Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2010, 233AMvB

Besluit van 10 juni 2010, houdende vaststelling van een aantal rechtspositionele voorzieningen van sociaal flankerend beleid voor de sector Rijk voor de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 (Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 april 2010, 2010-0000252164, CZW/WVOB;

Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 12 mei 2010, nr. W04.10.0127/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juni 2010, nr. 2010-0000359294;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1 Tijdelijke voorzieningen

Artikel 1 Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. ARAR:

het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

b. ARSG:

het Ambtenarenreglement Staten-Generaal;

c. RDBZ:

het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;

d. BBRA 1984:

het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

e. VKB 1989:

het Verplaatsingskostenbesluit 1989;

f. ambtenaar:

de ambtenaar in de zin van het ARAR, ARSG of RDBZ met een aanstelling in vaste dienst of een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd;

g. aangewezen ambtenaar:

de ambtenaar die schriftelijk in kennis is gesteld dat hij een functie bekleedt die door het bevoegd gezag is aangewezen omdat zonder maatregelen in die functie of groep van functies waartoe de ambtenaar behoort op termijn sprake zal zijn van overtolligheid dan wel gedwongen standplaatswijziging;

h. Onze Minister:

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

i. herplaatsingskandidaat:

een herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of artikel 49e, tweede lid, van het ARAR, artikel 84d of 84e, tweede lid, van het ARSG, dan wel artikel 58c of artikel 58d, tweede lid, van het RDBZ;

j. bevoegd gezag:

het tot aanstelling bevoegd gezag, of, indien deze bevoegdheid bij Ons berust, het tot voordracht voor die aanstelling bevoegde gezag.

Artikel 2 Loopbaangesprek

In het in artikel 71, eerste lid, van het ARAR, artikel 106, eerste lid, van het ARSG en artikel 78, eerste lid, van het RDBZ bedoelde gesprek wordt tevens jaarlijks aandacht besteed aan de ontwikkeling van de loopbaan en aan de onderwerpen mobiliteit, flexibiliteit en loopbaanperspectief in de toekomst.

Artikel 3 Trajectbegeleiding en mobiliteitsgegevens

  • 1. Aan de aangewezen ambtenaar en aan de herplaatsingskandidaat wordt door een mobiliteitsadviseur ondersteuning geboden bij de invulling en uitvoering van een begeleidingstraject van werk naar werk. Aan andere ambtenaren kan het bevoegd gezag besluiten de in de vorige zin bedoelde ondersteuning te bieden.

  • 2. Met de aangewezen ambtenaar wordt door een mobiliteitsadviseur een mobiliteitsplan opgesteld, waarin onder meer de eigen kwaliteiten, ontwikkelpunten, reële loopbaanwensen en het volgen van relevante scholing kunnen worden opgenomen.

  • 3. Voor de herplaatsingskandidaat wordt door de mobiliteitsadviseur, in samenspraak met het bevoegd gezag en de ambtenaar een herplaatsingsplan opgesteld, waarin in ieder geval het loopbaanplan en eventueel bestaande loopbaanafspraken en, indien de ambtenaar daarmee instemt, de uitkomst van de eventuele loopbaanscan worden betrokken. Het bevoegd gezag en de ambtenaar stellen het herplaatsingsplan gezamenlijk vast. Indien binnen een redelijke termijn geen overeenstemming over het plan kan worden bereikt, stelt het bevoegd gezag het plan eenzijdig vast, waarbij de ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn visie apart te vermelden.

  • 4. Gedurende de herplaatsingstermijn wordt de uitvoering van het herplaatsingsplan iedere zes maanden geëvalueerd en wordt het plan zo nodig bijgesteld.

  • 5. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld om loopbaangegevens en loopbaanwensen rijksbreed kenbaar te maken door opname van die gegevens in een rijksbrede mobiliteitsadministratie. De herplaatsingskandidaat is verplicht de benodigde informatie ten behoeve van de bedoelde administratie aan te leveren.

Artikel 4 Loopbaanscan

  • 1. De ambtenaar heeft onverlet de termijnen, genoemd in artikel 71b, eerste lid, van het ARAR, artikel 107a, eerste lid, van het ARSG en artikel 25a, eerste lid, van het RDBZ, het recht om één vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele externe loopbaandeskundige, bestaande uit ten minste één gesprek en een schriftelijk advies van deze deskundige.

  • 2. De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het in het eerste lid genoemde recht, heeft na zijn aanwijzing als aangewezen ambtenaar of als herplaatsingskandidaat het recht om voor beide aanwijzingen samen één extra loopbaanscan te doen.

Artikel 5 Opleidingskosten en studietijd

Artikel 59, tweede lid, van het ARAR, artikel 94, tweede lid, van het ARSG en artikel 67, tweede lid, van het RDBZ zijn van overeenkomstige toepassing op de aangewezen ambtenaar.

Artikel 6 Aanbieden functie

  • 1. In afwijking van artikel 49h van het ARAR, artikel 84h van het ARSG en artikel 58g van het RDBZ geldt gedurende de eerste zes maanden van de herplaatsingstermijn de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien:

    • a. de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan één salarisschaal lager is gewaardeerd dan de laatstelijk vervulde functie en niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt, en

    • b. de reistijd voor woon-werkverkeer enkele reis niet met meer dan 15 minuten toeneemt.

  • 2. Voor de bepaling van de reistijd, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd berekend met de ANWB-routeplanner.

Artikel 7 Voorrangsrecht

  • 1. De aangewezen ambtenaar, de herplaatsingskandidaat en de ambtenaar die wegens arbeidsongeschiktheid in verband met ziekte of gebrek geplaatst moet worden op een andere functie, heeft bij de vervulling van vacatures binnen de sector Rijk een voorrangspositie op andere kandidaten.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een ambtenaar als bedoeld in het ARSG solliciteert naar een functie buiten de Staten-Generaal, of indien een ambtenaar als bedoeld in het ARAR of het RDBZ solliciteert naar een functie bij de Staten-Generaal.

Artikel 8 Behoud salarisschaal bij vrijwillige plaatsing in lagere functie

Artikel 5, vijfde lid, aanhef en onderdeel d, van het BBRA 1984 en artikel 57b van het ARAR, dan wel artikel 92b van het ARSG of artikel 35 van het RDBZ zijn niet van toepassing op de aangewezen ambtenaar en de herplaatsingskandidaat.

Artikel 9 Plaatsing eigen schaal

  • 1. Bij gedwongen plaatsing van de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat op een functie waarvan de salarisschaal lager is dan de salarisschaal die geldt voor de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie, spant het bevoegd gezag zich gedurende twee jaar na plaatsing in om, zodra een passende functie beschikbaar is op het schaalniveau van de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie, en waarvoor geen geschikte kandidaat of geschikte dan wel geschikt te maken herplaatsingskandidaat met een voorrangsrecht als bedoeld in artikel 7 beschikbaar is, hem in aanmerking te laten komen voor plaatsing in deze functie.

  • 2. De ambtenaar die als herplaatsingskandidaat is geplaatst in een lager gewaardeerde functie dan de functie die hij daarvoor vervulde, heeft gedurende twee jaar na plaatsing recht op toepassing van de voorzieningen in dit besluit voor herplaatsingskandidaten, voor zover die toepassing kan leiden tot plaatsing in een passende functie die gewaardeerd is met de eigen salarisschaal.

Artikel 10 Compensatie beëindiging of vermindering toelagen

In afwijking van artikel 18b, derde lid, van het BBRA 1984 bedraagt de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, voor aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten gedurende het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de bedoelde berekeningsbasis.

Artikel 11 Functieverplaatsingstoelage en verhuiskostenvergoeding

  • 1. In afwijking van het gestelde bij of krachtens artikel 8, tweede lid, van het VKB 1989 bedraagt voor de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat het maximum van het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, van het VKB 1989 € 5.532,12 indien binnen twee jaar na verplaatsing als gevolg van een reorganisatie aan een verhuisplicht wordt voldaan, dan wel zonder verhuisplicht wordt verhuisd van buiten 50 kilometer van de plaats van tewerkstelling naar binnen 25 kilometer van de standplaats.

  • 2. In afwijking van artikel 49n, eerste lid, van het ARAR, artikel 84n, eerste lid, van het ARSG respectievelijk artikel 58m, eerste lid, van het RDBZ bedraagt voor de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat het in die artikelen genoemde bedrag € 11.064,98.

  • 3. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden jaarlijks per 1 januari bij ministeriële regeling van Onze Minister gewijzigd overeenkomstig de Consumentenprijsindex van het CBS die geldt voor de voorafgaande periode van november tot en met oktober.

  • 4. Het bevoegd gezag kan het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing verklaren op andere ambtenaren dan aangewezen ambtenaren of herplaatsingskandidaten.

Artikel 12 Vergoeding pensionkosten

  • 1. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 12ba, tweede lid, en artikel 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 heeft de betrokkene, bedoeld in eerstgenoemd artikellid, die aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat is, en als gevolg van reorganisatie wordt verplaatst, gedurende twee jaar na verplaatsing recht op volledige vergoeding van de door het bevoegd gezag redelijk geachte pensionkosten.

  • 2. Het bevoegd gezag kan het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaren op andere ambtenaren.

Artikel 13 Reistijd-werktijd

  • 1. In afwijking van artikel 49m van het ARAR, artikel 84m van het ARSG en artikel 58l van het RDBZ wordt de in genoemde artikelen geregelde aanspraak volledig toegekend gedurende twee jaren en wordt gedurende het derde, vierde en vijfde jaar respectievelijk 75%, 50% en 25% van de bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 2. Artikel 49m van het ARAR, artikel 84m van het ARSG en artikel 58l van het RDBZ en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aangewezen ambtenaar en kunnen door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.

Artikel 14 Tegemoetkoming extra reiskosten

  • 1. In afwijking van artikel 12b1, derde lid, van het VKB 1989 bedraagt de in het eerste en tweede lid van genoemd artikel bedoelde tegemoetkoming voor aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten na plaatsing of herplaatsing het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de tegemoetkoming.

  • 2. Het eerste lid kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.

Artikel 15 Proportionele diensttijdgratificatie

De aanspraak, bedoeld in artikel 79, tweede lid, van het ARAR, artikel 114, tweede lid, van het ARSG en artikel 85, tweede lid, van het RDBZ geldt tevens bij ontslag op eigen aanvraag als bedoeld in artikel 94 of 94a van het ARAR, artikel 124 of 124a van het ARSG en artikel 96 of 97 van het RDBZ.

Artikel 16 Bovenwettelijke uitkering

Artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSG of artikel 107 van het RDBZ kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere ambtenaren dan herplaatsingskandidaten.

Artikel 17 Tijdelijk werk

  • 1. Ten behoeve van de (her)plaatsingsmogelijkheden of het realiseren van gemaakte loopbaanafspraken, en indien de organisatie van het werk het toelaat en er een geschikte plek beschikbaar is, heeft een aangewezen ambtenaar of een herplaatsingskandidaat het recht om op eigen verzoek voor een periode van ten hoogste drie maanden te worden gedetacheerd of een stage te lopen.

