit tot het doen van een zodanige uitkering heeft geen enkele rechtskracht. Artikel 22, tweede lid, vindt geen toepassing, tenzij de uitkering is gedaan aan de regelmatige opvolgend houder van een toonderbewijs, dan wel van een aandeel of daarmee verbonden recht dat op een beurs verhandeld wordt.

  • 6. Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt vermoed te zijn gedaan in strijd met de eerste zin van het vijfde lid, indien de jaarrekening van het boekjaar ten laste waarvan de uitkering wordt gedaan, met inachtneming van die uitkering een eigen vermogen toont dat negatief is. Betreft het een uitkering als bedoeld in het eerste lid dan is het vermoeden onweerlegbaar.

  • 7. Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het vijfde lid het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen.

AFDELING 4 De jaarrekening bij de grote vennootschap
Artikel 119
  • 1. Voor een vennootschap die voldoet aan elk van de in het tweede lid omschreven criteria gelden in plaats van de artikelen 116 en 117 de artikelen 120 tot en met 126.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde criteria zijn:

    • a. bij de vennootschap zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba of op Curaçao of Sint Maarten op enig tijdstip in de periode tussen één maand voor en één maand na de balansdatum ten minste twintig werknemers, tezamen volmakende ten minste twintig mandagen, werkzaam krachtens een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, een groepsmaatschappij van de vennootschap, een uitzendbureau of een soortgelijke instelling; de waarde van de activa bedraagt, volgens een met inachtneming van het derde lid van artikel 120 opgemaakte balans, meer dan USD 2,8 miljoen of het equivalent daarvan in andere valuta;

    • b. de netto-omzet gedurende het boekjaar, berekend met inachtneming van het derde lid van artikel 120 opgemaakte jaarrekening, meer dan USD 5,6 miljoen of het equivalent daarvan in andere valuta.

  • 3. Een vennootschap die niet voldoet aan elk van de in het tweede lid omschreven criteria kan in haar statuten de artikelen 120 tot en met 122 van toepassing verklaren, al dan niet tezamen met de artikelen 123 en 124. In dat geval zijn ook de artikelen 125 en 126 van toepassing en gelden de artikelen 116 en 117 niet.

  • 4. De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen worden bijgesteld bij algemene maatregel van bestuur telkens wanneer de prijsontwikkeling daartoe aanleiding geeft.

Artikel 120
  • 1. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op en een jaarverslag en legt het deze stukken voor alle aandeelhouders ter inzage ten kantore van de vennootschap. De stukken worden opgemaakt in de taal van de statuten, tenzij de algemene vergadering tevoren anders heeft beslist.

  • 2. Het bestuur voegt aan de jaarrekening toe: de laatste beschikbare jaarrekening met de daarbij eventueel behorende deskundigenverklaring en het jaarverslag van de dochtermaatschappijen, voor zover deze niet zijn geconsolideerd tenzij, blijkens de toelichting op de jaarrekening, vermelding van deze gegevens van te verwaarlozen betekenis is voor het door de vennootschap te verschaffen inzicht als in het derde lid bedoeld.

  • 3. De jaarrekening wordt opgesteld volgens de door de International Accounting Standards Board (IASB) vastgestelde normen en geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap. De vennootschap mag de jaarrekening opstellen volgens andere internationaal aanvaarde normen, mits uit de toelichting blijkt welke gegronde redenen daartoe aanleiding hebben gegeven en volgens welke normen de jaarrekening is opgesteld.

  • 4. De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt mede ondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld.

  • 5. Het jaarverslag geeft een getrouw beeld van de toestand op de balansdatum en de gang van zaken gedurende het boekjaar van de vennootschap en van de dochtermaatschappijen waarvan de financiële gegevens in haar jaarrekening zijn opgenomen. Het bevat mede inlichtingen omtrent gebeurtenissen van bijzondere betekenis, die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden, terwijl voorts mededelingen worden gedaan over de verwachte gang van zaken. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening.

  • 6. Het jaarverslag wordt onverwijld na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn aangeboden aan de algemene vergadering. Tegelijkertijd wordt de opgemaakte jaarrekening aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen.

  • 7. Artikel 15, derde lid, vindt overeenkomstige toepassing op het jaarverslag, de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken.

Artikel 121
  • 1. De vennootschap verleent aan een externe deskundige die bevoegd is tot het afleggen van de in het vijfde lid van dit artikel bedoelde verklaring, de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening. De opdracht kan worden verleend aan een organisatie waarin deskundigen die mogen worden aangewezen, samenwerken.

  • 2. Tot het verlenen van de opdracht is de algemene vergadering bevoegd. Gaat deze daartoe niet over dan is de raad van commissarissen bevoegd of, zo deze ontbreekt of in gebreke blijft, het bestuur.

  • 3. De deskundige onderzoekt of de jaarrekening voldoet aan de in artikel 120, derde lid, gestelde vereisten. Hij gaat voorts na of het jaarverslag voor zover hij dat kan beoordelen, in overeenstemming met het in artikel 120, vijfde lid, bepaalde is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is.

  • 4. De deskundige is gerechtigd tot inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap waarvan de kennisneming tot richtige invulling van zijn taak nodig is. Het is hem verboden hetgeen hem nopens de zaken der vennootschap blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt.

  • 5. De deskundige brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit aan het orgaan dat hem heeft benoemd, het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen. Hij geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring, waarin hij zijn oordeel geeft over de getrouwheid van de jaarrekening en de gebleken tekortkomingen.

  • 6. Tot het afleggen van de in het vijfde lid bedoelde verklaring is bevoegd een register-accountant in de zin van de Nederlandse regelgeving, een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, Nederlands BW, een certified public accountant in de zin van de regelgeving in de Verenigde Staten, alsmede iemand die door Onze Minister van Financiën bij een herroepelijke vergunning als deskundige is toegelaten op grond van een bewijs dat betrokkene voldoet aan eisen van bekwaamheid. Deze eisen moeten op een niveau liggen dat gelijkwaardig is aan dat van een registeraccountant, accountant-administratieconsulent als bedoeld of certified public accountant als bedoeld. Onze Minister kan aan de vergunning voorwaarden verbinden.

  • 7. De jaarrekening kan door de algemene vergadering eerst worden goedgekeurd nadat zij kennis heeft kunnen nemen van de verklaring van de deskundige, die aan de jaarrekening moet zijn toegevoegd.

Artikel 122
  • 1. De vennootschap is verplicht binnen acht dagen na goedkeuring van de jaarrekening en gedurende twee jaar daarna een volledig afschrift van de jaarrekening, waarop de dag van de goedkeuring is aangetekend, ten kantore van de vennootschap ter inzage te leggen voor belanghebbenden.

  • 2. Is de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de in artikel 120, eerste lid, voor het opmaken daarvan voorgeschreven termijn goedgekeurd, dan wordt de opgemaakte jaarrekening onverwijld ten kantore van de vennootschap ter inzage gelegd voor belanghebbenden.

  • 3. Van de ter inzage legging als bedoeld in de het eerste en tweede lid wordt onverwijld mededeling gedaan ten kantore van het handelsregister, in het geval van het tweede lid met vermelding dat het een niet goedgekeurde jaarrekening betreft.

  • 4. De statuten kunnen bepalen dat een belanghebbende die inzage wil zich moet laten vertegenwoordigen door een persoon als bedoeld in artikel 121, zesde lid. Is dat het geval dan wordt daarvan melding gemaakt bij de mededeling ten kantore van het handelsregister als bedoeld in het derde lid.

  • 5. Aan de tot inzage gerechtigde belanghebbende of vertegenwoordiger wordt desgevraagd tegen kostprijs een afschrift van de ter inzage gelegde stukken verschaft.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gelden niet voor de vennootschap die met inachtneming van de in het eerste tot en met het derde lid genoemde termijnen en bijkomende eisen haar goedgekeurde dan wel opgemaakte jaarrekening voor een ieder ter inzage legt ten kantore van het handelsregister.

Artikel 123

De op een vennootschap rustende verplichtingen als vermeld in artikel 122 gelden niet indien:

  • a. de financiële gegevens van de vennootschap over het betrokken boekjaar door een andere rechtspersoon of een contractuele vennootschap zijn geconsolideerd in een jaarrekening die voldoet aan de normen als gesteld in artikel 120, derde lid; en

  • b. de onder a bedoelde andere rechtspersoon of contractuele vennootschap schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van de vennootschap die zijn ontstaan of zullen ontstaan binnen twee jaar na de afloop van het onder a bedoelde boekjaar, met vermelding van de datum van afloop van dat boekjaar; en

  • c. de verklaring als bedoeld onder b binnen zes maanden na afloop van het onder a bedoelde boekjaar is neergelegd ten kantore van het handelsregister waar de vennootschap is ingeschreven; en

  • d. binnen zes maanden na de balansdatum van de onder a bedoelde geconsolideerde jaarrekening, of op een later ingevolge artikel 122 geoorloofd tijdstip, die geconsolideerde jaarrekening is neergelegd ten kantore van de vennootschap of het onder c bedoelde handelsregister, een en ander met overeenkomstige toepassing van artikel 122.

Artikel 124
  • 1. De op een vennootschap rustende verplichtingen als vermeld in artikel 121 gelden niet indien aan de voorwaarden van artikel 123 is voldaan en bovendien alle aandeelhouders tijdens het boekjaar of binnen zes maanden na afloop daarvan schriftelijk hebben verklaard daarmee in te stemmen.

  • 2. In het geval bedoeld in het eerste lid hoeft ook geen jaarverslag te worden opgemaakt; voorts hoeft ook artikel 120, derde lid, niet te worden toegepast mits de jaarrekening bestaat uit ten minste een balans, een winst- en verliesrekening en een toelichting op deze stukken en zij een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap.

Artikel 125
  • 1. Indien door een jaarrekening of door tussentijdse cijfers, die de vennootschap overeenkomstig artikel 122 of anderszins openbaar heeft gemaakt, een misleidende voorstelling wordt gegeven van de toestand der vennootschap, zijn de bestuurders en commissarissen tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, door dezen dientengevolge geleden. De bestuurder of commissaris die bewijst dat zulks niet aan een tekortkoming zijnerzijds is te wijten, is niet aansprakelijk.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien door het niet tijdig opmaken of openbaar maken van de jaarrekening schade is geleden.

  • 3. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die de inhoud van de jaarrekening geheel of gedeeltelijk heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.

Artikel 126
  • 1. Iedere belanghebbende kan van de vennootschap in rechte nakoming vorderen van de in artikel 120, eerste, tweede en zesde lid, artikel 121, eerste lid en artikel 122 omschreven verplichtingen.

  • 2. Iedere belanghebbende die van oordeel is dat de jaarrekening of het jaarverslag niet voldoet aan het bepaalde in artikel 120, derde of vijfde lid, dan wel artikel 124, tweede lid, kan van de vennootschap in rechte vorderen deze stukken in te richten of aan te vullen overeenkomstig bij rechterlijk bevel te geven aanwijzing. De vordering kan ook betrekking hebben op een jaarrekening die nog niet is goedgekeurd. Zij kan ook worden ingesteld door het openbaar ministerie in algemeen belang.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde vordering moet worden ingesteld binnen zes maanden nadat aan de verplichting tot openbaarmaking is voldaan. Zij kan ook worden ingesteld vóór de openbaarmaking. Het verzoekschrift vermeldt in welk opzicht de jaarrekening of het jaarverslag herziening behoeven. De rechter beslist niet dan nadat hij de deskundige die met het onderzoek van de jaarrekening is belast geweest, in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over de onderwerpen van de vordering.

  • 4. Voor zover de rechter de vordering toewijst, geeft hij aan de vennootschap een bevel omtrent de wijze waarop deze de jaarrekening of het jaarverslag moet inrichten; het bevel bevat daaromtrent nauwkeurige aanwijzingen.

  • 5. De rechter kan, ook ambtshalve, beslissen dat het bevel mede of uitsluitend een of meer toekomstige jaarrekeningen of jaarverslagen betreft. Op verzoek van de vennootschap kan de rechter dit bevel intrekken of wijzigen wegens wijziging der omstandigheden. Hierover beslist de rechter niet dan nadat hij degene op wiens vordering het bevel is gegeven, in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

  • 6. Indien het bevel betrekking heeft op een goedgekeurde jaarrekening, vernietigt het bevel die goedkeuring. De rechter kan de gevolgen van de vernietiging beperken.

AFDELING 5 De algemene vergadering van aandeelhouders
Artikel 127
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen behoort aan de algemene vergadering van aandeelhouders, binnen de bij de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend.

  • 2. De aandeelhouders kunnen hun onderlinge verhouding en hun verhouding tot de vennootschap, daaronder begrepen de wijze waarop zij hun bevoegdheden als aandeelhouder zullen uitoefenen, nader regelen in een aandeelhoudersovereenkomst. De aandeelhoudersovereenkomst mag niet in strijd zijn met de wet of de statuten.

Artikel 128
  • 1. Jaarlijks wordt ten minste één algemene vergadering gehouden.

  • 2. Voor zover de statuten niet anders bepalen, zijn tot het bijeenroepen van een algemene vergadering iedere bestuurder en iedere commissaris bevoegd. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn steeds bevoegd tot bijeenroeping van de algemene vergadering.

Artikel 129
  • 1. Aandeelhouders die alleen of samen met andere aandeelhouders ten minste tien procent van de stemmen ten aanzien van een bepaald onderwerp kunnen uitbrengen, kunnen het bestuur of de raad van commissarissen schriftelijk verzoeken om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde te beraadslagen en te besluiten over dat onderwerp, mits zij daarbij een redelijk belang hebben.

  • 2. Indien het bestuur of de raad van commissarissen niet binnen veertien dagen na de dag dat het verzoek de vennootschap of het betrokken orgaan heeft bereikt, gevolg geeft aan een zodanig verzoek, kunnen de verzoekers zelf tot bijeenroeping overgaan. Met het oog daarop geeft het bestuur de verzoekers inzage in het register, bedoeld in artikel 109.

  • 3. Bij de oproeping door de aandeelhouders worden geen andere dan de aanvankelijk aangegeven onderwerpen als te behandelen vermeld.

  • 4. De oproeping en de daarbij behorende stukken worden mede gezonden aan iedere bestuurder en iedere commissaris.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 130, vijfde lid, worden de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde voorschriften mede in aanmerking genomen.

Artikel 130
  • 1. De oproeping geschiedt schriftelijk aan het adres van de betrokkene voor zover dit aan de vennootschap bekend is. Zijn aandelen aan toonder in omloop of zijn een of meer adressen van houders van aandelen op naam onbekend dan geschiedt de oproeping tevens door een aankondiging in de Staatscourant.

  • 2. De oproepingstermijn bedraagt ten minste twaalf dagen, de dag van oproeping en de dag van de vergadering niet meegerekend. Als dag van oproeping geldt de dag waarop de oproeping verzonden is dan wel, indien dat later is, de dag waarop de oproeping is geplaatst in het in het eerste lid bedoelde blad.

  • 3. De oproeping vermeldt de plaats van de vergadering en de te behandelen onderwerpen. Wordt een voorstel tot statutenwijziging gedaan dan wordt de letterlijke tekst van het voorstel meegezonden of ten kantore van de vennootschap voor de aandeelhouders ter inzage gelegd. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de aankondiging bedoeld in het eerste lid, indien daarvan sprake is.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen wordt een vergadering gehouden in het openbaar lichaam van de statutaire zetel. Voor een vennootschap als bedoeld in artikel 119 geldt dat de vergadering moet worden gehouden in het openbaar lichaam van de statutaire zetel.

  • 5. Zijn de voorschriften bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid niet in acht genomen, dan kunnen slechts geldige besluiten worden genomen in een vergadering waarin alle met betrekking tot dat onderwerp stemgerechtigde aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Ook dan kan over een onderwerp waarvan de behandeling niet met inachtneming van de statutaire oproepingstermijn is aangekondigd slechts rechtsgeldig worden besloten met algemene stemmen.

Artikel 131
  • 1. Iedere aandeelhouder en iedere stemgerechtigde is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde de algemene vergadering bij te wonen, daarin het woord te voeren en, voor zover hem dat toekomt, het stemrecht uit te oefenen.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat het recht om de algemene vergadering bij te wonen en daarin het woord te voeren slechts toekomt aan de aandeelhouder of stemgerechtigde die van zijn voornemen hiertoe op ten hoogste de derde dag voor de dag van de vergadering aan het bestuur van de vennootschap kennis geeft. Zijn toonderbewijzen in omloop dan kan de eis worden gesteld dat deze stukken uiterlijk op de dag van de kennisgeving bij de vennootschap of een aangewezen derde in bewaring worden gegeven. De statuten kunnen de in de eerste zin bedoelde rechten ook aan andere personen toekennen.

Artikel 132
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel recht op het uitbrengen van één stem ten aanzien van alle onderwerpen. Ten aanzien van houders van aandelen aan toonder gelden alleen die stemrechtbeperkingen die uitdrukkelijk op het toonderbewijs staan vermeld. Stemrecht kan niet bestaan los van een meer omvattend recht van aandeel.

  • 2. Geen stem kan worden uitgebracht op een aandeel dat toebehoort aan de vennootschap zelf. Tenzij de statuten anders bepalen kan evenmin stem worden uitgebracht op een aandeel dat toebehoort aan een rechtspersoon waarin de vennootschap krachtens stemrecht, direct of indirect, doorslaggevende zeggenschap kan uitoefenen, ook indien alle stemgerechtigden stemmen.

  • 3. De statuten kunnen bepalen dat de in artikel 131, eerste lid, bedoelde rechten uitsluitend kunnen worden uitgeoefend door degenen die op een in de statuten vastgestelde dag, de registratiedag, die rechten hadden en als zodanig aan het bestuur van de vennootschap bekend waren. De registratie dag mag ten hoogste twintig dagen voor die der vergadering liggen. Worden de aandelen verhandeld op een effectenbeurs, dan kan de in dit lid bedoelde termijn ten hoogste zestig dagen zijn en kunnen de statuten het vaststellen van de registratiedag overlaten aan een orgaan van de vennootschap. Als nadere voorwaarde voor de uitoefening van de in artikel 131, eerste lid, bedoelde rechten kunnen de statuten dan ook voorschrijven dat de betrokkene op de registratiedag in een bij of krachtens de statuten aangewezen register als rechthebbende is ingeschreven. Indien de statuten een registratiedag bevatten of een registratiedag krachtens de statuten is vastgesteld, wordt deze bij de oproeping vermeld.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen hebben bestuurders en commissarissen als zodanig in de algemene vergadering en bij de besluitvorming van de algemene vergadering een raadgevende stem.

Artikel 133
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen worden alle besluiten genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat bij staken van stemmen de beslissing wordt opgedragen aan een derde.

