Besluit van 7 juli 2010, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2010, nr. WJZ/215999 (6270), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel XII van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid, met uitzondering van artikel I, onderdeel SS voor wat betreft de artikelen 2.2, 2.3, 2.4, 2.4a en 2.20 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2010, met dien verstande dat artikel III, onderdeel G voor wat betreft artikel 166, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs in werking treedt met ingang van 1 januari 2011.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 juli 2010

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

A. Rouvoet

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

De wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 2010. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de artikelen 2.2 tot en met 2.4a en 2.20 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, die op een later moment in werking zullen treden. Dit betekent voor de praktijk dat de houders van peuterspeelzalen met ingang van 1 augustus 2010 aan de nieuwe kwaliteitseisen moeten voldoen, maar dat de peuterspeelzalen nog niet geregistreerd worden in het landelijk register. Dat register is namelijk nog in ontwikkeling. Ook later – met ingang van 1 januari 2011 – treedt het tweede lid van artikel 166 (nieuw) van de Wet op het primair onderwijs in werking. Dit lid maximeert de ouderbijdrage voor de opvang van kinderen die voorschoolse educatie volgen in een peuterspeelzaal. Voor de periode tot 1 januari 2011 is de maximering geregeld in het Besluit vaststelling doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006–2010 en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Vanaf 1 januari 2011 krijgt de maximering van de ouderbijdrage een bredere reikwijdte: zij betreft dan alle kinderen die voorschoolse educatie volgen in een peuterspeelzaal in plaats van alleen de doelgroepkinderen.

Er wordt afgeweken van de implementatietermijn van drie maanden die geldt op grond van de code interbestuurlijke verhoudingen. Reden hiervan is dat er behoorlijke nadelen zullen zitten aan latere inwerkingtreding dan 1 augustus 2010. De datum van 1 augustus 2010 is al lang geleden gecommuniceerd naar het veld; de betrokken in het veld zijn al in het voorjaar van 2009 gestart met de voorbereidingen op de implementatie met ingang van 1 augustus 2010. De datum van 1 augustus sluit aan bij de start van een nieuw schooljaar. Het is het meest praktisch voor alle betrokkenen om aan die datum vast te houden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

A. Rouvoet

Naar boven