  • 2. Het eerste lid kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.

Artikel 18 Vrijstelling terugbetalingen

  • 1. Het bevoegd gezag legt de aangewezen ambtenaar en de herplaatsingskandidaat niet de terugbetalingsverplichting op, bedoeld in artikel 33g, achtste lid, en artikel 59, zesde lid, van het ARAR, artikel 62a, achtste lid, en artikel 94, zesde lid, van het ARSG, artikel 45b, achtste lid, en artikel 67, zesde lid, van het RDBZ.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing in geval van disciplinair ontslag of indien de betrokkene een passende functie heeft geweigerd.

Artikel 19 Aanvulling inkomen en afkoop

  • 1. Aan een herplaatsingskandidaat die op zijn aanvraag wordt ontslagen wegens het aanvaarden van een dienstbetrekking op een lager inkomensniveau buiten de sector Rijk kent het bevoegd gezag op zijn aanvraag gedurende vijf jaar een aanvulling op het inkomen toe.

  • 2. De berekeningsbasis voor de aanvulling is het verschil tussen enerzijds de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen en anderzijds het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk, met een maximum van 30% van de som van het oude salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen. Het inkomen uit de dienstbetrekking bij de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit bedoelde dienstbetrekking een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen als ambtenaar omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100% het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis. De betrokkene legt hiertoe een inkomensverklaring over de voorgaande twaalf maanden over.

  • 3. Geen recht op de in het eerste lid bedoelde aanvulling bestaat:

    • a. indien bij vertrek een stimuleringspremie is toegekend als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c;

    • b. indien gebruik wordt gemaakt van een salarissuppletie als bedoeld in artikel 49p van het ARAR, artikel 84p van het ARSG en artikel 58o van het RDBZ.

  • 4. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde aanvulling toekennen aan aangewezen ambtenaren.

  • 5. Onder door het bevoegd gezag te stellen voorwaarden wordt de in dit artikel bedoelde aanvulling op aanvraag van de ambtenaar afgekocht tegen 40% van de gekapitaliseerde waarde op het moment van afkoop. Het bevoegd gezag kan besluiten het in de vorige volzin bedoelde percentage te verhogen in bijzondere gevallen.

Artikel 20 Stimuleringspremie

  • 1. Aan de herplaatsingskandidaat die binnen de herplaatsingstermijn op zijn aanvraag ontslag wordt verleend wordt een stimuleringspremie toegekend.

  • 2. De stimuleringspremie, bedoeld in het eerste lid, is afhankelijk van het aantal jaren dat de ambtenaar in overheidsdienst is geweest op het moment dat het ontslag ingaat en het aantal maanden dat na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat is verstreken, en bedraagt uitgedrukt in aantallen maandsalarissen:

    Aantal maanden, verstreken na de aanwijzing/

    Aantal jaren in overheidsdienst

    Maand 1 t/m 6

    Maand 7 t/m 9

    Maand 10 t/m 12

    Maand 13 t/m 15

    Maand 16 t/m 18

    Maand 19 t/m 30

    Tot 5 jaar

    6

    5

    5

    4

    4

    3

    5 t/m 9 jaar

    9

    7

    6

    5

    4

    3

    10 jaar en hoger

    12

    10

    9

    7

    5

    3

  • 3. Aan de aangewezen ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag wordt verleend kan een stimuleringspremie ter grootte van ten hoogste twaalf maandsalarissen worden toegekend

  • 4. Geen stimuleringspremie als bedoeld in het eerste en derde lid wordt toegekend indien:

    • a. de in artikel 19, eerste of vierde lid, bedoelde aanvulling op het inkomen, de in artikel 19, derde lid onder b bedoelde salarissuppletie of de in artikel 22 bedoelde terugkeergarantie is toegekend;

    • b. het ontslag is verleend op grond van artikel 94a van het ARAR, artikel 124a van het ARSG of artikel 97 van het RDBZ;

    • c. een premie op grond van artikel 49o van het ARAR, artikel 84o van het ARSG of artikel 58n van het RDBZ is toegekend.

  • 5. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst afwijken van het vierde lid, onderdeel b.

  • 6. De stimuleringspremie wordt op de in artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSG respectievelijk artikel 107 van het RDBZ genoemde uitkering in mindering gebracht.

Artikel 21 Bijdrage pensioenopbouw

  • 1. Aan de herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie bij een werkgever die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds Abp, kan het bevoegd gezag op zijn verzoek een bijdrage toekennen voor aanvulling van het in de toekomst op te bouwen pensioen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt betaald aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij nadat de termijnen, genoemd in artikel 100a, tweede lid, van het ARAR, artikel 132a van het ARSG respectievelijk artikel 107 van het RDBZ en artikel 22, eerste lid, zijn verstreken. De aanspraak vervalt indien gebruik wordt gemaakt van de aanspraak op hernieuwde aanstelling op grond van artikel 22.

Artikel 22 Terugkeergarantie

  • 1. Aan de herplaatsingskandidaat aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend om buiten de sector Rijk een functie te aanvaarden, wordt op zijn aanvraag bij de ontslagverlening het recht op hernieuwde aanstelling toegekend overeenkomstig de aanstelling voor het ontslag met een salaris dat overeenkomt met het laatstelijk genoten salaris voor het ontslag. Het recht op hernieuwde aanstelling geldt tijdens de eerste zes maanden van uitoefening van de functie buiten de sector Rijk bij ontslag in die periode aantoonbaar buiten eigen schuld of toedoen.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde recht kan worden toegekend aan aangewezen ambtenaren.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde recht wordt niet toegekend indien een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c, is toegekend of wanneer een aanvulling op het inkomen als bedoeld in artikel 19 is afgekocht.

  • 4. Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, wordt aan de betrokkene de status van herplaatsingskandidaat verleend waarbij de eerdere periode waarin betrokkene herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.

Artikel 23 Verlof eigen bedrijf

  • 1. Aan de herplaatsingskandidaat aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag is verleend voor het aanvangen van eigen bedrijfsactiviteiten, wordt op zijn verzoek onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van zijn ontslag buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend gedurende drie maanden.

  • 2. In plaats van het in het eerste lid bedoelde verlof kan op aanvraag van de ambtenaar een bedrag worden toegekend ter grootte van driemaal zijn maandelijkse bezoldiging op de dag voorafgaande aan zijn ontslag, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering daarover.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel geldt als voorwaarde de indiening van een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

  • 4. Het bevoegd gezag kan de voorziening, bedoeld in het eerste of tweede lid, toekennen aan een aangewezen ambtenaar.

Artikel 24 Extra mogelijkheid aanwijzing herplaatsingskandidaat

Indien binnen een jaar na plaatsing het bevoegd gezag van oordeel is dat een herplaatsingskandidaat is geplaatst in een functie die niet passend is, wijst het bevoegd gezag de betrokkene opnieuw aan als herplaatsingskandidaat waarbij de eerdere periode waarin betrokkene herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn. In dat geval is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van het ARAR, artikel 126, tweede lid, van het ARSG respectievelijk artikel 99, tweede lid, van het RDBZ, gelijk aan de resterende herplaatsingstermijn met een minimum van drie maanden.

Artikel 25 Toepassing voorzieningen bij niet passendheid functie

Indien binnen een jaar na plaatsing het bevoegd gezag van oordeel is dat een aangewezen ambtenaar is geplaatst in een functie die niet passend is, heeft de ambtenaar, vanaf de dag dat hem dit oordeel schriftelijk ter kennis is gebracht, gedurende een jaar het recht op toepassing van de voorzieningen die op grond van dit besluit gelden voor de aangewezen ambtenaar.

Artikel 26 Aanbieden faciliteiten in verband met mobiliteit

Het bevoegd gezag kan besluiten andere dan geldelijke faciliteiten aan te bieden in verband met mobiliteit.

Artikel 27 Verlenging herplaatsingstermijn

  • 1. De termijn, genoemd in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR, artikel 84g, eerste lid, van het ARSG en artikel 58f, eerste lid, van het RDBZ, wordt verlengd, indien:

    • a. een herplaatsingskandidaat gedurende deze termijn op tijdelijke basis werkzaamheden verricht, dan wel

    • b. aan het eind van de termijn nog geen passende functie is aangeboden aan de herplaatsingskandidaat.

  • 2. De termijn wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, verlengd met de periode waarin de werkzaamheden op tijdelijke basis zijn verricht, waarbij het aantal gewerkte uren per week voor deze werkzaamheden in verhouding tot de arbeidsduur wordt meegewogen. De termijn wordt in het geval, genoemd in het eerste lid, onder b, verlengd met de periode die nodig is om alsnog een passende functie aan te bieden.

  • 3. De totale verlenging van de termijn, in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste twaalf maanden.

  • 4. Indien de betrokken ambtenaar voor 1 januari 2008 als herplaatsingskandidaat is aangewezen en het bevoegd gezag voor die datum heeft besloten tot verlenging van de herplaatsingstermijn, wordt de totale maximale verlenging, bedoeld in het derde lid, verminderd met de periode van de eerdere verlenging.

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid kan de verlenging van de herplaatsingstermijn in bijzondere gevallen worden geweigerd indien de betrokken ambtenaar voor 1 januari 2008 als herplaatsingskandidaat is aangewezen.

Artikel 28 Remplacantenregeling

De voorzieningen op grond van dit besluit ten behoeve van aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten kunnen tevens door het bevoegd gezag van toepassing worden verklaard op andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een aangewezen ambtenaar of herplaatsing van een herplaatsingskandidaat wordt gerealiseerd.

Artikel 29 Bijzondere bepalingen betreffende ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van het RDBZ

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder RDBZ-ambtenaar: de ambtenaar in de zin van het RDBZ met een aanstelling in vaste dienst of een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd.

  • 2. De voorzieningen op grond van deze paragraaf ten behoeve van aangewezen ambtenaren zijn, met uitzondering van de in artikel 7 bedoelde voorziening, van overeenkomstige toepassing op de RDBZ-ambtenaar die geen aangewezen ambtenaar is.

  • 3. De RDBZ-ambtenaar die is geplaatst in het buitenland kan aan artikel 9 geen recht ontlenen op plaatsing in een andere standplaats voordat de voor hem vastgestelde plaatsingsduur is afgelopen.

  • 4. Voor de toepassing van de artikelen 19, 21 en 23 wordt met een herplaatsingskandidaat gelijkgesteld de RDBZ-ambtenaar die anders dan uitsluitend om in zijn persoon gelegen redenen krachtens artikel 27, vierde lid, van het RDBZ ter beschikking wordt gehouden.

Artikel 30 Hardheidsclausule

Het bevoegd gezag kan van deze paragraaf afwijken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de ambtenaar.

§ 2 Wijzigingen van andere algemene maatregelen van bestuur

Artikel 31 Wijziging Algemeen Rijksambtenarenreglement

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 49h, vierde lid, wordt de zinsnede «zijn de artikelen 49k en 49n van overeenkomstige toepassing» vervangen door: is artikel 49n van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 49k vervalt.