  • 3. Een door de vergadering aangewezen persoon houdt notulen bij van de beraadslagingen en de genomen besluiten. De notulen worden ondertekend door de voorzitter van de vergadering.

  • 4. De ondertekende notulen worden door het bestuur gedurende tien jaren bewaard.

  • 5. Iedere aandeelhouder heeft recht op een afschrift van de notulen.

  • 6. Het eerste tot en met vierde lid van dit artikel vinden overeenkomstige toepassing bij besluiten van andere organen. Het vijfde lid vindt overeenkomstige toepassing wanneer een ander orgaan dan de algemene vergadering een besluit neemt als bedoeld in artikel 104, eerste lid, 106, eerste lid, 107, tweede lid, 114, derde lid, 115, eerste lid, 117, eerste lid, 118, tweede lid, of 121, eerste lid.

Artikel 134
  • 1. Behoudens beperkingen volgens de statuten en onverminderd het bepaalde in artikel 5 is de algemene vergadering bevoegd de statuten te wijzigen. Een met algemene stemmen genomen besluit tot statutenwijziging waaraan alle stemgerechtigde personen hebben meegewerkt is geldig, ongeacht het daarover in de statuten bepaalde.

  • 2. Een statutaire bepaling die in de gegeven situatie tot gevolg zou hebben dat er geen stemgerechtigde personen als bedoeld in het eerste lid zijn, wordt, zolang die situatie voortduurt, voor niet geschreven gehouden.

  • 3. Gedurende het faillissement van de vennootschap kunnen de statuten slechts worden gewijzigd met instemming van de curator.

  • 4. Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor de rechtspositie van een krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de vennootschap betrokken persoon wordt aangetast, wordt op vordering van de betrokkene vernietigd, mits deze een zwaarwegend belang heeft bij de handhaving van die rechtspositie. Artikel 21, vierde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 135
  • 1. Een besluit van de algemene vergadering kan ook tot stand komen door schriftelijke stemuitbrenging buiten vergadering, mits alle met betrekking tot dat onderwerp stemgerechtigde personen stem hebben uitgebracht. Alle aandeelhouders op naam, bestuurders en commissarissen ontvangen tijdig bericht van de voorgenomen besluitvorming buiten vergadering.

  • 2. Het derde tot en met het vijfde lid van artikel 133 vindt overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6 Het bestuur
Artikel 136
  • 1. De benoeming van bestuurders die niet in de akte van oprichting zijn aangewezen geschiedt door de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen.

  • 2. Tenzij de statuten anders bepalen is het orgaan of degene die de bestuurder heeft benoemd te allen tijde bevoegd die bestuurder te schorsen of te ontslaan. Ten aanzien van de bestuurders die in de akte van oprichting zijn aangewezen komen de in de eerste volzin omschreven bevoegdheden toe aan de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen komt de bevoegdheid de bezoldiging van een bestuurder vast te stellen toe aan de algemene vergadering.

  • 4. Een schorsing in de zin van dit artikel vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen.

Artikel 137

Artikel 136 vindt geen toepassing ten aanzien van de uitvoerend bestuurders als zodanig indien in de statuten toepassing is gegeven aan artikel 18.

AFDELING 7 De onafhankelijke raad van commissarissen
Artikel 139

Bepalen de statuten dat er een raad van commissarissen is, dan kunnen zij tevens bepalen dat deze onafhankelijk is in de zin van dit artikel. In dat geval gelden, in afwijking van artikel 19, de artikelen 140 tot en met 143.

Artikel 140
  • 1. De raad van commissarissen bestaat uit ten minste drie natuurlijke personen. Is het aantal commissarissen minder dan drie dan neemt het bestuur, of indien het bestuur dit nalaat, de raad van commissarissen onverwijld maatregelen tot aanvulling van zijn ledental door benoeming overeenkomstig artikel 141. Commissarissen mogen direct noch indirect aandelen in de vennootschap of een groepsmaatschappij of daarvan afgeleide rechten hebben.

  • 2. Tot de taak van de raad van commissarissen behoort in elk geval het houden van toezicht op het bestuur. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad zich op het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. De raad ziet er op toe dat de belangen van minderheidsaandeelhouders en werknemers niet onnodig of onevenredig worden geschaad.

  • 3. De raad van commissarissen is zonder beperking bevoegd een bestuurder te schorsen. De schorsing vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen.

  • 4. De raad van commissarissen stelt na overleg met het bestuur een reglement vast waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van de taakvervulling en de besluitvorming door het bestuur. Bepaalde categorieën van handelingen of besluiten van het bestuur kunnen door dit reglement aan de goedkeuring van de raad van commissarissen worden onderworpen.

  • 5. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en van zijn leden bevatten.

  • 6. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen en de individuele commissarissen tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens.

  • 7. Het bepaalde bij de artikelen 9, 14 en 16 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen.

Artikel 141
  • 1. Een commissaris wordt in de akte van oprichting aangewezen of door de algemene vergadering benoemd voor een periode die eindigt aan het einde van de eerste algemene vergadering die gehouden wordt nadat minimaal drie en maximaal zes jaar sedert zijn aanwijzing of benoeming is verstreken.

  • 2. De bevoegdheid tot benoeming van een commissaris kan niet anders worden beperkt dan door de vereisten van quorum, versterkte meerderheid van maximaal twee derden van de uitgebrachte stemmen of een door de raad van commissarissen zelf op te stellen bindende voordracht. Een bindende voordracht kan te allen tijde door een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen ter zijde worden gesteld. Een quorum-vereiste geldt niet in een vergadering die wordt gehouden binnen drie weken nadat het nemen van het benoemingsbesluit op dat quorumvereiste is afgestuit.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen komt de bevoegdheid de bezoldiging van een commissaris vast te stellen toe aan de algemene vergadering. De bezoldiging kan niet afhankelijk zijn van de financiële resultaten van de vennootschap. Zij kan niet bestaan of mede bestaan uit aandelen in de vennootschap of een groepsmaatschappij of daarvan afgeleide rechten.

Artikel 142
  • 1. Een commissaris kan te allen tijde worden geschorst of ontslagen door de raad van commissarissen op een niet voor beperking vatbare voordracht van de algemene vergadering of het bestuur of een ander in de statuten aangewezen orgaan.

  • 2. Op verzoek van de algemene vergadering, het bestuur, de raad van commissarissen of een ander in de statuten aangewezen orgaan kan een commissaris worden geschorst of ontslagen door de rechter indien hij zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervult of wegens andere gewichtige redenen. De rechter kan, hangende het onderzoek, voorzieningen treffen als bedoeld in het derde lid van artikel 255. De overige bepalingen van artikel 255 vinden overeenkomstige toepassing.

  • 3. Een schorsing vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de schorsing is ontslagen.

Artikel 143
  • 1. Rechtshandelingen van de vennootschap met een bestuurder, commissaris of aandeelhouder, het prijsgeven van een recht daaronder begrepen, mogen niet worden verricht zonder de voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het aanspannen van een rechtsgeding tegen een bestuurder, commissaris of aandeelhouder, tenzij het betreft een geding als bedoeld in artikel 142, tweede lid.

Artikel 144
  • 1. Voor de vennootschap gelden in plaats van de artikelen 116 en 117 de artikelen 120 tot en met 126, ongeacht of zij aan de criteria van artikel 119, tweede lid, voldoet.

  • 2. De in artikel 120, vierde lid, bedoelde opgemaakte jaarrekening behoeft de instemming van de raad van commissarissen. De raad van commissarissen is bevoegd wijzigingen aan te brengen in de opgemaakte jaarrekening alvorens deze aan de algemene vergadering ter goedkeuring wordt voorgelegd. De wijzigingen worden schriftelijk toegelicht.

TITEL 6 De besloten vennootschap
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 200
  • 1. De besloten vennootschap is een rechtspersoon met een of meer op naam gestelde aandelen. De vennootschap kent geen aandelen aan toonder.

  • 2. De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte. Bij de oprichting wordt ten minste één aandeel met volledig stemrecht, dat deelt in de winst, dan wel één aandeel met volledig stemrecht en één aandeel dat deelt in de winst, bij een oprichter of een derde geplaatst.

  • 3. Rechten die stemrecht noch aanspraak op winstuitkering omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt.

Artikel 201
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4, tweede lid, bevat de akte van oprichting in elk geval:

    • a. de aantallen en soorten van de bij de oprichting geplaatste aandelen, alsmede de namen en woonplaatsen van degenen die deze aandelen hebben genomen;

    • b. indien uitsluitend in geld wordt gestort, een verklaring van alle oprichters dat het eigen vermogen van de vennootschap bij oprichting niet negatief is.

  • 2. Wordt in natura gestort dan wordt aan de akte gehecht een door alle oprichters getekende oprichtingsbalans die een eigen vermogen toont dat niet negatief is.

  • 3. Heeft de vennootschap bij de oprichting een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het eerste lid onder b en het tweede lid het bedrag daarvan in aanmerking genomen.

  • 4. De akte wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht getekend door iedere oprichter en door ieder die blijkens de akte een of meer aandelen neemt.

Artikel 202
  • 1. De statuten vermelden de naam, het openbaar lichaam waar de vennootschap haar zetel heeft en het doel van de vennootschap. De naam vangt aan of eindigt met de woorden besloten vennootschap, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot «B.V.». De naam mag niet in andere dan Latijnse schrifttekens gesteld zijn.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat er verschillende soorten aandelen zijn. Zij kunnen aan een of meer soorten een nominale waarde toekennen. De nominale waarde kan in een of meer vreemde muntsoorten worden uitgedrukt.

  • 3. Door statutenwijziging kan de nominale waarde worden opgeheven of gewijzigd. Vermeerdering van de nominale waarde mag er niet toe leiden dat het nominaal kapitaal groter wordt dan het eigen vermogen van de vennootschap. Als nominaal kapitaal heeft te gelden de som van de nominale waarden van de uitgegeven aandelen.

  • 4. Kennen de statuten aandelen met een nominale waarde dan bevatten zij bepalingen met betrekking tot de aan die aandelen en andere aandelen verbonden stem-, winst- en liquidatierechten.

  • 5. In afwijking van artikel 3, tweede lid, kunnen de statuten bepalen dat houders van aandelen of van een bepaald soort aandelen persoonlijk aansprakelijk zijn, al dan niet hoofdelijk, voor bepaalde of alle schulden van de vennootschap. In dat geval komt het in artikel 209, tweede lid, bedoelde inzagerecht toe aan iedere belanghebbende. Iedere belanghebbende kan voorts verlangen dat aan hem wordt afgegeven een door het bestuur van de vennootschap gewaarmerkt uittreksel uit het register waarop de voor hem van belang zijnde gegevens staan vermeld. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een zodanige persoonlijke aansprakelijkheid wordt ingevoerd, gewijzigd of afgeschaft, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders.

  • 6. Wordt door statutenwijziging een aansprakelijkheidsregeling als bedoeld in het vijfde lid afgeschaft of gewijzigd, waardoor de aansprakelijkheid van een of meer aandeelhouders vervalt of vermindert, dan heeft die afschaffing of wijziging ook effect voor bestaande schulden, zulks slechts met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval of de vermindering van de aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat de statutenwijziging heeft plaatsgevonden, ten aanzien van de betrokken aandeelhouder een daarop aansluitende aantekening in het register als bedoeld in artikel 209 is gedaan, alles onverminderd het bepaalde in de Handelsregisterwet 2009 BES. De statuten kunnen deze termijn verlengen.

  • 7. Houdt een aandeelhouder, op wie een aansprakelijkheid rust uit hoofde van een statutaire bepaling als bedoeld in het vijfde lid, op aandeelhouder te zijn, dan vervalt ook de aansprakelijkheid voor bestaande schulden, zulks echter met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval van aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat zijn aandeelhouderschap is geëindigd, daarvan aantekening is gedaan in het register als bedoeld in artikel 209. De statuten kunnen deze termijn verlengen.

  • 8. De statuten kunnen, naast het bepaalde in artikel 27, andere wijzen van ontbinding aangeven. Een ontbinding krachtens een statutaire bepaling treedt niet in alvorens daaraan bekendheid is gegeven door de vereffenaars overeenkomstig artikel 27, tweede lid. De statutaire bepaling verliest haar geldigheid indien de bekendmaking niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dat voor het eerst mogelijk was is geschied.

AFDELING 2 De aandelen
Artikel 203
  • 1. Voor zover de wet of de statuten niet anders bepalen zijn aan alle aandelen gelijke rechten en verplichtingen verbonden.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat ter zake van aandelen van een of meer soorten onderaandelen kunnen worden uitgegeven, die de bij de uitgifte aan te geven fractie van een aandeel vertegenwoordigen.

  • 3. De bepalingen van dit boek, over aandelen en aandeelhouders vinden overeenkomstige toepassing op onderaandelen en houders daarvan voor zover uit die bepalingen niet anders blijkt.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen gelden voor de toepassing van artikel 229, eerste lid, en 232, eerste lid, onderaandelen die tezamen ten minste een of meer aandelen vertegenwoordigen als zoveel aandelen, ongeacht de gerechtigdheid tot de onderaandelen.

Artikel 204

De algemene vergadering van aandeelhouders of een daartoe in of krachtens de statuten aangewezen ander orgaan is bevoegd na de oprichting te besluiten tot uitgifte van nieuwe aandelen. De daarop volgende uitgifte geschiedt bij een door de vennootschap en de nemer getekende akte. Artikel 15, derde lid is van overeenkomstige toepassing op de akte.

Artikel 205

<<r>>

Artikel 206

De statuten kunnen bepalen dat, al dan niet krachtens besluit van een daartoe aangewezen orgaan, bepaalde of alle aandeelhouders bij uitgifte van bepaalde of alle aandelen een voorkeursrecht hebben in een daarbij te bepalen verhouding.

Artikel 207
  • 1. De nemer van een aandeel is verplicht de tegenprestatie te voldoen die in de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte is vastgesteld. Indien anders dan in geld wordt gestort, wordt de waarde van de storting in de akte van oprichting of de akte van uitgifte in een bedrag weergeven. Worden aandelen met een nominale waarde genomen dan bedraagt de waarde van de tegenprestatie ten minste het nominale bedrag van het aandeel.

  • 2. In de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte kan worden bepaald dat de tegenprestatie, of een deel daarvan, pas na verloop van een bepaalde tijd opeisbaar zal zijn of pas opeisbaar zal zijn na een daartoe strekkend besluit van een in die akte of dat besluit genoemd orgaan. In geval van faillissement van de vennootschap gaat de bevoegdheid tot het nemen van dit besluit over op de curator.

  • 3. Voor zover de vordering van de vennootschap tot voldoening van de tegenprestatie niet onvoorwaardelijk opeisbaar is voordat één jaar na de uitgifte van het aandeel is verstreken, wordt deze vordering buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het eigen vermogen van de vennootschap, zoals bedoeld in dit boek, en bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde waarde.

  • 4. Als bijstortingsplicht wordt in de wet aangeduid iedere verplichting tot storting op een uitgegeven aandeel die niet onmiddellijk en onvoorwaardelijk opeisbaar is.

  • 5. Behoudens ontheffing van de bijstortingsplicht op de voet van artikel 215 kan de houder van een aandeel niet worden ontheven van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel. Bij vervreemding van een aandeel blijft de vervreemder nog gedurende een jaar naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen.

  • 6. Ten aanzien van een verplichting tot storting of bijstorting op een aandeel kan de wederpartij van de vennootschap zich nimmer op verrekening beroepen.

Artikel 208
  • 1. Aan de nemer of houder van een aandeel wordt desgevraagd een op naam gesteld aandeelbewijs afgegeven. De waarde van de verrichte storting en de eventuele bijstortingsverplichting worden daarop aangetekend.

  • 2. Aan de latere verkrijger te goeder trouw kan niet worden tegengeworpen dat het daarop door de vennootschap vermelde aangaande de storting of de bijstortingsverplichting onjuist of onvolledig is.

Artikel 209
  • 1. Het bestuur houdt een register bij, waarin de namen en adressen van alle houders van aandelen zijn opgenomen, met vermelding van de soort aandeel, daaraan verbonden stemrecht, het daarop gestorte of als gestort weergegeven bedrag, de eventuele bijstortingsverplichting, de dag van verkrijging, de eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 205, vijfde lid, en het al of niet afgegeven zijn van een aandeelbewijs. Aangetekend worden ook de vestiging of overdracht van vruchtgebruik op de aandelen en de vestiging van pandrecht op de aandelen, alsmede een daarmee samenhangende overgang van stemrecht. Het register wordt regelmatig bijgehouden. Bij iedere mutatie wordt de dag waarop deze is aangebracht vermeld.

  • 2. Iedere aandeelhouder heeft recht op inzage in het register. De statuten kunnen het inzagerecht aan anderen toekennen.

Artikel 210
  • 1. Aandelen zijn overdraagbaar, behoudens het in artikel 211 en elders in de wet bepaalde.

  • 2. Levering van aandelen geschiedt door een door partijen getekende akte van overdracht en hetzij betekening van die akte aan de vennootschap, hetzij erkenning van de overdracht door de vennootschap. Erkenning geschiedt door een ondertekende aantekening op de akte van overdracht of een aan de verkrijger gerichte schriftelijke verklaring van de vennootschap. Betreft het aandelen waarop een bijstortingsplicht rust, dan kan erkenning slechts geschieden wanneer de akte van overdracht een vaste dagtekening draagt.

  • 3. Indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven kan dat stuk, voorzien van een door partijen ondertekende aantekening tot overdracht, als akte van overdracht gelden.

  • 4. De statuten kunnen bepalen dat, indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven, als akte van overdracht uitsluitend kan gelden een stuk als bedoeld in het derde lid. Zij kunnen ook bepalen dat erkenning of betekening slechts kan geschieden na inlevering van het afgegeven aandeelbewijs, zulks onverminderd het recht van de opvolgend aandeelhouder op afgifte van een te zijnen name gesteld aandeelbewijs op de voet van artikel 208, eerste lid. In beide gevallen lijdt de regel uitzondering wanneer de vervreemder ten genoege van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn aandeelbewijs verloren is gegaan. De vervreemder, die zich op deze bepaling beroept, is tegenover de vennootschap en derden aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade.

  • 5. De levering en de dag daarvan worden in het register, bedoeld in artikel 209, aangetekend.

Artikel 211
  • 1. De overdraagbaarheid van aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van toedeling van aandelen uit een gemeenschap.

  • 2. Een overdracht of toedeling die de instemming heeft van alle aandeelhouders is geldig.

  • 3. In geval van executoriaal beslag, faillissement, afgifte van een legaat of toedeling uit een gemeenschap kan de rechter bepalingen als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren. Het verzoek daartoe kan worden gedaan door onderscheidenlijk de executant, de curator of een belanghebbende bij de afgifte van het legaat of de toedeling. De rechter wijst het verzoek slechts toe indien de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen. De rechter kan bepalen dat de vennootschap aan de executant of de curator inzage moet geven in het register bedoeld in artikel 209.

Artikel 212
  • 1. De bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op aandelen kan niet bij de statuten worden beperkt of uitgesloten.

  • 2. Tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald, komen het stemrecht en de overige zeggenschapsrechten toe aan de aandeelhouder. De statuten kunnen de aan de vruchtgebruiker toekomende rechten beperken of uitsluiten.

Artikel 213
  • 1. De bevoegdheid tot het vestigen van een pandrecht op aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Voor zover het tegendeel niet volgt uit een voorziening als bedoeld in het tweede lid komen de aan het aandeel verbonden rechten toe aan de aandeelhouder.

  • 2. Tenzij de statuten anders bepalen kan bij de vestiging of in een aanvullende akte tussen aandeelhouder en pandhouder worden bepaald dat de aan de aandelen verbonden rechten, al dan niet voorwaardelijk, geheel of gedeeltelijk toekomen aan de pandhouder.

  • 3. Wordt pandrecht gevestigd met toepassing van het tweede lid van artikel 236 van Boek 3 en vervolgens een voorziening als bedoeld in het tweede lid van dit artikel getroffen in een aanvullende akte, dan is voor de geldigheid van die akte vereist dat artikel 210, tweede lid, overeenkomstige toepassing heeft gevonden. Ook artikel 210, derde, vierde en vijfde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

  • 4. In afwijking van het tweede lid van artikel 236 van Boek 3 kan pandrecht op aandelen op naam ook worden gevestigd zonder betekening of erkenning als bedoeld in artikel 210. Artikel 239 van Boek 3 vindt overeenkomstige toepassing.

AFDELING 3 Het vermogen en de jaarrekening
Artikel 214
  • 1. De vennootschap kan geen eigen aandelen nemen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in titel 7 kunnen de statuten de verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen van derden uitsluiten, beperken of aan voorwaarden onderwerpen. Zolang de vennootschap direct of indirect eigen aandelen houdt, kunnen de daaraan verbonden rechten niet worden uitgeoefend. Artikel 218, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op verkrijging van eigen aandelen.

  • 3. De vennootschap kan door een daarop gericht besluit van de algemene vergadering of een door de statuten aangewezen ander orgaan door de vennootschap gehouden eigen aandelen intrekken.

Artikel 215
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat een orgaan per soort aandelen kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling of ontheffing van een bijstortingsplicht als bedoeld in artikel 207, vierde lid, mits het eigen vermogen van de vennootschap op het tijdstip van de terugbetaling of ontheffing ten minste nihil is en door de terugbetaling of ontheffing niet negatief wordt. Een besluit dat niet aan deze voorwaarde voldoet heeft geen enkele rechtskracht.

  • 2. Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het eerste lid het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen.

Artikel 216
  • 1. Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op, ten minste bestaande uit een balans, een winst en verliesrekening en een toelichting op deze stukken.

  • 2. De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt mede ondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld.

  • 3. De opgemaakte jaarrekening wordt aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen.

  • 4. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap.

  • 5. Artikel 15, derde lid, vindt overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken.

  • 6. Iedere aandeelhouder en iedere houder van schuldbrieven aan toonder heeft gedurende twee jaren na het tijdstip van opmaken, onderscheidenlijk goedkeuren van de jaarrekening recht op inzage in de krachtens het vijfde lid bewaarde stukken.

Artikel 217
  • 1. De algemene vergadering of een ander daartoe bij de statuten aangewezen orgaan is zonder beperking bevoegd om een externe deskundige te benoemen ten einde op de boekhouding regelmatig toezicht te houden, alsmede aan de algemene vergadering verslag uit te brengen omtrent de door het bestuur opgemaakte jaarrekening.

  • 2. De deskundige is gerechtigd tot inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap, waarvan de kennisneming tot richtige vervulling van zijn taak nodig is. Het is hem verboden hetgeen hem nopens de zaken der vennootschap blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt.

  • 3. De deskundige brengt zijn verslag ook ter kennis van het bestuur, de raad van commissarissen en het orgaan dat hem heeft benoemd.

Artikel 218
  • 1. In onmiddellijke samenhang met de goedkeuring van de jaarrekening, beslist de algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan over de uitkering of inhouding van de uit die jaarrekening blijkende winst en over het doen van andere uitkeringen ten laste van het uit die jaarrekening blijkende eigen vermogen.

  • 2. De algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan kan besluiten tot het doen van tussentijdse uitkeringen ten laste van een lopend boekjaar of ten laste van een afgesloten boekjaar, waarvan de jaarrekening nog niet is goedgekeurd.

  • 3. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel bij iedere uitkering recht op een gelijk bedrag en geeft ieder onderaandeel recht op de dienovereenkomstige fractie van dat bedrag. De statuten kunnen bepalen dat de aandelen die de vennootschap zelf houdt meetellen bij de berekening van de verdeling van uitkeringen.

    De statuten kunnen de verdeling van uitkeringen geheel of gedeeltelijk overlaten aan een daartoe aangewezen orgaan.

  • 4. Het recht op uitkering vervalt door een tijdsverloop van drie jaren na het einde van de dag, waarop hetzij daaraan voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de uitkeringsgerechtigde daarvan kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Bij de statuten kan worden bepaald dat het recht op uitkering niet vervalt of een langere termijn worden gesteld.

  • 5. Uitkeringen aan aandeelhouders en andere uitkeringsgerechtigden mogen niet worden gedaan indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door die uitkering negatief zou worden. Een besluit tot het doen van een zodanige uitkering heeft geen enkele rechtskracht. Artikel 22, tweede lid, vindt geen toepassing.

  • 6. Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt vermoed te zijn gedaan in strijd met de eerste zin van het vijfde lid, indien de jaarrekening van het boekjaar ten laste waarvan de uitkering wordt gedaan, met inachtneming van die uitkering een eigen vermogen toont dat negatief is. Betreft het een uitkering als bedoeld in het eerste lid dan is het vermoeden onweerlegbaar.

  • 7. Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het vijfde lid het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen.

Artikel 219
  • 1. De artikelen 216 en 217 gelden niet voor de vennootschap die in haar statuten de artikelen 120 tot en met 122, al dan niet tezamen met de artikelen 123 en 124, van toepassing heeft verklaard. In dat geval zijn ook de artikelen 125 en 126 van toepassing.

AFDELING 4

[gereserveerd]

AFDELING 5 De algemene vergadering van aandeelhouders
Artikel 227
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen behoort aan de algemene vergadering van aandeelhouders, binnen de bij de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend.

  • 2. De aandeelhouders kunnen hun onderlinge verhouding en hun verhouding tot de vennootschap, daaronder begrepen de wijze waarop zij hun bevoegdheden als aandeelhouder zullen uitoefenen, nader regelen in een aandeelhoudersovereenkomst. De aandeelhoudersovereenkomst mag niet in strijd zijn met de wet of de statuten.

Artikel 228
  • 1. Jaarlijks wordt ten minste één algemene vergadering gehouden.

  • 2. Voor zover de statuten niet anders bepalen, zijn tot het bijeenroepen van een algemene vergadering iedere bestuurder en iedere commissaris bevoegd. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn steeds bevoegd tot bijeenroeping van de algemene vergadering.

Artikel 229
  • 1. Iedere aandeelhouder met stemrecht kan het bestuur of de raad van commissarissen schriftelijk verzoeken om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde te beraadslagen en te besluiten over daarbij aangegeven onder dat stemrecht vallende onderwerpen, mits hij daarbij een redelijk belang heeft.

  • 2. Indien het bestuur of de raad van commissarissen niet binnen zeven dagen na de dag dat het verzoek de vennootschap of het betrokken orgaan heeft bereikt, gevolg geeft aan een zodanig verzoek, kan de verzoeker zelf tot bijeenroeping overgaan. Met het oog daarop geeft het bestuur de verzoeker inzage in het register, bedoeld in artikel 209.

  • 3. Bij de oproeping door de aandeelhouder worden geen andere dan de aanvankelijk aangegeven onderwerpen als te behandelen vermeld.

  • 4. De oproeping en de daarbij behorende stukken worden mede gezonden aan iedere bestuurder en iedere commissaris.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 230, vijfde lid, worden de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde voorschriften mede in aanmerking genomen.

Artikel 230
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen geschiedt de oproeping schriftelijk aan het adres van de betrokkene. Zijn een of meer adressen onbekend dan geschiedt de oproeping tevens door een aankondiging in de Staatscourant.

  • 2. De oproepingstermijn bedraagt ten minste vijf dagen, de dag van oproeping en de dag van de vergadering niet meegerekend. Als dag van oproeping geldt de dag waarop de oproeping verzonden is dan wel, indien dat later is, de dag waarop de oproeping is geplaatst in het eerste lid bedoelde blad.

  • 3. De oproeping vermeldt de plaats van de vergadering en de te behandelen onderwerpen. Wordt een voorstel tot statutenwijziging gedaan dan wordt de letterlijke tekst van het voorstel meegezonden of ten kantore van de vennootschap voor de aandeelhouders ter inzage gelegd. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de aankondiging bedoeld in het eerste lid, indien daarvan sprake is.

  • 4. Tenzij de statuten anders bepalen wordt een vergadering gehouden in het openbaar lichaam van de statutaire zetel.

  • 5. Zijn de voorschriften bedoeld in het eerste tot en met vierde lid niet in acht genomen, dan kunnen slechts geldige besluiten worden genomen in een vergadering waarin alle met betrekking tot dat onderwerp stemgerechtigde aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Ook dan kan over een onderwerp waarvan de behandeling niet met inachtneming van de statutaire oproepingstermijn is aangekondigd slechts rechtsgeldig worden besloten met algemene stemmen.

Artikel 231
  • 1. Iedere aandeelhouder en iedere stemgerechtigde is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde de algemene vergadering bij te wonen, daarin het woord te voeren en, voor zover hem dat toekomt, het stemrecht uit te oefenen.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat het recht om de algemene vergadering bij te wonen en daarin het woord te voeren slechts toekomt aan de aandeelhouder of stemgerechtigde die van zijn voornemen hiertoe op ten hoogste de derde dag voor de dag van de vergadering aan het bestuur van de vennootschap kennis geeft. De statuten kunnen de in de eerste zin bedoelde rechten ook aan andere personen toekennen.

Artikel 232
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel recht op het uitbrengen van één stem ten aanzien van alle onderwerpen. Stemrecht kan niet bestaan los van een meer omvattend recht van aandeel.

  • 2. Geen stem kan worden uitgebracht op een aandeel dat toebehoort aan de vennootschap zelf. Tenzij de statuten anders bepalen kan evenmin stem worden uitgebracht op een aandeel dat toebehoort aan een rechtspersoon waarin de vennootschap krachtens stemrecht, direct of indirect, doorslaggevende zeggenschap kan uitoefenen, ook indien alle stemgerechtigden stemmen.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen hebben bestuurders en commissarissen als zodanig in de algemene vergadering en bij besluitvorming van de algemene vergadering een raadgevende stem.

Artikel 233
  • 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen worden alle besluiten genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

  • 2. De statuten kunnen bepalen dat bij staken van stemmen de beslissing wordt opgedragen aan een derde.

  • 3. Een door de vergadering aangewezen persoon houdt notulen bij van de beraadslagingen en de genomen besluiten. De notulen worden ondertekend door de voorzitter van de vergadering.

  • 4. De ondertekende notulen worden door het bestuur gedurende tien jaren bewaard.

  • 5. Iedere aandeelhouder heeft recht op een afschrift van de notulen.

  • 6. Het eerste tot en met vierde lid vinden overeenkomstige toepassing bij besluiten van andere organen. Het vijfde lid vindt overeenkomstige toepassing wanneer een ander orgaan dan de algemene vergadering een besluit neemt als bedoeld in artikel 204, 207, tweede lid, 214, derde lid, 215, eerste lid, 217, eerste lid, of 218, tweede lid.

Artikel 234
  • 1. Behoudens beperkingen volgens de statuten en onverminderd het bepaalde in artikel 5 is de algemene vergadering bevoegd de statuten te wijzigen. Een met algemene stemmen genomen besluit tot statutenwijziging waaraan alle stemgerechtigde personen hebben meegewerkt is geldig, ongeacht het daarover in de statuten bepaalde.

  • 2. Een statutaire bepaling die in de gegeven situatie tot gevolg zou hebben dat er geen stemgerechtigde personen als bedoeld in het eerste lid zijn, wordt, zolang die situatie voortduurt, voor niet geschreven gehouden.

  • 3. Gedurende het faillissement van de vennootschap kunnen de statuten slechts worden gewijzigd met instemming van de curator.

  • 4. Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor de rechtspositie van een krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de vennootschap betrokken persoon wordt aangetast, wordt op vordering van de betrokkene vernietigd, mits deze een zwaarwegend belang heeft bij de handhaving van die rechtspositie. Artikel 21, vierde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 235
  • 1. Een besluit van de algemene vergadering kan ook tot stand komen door schriftelijke stemuitbrenging buiten vergadering, mits alle met betrekking tot dat onderwerp stemgerechtigde personen stem hebben uitgebracht. Alle aandeelhouders, bestuurders en commissarissen ontvangen tijdig bericht van de voorgenomen besluitvorming buiten vergadering.

  • 2. Het derde tot en met het vijfde lid van artikel 233 vindt overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6 Het bestuur
Artikel 236
  • 1. De benoeming van bestuurders die niet in de akte van oprichting zijn aangewezen geschiedt door de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen.

  • 2. Tenzij de statuten anders bepalen is het orgaan of degene die de bestuurder heeft benoemd te allen tijde bevoegd die bestuurder te schorsen of te ontslaan. Ten aanzien van de bestuurders die in de akte van oprichting zijn aangewezen komen de in de eerste volzin omschreven bevoegdheden toe aan de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit.

  • 3. Tenzij de statuten anders bepalen komt de bevoegdheid de bezoldiging van een bestuurder vast te stellen toe aan de algemene vergadering.

  • 4. Een schorsing in de zin van dit artikel vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen.

Artikel 237

Artikel 236 vindt geen toepassing ten aanzien van de dagelijkse bestuurders als zodanig indien in de statuten toepassing is gegeven aan artikel 18.

Artikel 238

Hij die, zonder deel uit te maken van het bestuur, voor zekere tijd of onder zekere omstandigheden, al dan niet krachtens een bepaling van de statuten of van dit boek, het beleid van de vennootschap bepaalt of mede bepaalt als ware hij bestuurder, wordt ter zake van dat optreden, wat zijn verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en van derden betreft, alsmede voor de toepassing van artikel 9 als bestuurder aangemerkt.

AFDELING 7 De aandeelhouder-bestuurde vennootschap
Artikel 239
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat de vennootschap een aandeelhouderbestuurde vennootschap is. In dat geval wordt in de wet telkens in plaats van bestuurder gelezen: aandeelhouder, en in plaats van het bestuur: de algemene vergadering van aandeelhouders. Voor de aandeelhouder-bestuurde vennootschap gelden voorts de artikelen 240 tot en met 242.

  • 2. Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor een bepaling als bedoeld in het eerste lid wordt ingevoerd of afgeschaft kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle stemgerechtigde aandeelhouders.

Artikel 240
  • 1. De aandeelhouders kunnen de wijze waarop de vennootschap door hen zal worden bestuurd, de daarbij toepasselijke taakverdeling en beloning en de wijze van totstandkoming van beslissingen dienaangaande, nader vastleggen in een aandeelhoudersovereenkomst als bedoeld in artikel 227, tweede lid, mits alle aandeelhouders en ook de vennootschap daarbij partij zijn.

  • 2. De aandeelhoudersovereenkomst wordt schriftelijk vastgelegd en door alle partijen getekend. Niet naleving van dit voorschrift heeft geen nietigheid ten gevolge.

  • 3. Tenzij de aandeelhoudersovereenkomst anders bepaalt worden alle beslissingen aangaande het bestuur genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders met toepassing van de voor die vergadering geldende regels.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 228 is iedere aandeelhouder steeds bevoegd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering. Artikel 229 vindt geen toepassing. In plaats van artikel 235 geldt dat een besluit van de algemene vergadering ook tot stand kan komen op een nader in de aandeelhouders-overeenkomst vast te stellen wijze, mits alle aandeelhouders in de gelegenheid zijn gesteld aan het overleg en de besluitvorming deel te nemen.

  • 5. De statuten kunnen bepalen dat ook de wijze van totstandkoming van besluiten van de algemene vergadering wordt geregeld in de aandeelhoudersovereenkomst. In dat geval vinden ook de artikelen 228, tweede lid, 230, 232, 233 en 235 geen toepassing, voor zover het tegendeel niet uit de statuten of de aandeelhoudersovereenkomst blijkt.

Artikel 241
  • 1. Behoudens beperkingen in de wet, de statuten of de aandeelhoudersovereenkomst, is iedere aandeelhouder bevoegd tot vertegenwoordiging van de vennootschap.

  • 2. Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 10 vinden overeenkomstige toepassing.

Artikel 242
  • 1. De artikelen 12, 18 en 236 vinden geen toepassing. De artikelen 17 en 238 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 14, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan niet is afgeweken in de aandeelhoudersovereenkomst. In dat geval is alleen het vijfde lid van artikel 14 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Iedere aandeelhouder heeft recht op inzage in alle tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het recht om daarvan, dan wel van de desbetreffende gegevens, op eigen kosten afschriften te maken of te laten maken.

TITEL 7 Uitkoop, uittreding en gedwongen overdracht
Artikel 250
  • 1. Hij die voor eigen rekening aandelen houdt die ten minste 95% van het eigen vermogen van een naamloze of besloten vennootschap vertegenwoordigen, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen samen het vereiste aantal aandelen houden en samen de vordering instellen tot overdracht aan een hunner.

  • 2. In de statuten kan het percentage genoemd in het eerste lid worden verlaagd, mits dit niet lager wordt gesteld dan 90.

  • 3. Indien tegen een of meer gedaagden verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de eiser of eisers de vereisten van het eerste of het tweede lid vervullen.

  • 4. De rechter wijst de vordering tegen alle gedaagden af, indien een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht of een eiser jegens een gedaagde afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen. Voor zover de statuten niet anders bepalen wijst de rechter de vordering tegen alle gedaagden ook af indien een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden.

  • 5. Indien de rechter oordeelt dat het eerste tot en met vierde lid de toewijzing van de vordering niet belet, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. Hij kan bepalen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de met het deskundigenrapport gemoeide kosten. Artikel 121, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs.

  • 6. De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een gedaagde die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten.

  • 7. Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van overdracht en betaling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Tenzij hij van allen het adres kent, kondigt hij deze ook aan in de Staatscourant en een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verspreid nieuwsblad.