3. De aanduiding «– Financiële tegemoetkomingen» na artikel 49l wordt vervangen door:

  • Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand

4. Na de aanduiding «Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand» wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 49m Reistijd-werktijd
  • 1. Indien de reistijd voor woon-werkverkeer door een wijziging van de plaats van tewerkstelling van de ambtenaar als gevolg van een reorganisatie met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende een jaar als werktijd aangemerkt.

  • 2. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 3. Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar als gevolg van reorganisatie opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.

  • 4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw gestart.

  • 5. De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling als gevolg van een reorganisatie wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.

  • 6. Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.

5. Artikel 59 komt te luiden:

Artikel 59
  • 1. De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 2. De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, en die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 5. Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:

    • a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten;

    • b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 6. De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:

    • a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;

    • b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 49g bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels worden gesteld.

6. Artikel 60 vervalt.

Artikel 32 Wijziging Ambtenarenreglement Staten-Generaal

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 84h, vierde lid, wordt «zijn de artikelen 84k en 84n van overeenkomstige toepassing» vervangen door: is artikel 84n van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 84k vervalt.

3. De aanduiding «Financiële tegemoetkomingen» na artikel 84l wordt vervangen door:

  • Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand

4. Na de aanduiding «Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand» wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 84m Reistijd-werktijd
  • 1. Indien de toename van de reistijd voor woon-werkverkeer ten gevolge van een wijziging van de plaats van tewerkstelling in verband met plaatsing of herplaatsing in een passende functie anders dan op eigen verzoek meer bedraagt dan 15 minuten per enkele reis, wordt de extra reistijd van de ambtenaar, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende een jaar als werktijd aangemerkt.

  • 2. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 3. Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.

  • 4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw gestart.

  • 5. De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling anders dan op eigen verzoek wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.

  • 6. Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.

5. Artikel 94 komt te luiden:

Artikel 94
  • 1. De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 2. De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, en die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 5. Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:

    • a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten;

    • b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 6. De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:

    • a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;

    • b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 84g bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels worden gesteld.

6. Artikel 95 vervalt.

Artikel 33 Wijziging Reglement Dienst Buitenlandse Zaken

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 58g, vierde lid, wordt «zijn de artikelen 58j en 58m van overeenkomstige toepassing» vervangen door: is artikel 58m van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 58j vervalt.

3. Na artikel 58k wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 58l Reistijd-werktijd
  • 1. Indien de toename van de reistijd voor woon-werkverkeer ten gevolge van een wijziging van de plaats van tewerkstelling in Nederland in verband met plaatsing of herplaatsing in een passende functie anders dan op eigen verzoek meer bedraagt dan 15 minuten per enkele reis, wordt de extra reistijd van de ambtenaar, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende een jaar als werktijd aangemerkt.

  • 2. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 3. Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.

  • 4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw gestart.

  • 5. De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal anders dan op eigen verzoek de plaats van tewerkstelling in Nederland wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.

  • 6. Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.

4. Artikel 67 komt te luiden:

Artikel 67 Scholing
  • 1. De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 2. De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en 58d, die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend:

    • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;

    • b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 5. Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:

    • a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten;

    • b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.

  • 6. De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:

    • a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;

    • b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 58f bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en 58d, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels worden gesteld.

5. Artikel 68 vervalt.

Artikel 34 Wijziging Verplaatsingskostenbesluit 1989

In het Verplaatsingskostenbesluit 1989 wordt na artikel 12b een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12b1
  • 1. De ambtenaar die na een wijziging van de plaats van tewerkstelling in verband met plaatsing of herplaatsing ten gevolge van een reorganisatie anders dan op eigen verzoek de nieuwe plaats van tewerkstelling doelmatig per openbaar vervoer kan bereiken, kan gedurende een jaar aanspraak maken op de tegemoetkoming, genoemd in artikel 12a, als ware de nieuwe plaats van tewerkstelling niet of niet doelmatig bereikbaar per openbaar vervoer.

  • 2. Aan de ambtenaar die

    • a. ten gevolge van een wijziging van de plaats van tewerkstelling in verband met plaatsing of herplaatsing ten gevolge van een reorganisatie anders dan op eigen verzoek meer reiskosten heeft voor woon-werkverkeer, en

    • b. de oude en de nieuwe plaats van tewerkstelling niet of niet doelmatig kan bereiken per openbaar vervoer,

    wordt, indien de feitelijke kosten meer bedragen dan de tegemoetkoming op grond van artikel 12a, gedurende een jaar een extra tegemoetkoming toegekend ter hoogte van het verschil.

  • 3. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar heeft de in het eerste of tweede lid bedoelde ambtenaar recht op respectievelijk 75%, 50% en 25% van het verschil met de reguliere tegemoetkoming op grond van respectievelijk artikel 12b en artikel 12a.

  • 4. Voor de ambtenaar die de in het eerste of tweede lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de tegemoetkoming uitgegaan van de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling. Indien de tweede wijziging van de plaats van tewerkstelling plaatsvindt gedurende het tweede jaar, wordt de termijn, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, opnieuw gestart.

Artikel 35 Wijziging Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na artikel 18a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18b
  • 1. Aan de ambtenaar wiens bezoldiging in een periode van twee jaar door het één of meer keer beëindigen of verminderen van één of meer toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, als gevolg van een reorganisatie een blijvende verlaging ondergaat, welke ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en een periodieke toeslag, wordt een aflopende toelage toegekend.

  • 2. De berekeningsbasis voor de aflopende toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de 36 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, na de bedoelde verlagingen geniet. De in de vorige zin genoemde periode van 36 kalendermaanden wordt verkort voor zover de betrokken ambtenaar korter in dienst is geweest.

  • 3. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van de berekeningsbasis.

  • 4. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien de beëindigde of verminderde toelagen of toeslagen, genoemd in artikel 2, onder f, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twaalf maanden zijn genoten.

  • 5. Indien aanspraak bestaat op de aflopende toelage, bedoeld in dit artikel, bestaat geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 18.

  • 6. Onze Minister kan voor de toepassing van dit artikel nadere regels stellen.

2. In artikel 24 wordt de zinsnede «als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 18a» vervangen door: als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 18b.

§ 3 Slotbepalingen

Artikel 36 Regeling bij samenloop

Indien vóór 1 januari 2008 op grond van artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 139 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of artikel 142 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren ten aanzien van een reorganisatie een voorziening is overeengekomen die voor een ambtenaar die is betrokken bij die reorganisatie, gunstiger is dan een soortgelijke voorziening in dit besluit, dan treedt eerstgenoemde voorziening op aanvraag van de ambtenaar in de plaats van die in dit besluit.

Artikel 37 Overgangsrecht 2009

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 5.532,12» vervangen door: € 5.687,02.

2. In het tweede lid wordt «€ 11.064,98» vervangen door: € 11.374,80.

Artikel 38 Overgangsrecht 2010

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 5.687,02» vervangen door: € 5.726,83.

2. In het tweede lid wordt «€ 11.374,80» vervangen door: € 11.454,42.

Artikel 39 Werkingsduur

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 2008 en vervalt met ingang van 1 januari 2012.

  • 2. In afwijking van het eerste lid werkt artikel 37 terug tot en met 1 januari 2009.

  • 3. In afwijking van het eerste lid werkt artikel 38 terug tot en met 1 januari 2010.

Artikel 40 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 10 juni 2010

Beatrix

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de vierentwintigste juni 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit strekt ertoe de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012 vast te leggen in regelgeving. Het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 is een nadere invulling van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 van 25 mei 2007 (CAO Rijk 2007–2010). Daarin zijn afspraken gemaakt over onder meer ruimte voor ambtenaren bij het ontwikkelen en realiseren van loopbaanplannen, het anders reorganiseren (van «vast en zeker» naar «flexibel en veilig») en de opvang van de personele gevolgen van de vernieuwing van de rijksdienst («van werk naar werk»).

In de Overeenkomst loopbaanondersteuning, arbeidsmarkt, aanpassing BWWW en sociaal flankerend beleid 2008–2012 van 19 maart 2008 (hierna: de Overeenkomst), die is gepubliceerd als bijlage bij de circulaire van 6 mei 20081, zijn de afspraken tussen de minister van BZK en de vakbonden over het sociaal flankerend beleid integraal opgenomen. Het sociaal flankerend beleid bevat onder andere een aantal rechtspositionele voorzieningen die neerkomen op een aanvulling c.q. verruiming van voorzieningen uit de huidige rechtspositie voor rijksambtenaren. Hierbij wordt met name gedoeld op voorzieningen uit het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) en het Verplaatsingskostenbesluit 1989. Waar in deze nota van toelichting artikelen worden aangehaald uit het ARAR wordt daarmee tevens gedoeld op de overeenkomstige artikelen uit het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG) en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ).

In § 1 van het onderhavige besluit worden deze voorzieningen voor de duur van het sociaal flankerend beleid overeenkomstig de gemaakte afspraken tijdelijk aangevuld dan wel verruimd.

Daarnaast zijn afspraken gemaakt om enkele voorzieningen, die worden genoemd in paragraaf 5 van de Overeenkomst, vast te leggen in de permanente regelgeving. Het betreft de voorziening waarbij een deel van de extra reistijd voor woon-werkverkeer als gevolg van reorganisatie tot werktijd te rekenen, de voorziening om extra reiskosten te vergoeding na gedwongen standplaatswijziging, de voorziening om een ruimere compensatie toe te kennen voor verlies van toelagen als gevolg van reorganisatie, de voorziening met betrekking tot scholing. Daarin wordt voorzien in de artikelen in § 2 van dit besluit. De afspraken met betrekking tot de bovenwettelijke WW-regeling voor de sector Rijk, die in moeten gaan per 1 januari 2012, zullen op een later moment worden uitgevoerd in een wijziging van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

De totstandkoming van dit besluit zal op de gebruikelijke wijze per circulaire bekend gemaakt worden. Daarbij zal de circulaire van 6 mei 2008 worden ingetrokken. De Overeenkomst blijft echter van kracht.

Het uitwerken van deze afspraken inzake het thema «anders organiseren» heeft geleid tot het beschrijven van een drietal fasen van organisatieontwikkeling. Het criterium voor het onderscheid tussen de fasen van organisatieontwikkeling is de mate waarin personele problematiek (in de zin van overtolligheid of gedwongen standplaatswijzigingen) is te verwachten of zich al voordoet. Het doorvoeren van veranderingen in de organisatie in deze fasen is mogelijk op basis van de bestaande regelgeving. Deze biedt ook voldoende mogelijkheden voor de vergroting van de ruimte voor ambtenaren tot loopbaanontwikkeling in deze fasen. In de fase waarin de organisatie en de medewerkers zijn gedwongen om in beweging te komen worden de inspanningen van werkgever en medewerkers erop gericht het aanwijzen tot herplaatsingskandidaten zoveel mogelijk te voorkomen.

De ambitie bestaat om in de toekomst te komen tot een verdere invulling van de dynamisering van het proces van (re)organiseren in de zin van het concept «flexibel en veilig», zoals aangeduid in de CAO Rijk 2007–2010. Op basis van evaluaties in de eerste kwartalen van 2009 en 2010 van de ervaringen die alsdan zijn opgedaan met het bovengenoemde onderscheid in fasen van organisatieontwikkeling, zullen met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel vervolgafspraken worden gemaakt over de verdere invulling van het proces van (re)organiseren.