  • 8. De overnemer die aan zijn verplichtingen uit het zevende lid heeft voldaan kan, indien een houder van over te nemen aandelen niet op de medegedeelde dag of uiterlijk binnen vier weken daarna aan de overdracht meewerkt, zich van zijn verplichtingen ingevolge het zesde lid bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van het zevende lid.

Artikel 251
  • 1. De houder van aandelen op naam, die door gedragingen van de vennootschap dan wel van één of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan tegen de vennootschap een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat deze zijn aandelen tegen contante betaling overneemt.

  • 2. De eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij ten minste vier weken voor het aanhangig maken van de vordering zijn bezwaren schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur van de vennootschap.

  • 3. Het bestuur van de vennootschap doet onmiddellijk schriftelijk mededeling van de kenbaar gemaakte bezwaren en van het instellen van de vordering aan de commissarissen en de medeaandeelhouders.

  • 4. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt indien de vennootschap of een medeaandeelhouder voor het aanhangig maken daarvan aan de aandeelhouder een schriftelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanbod doet om zijn aandelen tegen contante betaling over te nemen. Bij aanvaarding wordt de koopprijs vastgesteld door een of meer door de rechter op verzoek van de meest gerede partij te benoemen deskundigen. Daarbij gaan de deskundigen uit van de waarde van de vennootschap op de dag van aanvaarding van het aanbod. Zij houden rekening met het eventueel door de eiser te lijden fiscaal nadeel. Over het aldus vastgestelde bedrag is wettelijke rente verschuldigd tot aan de dag van voldoening. De kosten van de deskundigen zijn voor rekening van degene die het aanbod heeft gedaan.

  • 5. Degene die het in het vierde lid bedoelde aanbod doet, moet daarbij een termijn voor schriftelijke aanvaarding stellen die niet korter mag zijn dan vier weken en verklaren dat hij onmiddellijk na de schriftelijke aanvaarding zekerheid zal stellen voor de kosten van de deskundigen en de uiteindelijk door hem te betalen bedragen. Artikel 121, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Op verzoek van de aandeelhouder, die het aanbod heeft aanvaard, kan de rechter bepalen dat de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid gedurende een daarbij te bepalen periode herleeft indien de aangeboden zekerheid niet binnen zes dagen wordt gesteld of onvoldoende is, zulks onverminderd de rechten van de aandeelhouder uit het door hem aanvaarde aanbod.

  • 7. Tegen beslissingen van de rechter als bedoeld in dit artikel staat geen hogere voorziening open.

Artikel 252
  • 1. Indien de in artikel 251 bedoelde vordering tot uittreding aanhangig wordt gemaakt en de rechter deze gegrond oordeelt wijst hij deze voorlopig toe. Daarbij benoemt hij één of meer deskundigen die schriftelijk bericht moeten uitbrengen binnen een door de rechter te bepalen termijn. In hun schriftelijk bericht laten de deskundigen zich uit over de prijs van de aandelen op het tijdstip van de voorlopige toewijzing, uitgaande van de waarde van de vennootschap op dat tijdstip, de fiscale gevolgen van de overdracht voor de eiser, de vennootschap en de medeaandeelhouders en de bedrijfseconomische gevolgen van de overdracht voor de vennootschap. Hij kan bepalen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de met het deskundigenrapport gemoeide kosten. Artikel 121, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht bepaalt de rechter het door de vennootschap te betalen bedrag. Daarin is begrepen een eventueel door de eiser te lijden fiscaal nadeel. Indien de eiser op onredelijke gronden weigert zijn aandelen vrijwillig over te dragen aan een alsnog binnen acht dagen bij incidentele conclusie door de vennootschap of een medeaandeelhouder aan te wijzen gegadigde op daarbij aan te geven voorwaarden, kan de rechter de vordering alsnog afwijzen.

  • 3. Indien de rechter de vordering definitief toewijst bepaalt hij dat de aandelen zullen worden overgedragen op de wijze als in het vierde lid voorzien. Daarbij veroordeelt hij de vennootschap tot betaling van het door hem vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van voorlopige toewijzing en de door hem vastgestelde kosten, die van de deskundigen en de notaris daaronder begrepen, in handen van een door hem daarbij aangewezen notaris. Aan deze veroordeling kan hij een dwangsom ten behoeve van de eiser verbinden. Vruchten die aan de aandelen zijn opgekomen sedert het tijdstip van de voorlopige toewijzing vervallen aan de vennootschap. Alvorens te beslissen hoort de rechter de aan te wijzen notaris, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat.

  • 4. Tenzij partijen onverwijld eenstemmig aan de notaris te kennen geven dat zij alsnog voor een andere oplossing kiezen, geldt als akte van overdracht een door de notaris na de ontvangst van het door de vennootschap verschuldigde met bekwame spoed opgemaakt proces-verbaal, waarin de beslissing van de rechter wordt geconstateerd. De notaris neemt in die akte zodanige toevoegingen en verduidelijkingen op als hij in het belang van het rechtsverkeer nodig acht. Na het verlijden van de akte keert de notaris het door hem ontvangen bedrag na aftrek van de door de rechter vastgestelde kosten aan de eiser uit. Een afschrift van de akte wordt door de notaris aan de vennootschap en de eiser toegezonden.

  • 5. Zolang niet onherroepelijk is beslist op de vordering, of het geding niet op andere wijze is geëindigd kan de eiser zijn aandelen niet vervreemden, dan wel daarop een pandrecht of recht van vruchtgebruik vestigen, zonder schriftelijke toestemming van de vennootschap of, bij gebreke daarvan, van de rechter.

  • 6. De vordering tot uittreding kan slechts met instemming van de wederpartij worden ingetrokken. Uitsluitend tegen een beslissing als bedoeld in het derde lid, of tot afwijzing van de vordering is een hogere voorziening toegelaten. Een vordering tot oproeping in vrijwaring, voeging of tussenkomst wordt niet toegelaten, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, laatste volzin.

  • 7. De vordering tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen een of meer van de medeaandeelhouders die zich alleen of samen met de vennootschap of andere medeaandeelhouders schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als in het eerste lid van artikel 251 omschreven. De vennootschap wordt in elk geval mede in het geding geroepen. Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 251 zijn van toepassing. Het tweede tot en met het zesde lid van het onderhavige artikel vinden overeenkomstige toepassing.

Artikel 253
  • 1. Indien in de algemene vergadering door handelingen of gebeurtenissen die een houder van aandelen op naam redelijkerwijs niet heeft kunnen verhinderen een zodanige meerderheid is ontstaan dat een medeaandeelhouder, alleen of samen met een groepsmaatschappij van de medeaandeelhouder of krachtens een overeenkomst met andere stemgerechtigden, meer dan de helft van de bestuurders, leden van het algemeen bestuur in de zin van artikel 18 of commissarissen kan benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen, kan die houder van aandelen op naam tegen de vennootschap een vordering tot uittreding als omschreven in artikel 251 instellen. De vordering kan ook worden ingesteld tegen de medeaandeelhouder, de groepsmaatschappij of de andere in dit lid bedoelde stemgerechtigden. De vennootschap wordt in elk geval mede in het geding geroepen.

  • 2. Op de vordering als bedoeld in het eerste lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 251 en het tweede tot en met het zesde lid van artikel 252 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Tenzij het vierde lid van artikel 251 overeenkomstige toepassing heeft gevonden, vervalt de bevoegdheid tot het instellen van de vordering zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder kennis heeft genomen van het ontstaan van een meerderheid als bedoeld in het eerste lid of daarvan is verwittigd.

Artikel 254
  • 1. De in artikel 251 bedoelde vordering tot uittreding komt ook toe aan:

    • a. de aandeelhouder die als zodanig niet of niet langer voldoet aan in de statuten gestelde kwaliteitseisen en dientengevolge een of meer van de aan zijn aandeel verbonden rechten niet kan uitoefenen.

    • b. de aandeelhouder die aan de vennootschap en zijn medeaandeelhouders op naam schriftelijk heeft medegedeeld dat hij zijn aandelen wil vervreemden tegen daarbij genoemde voorwaarden en dat voornemen niet ten uitvoer kan leggen door de werking van een statutaire blokkeringsregeling in de zin van artikel 111 of 211 die de overdracht uitsluit of uiterst bezwaarlijk maakt.

  • 2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid vindt het zevende lid van artikel 252 geen toepassing.

  • 3. Tenzij het vierde lid van artikel 251 overeenkomstige toepassing heeft gevonden, vervalt de bevoegdheid tot het instellen van de vordering zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder is komen te verkeren in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a of de in het eerste lid onder b bedoelde schriftelijke mededeling door de vennootschap is ontvangen.

Artikel 255
  • 1. In iedere stand van een geding op de voet van artikel 252 of 253, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een door deze gevraagde voorziening als bedoeld in het derde lid treffen, indien het belang van de vennootschap of een andere in artikel 7, eerste lid, bedoelde persoon dit eist. Alvorens te beslissen kan de rechter desverzocht of ambtshalve getuigen en deskundigen horen.

  • 2. De voorziening kan te allen tijde op verzoek van een belanghebbende worden ingetrokken, verlengd of gewijzigd. Zij vervalt op het door de rechter bepaalde tijdstip en in elk geval op het tijdstip dat de beslissing op de vordering in het hoofdgeding onherroepelijk is geworden.

  • 3. De voorziening kan inhouden:

    • a. schorsing van de werking van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon, dan wel een bevel om een besluit geheel of ten dele in te trekken, de uitvoering daarvan geheel of ten dele op te schorten of de gevolgen daarvan geheel of ten dele ongedaan te maken;

    • b. schorsing van een of meer bestuurders of commissarissen;

    • c. tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen;

    • d. tijdelijke afwijking van daarbij aangegeven bepalingen van de statuten;

    • e. tijdelijke ontneming van stemrecht;

    • f. tijdelijke overgang van aandelen ten titel van beheer;

    • g. een tot de rechtspersoon of andere persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, gericht bevel om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.

  • 4. Een voorziening kan door derden te goeder trouw verworven rechten niet aantasten. Dreigt aantasting dan wordt de betrokken derde als belanghebbende in het geding geroepen. De rechter kan, gehoord de derde, bepalen dat de voorziening toch tegen die derde werkt, ongeacht de mate waarin deze te goeder trouw is, mits daarbij aan de derde een redelijke door de vennootschap te betalen schadevergoeding wordt toegekend, zulks onverminderd het verhaal door de vennootschap van het betaalde bedrag op degene die de schade heeft veroorzaakt, indien en voor zover daartoe gronden zijn.

  • 5. De rechter regelt zo nodig de gevolgen van de getroffen voorziening. Aan het niet opvolgen van een bevel kan hij desverzocht de verbeurte van een dwangsom ten behoeve van de verzoeker of de vennootschap verbinden.

  • 6. Het instellen van hoger beroep of cassatie tegen een beschikking als bedoeld in dit artikel staat aan voortzetting van het hoofdgeding niet in de weg.

  • 7. Indien de rechter de vordering in het hoofdgeding afwijst kan hij op verzoek van de vennootschap daarbij beslissen dat de eiser aan de vennootschap de directe kosten vergoedt waartoe getroffen voorzieningen aanleiding hebben gegeven, voor zover deze kosten voor rekening van de vennootschap zijn gekomen, zulks onverminderd een eventueel door de vennootschap of een derde in te stellen vordering tot schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn. De in dit lid bedoelde kosten worden door de rechter begroot.

Artikel 256

Een vordering tot uittreding als bedoeld in de artikelen 251 tot en met 254 kan niet worden ingesteld ter zake van aandelen die worden verhandeld op een beurs.

Artikel 257
  • 1. De statuten kunnen bepalen dat in gevallen, nauwkeurig in de statuten omschreven, de aandeelhouder verplicht is zijn aandelen aan de vennootschap dan wel aan één of meer medeaandeelhouders over te dragen tegen voorwaarden, zoals deze bij de statuten zijn bepaald of krachtens de statuten door onafhankelijke deskundigen zullen worden vastgesteld.

  • 2. Nakoming van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan niet worden gevorderd voordat de vennootschap of een medeaandeelhouder aan de aandeelhouder een schriftelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanbod heeft gedaan om zijn aandelen tegen contante betaling over te nemen en dit aanbod is afgewezen of de in het vierde lid bedoelde termijn voor aanvaarding is verlopen.

  • 3. Bij aanvaarding van het aanbod wordt de koopprijs vastgesteld door een of meer door de rechter op verzoek van de meest gerede partij te benoemen deskundigen. Daarbij gaan de deskundigen uit van de waarde van de vennootschap op de dag van aanvaarding van het aanbod. Zij houden rekening met het eventueel door de aandeelhouder te lijden fiscaal nadeel. Over het aldus vastgestelde bedrag is wettelijke rente verschuldigd tot aan de dag van voldoening. De kosten van de deskundigen zijn voor rekening van degene die het aanbod heeft gedaan.

  • 4. Degene die het in het tweede lid bedoelde aanbod doet, moet daarbij een termijn voor schriftelijke aanvaarding stellen die niet korter mag zijn dan vier weken en verklaren dat hij onmiddellijk na de schriftelijke aanvaarding zekerheid zal stellen voor de kosten van de deskundigen en de uiteindelijk door hem te betalen bedragen. Artikel 121, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Wordt het onherroepelijk aanbod niet gedaan binnen zes weken nadat de aandeelhouder de vennootschap schriftelijk heeft doen weten dat hij bereid is zijn aandelen over te dragen, dan is de aandeelhouder van al zijn verplichtingen uit de statutaire bepaling bevrijd. Hetzelfde geldt indien de in het vierde lid bedoelde, aangeboden zekerheid niet binnen zes dagen wordt gesteld of onvoldoende is, zulks onverminderd de rechten van de aandeelhouder uit het door hem aanvaarde aanbod.

TITEL 8 Omzetting, fusie en splitsing
AFDELING 1 Omzetting
Artikel 300
  • 1. Een rechtspersoon kan zich met inachtneming van de volgende bepalingen omzetten in een andere rechtsvorm.

  • 2. Voor omzetting is vereist een besluit tot omzetting en statutenwijziging, genomen met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Zij komt tot stand bij notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat.

  • 3. Omzetting van een stichting is alleen mogelijk indien de statuten toelaten dat alle bepalingen daarvan worden gewijzigd.

  • 4. Voor de omzetting van of in een stichting en van een naamloze of besloten vennootschap in een vereniging is bovendien rechterlijke machtiging vereist.

  • 5. In de gevallen waarin rechterlijke machtiging is vereist doet het bestuur van de om te zetten rechtspersoon mededeling van het voornemen tot omzetting en van de plaats en het tijdstip van de behandeling van het machtigingsverzoek in de Staatscourant en door aankondiging in een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnend nieuwsblad.

  • 6. Slechts de rechtspersoon kan machtiging tot omzetting verzoeken. Daarbij moet worden overgelegd een bewijs dat aan de verplichtingen uit het vijfde lid is voldaan en een notarieel ontwerp van de akte. De machtiging wordt geweigerd indien een vereist besluit nietig is of indien een vordering tot vernietiging daarvan aanhangig is. Zij wordt voorts geweigerd indien de omzetting leidt tot ongerechtvaardigde bevoordeling of benadeling van een of meer personen, alsmede indien de belangen van stemgerechtigden die niet hebben ingestemd of van anderen, van wie ten minste iemand zich tot de rechter heeft gewend, onvoldoende zijn ontzien. De rechter kan voorwaarden aan het verlenen van de machtiging verbinden. Een voorwaarde kan zijn dat aan een of meer aandeelhouders schadevergoeding wordt betaald op de voet van artikel 302, derde lid.

  • 7. Indien voor de omzetting machtiging van de rechter is vereist, verklaart de notaris aan de voet van de akte van omzetting dat de machtiging op het ontwerp van de akte is verleend en, voor zover toepasselijk, dat aan de daarbij gestelde voorwaarden is voldaan.

  • 8. Bij omzetting van een stichting moet uit de akte van omzetting blijken welk vermogen de stichting heeft en hoe dit is samengesteld. Na de omzetting moet uit de statuten blijken dat het netto vermogen dat zij bij de omzetting had, niet door uitkeringen aan aandeelhouders of leden mag verminderen en niet door uitkeringen aan derden mag verminderen zonder toestemming van de rechter.

  • 9. Artikel 5 vindt overeenkomstige toepassing. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast «oprichting», «oprichtingshandeling», en «oprichtingsbalans» ook gelezen: omzetting, omzettingshandeling en omzettingsbalans.

  • 10. Omzetting beëindigt het bestaan van de rechtspersoon niet.

Artikel 301
  • 1. Bij omzetting van een rechtspersoon in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap gelden, naast artikel 300, de volgende leden.

  • 2. Door de omzetting worden van rechtswege aandeelhouder de leden of aandeelhouders in verhouding tot ieders recht. Wordt een stichting omgezet, dan worden krachtens in de akte van omzetting geregelde uitgifte aandeelhouder de in die akte genoemde personen. De akte van omzetting wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht door die personen getekend.

  • 3. Aan de akte van omzetting wordt een omzettingsbalans gehecht. Bij omzetting in een naamloze of besloten vennootschap mag het getoonde eigen vermogen niet negatief zijn. Heeft de vennootschap waarin de rechtspersoon wordt omgezet een nominaal kapitaal dan mag het eigen vermogen niet lager zijn dan dat nominaal kapitaal.

  • 4. De omzettingsbalans heeft betrekking op een tijdstip dat ten hoogste een maand voor de dag van de akte ligt. Zij wordt getekend door alle bestuurders en commissarissen.

  • 5. Na de omzetting kunnen aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders de aan een aandeel verbonden rechten niet uitoefenen, zolang zij niet zijn ingeschreven in het in artikel 109 of 209 bedoelde register. Voor zover aandeelbewijzen aan toonder zijn uitgegeven vindt geen inschrijving plaats dan tegen afgifte van die aandeelbewijzen aan de vennootschap, dit behoudens toepassing van het vierde lid van artikel 105.

Artikel 302
  • 1. Wanneer een naamloze of besloten vennootschap zich omzet in een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, wordt iedere aandeelhouder lid, tenzij hij de schadevergoeding heeft gevraagd, bedoeld in het tweede lid. In de oproeping tot de vergadering waarin tot omzetting en statutenwijziging wordt besloten en de publicaties bedoeld in artikel 300, vijfde lid, wordt op deze mogelijkheid gewezen.

  • 2. Binnen twee weken nadat het besluit tot omzetting en statutenwijziging is genomen kan iedere aandeelhouder die niet met het besluit heeft ingestemd, de vennootschap schriftelijk schadevergoeding vragen voor het verlies van zijn aandelen. Deze bevoegdheid komt niet toe aan de aandeelhouder die zich al op de voet van artikel 300, zesde lid, tot de rechter heeft gewend en daarbij om schadevergoeding heeft gevraagd, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist.