2. De drie fasen van organisatieontwikkeling

In de Overeenkomst worden de volgende fasen onderscheiden bij wijzigingen in de organisatie:

Fase 1

Deze fase kenmerkt zich door een regelmatige aanpassing van de organisatie aan de gewijzigde vraag vanuit de omgeving respectievelijk verandering van werkwijze, waarbij geen sprake is van krimp in de formatie. Deze wijzigingen verlopen niet schoksgewijs maar geleidelijk en hebben geen personele gevolgen. Er is dan ook geen sprake van een reorganisatie als bedoeld in artikel 49b, tweede lid, van het ARAR.

Uitbreiding van de formatie is mogelijk, maar niet ter vervanging van bestaande functies. Wel is het mogelijk dat door natuurlijk verloop vrijvallende formatieruimte, gelet op de (verwachte) ontwikkelingen, alternatief wordt aangewend (bij voorbeeld de vervanging van een beleidsmedewerker door een beleidsondersteuner). Daarnaast zijn ook wijzigingen in de structuur van de organisatie in deze fase mogelijk.

Gedwongen wijzigingen van standplaats zijn niet toegestaan.

De aanpassing van de organisatie volgens fase 1 wordt vooraf gemeld aan het departementaal georganiseerd overleg.

Over het algemeen kunnen de in deze fase voorkomende veranderingen in de organisatie niet worden gekenschetst als een «belangrijke wijziging in de organisatie» zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder c, van de Wet op de ondernemingsraden. Het desbetreffende medezeggenschapsorgaan komt dan ook in deze fase over het algemeen geen formeel adviesrecht toe.

Overigens is voorstelbaar dat er ook andere situaties zijn waarin het betrekken van het georganiseerd overleg of de medezeggenschap in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst is.

Fase 2

Op grond van een visie op de gewenste of noodzakelijke ontwikkeling van de organisatie (de «houtskoolschets») blijkt het noodzakelijk dat organisatie en medewerkers in beweging komen. Anders gezegd, wijzigingen in de organisatie zijn noodzakelijk en als er niets gebeurt dan ontstaat daarbij op termijn de situatie dat er medewerkers als herplaatsingskandidaat moeten worden aangewezen.

De activiteiten in deze fase zijn er dan ook op gericht om te komen tot een optimale bezetting van de (nieuwe) organisatie zonder dat dit leidt tot het moeten aanwijzen van herplaatsingskandidaten of gedwongen wijzigingen van standplaats. In deze fase zal nadrukkelijk gecommuniceerd moeten worden met medewerkers om gebruik te maken van de afgesproken voorzieningen, teneinde het aanwijzen later in de tijd van herplaatsingskandidaten te voorkomen.

De «houtskoolschets» laat zien welke wijzigingen in de organisatie noodzakelijk zijn en dat er personele gevolgen gaan ontstaan, alleen is op dat moment nog niet altijd duidelijk welke dat precies zullen zijn.

Over de «houtskoolschets» wordt overleg gevoerd met het desbetreffende medezeggenschapsorgaan. Deze geeft een mening over de «houtskoolschets» en onderkent de noodzaak van de voorziene krimp dan wel de standplaatswijzigingen. Afhankelijk van de inhoud van de houtskoolschets en de mate van gedetailleerdheid is tevens het adviesrecht van toepassing.

Op basis van de «houtskoolschets» kunnen groepen medewerkers aangewezen worden waarbinnen boventalligheid of standplaatswijziging verwacht wordt. Het aanwijzen van medewerkers geschiedt per functie per organisatieonderdeel (afdeling, directie of directoraat-generaal) of per ministerie. Als een groep wordt aangewezen geldt de aanwijzing voor álle ambtenaren in die functie bínnen dat organisatieonderdeel. De betrokken medewerkers ontvangen in dat geval schriftelijk bericht dat zij een functie bekleden die door het bevoegd gezag is aangewezen omdat bij ongewijzigde omstandigheden in die functie op termijn sprake kan zijn van overtolligheid of gedwongen standplaatswijziging. De betrokken medewerkers kunnen vanaf het moment van deze kennisgeving gebruik maken van de voorzieningen die in dit besluit worden genoemd voor «aangewezen ambtenaren».

Fase 3

In die fase kan worden overgegaan tot aanwijzing van de herplaatsingskandidaten. Deze fase treedt in:

  • a. als het in fase 2 niet mogelijk is gebleken het aanwijzen van herplaatsingskandidaten te voorkomen, dan wel

  • b. als, gezien de omvang of de vereiste snelheid van de verandering in de organisatie, het in de rede ligt onmiddellijk via fase 3 te gaan reorganiseren.

Op basis van de bestaande regels van het ARAR, de Regeling procedure bij reorganisatie en de Wet op de ondernemingsraden worden de bestaande fricties tussen de bestaande en de gewenste organisatie en de daarbij behorende personeelsbezetting verholpen.

Conform artikel 113 van het ARAR respectievelijk de Wet op de ondernemingsraden dient het vereiste overleg te worden gevoerd. Waar nodig dient het adviesrecht van het desbetreffende medezeggenschapsorgaan te worden gehonoreerd.

3. Duur en regime herplaatsingstatus

De standaard herplaatsingstermijn bedraagt achttien maanden. In de volgende twee gevallen wordt op grond van artikel 27 van dit besluit deze termijn van rechtswege verlengd.

  • a. De medewerker verricht tijdens de herplaatsingtermijn tijdelijke werkzaamheden. Tot de (tijdelijke) werkzaamheden worden gerekend alle inzet (inclusief stage en detachering) in de eigen of een andere functie, binnen of buiten de sector Rijk. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen opgedragen werk en werk waar de medewerker op grond van het sociaal flankerend beleid zelf om heeft verzocht.

    De herplaatsingtermijn wordt dan automatisch verlengd met de duur van de werkzaamheden, rekening houdend met het aantal uren per week dat tijdelijk werk wordt verricht. Wanneer (bijvoorbeeld) tijdelijk werk wordt verricht voor de helft van het aantal aanstellingsuren, dan wordt de herplaatsingtermijn verlengd met de helft van de duur van die werkzaamheden. De maximale verlenging tengevolge van tijdelijk werk bedraagt twaalf maanden.

  • b. Aan het eind van de reguliere herplaatsingstermijn is geen passende functie aangeboden.

    Deze verlenging duurt zo lang als nodig is om alsnog een passende functie aan te bieden, met een maximum van twaalf maanden.

De totale verlenging van de herplaatsingstermijn is begrensd op twaalf maanden. Volgtijdelijke verlenging op beide gronden van meer dan twaalf maanden is niet mogelijk.

Gedurende de eerste zes maanden van de herplaatsingstermijn wordt gezocht naar een passende functie, waarbij het begrip «passend» beperkter is dan in artikel 49h van het ARAR is opgenomen. Passend gedurende de eerste zes maanden is een functie die maximaal één salarisschaal lager is gewaardeerd dan de eigen functie, waarbij een eventuele toename van de reistijd (enkele reis) blijft beperkt tot maximaal 15 minuten. In de eerste zes maanden kan de herplaatsingskandidaat een aangeboden functie die valt buiten de beperkte omschrijving weigeren, maar het risico daarvan ligt bij de herplaatsingskandidaat. Na verloop van de eerste periode van zes maanden wordt gezocht naar een passende functie, conform de omschrijving in artikel 49h van het ARAR.

Wat betreft het zoekbereik geldt dat een passende functie in principe uitsluitend binnen de sector Rijk kan worden gevonden. Buiten de sector Rijk kan dat alleen indien daarover met de herplaatsingskandidaat expliciet afspraken zijn gemaakt die zijn vastgelegd, bijvoorbeeld in het herplaatsingsplan.

Gedurende de herplaatsingstermijn wordt de voortgang per zes maanden geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan wordt het herplaatsingsplan zo nodig bijgesteld. Evaluatie vindt plaats door de herplaatsingskandidaat, de verantwoordelijke lijnmanager en de trajectbegeleider.

4. De voorzieningen

Om de personele gevolgen van de veranderingen in de organisatie in de verschillende fasen zo goed mogelijk te kunnen ondervangen is een pakket voorzieningen afgesproken. Gedeeltelijk betreft het, eventueel afhankelijk van de fase, dwingendrechtelijke voorzieningen en gedeeltelijk, ook eventueel afhankelijk van de fase, facultatieve voorzieningen.

Voor de kosten van het sociaal flankerend beleid is door de ministerraad € 120 mln. beschikbaar gesteld, verdeeld over de jaren 2008 tot en met 2011. Hiervan is € 95,3 mln. bestemd voor dekking van de kosten van het beleid bij de ministeries. De rest is bestemd voor rijksbrede projecten.

Eventuele meerkosten komen ten laste van de departementale begrotingen.

De afspraken met betrekking tot ondersteuning van tijdelijke medewerkers (zie hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 26), vergoedingen voor telewerken en werktijdregeling en deeltijdwerken behoeven geen nadere regelgeving, omdat de standaardbepalingen met betrekking tot deze onderwerpen voldoende grondslag bieden.

Met betrekking tot de voorziening over de mogelijkheid van telewerken (voorziening 21 van de Overeenkomst) is afgesproken dat indien de reistijd woon-werkverkeer door herplaatsing zodanig lang wordt dat daardoor een normale uitoefening van de functie wordt belemmerd, het bevoegd gezag in overleg met de betrokken medewerker telewerken kan toestaan. Daarbij is de Raamregeling telewerken van toepassing. Op grond hiervan kunnen aan de ambtenaar voorzieningen ter beschikking worden gesteld of vergoed, zoals een computer en bijbehorende apparatuur, communicatiemiddelen en vergoeding van de kosten van de inrichting van een werkplek thuis. Ook in andere gevallen waarin telewerken een toename van reistijd kan beperken kan toestemming verleend worden om een deel van de werkzaamheden via telewerk te verrichten.

Met betrekking tot de voorziening betreffende werktijdregeling en deeltijdwerken (voorziening 22) geldt dat in gevallen waarin dat de nadelige gevolgen van een toename van reistijd kan beperken, in overleg tussen het bevoegd gezag en de medewerker een passende werktijdregeling overeengekomen zal worden, voor zover de aard en organisatie van het werk dat toelaat. Daarnaast heeft de medewerker recht om in deeltijd te gaan werken tenzij hieruit zwaarwegende bezwaren voor de dienst voortvloeien. Daarin is reeds voorzien in artikel 21 (de regeling van de werktijden) en 21b (waarin het recht op deeltijd is neergelegd) van het ARAR.

In de artikelsgewijze toelichting is het nummer van de betreffende voorziening uit de Overeenkomst tussen haakjes vermeld achter het kopje bij het betreffende artikel.