  • 3. Bij gebreke van overeenstemming wordt de schadevergoeding bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter die over de in artikel 300, vierde lid, bedoelde machtiging beslist. De kosten van de deskundigen zijn voor rekening van de vennootschap.

Artikel 303
  • 1. In plaats van een rechtspersoon in de zin van dit boek kan bij de toepassing van artikel 300 en 302 als zich omzettende rechtspersoon ook optreden een buitenlandse rechtspersoon, mits het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst zich niet tegen een zodanige omzetting verzet. Een verklaring van die strekking, afgelegd door een op dit rechtsgebied deskundige, wordt aan de akte van omzetting gehecht.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 300, tweede lid, en voor het tijdstip van totstandkoming geldt dat de voor een zodanige omzetting geldende buitenlandse regels mede in aanmerking worden genomen. Rechterlijke machtiging is alleen vereist bij omzetting in een stichting.

Artikel 304
  • 1. Een naamloze en een besloten vennootschap kunnen zich omzetten in een buitenlandse rechtspersoon mits dit ten gevolge heeft dat, volgens het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst, het bestaan van de vennootschap als rechtspersoon in de gekozen rechtsvorm wordt voortgezet.

  • 2. Voor de omzetting is vereist een daartoe strekkend besluit van de vergadering van aandeelhouders, genomen op eenstemmig voorstel van het bestuur en met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Vereist is voorts een notariële akte waarin het besluit tot omzetting wordt geconstateerd en waaraan is gehecht:

    • a. en geschrift, afgegeven door een persoon of instantie die naar het recht van de buitenlandse rechtspersoon de bevoegdheid heeft een akte van oprichting van zo'n buitenlandse rechtspersoon tot stand te brengen, welk geschrift de statutaire of soortgelijke regels bevat die de buitenlandse rechtspersoon na de omzetting zullen beheersen;

    • b. en verklaring dat, zodra alle formaliteiten zijn vervuld, ook aan de voorwaarde van het eerste lid zal zijn voldaan, welke verklaring moet zijn afgegeven en getekend door de onder a. bedoelde persoon of instantie of een andere deskundige op het rechtsgebied van de buitenlandse rechtspersoon;

    • c. en verklaring afgegeven en getekend door alle bestuurders die ten tijde van het omzettingsbesluit met de in artikel 15 omschreven taken waren belast en alle stemgerechtigde aandeelhouders, die niet tegen het voorstel tot omzetting hebben gestemd, waarin de ondertekenaars zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor alle schulden van de vennootschap die bestaan op het tijdstip dat de omzetting onaantastbaar is; behoudens het geval van kwade trouw vervalt deze aansprakelijkheid drie maanden na dat tijdstip en in elk geval een jaar na de aanvang van het voortgezette bestaan van de vennootschap in de gekozen buitenlandse rechtsvorm.

      • De in het tweede lid bedoelde notariële akte kan een opschortende voorwaarde voor het van kracht worden van de omzetting bevatten.

      • Artikel 4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Van artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing het eerste lid, de laatste volzin van het tweede lid en het derde lid, zulks met dien verstande dat in het eerste lid de woorden «ingeschreven in het handelsregister» worden gelezen als «uitgeschreven uit het handelsregister» en dat mededeling van de omzetting door de zorg van de notaris ook wordt gedaan in een veel gelezen lokaal nieuwsblad. Bevat de akte van omzetting een opschortende voorwaarde als bedoeld in het derde lid van dit artikel dan behoeft aan het gestelde in de tweede en derde volzin van artikel 5, eerste lid, niet eerder dan zo spoedig mogelijk na het vervuld zijn van die voorwaarde te worden voldaan. Een opschortende voorwaarde waaraan niet voor of door de uitschrijving uit het handelsregister is voldaan, wordt geacht door die uitschrijving in vervulling te zijn gegaan.

      • De omzetting is onaantastbaar zodra de in het vierde lid bedoelde uitschrijving uit het handelsregister heeft plaatsgevonden. Mocht nadien blijken dat aan de voorwaarde van het eerste lid niet is voldaan dan wordt de omzetting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Artikel 305
  • 1. Een stichting kan zich omzetten in een buitenlandse rechtspersoon met inachtneming van de volgende leden.

    • Het derde tot en met het zevende lid en de eerste volzin van het achtste lid van artikel 300 zijn van overeenkomstige toepassing.

    • Voor de omzetting is vereist een daartoe strekkend eenstemmig besluit van het bestuur dat is genomen met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Artikel 304 is voor het overige van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder c, moet zijn afgegeven en getekend door alle bestuurders.

AFDELING 2 Algemene bepalingen omtrent fusie
Artikel 309

Fusie is de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.

Artikel 310
  • 1. Rechtspersonen kunnen fuseren met rechtspersonen die dezelfde rechtsvorm hebben.

    • Wordt de verkrijgende rechtspersoon nieuw opgericht, dan moet hij de rechtsvorm hebben van de fuserende rechtspersonen.

    • Voor de toepassing van dit artikel worden naamloze en besloten vennootschap als rechtspersonen met dezelfde rechtsvorm aangemerkt.

    • Een verkrijgende rechtspersoon kan, ongeacht zijn rechtsvorm, fuseren met een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze of besloten vennootschap waarvan hij enig lid of aandeelhouder is.

    • Een ontbonden rechtspersoon mag niet fuseren, indien reeds uit hoofde van de vereffening een uitkering is gedaan.

  • 6. Een rechtspersoon mag niet fuseren gedurende faillissement of surséance van betaling.

Artikel 311
  • 1. Met uitzondering van de verkrijgende rechtspersoon houden de fuserende rechtspersonen door het van kracht worden van de fusie op te bestaan.

  • 2. De leden of aandeelhouders van de verdwijnende rechtspersonen worden door de fusie lid of aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon, uitgezonderd in de gevallen van de artikelen 310, vierde lid, 333 of 334, of wanneer krachtens de ruilverhouding van de aandelen zelfs geen recht bestaat op een enkel aandeel.

Artikel 312
  • 1. De besturen van de te fuseren rechtspersonen stellen een voorstel tot fusie op.

  • 2. Dit voorstel vermeldt ten minste:

    • a. de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de te fuseren rechtspersonen;

    • b. de statuten van de verkrijgende rechtspersoon zoals die luiden en zoals zij na de fusie zullen luiden of, indien de verkrijgende rechtspersoon nieuw wordt opgericht, het ontwerp van de akte van oprichting;

    • c. welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 320 ten laste van de verkrijgende rechtspersoon worden toegekend aan degenen die anders dan als lid of aandeelhouder bijzondere rechten hebben jegens de verdwijnende rechtspersonen, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, en met ingang van welk tijdstip;

    • d. welke voordelen in verband met de fusie worden toegekend aan een bestuur der of commissaris van een te fuseren rechtspersoon of aan een ander die bij de fusie is betrokken;

    • e. de voornemens over de samenstelling na de fusie van het bestuur en, als er een raad van commissarissen zal zijn, van die raad;

    • f. voor elk van de verdwijnende rechtspersonen het tijdstip met ingang waarvan financiële gegevens zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersoon;

    • g. de voorgenomen maatregelen in verband met de overgang van het lidmaatschap of aandeelhouderschap van de verdwijnende rechtspersonen;

    • h. de voornemens omtrent voortzetting of beëindiging van werkzaamheden;

    • i. wie in voorkomend geval het besluit tot fusie moeten goedkeuren.

  • 3. Het voorstel tot fusie wordt ondertekend door de bestuurders van elke te fuseren rechtspersoon; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt.

  • 4. Indien een fuserende rechtspersoon een naamloze vennootschap is waarvan de statuten een bepaling bevatten als bedoeld in artikel 139, moet het voorstel tot fusie zijn goedgekeurd door de raad van commissarissen van die vennootschap en wordt het door de commissarissen mede ondertekend; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.

Artikel 313
  • 1. In een schriftelijke toelichting geeft het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon de redenen voor de fusie met een uiteenzetting over de verwachte gevolgen voor de werkzaamheden en een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt.

  • 2. Indien het laatste boekjaar van de rechtspersoon, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de nederlegging van het voorstel tot fusie is verstreken, maakt het bestuur een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling op. Deze heeft betrekking op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin zij wordt neergelegd. De vermogensopstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde jaarrekening of andere financiële verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde.

  • 3. In de gevallen van de artikelen 310, vierde lid, en 333 is geen toelichting vereist voor de verdwijnende rechtspersoon, tenzij anderen dan de verkrijgende rechtspersoon een bijzonder recht jegens de verdwijnende rechtspersoon hebben, zoals een recht op uitkering van winst of tot het nemen van aandelen.

Artikel 314
  • 1. Elke te fuseren rechtspersoon legt ten kantore van het handelsregister neer:

    • a. het voorstel tot fusie;

    • b. de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen of andere financiële verantwoordingen van de te fuseren rechtspersonen, met de deskundigen verklaring daarbij, voor zover deze stukken ter inzage liggen of moeten liggen;

    • c. de jaarverslagen van de te fuseren rechtspersonen over de laatste drie afgesloten jaren, voor zover deze ter inzage liggen of moeten liggen;

    • d. tussentijdse vermogensopstellingen of niet goedgekeurde jaarrekeningen, voor zover vereist ingevolge artikel 313, tweede lid, en voor zover de jaar rekening van de rechtspersoon ter inzage moet liggen.

  • 2. Tegelijkertijd legt het bestuur de stukken, met inbegrip van jaarrekeningen en jaarverslagen die niet ter openbare inzage behoeven te liggen, samen met de toelichtingen van de besturen op het voorstel neer ten kantore van de rechtspersoon of, bij gebreke van een kantoor, aan de woonplaats van een bestuurder. De stukken liggen tot het tijdstip van de fusie, en op het adres van de verkrijgende rechtspersoon onderscheidenlijk van een bestuurder daarvan nog zes maanden nadien, ter inzage voor de leden of aandeelhouders, en voor hen die een bijzonder recht jegens de rechtspersoon hebben, zoals een recht op een uitkering van winst, tot het nemen van aandelen of tot het bijwonen van vergaderingen. In dit tijdvak kunnen zij kosteloos een afschrift daarvan krijgen.

  • 3. De te fuseren rechtspersonen kondigen in de Staatscourant en in een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnend nieuwsblad aan dat de stukken zijn neergelegd, met opgave van de openbare registers waar zij liggen en van het adres waar zij krachtens het tweede lid ter inzage liggen. Indien het besluit tot fusie moet worden goedgekeurd op de voet van artikel 317, vijfde lid, wordt mededeling gedaan van de plaats en het tijdstip van de behandeling van het goedkeuringsverzoek.

  • 4. Indien de besturen van de te fuseren rechtspersonen het voorstel tot fusie wijzigen, zijn het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het tweede lid geldt niet voor stichtingen.

Artikel 315
  • 1. Het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon is verplicht de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over na het voorstel tot fusie gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden die, waren zij bekend geweest, de mededelingen in het voorstel tot fusie of in de toelichting zouden hebben beïnvloed.

  • 2. Voor een stichting geldt deze verplichting jegens degenen die blijkens de statuten de fusie moeten goedkeuren.

Artikel 316
  • 1. Tot een maand nadat alle fuserende rechtspersonen de in het derde lid van artikel 314 bedoelde aankondiging hebben gedaan kan iedere schuldeiser of contractuele wederpartij van een van de fuserende vennootschappen, alsmede iedere bijzonder rechthebbende in de zin van artikel 320, door een verzoekschrift bij de rechter in eerste aanleg van de statutaire zetel van een verdwijnende of verkrijgende vennootschap, tegen de aangekondigde fusie in verzet komen op de grond dat hij in zijn positie als crediteur, contractuele wederpartij of bijzonder rechthebbende wordt geschaad. Het verzoekschrift vermeldt welke zekerheid, waarborg, contractswijziging, ontbinding of schadevergoeding wordt verlangd.

  • 2. Indien de rechter het verzet gegrond oordeelt bepaalt hij de door de verkrijgende vennootschap of een derde te stellen zekerheid of waarborg of te betalen schadevergoeding, dan wel de contractswijziging of -ontbinding die zal gelden wanneer de fusie tot stand komt. Aan een contractswijziging of -ontbinding kan hij een per de datum van de fusie ingaande, op de verkrijgende vennootschap rustende verplichting tot schadevergoeding verbinden.

  • 3. De in artikel 318 bedoelde akte van fusie mag niet worden verleden voordat het verzet is ingetrokken, de beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar is of, bij gegrondverklaring, de vastgestelde waarborg of zekerheid is gesteld.

  • 4. Indien de akte van fusie al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel het stellen van een door hem omschreven waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.

Artikel 317
  • 1. Het besluit tot fusie wordt genomen door de algemene vergadering; in een stichting wordt het besluit genomen door degene die de statuten mag wijzigen of, als geen ander dat mag, door het bestuur. Het besluit mag niet afwijken van het voorstel tot fusie.

  • 2. Een besluit tot fusie kan eerst worden genomen na verloop van een maand na de dag waarop alle fuserende rechtspersonen de nederlegging van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd.

  • 3. Een besluit tot fusie wordt genomen op dezelfde wijze en met dezelfde meerderheid als een besluit tot wijziging van de statuten. Vereisen de statuten hiervoor goedkeuring, dan geldt dit ook voor het besluit tot fusie. Vereisen de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden, dan is voor een besluit tot fusie de grootste daarvan vereist en sluiten de statuten wijziging van bepalingen uit, dan zijn de stemmen van alle stemgerechtigde leden of aandeelhouders vereist; een en ander tenzij die bepalingen na de fusie onverminderd zullen gelden. De notulen van de vergaderingen waarin tot fusie wordt besloten worden opgemaakt bij notariële akte.

  • 4. Het derde lid geldt niet, voor zover de statuten een andere regeling voor besluiten tot fusie geven.

  • 5. Een besluit tot fusie van een stichting behoeft de voorafgaande goedkeuring van de rechter, tenzij uitsluitend stichtingen die stichting particulier fonds zijn, of uitsluitend stichtingen die dat niet zijn, bij de fusie betrokken zijn en de statuten van deze stichtingen het mogelijk maken alle bepalingen daarvan te wijzigen. De rechter wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de fusie strijdig is met het belang van de stichting of dat de belangen van aangeslotenen of derden onevenredig worden geschaad.

Artikel 318
  • 1. De fusie geschiedt bij notariële akte en wordt van kracht met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. De akte mag slechts worden verleden binnen zes maanden na de aankondiging van de nederlegging van het voorstel of, indien dit als gevolg van gedaan verzet niet mag, binnen een maand na het in het derde lid van artikel 316 bedoelde tijdstip.

  • 2. Aan de voet van de akte verklaart de notaris dat hem is gebleken dat de vormvoorschriften in acht zijn genomen voor alle besluiten die deze en de volgende afdeling en de statuten voor het totstandkomen van de fusie vereisen en dat voor het overige de daarvoor in deze en de volgende afdeling en in de statuten gegeven voorschriften zijn nageleefd.

  • 3. De artikelen 4 en 5 vinden overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de vereiste stukken worden aangeboden ten kantore van het handelsregister van de verkrijgende en van elke gefuseerde rechtspersoon. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast «oprichting», «oprichtingshandeling» en «oprichtingsbalans» ook gelezen: fusie, fusiehandeling en fusiebalans.

  • 4. De verkrijgende rechtspersoon doet binnen een maand opgave van de fusie aan de beheerders van andere openbare registers waarin overgang van rechten of de fusie kan worden ingeschreven. Gaat door de fusie een registergoed op de verkrijgende rechtspersoon over, dan is deze verplicht binnen deze termijn aan de bewaarder van de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2 van Boek 3, de voor de inschrijving van de fusie vereiste stukken aan te bieden.

Artikel 319
  • 1. Pandrecht en vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen van de verdwijnende rechtspersonen gaan over op hetgeen daarvoor in de plaats treedt.

  • 2. Rust het pandrecht of vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen waarvoor niets in de plaats treedt, dan moet de verkrijgende rechtspersoon een gelijkwaardige vervanging geven.

Artikel 320
  • 1. Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens een verdwijnende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet een gelijkwaardig recht in de verkrijgende rechtspersoon krijgen, of schadevergoeding. Schadevergoeding kan niet worden gevorderd door iemand die reeds op de voet van artikel 316 schadevergoeding heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist.

  • 2. De schadevergoeding wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter in eerste aanleg van de statutaire zetel van de verkrijgende rechtspersoon.

  • 3. Artikel 319 is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd.

Artikel 321
  • 1. Op het tijdstip met ingang waarvan de verkrijgende rechtspersoon de financiële gegevens van een verdwijnende rechtspersoon zal verantwoorden in de eigen jaarrekening of andere financiële verantwoording, is het laatste boekjaar van die verdwijnende rechtspersoon geëindigd.

  • 2. De verplichtingen omtrent de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verdwijnende rechtspersonen rusten na de fusie op de verkrijgende rechtspersoon.

  • 3. Waarderingsverschillen tussen de verantwoording van activa en passiva in de laatste jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verdwijnende rechtspersonen en in de eerste jaarrekening of andere financiële verantwoording waarin de verkrijgende rechtspersoon deze activa en passiva verantwoordt, moeten worden toegelicht.

Artikel 322
  • 1. Indien ten gevolge van de fusie een overeenkomst van een fuserende rechtspersoon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, wijzigt of ontbindt de rechter de overeenkomst op vordering van een der partijen. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.

  • 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van fusie ten kantore van de in artikel 318, derde lid, bedoelde registers. De vordering kan niet worden ingesteld door iemand die reeds op de voet van artikel 316 wijziging of ontbinding van de overeenkomst heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist.

  • 3. Indien uit de wijziging of ontbinding van de overeenkomst schade ontstaat voor de wederpartij, is de rechtspersoon gehouden tot vergoeding daarvan.

Artikel 323
  • 1. De rechter kan een fusie alleen vernietigen:

    • a. indien de door een notaris ondertekende akte van fusie geen authentiek geschrift is;

    • b. wegens het niet naleven van artikel 310, vijfde en zesde lid, artikel 316, derde lid, of 318, tweede lid;

    • c. wegens nietigheid, het niet van kracht zijn of een grond tot vernietiging van een voor de fusie vereist besluit van de algemene vergadering of, in een stichting, van het bestuur;

    • d. wegens het niet naleven van artikel 317, vijfde lid.

  • 2. Vernietiging geschiedt op vordering tegen de verkrijgende rechtspersoon van een lid, aandeelhouder, bestuurder of andere belanghebbende. Een niet door de rechter vernietigde fusie is geldig.

  • 3. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging vervalt door herstel van het verzuim of door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van fusie ten kantore van de in artikel 318, derde lid, bedoelde registers.