Over dit besluit is overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

II. Artikelsgewijs

§ 1 Tijdelijke voorzieningen

Artikel 2 Loopbaangesprek (1)

De eerste voorziening uit het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012 (Sfb 2008–2012) behelst het recht op ten minste eenmaal per jaar een gesprek over de werkzaamheden tussen het bevoegd gezag en de werknemer. Daarin is al voorzien in artikel 71, eerste lid, van het ARAR. In aanvulling op deze regeling wordt in dit artikel bepaald dat in dit gesprek tevens de ontwikkeling van de loopbaan aan de orde komt. Op grond van artikel 71, tweede lid, gebeurt dit normaliter pas nadat de ambtenaar gedurende vijf jaar dezelfde functie heeft vervuld. Dit gesprek omvat onder meer de onderwerpen mobiliteit, flexibiliteit en loopbaanperspectief in de toekomst. Deze aanvulling is mede van belang in relatie tot de wijzigingen van de vergoeding voor opleidingskosten en studietijd (zie §2) waarbij aangesloten wordt op de in het loopbaangesprek gemaakte en vastgelegde loopbaanafspraken.

Artikel 3 Trajectbegeleiding en loopbaangegevens (2 en 4)

In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de voorzieningen 2 en 4 uit het Sfb 2008–2012. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen ambtenaar en de herplaatsingskandidaat ondersteuning wordt geboden door een mobiliteitsadviseur in een begeleidingstraject van werk naar werk. Aan anderen kan het bevoegd gezag besluiten deze ondersteuning te bieden.

Voor aangewezen ambtenaren wordt door de mobiliteitsadviseur (een personeelfunctionaris) een mobiliteitsplan opgesteld gezamenlijk met de betrokken medewerker, waarin bijvoorbeeld de kwaliteiten en ontwikkelpunten, de reële loopbaanwensen en te volgen relevante scholing voor de betrokkene in kaart worden gebracht. Indien een mobiliteitsplan (mede) gericht is op externe mobiliteit, kan door de mobiliteitsadviseur of een extern bureau ook ondersteuning worden geboden in de vorm van outplacement.

In fase 3, na aanwijzing als herplaatsingskandidaat, wordt door de mobiliteitsadviseur in samenspraak met de betrokkene en het bevoegd gezag een herplaatsingsplan opgesteld. Bevoegd gezag en medewerker zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inhoud daarvan en stellen het gezamenlijk vast. Indien het niet lukt overeenstemming over de inhoud te bereiken, stelt het bevoegd gezag het plan eenzijdig vast, waarbij de medewerker gelegenheid krijgt zijn visie apart in het plan te vermelden. Zo mogelijk wordt de uitkomst van de loopbaanscan in het plan betrokken. Loopbaanplan en eventueel bestaande loopbaanafspraken worden in het plan betrokken.

Mogelijke onderwerpen voor het herplaatsingsplan zijn verder:

  • de uitgangssituatie van de medewerker, persoonlijke omstandigheden die relevant zijn voor de herplaatsing

  • de voorkeuren van de medewerker

  • de aandachtspunten bij het zoeken naar een passende functie

  • het zoekgebied (alleen binnen de sector Rijk of ook daarbuiten)

  • de mogelijkheid om tijdelijke werkzaamheden te zoeken en op te dragen

  • welke instrumenten van sociaal flankerend beleid worden ingezet

  • de planning van acties van management, medewerker en mobiliteitsadviseur (wie, wat, wanneer)

  • het evaluatiemoment.

In het vierde lid is bepaald dat de uitvoering van het herplaatsingsplan iedere zes maanden wordt geëvalueerd. Vaste onderdelen van de evaluatie zijn de geleverde inspanning van partijen (ondernomen acties en behaalde resultaten), de inzet van voorzieningen en het nakomen van de wederzijdse verplichtingen volgend uit de algemene regels en uit de afspraken, opgenomen in het herplaatsingsplan. Naar aanleiding van de evaluatie wordt het herplaatsingsplan zo nodig bijgesteld. Evaluatie vindt plaats aan de hand van een evaluatieformulier dat door de drie betrokken partijen wordt ingevuld en besproken. Deze evaluatie vindt plaats tussen bevoegd gezag, medewerker en mobiliteitsadviseur. Van de evaluatie wordt door het verantwoordelijk management een verslag opgemaakt dat door de betrokken partijen voor gezien wordt getekend. Verslag en formulieren worden in het personeelsdossier opgenomen.

Het bevoegd gezag rapporteert in het Departementaal georganiseerd overleg (DGO) over voortgang en resultaten van de trajectbegeleiding van de groep herplaatsingskandidaten. In het DGO kunnen afspraken gemaakt worden over de wijze en frequentie van de rapportages en over de verdere betrokkenheid van het DGO bij de begeleiding van herplaatsingskandidaten.

Artikel 4 Loopbaanscan (3)

Artikel 71b van het ARAR bevat het recht om eenmaal in de vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan met behulp van een professionele loopbaandeskundige te doen op kosten van het bevoegd gezag. De uitkomsten daarvan kunnen worden ingebracht in het functioneringsgesprek ter ondersteuning van het maken van afspraken over de loopbaan. Tijdens de looptijd van het Sfb 2008–2012 heeft iedere medewerker op grond van artikel 4 het recht om ten minste één loopbaanscan te doen, en is de restrictie dat het pas na vijf jaar kan, niet van toepassing. Uiteraard laat dit onverlet dat met wederzijds goedvinden vaker dan één keer een loopbaanscan kan worden gedaan. Hoewel is voorgeschreven dat de loopbaandeskundige een externe moet zijn, dat wil zeggen een niet onder hetzelfde bevoegd gezag vallend persoon als de desbetreffende ambtenaar, bestaat er geen bezwaar tegen een loopbaandeskundige uit de eigen dienst als de ambtenaar daar zelf om vraagt of mee instemt. Wanneer een betrokkene aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat is geworden, ontstaat voor beide aanwijzingen samen eenmaal een extra recht op een loopbaanscan.

Artikel 5 Opleidingskosten en studietijd (5)

Deze voorziening betreft een tijdelijke aanvulling op de voorziening die in artikel 31 wordt geregeld voor wat betreft het nieuwe artikel 59, tweede lid, van het ARAR. Artikel 59, tweede lid van het ARAR betreft de verplichting om volledige vergoeding van met een studie gemoeide scholingskosten en 100% verlof met behoud van bezoldiging toe te kennen aan de herplaatsingskandidaat, voor zover de studie aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken, dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie. De voorziening geldt gedurende de looptijd van het Sfb 2008–2012 ook voor aangewezen ambtenaren.

Artikel 6 Aanbieden functie (6)

Op grond van artikel 49h van het ARAR is het bevoegd gezag verplicht om de herplaatsingskandidaat gedurende de herplaatsingstermijn ten minste één passende functie aan te bieden. Anders dan in artikel 49h van het ARAR geldt gedurende de eerste zes maanden van de herplaatsingstermijn dat als passende functie slechts kan worden aangemerkt een functie die maximaal één salarisschaal lager is gewaardeerd dan de laatstelijk vervulde functie en waarbij de eventuele toename van de reistijd voor woon-werkverkeer enkele reis beperkt blijft tot maximaal 15 minuten. De reistijd dient te worden berekend met de ANWB-routeplanner, uitgaande van de route met de minste reistijd. Eventuele functies die buiten deze omschrijving vallen kunnen door de herplaatsingskandidaat worden geweigerd. Gedurende de resterende herplaatsingstermijn geldt het ruimere begrip «passend» uit de bestaande regelgeving.

Voor de bepaling of aan het eind van de herplaatsingstermijn aan de zware inspanningsverplichting is voldaan om de herplaatsingskandidaat ten minste één passende functie aan te bieden, telt een eventueel aanbod dat in de eerste zes maanden buiten de beperkte omschrijving valt, derhalve niet mee.

Artikel 7 Voorrangsrecht (7)

Bij circulaire van 6 februari 2003 (PMR/AV 02/100674) was al voorzien in een voorrangspositie van herplaatsingskandidaten en personen die wegens arbeidsongeschiktheid in een andere functie geplaatst moeten worden, bij de vervulling van vacatures binnen de sector Rijk. Dit voorrangsrecht wordt in het onderhavige artikel ook formeel vastgelegd, en mede van toepassing verklaard op aangewezen ambtenaren. Het voorrangsrecht van deze groepen ambtenaren bevindt zich op hetzelfde niveau, dat wil zeggen dat binnen de groep voorrangsgerechtigden geen onderscheid wordt gemaakt tussen herplaatsingskandidaten, aangewezen ambtenaren en personen die wegens arbeidsongeschiktheid in een andere functie geplaatst moeten worden. Omdat de ambtenaren, werkzaam bij de Staten-Generaal, geen aanstelling in algemene dienst van het Rijk hebben, heeft het voorrangsrecht geen betrekking op de ambtenaren en de functies bij de Staten-Generaal.

Artikel 8 Behoud salarisschaal bij vrijwillige plaatsing in lagere functie (8)

Bij gedwongen plaatsing in een functie met een lager gewaardeerde schaal heeft een medewerker op grond van artikel 5, vijfde lid, van het BBRA 1984 recht op behoud van de eigen salarisschaal. Indien een aangewezen ambtenaar of een herplaatsingskandidaat zelf kiest voor een lager gewaardeerde passende functie, wordt in dit artikel erin voorzien dat ook in die situatie recht bestaat op behoud van de eigen salarisschaal. Daarbij is ook artikel 57b van het ARAR, dat verplicht tot het toepassen van een inhouding op salaris bij vrijwillige demotie van ambtenaren van 57 jaar en ouder, buiten toepassing verklaard.

Artikel 9 Plaatsing eigen schaal (9)

Dit artikel bevat een aanvulling op de voorziening die thans wordt geboden in artikel 5, vijfde lid, van het BBRA 1984, dat erin voorziet dat een ambtenaar die gedwongen wordt geplaatst op een lager gewaardeerde functie, de voor hem geldende salarisschaal behoudt. De aanvulling uit het sociaal flankerend beleid bestaat eruit dat het bevoegd gezag zich op grond van dit artikel dient in te spannen om de herplaatsingskandidaat en de aangewezen ambtenaar die gedwongen geplaatst is in een lager gewaardeerde functie, in aanmerking te laten komen voor een vacature op het oorspronkelijke schaalniveau, zodra gebleken is dat daarvoor geen kandidaat met voorrangsrecht beschikbaar is. Uiteraard moet het gaan om een vacature voor een functie die voor betrokkene als passend is aan te merken dan wel een functie waarvoor de herplaatsingskandidaat binnen een redelijke termijn geschikt kan worden gemaakt.

Herplaatsingskandidaten die zijn geplaatst in een lager gewaardeerde functie, hebben op grond van het tweede lid bovendien gedurende twee jaar recht op toepassing van de voor hen geldende voorzieningen uit het Sfb 2008–2012 indien die toepassing kan leiden tot plaatsing in een functie die gewaardeerd is naar de eigen salarisschaal.

Artikel 10 Compensatie beëindiging of vermindering toelagen (10)

Voor de toelichting op deze voorziening wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 35 van dit besluit. Gedurende de looptijd van het Sfb 2008–2012 is de duur van de voorziening in afwijking van het nieuwe artikel 18b, tweede lid, van het BBRA 1984 niet vier, maar vijf jaar, waarbij de compensatie de eerste twee jaar 100% van de verlaging van de bezoldiging bedraagt en de laatste drie jaar 75, 50 en 25% bedraagt. Gedurende de looptijd van het Sfb 2008–2012 geldt deze aanspraak tevens voor aangewezen ambtenaren.