  • 4. De fusie wordt niet vernietigd:

    • a. indien de rechtspersoon binnen een door de rechter te bepalen tijdvak het verzuim heeft hersteld;

    • b. indien de reeds ingetreden gevolgen van de fusie bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt.

  • 5. Heeft de eiser tot vernietiging van de fusie schade geleden door een verzuim dat tot vernietiging had kunnen leiden, en vernietigt de rechter de fusie niet, dan kan de rechter de rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtspersoon heeft daarvoor verhaal op de schuldigen aan het verzuim en, tot ten hoogste het genoten voordeel, op degenen die door het verzuim zijn bevoordeeld.

  • 6. De vernietiging wordt, door de zorg van de griffier van het gerecht waar de vordering laatstelijk aanhangig was, ingeschreven in de registers waarin de fusie ingevolge artikel 318, derde lid, moet zijn ingeschreven.

  • 7. De rechtspersonen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor verbintenissen die, ten laste van de rechtspersoon waarin zij gefuseerd zijn geweest, zijn ontstaan na de fusie en voordat de vernietiging in de registers is ingeschreven.

  • 8. De onherroepelijke uitspraak tot vernietiging van een fusie is voor ieder bindend. Verzet van derden en herroeping zijn niet toegestaan.

Artikel 323a
  • 1. Als verdwijnende rechtspersoon kan bij de toepassing van de artikelen 309 tot en met 334 ook optreden een buitenlandse rechtspersoon met een vergelijkbare rechtsvorm, mits het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst zich niet tegen de fusie en de wijze waarop deze tot stand komt verzet. Een verklaring met die strekking, afgelegd door een op dat rechtsgebied deskundige, wordt aan de akte van fusie gehecht.

  • 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat als vernietigingsgrond ook geldt dat het recht dat de buitenlandse rechtspersoon beheerst zich tegen een fusie als voltrokken verzet.

  • 3. De artikelen 310 tot en met 334 vinden uitsluitend toepassing ten aanzien van de verkrijgende rechtspersoon. Met betrekking tot de verdwijnende rechtspersoon worden de voor een zodanige fusie geldende regels zoveel mogelijk in acht genomen.

  • 4. De in artikel 318, tweede lid, bedoelde verklaring hoeft geen betrekking te hebben op de toepasselijke wettelijke en statutaire voorschriften.

AFDELING 3 Bijzondere bepalingen voor fusies van naamloze en besloten vennootschappen
Artikel 324

Deze afdeling is van toepassing, indien een naamloze of besloten vennootschap fuseert.

Artikel 325
  • 1. Indien aandelen of certificaten van aandelen van een te fuseren vennootschap zijn opgenomen in de prijscourant van een beurs, kan de ruilverhouding afhankelijk zijn van de prijs van die aandelen onderscheidenlijk certificaten op die beurs op een of meer in het voorstel tot fusie te bepalen tijdstippen, gelegen voor de dag waarop de fusie van kracht wordt.

  • 2. Indien krachtens de ruilverhouding van de aandelen recht bestaat op geld of schuldvorderingen, mag het gezamenlijke bedrag daarvan een tiende van het door de toegekende aandelen vertegenwoordigde eigen vermogen niet te boven gaan.

  • 3. Bij de akte van fusie kan de verkrijgende vennootschap aandelen in de verkrijgende vennootschap die zij zelf of een andere fuserende vennootschap houdt, intrekken tot ten hoogste de vermogenswaarde die de aandelen die zij toekent aan haar nieuwe aandeelhouders vertegenwoordigen.

  • 4. Aandelen van de verdwijnende vennootschappen die worden gehouden door of voor rekening van de fuserende vennootschappen, vervallen.

Artikel 326
  • 1. Het voorstel tot fusie bevat naast de in artikel 312 genoemde gegevens:

    • a. de ruilverhouding van de aandelen en eventueel de omvang van de betalingen krachtens de ruilverhouding;

    • b. met ingang van welk tijdstip en in welke mate de aandeelhouders van de verdwijnende vennootschappen zullen delen in de winst van de verkrijgende vennootschap;

    • c. hoeveel aandelen eventueel zullen worden ingetrokken met toepassing van artikel 325, derde lid;

    • d. een fusiebalans van de verkrijgende vennootschap.

  • 2. De fusiebalans van de verkrijgende vennootschap toont een eigen vermogen dat niet negatief is of, indien de verkrijgende vennootschap een nominaal kapitaal heeft, niet lager is dan dat nominaal kapitaal. Zij heeft betrekking op het vermoedelijke tijdstip van de fusie. Gegevens daarvoor mogen worden ontleend aan de in artikel 313, tweede lid, bedoelde jaarrekeningen of vermogensopstellingen. Afwijkingen daarvan worden toegelicht.

Artikel 327

In de toelichting op het voorstel tot fusie moet het bestuur mededelen:

  • a. volgens welke methode of methoden de ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld;

  • b. of deze methode of methoden in het gegeven geval passen;

  • c. tot welke waardering elke gebruikte methode leidt;

  • d. indien meer dan een methode is gebruikt, of het bij de waardering aangenomen betrekkelijke gewicht van de methoden in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar kan worden beschouwd; en

  • e. welke bijzondere moeilijkheden er eventueel zijn geweest bij de waardering en bij de bepaling van de ruilverhouding.

Artikel 328
  • 1. Een door het bestuur aangewezen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 moet het voorstel tot fusie onderzoeken en moet verklaren of de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is. Hij moet tevens een verslag opstellen, waarin hij zijn oordeel geeft over de fusiebalans van de verkrijgende vennootschap en de mededelingen, bedoeld in artikel 327.

  • 2. Indien een van de fuserende vennootschappen een naamloze vennootschap is, wordt bij deze slechts dezelfde persoon als bij een andere fuserende rechtspersoon als deskundige aangewezen, indien de algemene vergadering het besluit daartoe heeft goedgekeurd.

  • 3. De deskundigen zijn bij alle fuserende vennootschappen gelijkelijk tot onderzoek bevoegd.

  • 4. Op de verklaring van de deskundige is artikel 314 van overeenkomstige toepassing en op zijn verslag het tweede en derde lid van artikel 314.

Artikel 331
  • 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan een verkrijgende vennootschap bij bestuursbesluit tot fusie besluiten.

  • 2. Dit besluit kan slechts worden genomen, indien de vennootschap het voornemen hiertoe heeft vermeld in de aankondiging dat het voorstel tot fusie is neergelegd.

  • 3. Het besluit kan niet worden genomen, indien een of meer aandeelhouders die tezamen ten minste een tiende van het eigen vermogen vertegenwoordigen, of een zoveel geringer bedrag als in de statuten is bepaald, binnen een maand na de aankondiging aan het bestuur hebben verzocht de algemene vergadering bijeen te roepen om over de fusie te besluiten. Artikel 317 is dan van toepassing.

Artikel 333
  • 1. Indien de verkrijgende vennootschap fuseert met een vennootschap waarvan zij alle aandelen houdt of met een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij waarvan zij het enige lid is, zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing.

  • 2. Indien iemand, of een ander voor zijn rekening, alle aandelen houdt van de te fuseren vennootschappen en de verkrijgende vennootschap geen aandelen toekent ingevolge de akte van fusie, zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing.

  • 3. Indien alle stemgerechtigde personen hebben gestemd voor alle voor de fusie vereiste besluiten zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing.

  • 4. Indien een verkrijgende vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting fuseert met een naamloze of besloten vennootschap waarvan zij alle aandelen houdt, zijn de bepalingen van deze afdeling niet van toepassing.

Artikel 334
  • 1. De akte van fusie kan bepalen dat de aandeelhouders van de verdwijnende vennootschappen aandeelhouder worden van een groepsmaatschappij van de verkrijgende vennootschap. Zij worden dan geen aandeelhouder van de verkrijgende vennootschap.

  • 2. Zulk een fusie is slechts mogelijk, indien de groepsmaatschappij alleen of samen met een andere groepsmaatschappij alle aandelen van de verkrijgende vennootschap houdt. De artikelen 317, eerste tot en met vierde lid, en 331 zijn op het besluit van de groepsmaatschappij van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De groepsmaatschappij die de aandelen toekent geldt naast de verkrijgende vennootschap als fuserende rechtspersoon. Op haar rusten de verplichtingen die ingevolge de artikelen 312 tot en met 328 op een verkrijgende vennootschap rusten, met uitzondering van de verplichtingen uit de artikelen 316, 317, 318, vierde lid, 321, tweede lid, en 323, zevende lid; voor de toepassing van artikel 328, derde lid, blijft zij buiten beschouwing. De artikelen 312, tweede lid, onder b, 320, 325, derde lid, en 326, eerste lid, onder b, gelden alsdan niet voor de verkrijgende vennootschap.

AFDELING 4 Algemene bepalingen omtrent splitsingen
Artikel 335
  • 1. Splitsing is zuivere splitsing en afsplitsing.

  • 2. Zuivere splitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door twee of meer andere rechtspersonen.

  • 3. Afsplitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen waarvan ten minste één overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling of afdeling 5 lidmaatschapsrechten of aandelen toekent aan de leden of aan aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht.

  • 4. Partij bij de splitsing is de splitsende rechtspersoon, alsmede elke verkrijgende rechtspersoon, met uitzondering van rechtspersonen die bij de splitsing worden opgericht.

Artikel 336
  • 1. De partijen bij een splitsing moeten dezelfde rechtsvorm hebben.

  • 2. Wordt een verkrijgende rechtspersoon bij de splitsing opgericht, dan moet hij de rechtsvorm hebben van de splitsende rechtspersoon.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel worden naamloze en besloten vennootschap als rechtspersonen met dezelfde rechtsvorm aangemerkt.

  • 4. Bij splitsing van een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting kunnen ook naamloze of besloten vennootschappen worden opgericht, mits de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing alle aandelen verkrijgt.

  • 5. Een ontbonden rechtspersoon mag niet partij zijn bij een splitsing, indien reeds uit hoofde van de vereffening een uitkering is gedaan.

  • 6. Een rechtspersoon mag niet partij zijn bij een splitsing gedurende faillissement of surséance van betaling. 7. Een splitsende rechtspersoon mag in faillissement of surséance van betaling zijn, mits alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte naamloze of besloten vennootschappen zijn en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt. Indien de splitsende rechtspersoon in faillissement is, kan de curator tot splitsing besluiten en rusten de verplichtingen die ingevolge deze en de volgende afdeling op het bestuur rusten, op de curator; indien de rechtspersoon in surséance van betaling is, behoeft het besluit tot splitsing de goedkeuring van de bewindvoerder. Artikel 338, tweede lid, artikel 340, tweede lid, onderdeel e, voor zover het betreft de waarde van het deel van het vermogen dat de splitsende rechtspersoon zal behouden, artikel 341, tweede lid, artikel 343, eerste lid, en artikel 361, derde lid, gelden niet in faillissement; artikel 338, tweede lid, geldt niet in surséance.

Artikel 337
  • 1. Indien het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon overgaat, houdt hij door het van kracht worden van de splitsing op te bestaan.

  • 2. Het eerste lid geldt niet, indien ten minste een verkrijgende rechtspersoon een bij de splitsing opgerichte naamloze of besloten vennootschap is en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing alle aandelen verkrijgt.

Artikel 338
  • 1. De waarde van het deel van het vermogen van de splitsende rechtspersoon dat elke verkrijgende rechtspersoon verkrijgt ten tijde van de splitsing moet ten minste nul zijn.

  • 2. Hetzelfde geldt voor het eigen vermogen dat een voortbestaande splitsende rechtspersoon behoudt.

Artikel 339
  • 1. De leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon worden door de splitsing lid of aandeelhouder van alle verkrijgende rechtspersonen.

  • 2. Geen aandelen in een verkrijgende vennootschap worden verkregen voor aandelen in een splitsende vennootschap die door of voor rekening van die verkrijgende vennootschap of door of voor rekening van de splitsende vennootschap worden gehouden.

  • 3. Het eerste lid geldt voorts niet voor zover:

    • a. alle aandelen in de verkrijgende vennootschappen direct of indirect worden gehouden door of voor rekening van de splitsende vennootschap en de splitsende vennootschap niet ophoudt te bestaan;

    • b. ten aanzien van verkrijgende vennootschappen artikel 360 of artikel 363 wordt toegepast;

    • c. krachtens de ruilverhouding van de aandelen zelfs geen recht bestaat op een enkel aandeel.

Artikel 340
  • 1. De besturen van de partijen bij de splitsing stellen een voorstel tot splitsing op.

  • 2. Dit voorstel vermeldt ten minste:

    • a. de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de partijen bij de splitsing en, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, van deze rechtspersonen;

    • b. de statuten van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, zoals die statuten luiden en zoals zij na de splitsing zullen luiden dan wel, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, het ontwerp van de akte van oprichting;

    • c. of het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan of een gedeelte daarvan;

    • d. een beschrijving aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon zullen overgaan op elk van de verkrijgende rechtspersonen en, indien niet het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan, welke vermogensbestanddelen door hem zullen worden behouden, alsmede een pro forma winst- en verliesrekening dan wel exploitatierekening van de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande splitsende rechtspersoon;

    • e. de waarde, bepaald naar de dag waarop de in artikel 341, tweede, lid bedoelde jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling van de splitsende rechtspersoon betrekking heeft en berekend met inachtneming van de derde volzin van die bepaling,van het deel van het vermogen dat elke verkrijgende rechtspersoon zal verkrijgen en van het deel dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon zal behouden, alsmede de waarde van aandelen in het kapitaal van verkrijgende rechtspersonen en die de voorbestaande splitsende rechtspersoon bij de splitsing zal verkrijgen;

    • f. welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 349 ten laste van de verkrijgende rechtspersonen worden toegekend aan degenen die anders dan als lid of aandeelhouder bijzondere rechten hebben jegens de splitsende rechtspersoon, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, en met ingang van welk tijdstip de toekenning geschiedt;

    • g. welke voordelen in verband met de splitsing worden toegekend aan een bestuurder of commissaris van een partij bij de splitsing of aan een ander die bij de splitsing is betrokken;

    • h. de voornemens over de samenstelling na de splitsing van de besturen van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, alsmede, voor zover er raden van commissarissen zullen zijn, van die raden;

    • i. het tijdstip met ingang waarvan financiële gegevens betreffende elk deel van het vermogen dat zal overgaan zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersonen;

    • j. de voorgenomen maatregelen in verband met het verkrijgen door de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon van het lidmaatschap of aandeelhouderschap van de verkrijgende rechtspersonen;

    • k. de voornemens omtrent voortzetting of beëindiging van werkzaamheden;

    • l. wie in voorkomend geval het besluit tot splitsing moet goedkeuren.

  • 3. Het voorstel tot splitsing wordt ondertekend door de bestuurders van elke partij bij de splitsing; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.

  • 4. Indien een partij bij de splitsing een naamloze vennootschap is waarvan de statuten een bepaling bevatten als bedoeld in artikel 139, moet het voorstel tot splitsing zijn goedgekeurd door de raad van commissarissen van die vennootschap en wordt het door de commissarissen mede ondertekend; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.

Artikel 341
  • 1. In een schriftelijke toelichting geeft het bestuur van elke partij bij de splitsing de redenen voor de splitsing met een uiteenzetting over de verwachte gevolgen voor de werkzaamheden en een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt.

  • 2. Indien het laatste boekjaar van de rechtspersoon, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de nederlegging van het voorstel tot splitsing is verstreken, maakt het bestuur een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling op. Deze heeft betrekking op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin zij wordt neergelegd.

    De vermogendes opstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde jaarrekening of andere financiële verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde.

Artikel 342
  • 1. Elke partij bij de splitsing legt ten kantore van het handelsregister neer:

    • a. het voorstel tot splitsing;

    • b. de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen of andere financiële verantwoordingen van de partijen bij de splitsing, met de deskundigenverklaring daarbij, voor zover deze stukken ter inzage liggen of moeten liggen;

    • c. de jaarverslagen van de partijen bij de splitsing over de laatste drie afgesloten jaren, voor zover deze ter inzage liggen of moeten liggen;

    • d. tussentijdse vermogensopstellingen of niet goedgekeurde jaarrekeningen, voor zover vereist ingevolge artikel 341, tweede lid, en voor zover de jaarrekening van de rechtspersoon ter inzage moet liggen.

  • 2. Tegelijkertijd legt het bestuur de stukken, met inbegrip van jaarrekeningen en jaarverslagen die niet ter openbare inzage hoeven te liggen, samen met de toelichtingen van de besturen op het voorstel neer ten kantore van de rechtspersoon of, bij gebreke van een kantoor, aan de woonplaats van een bestuurder. De stukken liggen tot het tijdstip van de splitsing op het adres van elke verkrijgende rechtspersoon en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon, onderscheidenlijk op het adres van een bestuurder daarvan, nog zes maanden nadien ter inzage voor de leden of aandeelhouders en voor hen die een bijzonder recht jegens de rechtspersoon hebben, zoals een recht op een uitkering van winst, tot het nemen van aandelen of tot het bijwonen van vergaderingen. In dit tijdvak kunnen zij kosteloos een afschrift daarvan krijgen.

  • 3. De partijen bij de splitsing kondigen in de Staatscourant en in een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnend nieuwsblad aan dat de stukken zijn neergelegd, met opgave van de openbare registers waar zij liggen en van het adres waar zij krachtens het tweede lid ter inzage liggen. Indien het besluit tot splitsing moet worden goedgekeurd op de voet van artikel 346, vijfde lid, wordt mededeling gedaan van het tijdstip van behandeling van het goedkeuringsverzoek.

  • 4. Indien de besturen van de partijen bij de splitsing het voorstel tot splitsing wijzigen, is het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het tweede lid geldt niet voor stichtingen.

Artikel 343
  • 1. Het bestuur van elke partij bij de splitsing is verplicht de algemene vergadering en de andere partijen bij de splitsing in te lichten over na het voorstel tot splitsing gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden die de mededelingen in het voorstel tot splitsing of in de toelichting hebben beïnvloed.

  • 2. Voor een stichting geldt deze verplichting jegens degenen die blijkens de statuten de splitsing moeten goedkeuren.

Artikel 344
  • 1. Een rechtsverhouding waarbij de splitsende rechtspersoon partij is mag, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in artikel 345, slechts in haar geheel overgaan.

  • 2. Is echter een rechtsverhouding verbonden met verschillende vermogensbestanddelen die op onderscheiden verkrijgende rechtspersonen overgaan, dan mag zij worden gesplitst in dier voege dat zij overgaat op alle betrokken verkrijgende rechtspersonen naar evenredigheid van het verband dat de rechtsverhouding heeft met de vermogensbestanddelen die elke rechtspersoon verkrijgt.