Artikel 11 Functieverplaatsingstoelage en verhuiskostenvergoeding (11 en 12)

Indien aan een verhuisplicht wordt voldaan, of zonder verhuisplicht wordt verhuisd van meer dan 50 kilometer van de plaats van tewerkstelling naar minder dan 25 kilometer van de standplaats, is het bedrag voor de herinrichtingskosten in afwijking van het bedrag op grond van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en de Verplaatsingskostenregeling 1989 niet € 5.445,00 maar € 5.532,12.

Bij verhuizing in opdracht na plaatsing of herplaatsing in een passende functie bedraagt de eenmalige verhuisvergoeding, bedoeld in artikel 49n van het ARAR op grond van het sociaal flankerend beleid niet € 10.890,73, maar € 11.064,98. Deze voorziening is een recht voor aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten en kan tevens door het bevoegd gezag van toepassing worden verklaard op anderen dan aangewezen ambtenaren of herplaatsingskandidaten.

Beide bedragen worden jaarlijks bij ministeriële regeling van de minister van BZK per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de Consumentenprijsindex van het CBS die geldt voor de voorgaande periode van november tot en met oktober. De bedragen die gelden voor de jaren 2009 en 2010 zijn reeds genoemd in artikel 37 en 38.

Artikel 12 Pensionkosten (13)

De aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat die als gevolg van reorganisatie is verplaatst en van het bevoegd gezag opdracht heeft gekregen om te verhuizen naar of naar de nabijheid van de nieuwe standplaats, heeft gedurende de periode dat hij daarin ondanks pogingen daartoe nog niet is geslaagd, met een maximum van twee jaar, recht op vergoeding van pensionkosten. Op grond van artikel 12ba en 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit en artikel 14 en 15 van de Verplaatsingskostenregeling 1989 geldt in andere gevallen een gedeeltelijke vergoeding van pensionkosten, en voor in eerste instantie zes maanden. Het bevoegd gezag kan besluiten deze voorziening ook op andere ambtenaren dan aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten van toepassing te verklaren.

Artikel 13 Reistijd-werktijd (14)

Deze voorziening, waarbij een deel van de toename in reistijd als werktijd kan worden aangemerkt, wordt toegelicht bij artikel 31. In afwijking van het nieuwe artikel 49m van het ARAR geldt gedurende de looptijd van het Sfb 2008–2012 dat deze voorziening niet vier, maar vijf jaar geldt, waarbij in het eerste en tweede jaar 100% van de extra reistijd als werktijd kan worden aangemerkt, en het derde, vierde en vijfde jaar resp. 75%, 50% en 25%. Tijdens de looptijd van het Sfb 2008–2012 geldt deze voorziening eveneens voor de aangewezen ambtenaar, en kan deze door het bevoegd gezag ook van toepassing verklaard worden op andere ambtenaren.

De (toename) van reistijd wordt door het bevoegd gezag vastgesteld met behulp van de ANWB-routeplanner met behulp van de route met de minste reistijd. Vergelijking van reistijd vindt plaats op basis van de feitelijk gebruikte methode van vervoer in de oude en nieuwe situatie.

Artikel 14 Tegemoetkoming extra reiskosten (15)

Deze voorziening wordt toegelicht bij artikel 34 (wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit 1989) en voorziet in een afwijking van het nieuwe artikel 12b1, derde lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989. Ook voor deze voorziening geldt gedurende de looptijd van het Sfb 2008-2012 dat deze tegemoetkoming niet vier, maar vijf jaar geldt, waarbij in het eerste en tweede jaar de tegemoetkoming 100% bedraagt, en in het derde, vierde en vijfde jaar resp. 75%, 50% en 25%. Tijdens de looptijd van het Sfb 2008–2012 geldt deze voorziening ook voor de aangewezen ambtenaar, en kan deze bepaling door het bevoegd gezag van toepassing verklaard worden op andere ambtenaren.

Artikel 15 Proportionele diensttijdgratificatie (16)

Op grond van artikel 79, tweede lid, van het ARAR bestaat onder meer bij reorganisatie-ontslag recht op een proportionele diensttijdgratificatie naar rato van de doorgebrachte diensttijd, indien er sprake is van een diensttijd van 10 jaar of meer. Dit recht geldt uiteraard alleen indien de ambtsjubileumgratificatie ook bij een nieuwe werkgever wordt misgelopen. Dit recht geldt op grond van het onderhavige artikel tevens bij een ontslag op eigen aanvraag van de ambtenaar als bedoeld in artikel 94, of FPU-ontslag op eigen aanvraag als bedoeld in artikel 94a, van het ARAR.

Artikel 16 Bovenwettelijke uitkering (17)

Op grond van artikel 100a van het ARAR heeft de voormalig herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag is verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk indien hij binnen twee jaar na indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld wordt ontslagen. Ingevolge artikel 16 kan deze aanspraak van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere ambtenaren dan herplaatsingskandidaten.

Artikel 17 Tijdelijk werk (18)

In aanvulling op de mogelijkheid die artikel 58 van het ARAR aan het bevoegd gezag biedt om een medewerker tijdelijke werkzaamheden op te dragen, regelt artikel 17 het recht voor de aangewezen ambtenaar en de herplaatsingskandidaat om op eigen verzoek tijdelijk te worden gedetacheerd of stage te lopen voor een periode van maximaal 3 maanden. Voorwaarden zijn daarbij dat dit bijdraagt aan de (her)plaatsingsmogelijkheden of aan het realiseren van gemaakte loopbaanafspraken, de organisatie van het werk het toelaat en er een geschikte plek beschikbaar is. Deze mogelijkheid kan van overeenkomstige toepassing verklaard worden op overige ambtenaren.

Artikel 18 Vrijstelling terugbetalingen (20)

De terugbetalingsverplichting met betrekking tot ouderschapsverlof en studiekostenvergoeding, bedoeld in artikel 33g en 59 van het ARAR, wordt niet opgelegd aan aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten. In geval van disciplinair ontslag of weigering van een passende functie blijven de genoemde terugbetalingsverplichtingen echter in stand. Met betrekking tot andere ambtenaren dan aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten heeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om deze terugbetalingsverplichtingen op grond van artikel 33g, achtste lid, respectievelijk artikel 59, zesde lid, van het ARAR niet op te leggen.

Artikel 19 Aanvulling salaris en afkoop (23 en 24)

In artikel 49p van het ARAR wordt voorzien in een aanspraak op aanvulling op het inkomen voor herplaatsingskandidaten aan wie eervol ontslag is verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst, indien het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke functie. In het onderhavige artikel wordt een soortgelijke voorziening opgenomen. Anders dan de voorziening in artikel 49p ARAR kan de aanvulling op het inkomen tevens worden toegekend aan aangewezen ambtenaren. Met betrekking tot aangewezen ambtenaren is er – anders dan voor herplaatsingsskandidaten – voor het bevoegd gezag geen verplichting om de aanvulling op grond van dit artikel toe te kennen. Er bestaat geen recht op de in artikel 19 bedoelde aanvulling indien aanspraak wordt gemaakt op een stimuleringspremie of de voorziening op grond van artikel 49p van het ARAR. De hoogte van de aanvulling bedraagt het eerste jaar 100% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen tot een maximum van 30% van dat oude inkomen (salaris, vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering, en eventuele toelagen en toeslagen), en het tweede, derde, vierde en vijfde jaar respectievelijk 80%, 60%, 40% en 20%. De hoogte wordt gerelateerd aan de omvang van het dienstverband. Het recht op de aanvulling komt tot uitbetaling zolang het nieuwe inkomen minder bedraagt dan het oude inkomen, de omvang van het dienstverband daarbij in aanmerking nemend, met een maximum van vijf jaar. Er wordt tevens voorzien in een afkoopmogelijkheid.

De aanvulling kan slechts worden toegekend indien de voormalige medewerker jaarlijks een inkomstenverklaring overlegt. De hoogte van de aanvulling wordt jaarlijks herzien aan de hand van de wijziging van het salaris en de bijbehorende componenten in de nieuwe functie. Het oude inkomen wordt eenmalig vastgesteld.

Artikel 20 Stimuleringspremie (25)

Artikel 49o van het ARAR bevat de mogelijkheid om een herplaatsingskandidaat een stimuleringspremie in het vooruitzicht te stellen van maximaal drie maandsalarissen indien hem binnen 18 maanden na aanwijzing als herplaatsingskandidaat eervol ontslag wordt verleend op eigen aanvraag. Gedurende de looptijd van het Sfb 2008–2012 wordt voorzien in een gunstiger variant op die voorziening in artikel 20. Daarbij geldt dat de voorziening ten aanzien van herplaatsingskandidaten geen mogelijkheid is, maar een recht. De voorziening kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op aangewezen ambtenaren. De premie bedraagt minimaal drie en maximaal twaalf maandsalarissen, afhankelijk van het aantal dienstjaren en van het aantal maanden dat de herplaatsingstermijn is verstreken. Voor aangewezen ambtenaren is geen minimum bepaald. Geen recht op de premie bestaat indien aanspraak wordt gemaakt op de (afkoop-)aanvulling op het salaris ingevolge artikel 19 of de terugkeergarantie ingevolge artikel 22. Voorts bestaat geen recht op de premie indien het ontslag is verleend op grond van artikel 94a van het ARAR (FPU-ontslag). In het belang van de dienst kan het bevoegd gezag ook in geval van FPU-ontslag de stimuleringspremie toekennen. De stimuleringspremie wordt op de bovenwettelijke WW-uitkering op grond van artikel 100a van het ARAR in mindering gebracht.

Artikel 21 Bijdrage pensioenopbouw (26)

Het bevoegd gezag kan besluiten aan de herplaatsingskandidaat die op eigen verzoek wordt ontslagen vanwege de aanvaarding van een baan bij een werkgever die niet is aangesloten bij het ABP op diens aanvraag een bijdrage toe te kennen voor het in de toekomst op te bouwen pensioen. Het besluit om een bijdrage al dan niet toe te kennen wordt genomen in afweging tussen de plaatsingsmogelijkheden binnen de sector Rijk gedurende de resterende herplaatsingstermijn, de kosten van een beroep op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en bovenwettelijke WW, de hoogte van de gevraagde bijdrage en de kosten van andere voorzieningen van het Sfb 2008–2012 in verband met het vertrek. Betaling vindt rechtstreeks plaats aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij (bijvoorbeeld middels een storting in een koopsompolis of stamrechtverzekering) nadat de termijnen voor de terugkeergarantie (artikel 22) of artikel 100a van het ARAR zijn verstreken.