  • 3. Indien een rechtsverhouding mede verbonden is met vermogensbestanddelen die de voortbestaande splitsende rechtspersoon behoudt, is het tweede lid te zijnen aanzien van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid laten de rechten die de wederpartij bij een rechtsverhouding kan ontlenen aan artikel 351 onverlet.

Artikel 345
  • 1. Tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd kan iedere schuldeiser of contractuele wederpartij van zulk een partij, alsmede iedere bijzonder rechthebbende in de zin van artikel 349, door een verzoekschrift bij de rechter in eerste aanleg van de statutaire zetel van zulk een partij tegen een aangekondigde splitsing in verzet komen op de grond dat het voorstel ten aanzien van zijn rechtsverhouding strijdt met artikel 344 of dat hij anderszins in zijn positie als crediteur, contractuele wederpartij of bijzonder rechthebbende wordt geschaad. In voorkomende gevallen vermeldt het verzoekschrift welke zekerheid, waarborg, contractswijziging, ontbinding of schadevergoeding wordt verlangd.

  • 2. Voordat de rechter beslist, kan hij de partijen bij de splitsing in de gelegenheid stellen binnen een door hem gestelde termijn een door hem omschreven wijziging in het voorstel tot splitsing aan te brengen en het gewijzigde voorstel overeenkomstig artikel 342 openbaar te maken. Oordeelt hij dat het verzet om een andere aangevoerde reden gegrond is dan bepaalt hij de door een of meer bij de splitsing betrokken partijen of een derde te stellen zekerheid of waarborg of te betalen schadevergoeding, dan wel de contractswijziging of -ontbinding die zal gelden wanneer de splitsing tot stand komt. Aan een contractswijziging of -ontbinding kan hij een per de datum van de splitsing ingaande, op een of meer partijen rustende verplichting tot schadevergoeding verbinden.

  • 3. De in artikel 347 bedoelde akte van splitsing mag niet worden verleden voordat het verzet is ingetrokken, de beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar is of, bij gegrondverklaring om een andere reden dan schending van artikel 344, de vastgestelde zekerheid of waarborg is gesteld.

  • 4. Indien de akte van splitsing al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel:

    • a. bevelen dat een rechtsverhouding die in strijd met artikel 344 is overgegaan geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen aan een of meer door hem aan te wijzen verkrijgende rechtspersonen of aan de voortbestaande gesplitste rechts- persoon, of bepalen dat twee of meer van deze rechtspersonen hoofdelijk tot nakoming van de uit de rechtsverhouding voortvloeiende verbintenissen verbonden zijn;

    • b. bevelen dat een door hem omschreven waarborg wordt gegeven.

    De rechter kan aan een bevel als bedoeld een dwangsom verbinden.

  • 5. Indien door een overdracht als bedoeld in het vierde lid, onder a, de overdragende of verkrijgende rechtspersoon nadeel lijdt, is de andere rechtspersoon gehouden dit goed te maken.

Artikel 346
  • 1. Het besluit tot splitsing wordt genomen door de algemene vergadering; in een stichting wordt het besluit genomen door degene die de statuten mag wijzigen of, als geen ander dat mag, door het bestuur. Het besluit mag niet afwijken van het voorstel tot splitsing.

  • 2. Een besluit tot splitsing kan eerst worden genomen na verloop van een maand na de dag waarop alle partijen bij de splitsing de nederlegging van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd.

  • 3. Een besluit tot splitsing wordt genomen op dezelfde wijze en met dezelfde meerderheid als een besluit tot wijziging van de statuten. Vereisen de statuten hiervoor goedkeuring, dan geldt dit ook voor het besluit tot splitsing. Vereisen de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden, dan is voor een besluit tot splitsing de grootste daarvan vereist, en sluiten de statuten wijziging van bepalingen uit, dan zijn de stemmen van alle stemgerechtigde leden of aandeelhouders vereist; een en ander tenzij die bepalingen na de splitsing onverminderd zullen gelden. De notulen van de vergaderingen waarin tot splitsing wordt besloten worden opgemaakt bij notariële akte.

  • 4. Het derde lid geldt niet voor zover de statuten een andere regeling voor besluiten tot splitsing geven.

  • 5. Een besluit tot splitsing van een stichting behoeft de voorafgaande goedkeuring van de rechter, tenzij uitsluitend stichtingen die stichting particulier fonds zijn, of uitsluitend stichtingen die dat niet zijn, bij de splitsing betrokken zijn en de statuten van de deze stichtingen het mogelijk maken alle bepalingen daarvan te wijzigen. De rechter wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de splitsing strijdig is met het belang van de stichting of dat de belangen van aangeslotenen of derden onevenredig worden geschaad.

Artikel 347
  • 1. De splitsing geschiedt bij notariële akte en wordt van kracht met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. De akte mag slechts worden verleden binnen zes maanden na de aankondiging van de nederlegging van het voorstel tot splitsing of, indien dit als gevolg van gedaan verzet niet mag, binnen een maand na het in artikel 345, derde lid bedoelde tijdstip.

  • 2. Aan de voet van de akte verklaart de notaris dat hem is gebleken dat de vormvoorschriften in acht zijn genomen voor alle besluiten die deze en de volgende afdeling en de statuten voor het tot stand komen van de splitsing vereisen en dat voor het overige de daarvoor in deze en de volgende afdeling en in de statuten gegeven voorschriften zijn nageleefd. Aan de akte wordt de in artikel 340, tweede lid, onder d, bedoelde beschrijving gehecht.

  • 3. De artikelen 4 en 5 vinden overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de vereiste stukken worden aangeboden ten kantore van het handelsregister van elk van de partijen bij de splitsing. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast «oprichting», «oprichtingshandeling» en «oprichtingsbalans» ook gelezen: splitsing, splitsingshandeling en splitsingsbalans.

  • 4. De verkrijgende rechtspersonen, elk voor zover het goederen betreft die bij de splitsing op hen zijn overgegaan, doen binnen een maand na de splitsing opgave aan de beheerders van andere openbare registers waarin overgang van rechten of de splitsing kan worden ingeschreven. Gaat door de splitsing een registergoed op een verkrijgende vennootschap over, dan is de gesplitste rechtspersoon of, zo deze bij de splitsing is opgehouden te bestaan, elk van de verkrijgende rechtspersonen in zijn plaats verplicht binnen deze termijn aan de bewaarder van de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2 van Boek 3, de voor de inschrijving van de splitsing vereiste stukken aan te bieden.

Artikel 348
  • 1. De rechthebbende van een pandrecht of vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen in het kapitaal van de splitsende rechtspersoon verkrijgt eenzelfde recht op hetgeen het lid of de aandeelhouder krachtens de akte van splitsing verkrijgt. Indien de splitsende rechtspersoon na de splitsing voortbestaat, blijft daarnaast het bestaande pandrecht of recht van vruchtgebruik in stand.

  • 2. Vervallen aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust, en treedt daarvoor niets in de plaats, dan moeten de verkrijgende rechtspersonen de rechthebbende een gelijkwaardige vervanging geven.

Artikel 349
  • 1. Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens de splitsende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet hetzij zodanige rechten in verkrijgende rechtspersonen krijgen, dat deze, waar toepasselijk samen met het recht dat hij jegens de voortbestaande splitsende rechtspersoon heeft, gelijkwaardig zijn aan zijn recht voor de splitsing, hetzij schadevergoeding krijgen. Schadevergoeding kan niet worden gevorderd door iemand die reeds op de voet van artikel 345 schadevergoeding heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist.

  • 2. De schadevergoeding wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter in eerste aanleg van de statutaire zetel van de splitsende rechtspersoon.

  • 3. Artikel 348 is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd.

Artikel 350
  • 1. Indien de gesplitste rechtspersoon bij de splitsing ophoudt te bestaan, is zijn laatste boekjaar geëindigd op het tijdstip met ingang waarvan de financiële gegevens betreffende zijn vermogen zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersonen.

  • 2. Indien de gesplitste rechtspersoon bij de splitsing ophoudt te bestaan, rusten de verplichtingen omtrent zijn jaarrekening of andere financiële verantwoording na de splitsing op de gezamenlijke verkrijgende rechtspersonen.

  • 3. Waarderingsverschillen tussen de verantwoording van activa en passiva in de laatste jaarrekening of andere financiële verantwoording van de gesplitste rechtspersoon en in de eerste jaarrekening of andere financiële verantwoording waarin een verkrijgende rechtspersoon deze activa en passiva verantwoordt, moeten worden toegelicht.

Artikel 351
  • 1. Indien ten gevolge van de splitsing een overeenkomst van een partij bij de splitsing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, wijzigt of ontbindt de rechter de overeenkomst op vordering van een der partijen bij de overeenkomst. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.

  • 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing ten kantore van de in artikel 347, derde lid, bedoelde registers. De vordering kan niet worden ingesteld door iemand die reeds op de voet van artikel 345 wijziging of ontbinding van de overeenkomst heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist.

  • 3. Indien uit de wijziging of ontbinding van de overeenkomst schade ontstaat voor de wederpartij, is de betrokken rechtspersoon gehouden tot vergoeding daarvan.

Artikel 352
  • 1. Het tweede tot en met vierde lid zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is.

  • 2. Indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, zijn de verkrijgende rechtspersonen gezamenlijk rechthebbende. Elke verkrijgende rechtspersoon deelt in het vermogensbestanddeel naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen van de gesplitste rechtspersoon dat hij verkrijgt.

  • 3. Indien niet het gehele vermogen is overgegaan, is de gesplitste rechtspersoon rechthebbende.

  • 4. Voor zover verkrijgende rechtspersonen uit hoofde van het tweede lid aansprakelijk zijn voor schulden, zijn zij hoofdelijk verbonden.

Artikel 353
  • 1. De verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing.

  • 2. Voor ondeelbare verbintenissen zijn de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk.

  • 3. Voor deelbare verbintenissen is de verkrijgende rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, de voortbestaande gesplitste rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk. De aansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen is voor elke andere rechtspersoon beperkt tot de waarde van het vermogen dat hij bij de splitsing heeft verkregen of behouden.

  • 4. Andere rechtspersonen dan de rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, dan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn niet tot nakoming gehouden voordat de laatstbedoelde rechtspersoon in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten.

  • 5. Ten aanzien van de aansprakelijkheid zijn de bepalingen betreffende hoofdelijke verbondenheid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 354
  • 1. De rechter kan een splitsing alleen vernietigen:

    • a. indien de door een notaris ondertekende akte van splitsing geen authentiek geschrift is;

    • b. wegens het niet naleven van artikel 336, vijfde of zesde lid, artikel 345, derde lid, of de eerste volzin van artikel 347, tweede lid;

    • c. wegens nietigheid, het niet van kracht zijn of een grond tot vernietiging van een voor de splitsing vereist besluit van de algemene vergadering of, in een stichting, van het bestuur;

    • d. wegens het niet naleven van artikel 346, vijfde lid.

  • 2. Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechter van de statutaire zetel van de gesplitste rechtspersoon op vordering tegen alle verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon van een lid, aandeelhouder, bestuurder of andere belanghebbende. Een niet door de rechter vernietigde splitsing is geldig.

  • 3. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging vervalt door herstel van het verzuim of door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing ten kantore van de in artikel 347, derde lid, bedoelde registers.

  • 4. De splitsing wordt niet vernietigd:

    • a. indien het verzuim binnen een door de rechter te bepalen termijn is hersteld;

    • b. indien de reeds ingetreden gevolgen van de splitsing bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt.

  • 5. Heeft de eiser tot vernietiging van de splitsing schade geleden door een verzuim dat tot vernietiging had kunnen leiden, en vernietigt de rechter de splitsing niet, dan kan de rechter de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtspersonen hebben daarvoor verhaal op de schuldigen aan het verzuim en, tot ten hoogste het genoten voordeel, op degenen die door het verzuim zijn bevoordeeld.

  • 6. De vernietiging wordt, door de zorg van de griffier van het gerecht waar de vordering laatstelijk aanhangig was, ingeschreven in de registers waarin de splitsing ingevolge artikel 347, derde lid, moet zijn ingeschreven.

  • 7. De gesplitste rechtspersoon is naast de betrokken verkrijgende rechtspersoon hoofdelijk verbonden tot nakoming van verbintenissen die ten laste van de verkrijgende rechtspersonen zijn ontstaan na de splitsing en voordat de vernietiging in de registers is ingeschreven.

  • 8. De onherroepelijke uitspraak tot vernietiging van een splitsing is voor een ieder bindend. Verzet van derden en herroeping zijn niet toegestaan.

AFDELING 5 Bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of opgericht
Artikel 355

Deze afdeling is van toepassing, indien bij een splitsing een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of wordt opgericht.

Artikel 356
  • 1. Indien aandelen of certificaten van aandelen van een splitsende vennootschap zijn opgenomen in de prijscourant van een beurs, kan de ruilverhouding afhankelijk zijn van de prijs van die aandelen onderscheidenlijk certificaten op die beurs op een of meer in het voorstel tot splitsing te bepalen tijdstippen, gelegen voor de dag waarop de splitsing van kracht wordt.

  • 2. Indien krachtens de ruilverhouding van de aandelen recht bestaat op geld of schuldvorderingen, mag het gezamenlijke bedrag daarvan een tiende van het door de toegekende aandelen vertegenwoordigde eigen vermogen niet te boven gaan.

  • 3. Bij de akte van splitsing kan een verkrijgende vennootschap aandelen in de verkrijgende vennootschap die zij zelf houdt of krachtens de akte van splitsing verkrijgt, intrekken tot ten hoogste de vermogenswaarde die de aandelen die zij toekent aan haar nieuwe aandeelhouders vertegenwoordigen.

  • 4. Aandelen in het kapitaal van de splitsende vennootschap die worden gehouden door of voor rekening van een verkrijgende rechtspersoon of door of voor rekening van de splitsende vennootschap vervallen, indien de splitsende vennootschap bij de splitsing ophoudt te bestaan.

Artikel 357
  • 1. Het voorstel tot splitsing bevat naast de in artikel 340 genoemde gegevens:

    • a. de ruilverhouding van de aandelen en eventueel de omvang van de betalingen krachtens de ruilverhouding;

    • b. met ingang van welk tijdstip en in welke mate de aandeelhouders van de splitsende vennootschap zullen delen in de winst van de verkrijgende vennootschappen;

    • c. hoeveel aandelen eventueel zullen worden ingetrokken met toepassing van artikel 356, derde lid;

    • d. een splitsingsbalans van alle partijen bij de splitsing die naamloze of besloten vennootschap zijn en niet ophouden te bestaan.

  • 2. De in het eerste lid onder d bedoelde splitsingsbalans toont een eigen vermogen dat niet negatief is of, indien de betrokken vennootschap een nominaal kapitaal heeft, niet lager is dan dat nominaal kapitaal. Zij heeft betrekking op het vermoedelijke tijdstip van de splitsing. Gegevens daarvoor mogen worden ontleend aan de in artikel 341, tweede lid, bedoelde jaarrekeningen of vermogensopstellingen. Afwijkingen daarvan worden toegelicht.

Artikel 358

In de toelichting op het voorstel tot splitsing moet het bestuur mededelen:

  • a. volgens welke methode of methoden de ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld;

  • b. of deze methode of methoden in het gegeven geval passen;

  • c. tot welke waardering elke gebruikte methode leidt;

  • d. indien meer dan een methode is gebruikt, of het bij de waardering aangenomen betrekkelijke gewicht van de methoden in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar kan worden beschouwd; en

  • e. elke bijzondere moeilijkheden er eventueel zijn geweest bij de waardering en bij de bepaling van de ruilverhouding.

Artikel 359
  • 1. Een door het bestuur aangewezen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 moet het voorstel tot splitsing onderzoeken en moet verklaren of de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is. Hij moet tevens een verslag opstellen, waarin hij zijn oordeel geeft over de splitsingsbalansen bedoeld in artikel 357, eerste lid, onder d, en de mededelingen, bedoeld in artikel 358.

  • 2. Indien twee of meer van de partijen bij de splitsing naamloze vennootschappen zijn, wordt slechts dezelfde persoon als deskundige aangewezen, indien de algemene vergaderingen het besluit daartoe hebben goedgekeurd.

  • 3. De deskundigen zijn bij alle partijen bij de splitsing gelijkelijk tot onderzoek bevoegd.

  • 4. Op de verklaring van de deskundige is artikel 342 van overeenkomstige toepassing en op zijn verslag het tweede en derde lid van artikel 342.

Artikel 360

In het geval van een zuivere splitsing kan de akte van splitsing bepalen dat onderscheiden aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon aandeelhouder worden van onderscheiden verkrijgende rechtspersonen. In dat geval:

  • a. vermeldt het voorstel tot splitsing naast de in de artikelen 340 en 357 genoemde gegevens welke aandeelhouders van welke verkrijgende rechtspersonen aandeelhouder worden;

  • b. deelt het bestuur in de toelichting op het voorstel tot splitsing mee volgens welke criteria deze verdeling is vastgesteld;

  • c. moet de deskundige bedoeld in artikel 359 mede verklaren dat de voorgestelde verdeling, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is; en

  • d. wordt het besluit tot splitsing door de algemene vergadering van de splitsende vennootschap genomen met een meerderheid van drie vierden van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin 95% van het door de aandelen vertegenwoordigde vermogen is vertegenwoordigd.

Artikel 361
  • 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan een verkrijgende vennootschap bij bestuursbesluit tot splitsing besluiten. Hetzelfde geldt voor de splitsende vennootschap, mits alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte naamloze of besloten vennootschappen zijn en de splitsende vennootschap daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt.

  • 2. Dit besluit kan slechts worden genomen, indien de vennootschap het voornemen hiertoe heeft vermeld in de aankondiging dat het voorstel tot splitsing is neergelegd.

  • 3. Het besluit kan niet worden genomen, indien een of meer aandeelhouders die tezamen ten minste een tiende van het eigen vermogen vertegenwoordigen, of een zoveel geringer bedrag als in de statuten is bepaald, binnen een maand na de aankondiging aan het bestuur hebben verzocht de algemene vergadering bijeen te roepen om over de splitsing te besluiten. Artikel 346 is dan van toepassing.

Artikel 362
  • 1. Indien alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing direct of indirect enig aandeelhouder wordt, zijn de artikelen 340, vierde lid, en 357 tot en met 359 niet van toepassing.

  • 2. Indien alle voor de splitsing vereiste besluiten worden genomen met de daarvoor uitgebrachte stemmen van alle stemgerechtigde personen zijn de artikelen 357 tot en met 359 niet van toepassing.

Artikel 363
  • 1. De akte van splitsing kan bepalen dat de aandeelhouders van de splitsende vennootschap aandeelhouder worden van een groepsmaatschappij van een verkrijgende vennootschap. Zij worden dan geen aandeelhouder van die verkrijgende vennootschap.

  • 2. Zulk een splitsing is slechts mogelijk, indien de groepsmaatschappij alleen of samen met een andere groepsmaatschappij alle aandelen van de verkrijgende vennootschap houdt. Het eerste tot en met het vierde lid van artikel 346 en artikel 361 zijn op het besluit van de groepsmaatschappij van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De groepsmaatschappij die de aandelen toekent geldt naast de verkrijgende vennootschap als partij bij de splitsing. Op haar rusten de verplichtingen die ingevolge de artikelen 340 tot en met 360 op een verkrijgende rechtspersoon rusten, met uitzondering van de verplichtingen uit de artikelen 345, 346 en het tweede en vierde lid van artikel 350; voor de toepassing van het vierde lid van artikel 359 blijft zij buiten beschouwing; de artikelen 352, 353 en het zevende lid van artikel 354 gelden voor haar niet. Het tweede lid, onder b, van artikel 340, het derde lid van artikel 356 en het eerste lid, onder b, van artikel 357 gelden alsdan niet voor de verkrijgende vennootschap.

BOEK 3 VERMOGENSRECHT IN HET ALGEMEEN

TITEL 1 Algemene bepalingen
AFDELING 1 Begripsbepalingen
Artikel 1

Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 2

Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.

Artikel 3
  • 1. Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.

  • 2. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.

Artikel 4
  • 1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.

  • 2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.

Artikel 5

Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.

Artikel 6

Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij te zamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.

Artikel 7

Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.

Artikel 8

Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard.

Artikel 9
  • 1. Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt.

  • 2. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt.

  • 3. De afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als vruchten van het recht op de lijfrente.

  • 4. Een natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden.

Artikel 10

Registergoederen zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is.

Artikel 11

Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

Artikel 12

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.

Artikel 13
  • 1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

  • 2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

  • 3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Artikel 14

Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.

Artikel 15

De artikelen 11 tot en met 14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

AFDELING 1A Het voeren van een administratie
Artikel 15a
  • 1. Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.

  • 2. Onverminderd het elders in de wet bepaalde is degene op wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, rusten, verplicht jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar een balans en een staat van baten en lasten te maken en op papier te stellen.

  • 3. Hij is voorts verplicht de in het eerste en tweede lid bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tien jaren te bewaren.

  • 4. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

Artikel 15b

Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen:

  • a. erfgenamen, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap;

  • b. deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap;

  • c. vennoten, ten aanzien van de administratie van de vennootschap;

  • d. schuldeisers in het geval van een faillissement, ten aanzien van de administratie van de failliet.

AFDELING 2 Inschrijvingen betreffende registergoederen
Artikel 16
  • 1. Er worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven.

  • 2. Welke deze openbare registers zijn waar en op welke wijze een inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden, wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers moeten worden ingericht, hoe de inschrijvingen daarin dienen te geschieden, en hoe de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij wet.

Artikel 17
  • 1. Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere bij wet vastgestelde bepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven:

    • a. rechtshandelingen die een verandering in de rechtstoestand van registergoederen brengen, of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand van belang zijn;

    • b. erfopvolgingen die registergoederen betreffen, daaronder begrepen de opvolging krachtens artikel 860, tweede lid, van Boek 4 en de inbezitstelling krachtens artikel 1155 van Boek 4;

    • c. vervulling van de voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood van een vruchtgebruiker van een registergoed;

    • d. reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen zijn vastgesteld;

    • e. rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem binnen de desbetreffende termijn na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, benevens de tegen de bovenbedoelde uitspraken ingestelde rechtsmiddelen;

    • f. instelling van rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft;

    • g. executoriale en conservatoire beslagen op registergoederen;

    • h. naamsveranderingen die tot registergoederen gerechtigde personen betreffen;

    • i. verjaring die leidt tot verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een beperkt recht dat een registergoed is;

    • j. beschikkingen en uitspraken, waarbij een krachtens een wet ingeschreven beschikking wordt vernietigd, ingetrokken of gewijzigd.

  • 2. Huurovereenkomsten en andere feiten die alleen persoonlijke rechten geven of opheffen, kunnen slechts worden ingeschreven, indien een bijzondere, bij wet vastgestelde, bepaling dit toestaat.

Artikel 18

Worden de bewaarder der registers stukken ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt hij de aanbieder een bewijs van ontvangst, vermeldende de aard van die stukken alsmede dag, uur en minuut van de aanbieding.

Artikel 19
  • 1. Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen voldoen en andere wettelijke vereisten voor de inschrijving zijn vervuld, geschiedt de inschrijving terstond na de aanbieding.

  • 2. Als tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving vereiste stukken.

  • 3. Op verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte inschrijving op het ontvangstbewijs aan.

  • 4. Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.

Artikel 20
  • 1. De bewaarder der registers weigert een inschrijving te doen, indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid. Hij boekt de aanbieding in het register van voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen bedenkingen.

  • 2. Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de rechter in eerste aanleg, rechtdoende in kort geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. De rechter in eerste aanleg kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere belanghebbenden gelasten. Het bevel van de rechter in eerste aanleg is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

  • 3. Wordt de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft verzocht.

  • 4. Indien de belanghebbende binnen twee weken na de oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een oproeping in kort geding ter verkrijging van het in het tweede lid bedoelde bevel heeft doen uitbrengen, en de aanvankelijk geweigerde inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de bewaarder op een hernieuwde aanbieding alsnog overgaat tot inschrijving binnen twee weken hetzij na de oorspronkelijke aanbieding, hetzij na een tijdig aanhangig gemaakte oproeping hangende het geding in eerste aanleg.

  • 5. Een feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig het eerste lid, tweede zin, geboekt stuk, wordt geacht niet door raadpleging van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het vierde lid geacht moet worden reeds ten tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn geweest.

  • 6. Een voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald, zodra hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van het vierde lid niet meer kunnen worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming van het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden.

Artikel 21
  • 1. De rangorde van inschrijvingen die op een zelfde registergoed betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde der tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de wet een andere rangorde voortvloeit.

  • 2. Vinden twee inschrijvingen op een zelfde tijdstip plaats en zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde bepaald:

    • a. in geval de ter inschrijving aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt: door de volgorde van die dagen;

    • b. in geval beide akten op dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder begrepen notariële verklaringen, betreft: door de volgorde van de tijdstippen waarop elk van die akten of verklaringen is opgemaakt.

Artikel 22

Wanneer een feit in de registers is ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet meer worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen.

Artikel 23

Het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

Artikel 24
  • 1. Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:

    • a. feiten die naar hun aard vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een register als bedoeld in artikel 1050 van Boek 4, ook indien het feit in een gegeven geval daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba geldende wet niet van toepassing is;

    • b. in het curatele-register ingeschreven ondercuratelestellingen en opheffingen van curatele;

    • c. in het faillissementsregister ingeschreven rechterlijke uitspraken;

    • d. aanvaardingen en verwerpingen van een nalatenschap;

    • e. verjaring.

  • 3. Het eerste lid is evenmin van toepassing ten aanzien van erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het tijdstip van de inschrijving van de rechtshandeling nog niet ingeschreven waren, doch daarna, mits binnen drie maanden na de dood van de erflater, alsnog in de registers zijn ingeschreven.

Artikel 25

Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit met betrekking tot dat registergoed in de registers was ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door een ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld, kan de onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.

Artikel 26

Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die redelijkerwijs voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.

Artikel 27
  • 1. Hij die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan alle belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed ingeschreven staan, ieder bij name bij verzoekschrift, in rechte betrekken om te horen verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt, toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van mogelijke nietverschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. Artikel 82, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is niet van toepassing. Een krachtens dit artikel verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

  • 2. Tegen het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep en cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de volgende uitzonderingen. Artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is niet van toepassing. De termijn voor hoger beroep begint voor niet-verschenen belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven waren, of bij openbaar exploit, zo zij niet ingeschreven waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen belanghebbenden.

  • 3. De krachtens het eerste lid ingeschreven verklaring wordt ten aanzien van nietverschenen belanghebbenden die niet bij name zijn opgeroepen, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet bewezen is. Op de onjuistheid kan echter geen beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd.

  • 4. Een openbare oproeping als bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig artikel 5, ten 7º, tweede en derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. Een openbaar exploit als bedoeld in het tweede lid, geschiedt op dezelfde wijze, tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als bedoeld in het eerste lid. De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een door de rechter vast te stellen inhoud in een of meer binnen- of buitenlandse dagbladen.

Artikel 28
  • 1. Is een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier behoeve zij anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze waardeloosheid aan hem die daarbij een onmiddellijk belang heeft, op diens verzoek een schriftelijke verklaring af te geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop de waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft.

  • 2. De verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft, machtigen deze verklaringen na inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daarvan.

Artikel 29
  • 1. Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de rechter in eerste aanleg de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat ingeschreven, opgeroepen, dan worden daarmee tevens opgeroepen al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen.

  • 2. Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van mogelijk niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt.

  • 3. Zo alle ingeschreven gedaagden zijn verschenen, is artikel 82, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES niet van toepassing. Zo voor een ingeschreven opgeroepene geen verzet, maar hoger beroep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. In afwijking van artikel 84 van dat wetboek begint de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de ingeschreven opgeroepene, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, zulks mede ten opzichte van zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen, tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor verschenen belanghebbenden.

  • 4. Het vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven, voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de waardeloze inschrijving een hypotheek of beslag betreft, machtigt het vonnis na inschrijving de bewaarder tot doorhaling daarvan.

Artikel 30
  • 1 Het desbetreffende openbaar lichaam is jegens belanghebbenden aansprakelijk voor de schade die zij lijden doordat in strijd met de wet een inschrijving is geweigerd of geschied.

  • 2. Het desbetreffende openbaar lichaam is eveneens aansprakelijk voor alle verdere vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden, gepleegd bij het houden van de registers of bij het opmaken of afgeven van afschriften, uittreksels en getuigschriften.

  • 3. Het desbetreffende openbaar lichaam is ook aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge van omstandigheden die naar redelijkheid en billijkheid niet voor zijn rekening komen, door toepassing van artikel 24, 25 of 27 zijn recht verliest.

Artikel 31

Waar een bij wet vastgestelde bepaling die betrekking heeft op registergoederen, een notariële akte of een notariële verklaring voorschrijft, is vereist een akte of verklaring van een persoon die in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba het notarisambt uitoefent.

TITEL 2 Rechtshandelingen
Artikel 32
  • 1. Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt.

  • 2. Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.

Artikel 33

Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

Artikel 34
  • 1. Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.

  • 2. Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.

Artikel 35

Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

Artikel 36

Tegen hem die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.

Artikel 37
  • 1. Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen.

  • 2. Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij exploit geschieden.

  • 3. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

  • 4. Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene als de verklaring van de afzender, tenzij de gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger was bepaald.

  • 5. Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereiken.

Artikel 38
  • 1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht.

  • 2. De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.

Artikel 39

Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig.

Artikel 40
  • 1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.

  • 2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.

  • 3. Het tweede lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten.

Artikel 41

Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

Artikel 42

Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.

Artikel 43
  • 1. Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door:

    • a. rechters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procesgemachtigden, deurwaarders en notarissen, van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen,

    • b. ambtenaren, van goederen die door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of

    • c. personen met openbaar gezag bekleed, van goederen die toebehoren aan een openbaar lichaam of een andere openbare instelling, en aan hun beheer zijn toevertrouwd, zijn nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel a, heeft geen betrekking op uiterste wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen goederen der nalatenschap verkrijgen.

  • 3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is de rechtshandeling geldig, indien zij met Onze Goedkeuring is geschied of het een verkoop in het openbaar betreft.

Artikel 44
  • 1. Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

  • 2. Bedreiging is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.

  • 3. Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.

  • 4. Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

  • 5. Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.

Artikel 45
  • 1. Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.

  • 2. Een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn.

  • 3. Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.

  • 4. Een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling.

  • 5. Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet verkregen op goederen die het voorwerp waren van de vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd. Ten aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.

Artikel 46
  • 1. Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn:

    • a. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft;

    • b. bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld;

    • c. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens:

      • zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad;

      • een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of te zamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelnemen;

    • d. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een natuurlijke persoon:

      • die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad;

      • die al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelneemt;

      • wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad afzonderlijk of te zamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelnemen;

    • e. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien:

      • een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere;

      • een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, bestuurder is van de andere;

      • een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of te zamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelneemt in de andere;

      • in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad;

    • f. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een groepsmaatschappij.

  • 2. Met een echtgenoot wordt een andere levensgezel gelijkgesteld.

  • 3. Onder pleegkind wordt verstaan hij die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.

  • 4. Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan hij die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.

  • 5. Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.

  • 6. Een groepsmaatschappij is een vennootschap of rechtspersoon die met een of meer andere vennootschappen of rechtspersonen organisatorisch in een economische eenheid is verbonden.

Artikel 47

In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.

Artikel 48

Onder schuldenaar in de zin van de artikelen 45 tot en met 47 is begrepen hij op wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen.

Artikel 49

Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak.

Artikel 50
  • 1. Een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, wordt door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

  • 2. Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare registers of tot een tot levering van een registergoed bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging berusten.

Artikel 51
  • 1. Een rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling, doordat zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond aanvaardt.

  • 2. Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

  • 3. Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen.

Artikel 52
  • 1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren in geval van:

    • a. onbekwaamheid: drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen;

    • b. bedreiging of misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken;

    • c. bedrog, dwaling of benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of de benadeling is ontdekt;

    • d. een andere vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.

  • 2. Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.

Artikel 53
  • 1. De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht.

  • 2. Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt.

Artikel 54
  • 1. De bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft.

  • 2. Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats van een vernietiging wegens misbruik van omstandigheden uit te spreken, ter opheffing van dit nadeel de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen.

Artikel 55
  • 1. De bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen.

  • 2. Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan.

Artikel 56

Voor de toepassing van de artikelen 50 tot en met 55 gelden mede als partij:

  • a. in geval van eenzijdige tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandelingen: die personen;

  • b. in geval van andere eenzijdige rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling.

Artikel 57

Behoeft een rechtshandeling om het beoogde gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een andere persoon die geen partij bij de rechtshandeling is, dan kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven.

Artikel 58
  • 1. Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de rechtshandeling bekrachtigd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het geval dat een rechtshandeling nietig is als gevolg van handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft verricht en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt.

  • 3. Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd.

Artikel 59

Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

TITEL 3 Volmacht
Artikel 60
  • 1. Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.

  • 2. Waar in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is daaronder het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.

Artikel 61
  • 1. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.

  • 2. Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.

  • 3. Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Artikel 62
  • 1. Een algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten.

  • 2. Een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.

Artikel 63
  • 1. De omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam tot het optreden als gevolmachtigde.

  • 2. Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend, is een krachtens die volmacht door de gevolmachtigde verrichte rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame zelf zou zijn verricht.

Artikel 64

Tenzij anders is bepaald, is een gevolmachtigde slechts in de navolgende gevallen bevoegd de hem verleende volmacht aan een ander te verlenen:

  • a. voor zover de bevoegdheid hiertoe uit de aard der te verrichten rechtshandelingen noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met het gebruik;

  • b. voor zover de verlening van de volmacht aan een andere persoon in het belang van de volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat is een voorziening te treffen;

  • c. voor zover de volmacht goederen betreft, die gelegen zijn buiten het land of eiland waar de gevolmachtigde zijn woonplaats heeft.

Artikel 65

Is een volmacht aan twee of meer personen te zamen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig te handelen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 66
  • 1. Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever.

  • 2. Voor zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten van belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van een rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud.

Artikel 67
  • 1. Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.

  • 2. Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

Artikel 68

Tenzij anders is bepaald, kan een gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever optreden wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is.

Artikel 69
  • 1. Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht.

  • 2. Is voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling een bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging hetzelfde vereiste.

  • 3. Een bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend.

  • 4. Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen.

  • 5. Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan derden verleend, blijven gehandhaafd.

Artikel 70

Hij die als gevolmachtigde handelt, staat jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt, of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld.

Artikel 71
  • 1. Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt, is overgelegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd.

  • 2. Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt of indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede wederpartij bekend is.

Artikel 72

Een volmacht eindigt door:

  • a. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de volmachtgever;

  • b. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de gevolmachtigde, tenzij anders is bepaald;

  • c. herroeping door de volmachtgever;

  • d. opzegging door de gevolmachtigde.

Artikel 73
  • 1. Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor het beheer van een onderneming.

  • 2. Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd rechtshandelingen te verrichten die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd.

  • 3. De in het eerste en het tweede lid vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging.

Artikel 74
  • 1. Voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij anders blijkt, de tweede in.

  • 2. Bevat de volmacht een bepaling als bedoeld in het eerste lid, dan mag de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de geldigheid van die bepaling gestelde vereiste vervuld is, tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is.

  • 3. Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een overeenkomstig het eerste lid onherroepelijk verleende volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen aan een ander verlenen.

  • 4. De rechter in eerste aanleg kan, op verzoek van de volmachtgever of van een erfgenaam of de curator van de volmachtgever, een bepaling als bedoeld in het eerste lid, wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen.

Artikel 75
  • 1. Na het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde desgevorderd geschriften waaruit de volmacht blijkt, teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij notariële akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever het einde van de volmacht daarop aan.

  • 2. Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht ondanks haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever zich wenden tot de rechter in eerste aanleg met verzoek de wijze van bekendmaking van het einde van de volmacht te bepalen, die ten gevolge zal hebben dat het tegen een ieder kan worden ingeroepen. Tegen een toewijzende beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

Artikel 76
  • 1. Een oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover een wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch van die oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen indien:

    • a. het einde van de volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen, aan de wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen meebrengt dat de volmachtgever het einde van de volmacht aan de wederpartij kan tegenwerpen;

    • b. de dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was;

    • c. de aanstelling of tewerkstelling waaruit de volmacht voortvloeide, op een voor derden kenbare wijze was beëindigd;

    • d. de wederpartij van de volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan door een verklaring van de gevolmachtigde.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde gevallen is de gevolmachtigde die voortgaat op naam van de volmachtgever te handelen, tot schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die van het einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de volmacht was geëindigd.

Artikel 77

Wordt ondanks de dood van de volmachtgever krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling verricht, dan worden de erfgenamen van de volmachtgever en de wederpartij gebonden alsof de handeling bij het leven van de volmachtgever was verricht.

Artikel 78

Wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn de artikelen 63, eerste lid, 66, eerste lid, 67, 69, 70, 71 en 75, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.

Artikel 79

Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

TITEL 4 Verkrijging en verlies van goederen
AFDELING 1 Algemene bepalingen
Artikel 80
  • 1. Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen.

  • 2. Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 en door splitsing als bedoeld in artikel 335 van Boek 2.

  • 3. Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening en voorts op de overige bij wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging.

  • 4. Men verliest goederen op de voor iedere soort bij wet aangegeven wijzen.

Art