Artikel 22 Terugkeergarantie (27)

Aan de aangewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op eigen verzoek om een functie buiten de sector Rijk te aanvaarden, kan op aanvraag worden toegezegd dat, bij ontslag uit die functie aantoonbaar buiten zijn schuld of toedoen tijdens de eerste zes maanden van uitoefening, een hernieuwde aanstelling wordt geboden met een salaris overeenkomstig het salaris bij vertrek. De herplaatsingskandidaat heeft – indien hij dit aanvraagt – recht op die garantie. De overige arbeidsvoorwaarden kunnen afwijken van de situatie voorafgaand aan het vertrek. Van deze mogelijkheid kan geen gebruik worden gemaakt wanneer bij het vertrek een stimuleringspremie is toegekend of wanneer een aanvulling op het salaris is afgekocht.

Bij terugkeer krijgt de betrokkene (opnieuw) de status van herplaatsingskandidaat voor de duur van de nog niet verstreken herplaatsingstermijn. De minimale nieuwe herplaatsingstermijn bedraagt daarbij drie maanden. Indien de betrokkene alleen aangewezen ambtenaar is geweest vindt derhalve geen aftrek plaats. Indien na het verstrijken van de herplaatsingstermijn het niet mogelijk is gebleken de ambtenaar te plaatsen in een passende functie, wordt alsnog reorganisatie-ontslag verleend.

Artikel 23 Verlof eigen bedrijf (28)

In geval van ontslag van een herplaatsingskandidaat op eigen verzoek wegens het starten van een eigen bedrijf, laat het bevoegd gezag het dienstverband op verzoek van de betrokkene drie maanden langer in stand. Gedurende die periode krijgt de betrokkene buitengewoon verlof (betaald) en mag hij zijn tijd geheel of gedeeltelijk besteden aan de feitelijke start van bedrijfsactiviteiten. In plaats daarvan kan een premie worden toegekend ter grootte van drie maal de maandelijkse bezoldiging vermeerderd met de vakantie- en eindejaarsuitkering daarover. De start van de bedrijfsactiviteiten moet daarvoor genoegzaam vaststaan. Voorwaarde voor deze voorziening is een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Het bevoegd gezag kan besluiten een aangewezen ambtenaar voor deze voorziening in aanmerking te laten komen.

Artikel 24 Extra mogelijkheid aanwijzing herplaatsingskandidaat (29)

Artikel 24 is een aanvullende voorziening op artikel 96, tweede lid, van het ARAR. Daarin wordt bepaald dat aan een ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst, alsnog reorganisatie-ontslag kan worden verleend indien binnen een periode van een jaar blijkt dat de functie niet passend is voor de ambtenaar en het niet mogelijk is om hem binnen een redelijke termijn op een passende functie te plaatsen.

Indien binnen een jaar na herplaatsing naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de nieuwe functie toch niet passend is, kan de medewerker op grond van dit artikel door het nieuwe bevoegd gezag één keer opnieuw worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. De eventuele periode die is doorgebracht als herplaatsingskandidaat, wordt in mindering gebracht op de nieuwe herplaatsingstermijn. Een eventueel recht op automatische verlenging van de herplaatsingsstatus opgebouwd tijdens de eerste periode werkt daarbij door in de tweede periode. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van het ARAR loopt af nadat de nieuwe herplaatsingstermijn is verstreken.

Artikel 25 Toepassing voorzieningen bij niet passendheid functie (30)

Voor (voormalig) aangewezen ambtenaren geldt dat indien binnen een jaar na plaatsing blijkt dat een functie niet passend is naar het oordeel van het bevoegd gezag, de medewerker recht heeft op toepassing van de voorzieningen uit dit besluit, bestemd voor aangewezen ambtenaren.

Artikel 26 Aanbieden faciliteiten in verband met mobiliteit (31)

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 69 van het ARAR voor alle medewerkers de mogelijkheid naar billijkheid overige kosten te vergoeden, dus ook voor kosten die samenhangen met mobiliteit. Genoemd artikel biedt nu al een open mogelijkheid om in individuele gevallen een compensatie toe te kennen voor bijzondere kosten in relatie tot mobiliteit of te ondersteunen bij mobiliteitsbelemmerende factoren in de privésfeer, zoals ondersteuning van een partner bij het vinden van ander werk of emotionele begeleiding. Artikel 26 biedt daarnaast de mogelijkheid om ook andere – niet geldelijke – voorzieningen op dit gebied te faciliteren. De combinatie van beide artikelen maakt het voor het bevoegd gezag tevens mogelijk mobiliteitsondersteuning bij het zoeken naar een nieuwe baan te bieden aan medewerkers met een tijdelijke aanstelling, zoals afgesproken in voorziening 25 van de Overeenkomst.

Artikel 27 Verlenging herplaatsingstermijn (§ 6.1 ovk)

De standaard herplaatsingstermijn bedraagt achttien maanden op grond van artikel 49g, eerste lid, van het ARAR. Naast de mogelijkheid om in de fase voorafgaand aan de aanwijzing als herplaatsingskandidaat gebruik te maken van diverse voorzieningen, kent het Sociaal flankerend beleid in twee situaties een automatische verlenging van de herplaatsingstermijn.

In de eerste plaats in het geval dat een medewerker tijdens de herplaatsingstermijn tijdelijke werkzaamheden verricht. De herplaatsingstermijn wordt in dat geval verlengd met de duur van de werkzaamheden, rekening houdend met het aantal uur per week dat tijdelijke werkzaamheden worden verricht, in verhouding tot het aantal aanstellingsuren. De maximale verlenging bedraagt twaalf maanden.

In de tweede plaats vindt automatische verlenging plaats aan het eind van de herplaatsingstermijn indien het dan nog niet is gelukt de herplaatsingskandidaat een passende functie aan te bieden. De automatische verlenging geldt voor zo lang als nodig is om alsnog een passende functie aan te bieden met een maximum van twaalf maanden.

De totale maximale verlenging is eveneens begrensd op twaalf maanden. Volgtijdelijke verlenging met toepassing van beide gronden voor meer dan twaalf maanden is dan ook niet mogelijk.

Bij herplaatsingskandidaten die als zodanig zijn aangewezen vóór 1 januari 2008 wordt een eventuele eerdere verlenging van de herplaatsingstermijn in mindering gebracht op de termijn voor de maximale verlenging. In bijzondere gevallen kan een verlenging van de herplaatsingstermijn voor deze groep worden geweigerd. Gedacht kan worden aan gevallen waarin van tevoren duidelijk is dat herplaatsing onmogelijk is. Indien herplaatsingskandidaten die in aanmerking zouden kunnen komen voor een extra verlenging reeds zijn ontslagen voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan het bevoegd gezag met toepassing van artikel 30 een bijzondere voorziening treffen.

Artikel 28 Remplaçantenregeling (bijlage 1 van de Overeenkomst onder «toepassingsbereik»)

Voorzieningen ten behoeve van aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten op grond van dit besluit kunnen ook worden toegekend aan andere ambtenaren, die niet behoren tot één van die groepen, voor zover daarmee de plaatsing of herplaatsing van een aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat wordt gerealiseerd. Zo kan de stimuleringspremie, bedoeld in artikel 20, die normaliter alleen aan aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten kan worden toegekend, in het hiervoor genoemde geval ook aan andere ambtenaren worden toegekend.

Artikel 29 Bijzondere bepalingen betreffende ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van het RDBZ

Op ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ|) van toepassing. Vanwege hun bijzondere afwijkende rechtspositie zijn in artikel 29 enige aanvullende bepalingen vastgesteld.

De meeste RDBZ-ambtenaren zijn overeenkomstig artikel 26 van het RDBZ voor een bepaalde periode – meestal drie of vier jaar – in een functie geplaatst (de zogenaamde overplaatsbare ambtenaren). Na afloop van die periode worden zij in een andere functie geplaatst voor een bepaalde periode. De periode van plaatsing kan tussentijds verkort worden, bijvoorbeeld vanwege medische redenen of een reorganisatie. De meeste overplaatsbare ambtenaren zijn ook in het buitenland inzetbaar. Bij velen wordt getracht afwisseling aan te brengen in de aard van de achtereenvolgens te vervullen functies zodat men breed inzetbaar wordt. De meeste plaatsingen eindigen in de zomer zodat elke zomer vele honderden functies en overplaatsbare ambtenaren beschikbaar komen. Invulling van al deze vacante functies en plaatsing van al deze ambtenaren geschiedt in een zogenaamde zomerronde. Mocht onverhoopt een vervolgplaatsing niet direct mogelijk blijken dan wordt de overplaatsbare ambtenaar op grond van artikel 27, vierde lid, van het RDBZ ter beschikking gehouden totdat alsnog een vervolgplaatsing gerealiseerd kan worden.

Vanwege dit functieroulatiesysteem wordt de overplaatsbare ambtenaar wiens functie wordt opgeheven of die overtollig wordt in de regel niet aangewezen als herplaatsingskandidaat maar ter beschikking gehouden.

Voor de kleine groep RDBZ-ambtenaren die voor onbepaalde tijd in een functie is geplaatst (de zogenaamde niet-overplaatsbare ambtenaren), gelden dezelfde regels als voor ambtenaren in de zin van het ARAR. Zij worden dus bij opheffing van hun functie en bij overtolligheid aangewezen als herplaatsingskandidaat.

Uitvoering van de taakstelling heeft gevolgen voor alle RDBZ-ambtenaren: ongeacht of zij werkzaam zijn op het departement of een post in het buitenland en ongeacht de aard en het niveau van hun functie: binnen alle geledingen zullen functies vervallen.

De taakstelling wordt bij BZ daar waar mogelijk langs de weg van natuurlijk verloop gerealiseerd. Dat wil zeggen dat getracht wordt functies op te heffen op het moment dat degene die de functie vervult in een andere functie wordt geplaatst in het kader van een zomerronde.

Gelet op het bijzondere functieroulatiesysteem zullen ook de overplaatsbare ambtenaren wier functie ongewijzigd blijft bestaan nadelige gevolgen ondervinden van de taakstelling. Bij het meedoen aan de eerstvolgende zomersronde zal men immers uit minder vacante functies kunnen kiezen dan gebruikelijk hetgeen leidt tot een verhoogd risico om geplaatst te worden in een niet geambieerde functie of zelfs om ter beschikking te worden gehouden.

Een nog verder verhoogde mobiliteit van alle medewerkers, ook van niet-overplaatsbare ambtenaren, is daarom gewenst. Om dit te stimuleren is besloten om op alle RDBZ-ambtenaren het voor fase 2 bestemde ruimere pakket flankerende maatregelen van toepassing te laten zijn met uitzondering van de voorrangspositie bij vacatures bij andere ministeries. Die voorrangspositie is – teneinde medewerkers van andere ministeries niet te benadelen – voorbehouden aan RDBZ-ambtenaren die schriftelijk zijn aangewezen omdat zij een functie bekleden die door het bevoegd gezag is aangewezen omdat zonder maatregelen in die specifieke functie op termijn sprake zal zijn van overtolligheid dan wel gedwongen standplaatswijziging. Dit is geformaliseerd in artikel 29, tweede lid, van voorliggend besluit.

In artikel 9 van voorliggend besluit is bepaald dat bij gedwongen plaatsing van de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat op een functie die lager is gewaardeerd dan de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie, het bevoegd gezag zich gedurende twee jaar inspant om betrokkene weer te plaatsen op het schaalniveau van diens laatstelijk vervulde functie. In het derde lid van artikel 29 wordt hierop een uitzondering gemaakt voor de RDBZ-ambtenaar die is geplaatst in het buitenland. Die kan daardoor aan artikel 9 geen recht ontlenen op plaatsing in een andere standplaats voordat de voor hem vastgestelde plaatsingsperiode is afgelopen. Dit vanwege de hoge kosten die gepaard gaan met een verandering van standplaats van een uitgezonden ambtenaar.

In het vierde lid van artikel 29 is bepaald dat voor de toepassing van de artikelen 19, 21 en 23 met een herplaatsingskandidaat gelijk wordt gesteld de RDBZ-ambtenaar die anders dan uitsluitend om in zijn persoon gelegen redenen (zoals langdurige ziekte) krachtens artikel 27, vierde lid, van het RDBZ ter beschikking wordt gehouden.

Daarmee hebben ook deze ter beschikking gehouden ambtenaren onder de in de desbetreffende artikelen genoemde omstandigheden bij eervol ontslag op eigen aanvraag aanspraak op een aanvulling op het inkomen, een bijdrage in de pensioenopbouw of verlof voor het aanvangen van eigen bedrijfsactiviteiten.

Artikel 30 Hardheidsclausule (bijlage 1 Overeenkomst))

In voorkomende gevallen waarin toepassing van de tijdelijke voorzieningen uit het Sfb 2008-2012 tot evident onbillijke uitkomsten leidt voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag de artikelen betreffende de tijdelijke voorzieningen buiten toepassing laten of daarvan afwijken.

§ 2 Wijzigingen van andere algemene maatregelen van bestuur

Artikel 31, 32 en 33 Wijzigingen ARAR, ARSG en RDBZ
Onderdeel 1 en 2:

Artikel 49k van het ARAR vervalt in verband met de wijziging van artikel 59 van het ARAR (zie onderdeel 4). De verwijzing in artikel 49h, vierde lid wordt aangepast. Het ARSG (de artikelen 84h en 84k) en het RDBZ (de artikelen 58g en 58j) zijn overeenkomstig aangepast.

Onderdeel 3 en 4: Reistijd-werktijd

In het ARAR wordt in artikel 49m een voorziening opgenomen, op grond waarvan na een wijziging van de plaats van tewerkstelling waarbij de reistijd voor woon-werkverkeer met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, deze extra reistijd gedurende vier jaar geheel of gedeeltelijk wordt aangemerkt als werktijd.

De toename van de reistijd wordt vastgesteld door het bevoegd gezag met behulp van de ANWB-routeplanner, uitgaand van de route met de minste reistijd, waarbij wordt uitgegaan van het feitelijk door de ambtenaar gebruikte vervoermiddel. Dit kan dus in de nieuwe situatie een ander zijn dan dat in de oude situatie.

Op welke wijze aan de als werktijd aangemerkte reistijd vorm wordt gegeven is afhankelijk van de situatie bij het betrokken dienstonderdeel. Waar mogelijk in de vorm van kortere perioden per werkdag waarop de ambtenaar op het werk aanwezig is. Kan dit niet, dan in de vorm van extra compensatie-uren.

Indien binnen twee jaar na een wijziging van de plaats van tewerkstelling wederom een wijziging van de plaats van tewerkstelling plaatsvindt wordt voor de berekening van de eventuele extra reistijd woon-werkverkeer uitgegaan van de oorspronkelijke reistijd (voor de eerste wijziging) en niet van die na de eerste wijziging.

In het ARSG is een overeenkomstig artikel 84m ingevoegd en in het RDBZ een overeenkomstig artikel 58l.

Onderdeel 5 en 6: Opleidingskosten en studietijd

Dit onderdeel betreft de vervanging van artikel 59 en 60 van het ARAR door een nieuw artikel 59 van het ARAR. De huidige regeling in genoemde artikelen wordt vervangen door een nieuwe regeling, waarin volledige vergoeding van noodzakelijke scholingskosten wordt toegekend aan de volgende ambtenaren:

  • de ambtenaar die is verplicht om scholing te volgen;

  • de als herplaatsingskandidaat aangewezen ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie

  • de ambtenaar die op eigen initiatief scholing volgt, waarbij het bevoegd gezag van oordeel is dat de scholing aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van tussen het bevoegd gezag en de medewerker vastgelegde loopbaanafspraken.

De ambtenaar krijgt daarnaast recht op scholingsverlof. Onder scholingsverlof wordt verstaan verlof, noodzakelijk voor het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens, waaronder ook andere toetsvormen kunnen worden verstaan. Voor overige studietijd wordt geen scholingsverlof verleend. Bij verplichte scholing en scholing van herplaatsingskandidaten die bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken, dan wel aan de (her)plaatsingsmogelijkheden wordt 100% scholingsverlof toegekend. Indien op eigen initiatief scholing wordt gevolgd, waarbij het bevoegd gezag van oordeel is dat de scholing aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van tussen het bevoegd gezag en de medewerker vastgelegde loopbaanafspraken, wordt 50% scholingsverlof toegekend. Voor zover er geen loopbaanafspraken zijn gemaakt, en er geen sprake is van verplichte scholing of herplaatsing, kan het bevoegd gezag besluiten op grond van het vijfde lid een deel van de scholingskosten te vergoeden tot een maximum van 50% van de kosten en scholingsverlof toekennen tot maximaal 25% van de tijd, gemoeid met volgen van lessen en het afleggen van examens.

De overige regels, bij voorbeeld met betrekking tot terugbetaling, blijven nagenoeg ongewijzigd.

In het ARSG zijn de artikelen 94 en 95 vervangen door een met artikel 59 ARAR overeenkomend artikel 94 en in het RDBZ zijn de artikelen 67 en 68 vervangen door een overeenkomstig artikel 67.

Artikel 34 Wijziging Verplaatsingskostenbesluit 1989 (15)

Op grond van deze voorziening komen op grond van het nieuwe artikel 12b1 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 meer reiskosten in aanmerking voor vergoeding na een gedwongen plaatsing als gevolg van reorganisatie waarbij de plaats van tewerkstelling wijzigt.

Ten eerste kan – indien de nieuwe plaats van tewerkstelling per openbaar vervoer doelmatig bereikbaar is – de medewerker kiezen met eigen vervoer te reizen, waarbij de medewerker recht heeft op de tegemoetkoming die zou gelden indien de plaats van tewerkstelling niet doelmatig bereikbaar is per openbaar vervoer.

In de tweede plaats zijn de maximaal te vergoeden bedragen voor woon-werkverkeer per maand of per dag op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 12a van Verplaatsingskostenbesluit 1989 niet van toepassing op de betrokken medewerker indien zowel de oude als de nieuwe plaats van tewerkstelling niet doelmatig bereikbaar zijn per openbaar vervoer en de reiskosten hoger zijn dan het te vergoeden bedrag op grond van artikel 12a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989. De normaal te vergoeden bedragen per kilometer zijn wel van toepassing. De tegemoetkoming bedraagt dan ook het verschil tussen het bedrag dat met toepassing van de maximaal te vergoeden bedragen op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 12a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 kan worden vergoed en de feitelijke kosten.

De tegemoetkoming wordt in vier jaar afgebouwd, waarbij deze het eerste jaar 100% is, en het tweede, derde en vierde jaar respectievelijk 75%, 50% en 25%.

Bij een tweede wijziging van de plaats van tewerkstelling binnen twee jaar wordt bij de berekening van de vergoeding uitgegaan van de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling. Indien de tweede wijziging plaatsvindt gedurende het tweede jaar, wordt de afbouwperiode opnieuw gestart.

Artikel 35 Wijziging BBRA 1984

Artikel 18 van het BBRA 1984 biedt al de mogelijkheid om een aflopende toelage toe te kennen bij een blijvende vermindering van de bezoldiging als gevolg van de beëindiging of vermindering van de toelage onregelmatige dienst. In het Sociaal flankerend beleid is deze voorziening verruimd tot alle toelagen en een aantal toeslagen die als gevolg van een reorganisatie worden beëindigd.

Ambtenaren hebben op grond van het nieuwe artikel 18b van het BBRA 1984 aanspraak op een verhoogde aflopende toelage bij het beëindigen of verminderen van toelagen als gevolg van reorganisatie. Evenals bij de aflopende toelage op grond van artikel 18 van het BBRA 1984 is daarbij voorwaarde dat de toelage ten minste twee jaar zonder wezenlijke onderbreking is genoten en dat de bezoldiging als gevolg van de aanpassing, dan wel van meerdere aanpassingen, blijvend met ten minste 3% van de bezoldiging verlaagd wordt. Afbouw van de toelage vindt plaats in vier jaar van 100% in het eerste jaar tot 25% in het vierde jaar. Indien aanspraak bestaat op de toelage, bedoeld in het nieuwe artikel 18b van het BBRA 1984, bestaat vanzelfsprekend geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 18 van het BBRA 1984. Bij de berekeningsbasis van de aflopende toelage op basis van het nieuwe artikel 18b van het BBRA 1984 wordt uitgegaan van het gemiddelde van de toelagen of toeslagen over de 36 maanden voorafgaand aan de eerste verlaging van de bezoldiging, verminderd met de toelagen en toeslagen die nadien worden genoten.

In artikel 24 wordt een verwijzing naar het nieuwe artikel 18b toegevoegd.

§ 3 Slotbepalingen

Artikel 36 Samenloop

Indien vóór 1 januari 2008 in het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren een voorziening is overeengekomen die voor een ambtenaar gunstiger is dan een soortgelijke voorziening in dit besluit, dan treedt eerstgenoemde voorziening op verzoek van de betrokken ambtenaar in de plaats van die in dit besluit. Deze bepaling is slechts van belang voor zover de betrokken ambtenaar betrokken was bij de reorganisatie waarbinnen die afspraken zijn gemaakt. In dat geval kan dus gekozen worden voor de voor de ambtenaar gunstigste voorziening. Voor de toepassing van artikel 36 wordt opgemerkt dat het wel moet gaan om de betreffende voorziening in zijn geheel. Het is dus niet toegestaan één element van een bepaalde voorziening te betrekken uit de Sfb 2008–2012 en een ander element van de voorziening over hetzelfde onderwerp uit een andere voorziening.

Artikel 37, 38, 39 en 40 Inwerkingtreding en werkingsduur

Conform de afspraken, gemaakt over het Sociaal flankerend beleid voor de sector Rijk gelden de tijdelijke voorzieningen, genoemd in de artikelen 1 tot en met 30, voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 januari 2012. De wijzigingen in de vaste regelgeving, bedoeld in de artikelen 31 tot en met 35, behouden ook daarna hun werking. Aangezien de voorzieningen een begunstigende werking hebben, is de terugwerkende kracht geoorloofd. De indexering over de jaren 2009 en 2010 van de bedragen, genoemd in artikel 11, werkt terug tot en met resp. 1 januari 2009 en 1 januari 2010.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

Nr. DGOBR/POIR/afd.P 2008-0000195249 (Stcrt. 2008, 93).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionale aard bevat.