Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2010, 208Wet

Wet van 29 april 2010 tot aanpassing van EZ-instellingswetten aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Mededingingswet, de Metrologiewet, de Waarborgwet, de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatie autoriteit, de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 en de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek aan te passen aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I (CBS/WET OP HET CENTRAAL BUREAU VOOR DE STATISTIEK)

De Wet op het Centraal bureau voor de statistiek wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing.

B

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

De bevoegdheden zoals neergelegd in de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels, worden uitgeoefend door de directeur-generaal.

C

De tweede volzin van artikel 8, eerste lid, vervalt.

D

Het opschrift van hoofdstuk 3, paragraaf 2, wordt vervangen door: Paragraaf 2. Benoeming, schorsing en ontslag.

E

Artikel 9 vervalt.

F

Aan artikel 10 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Schorsing en ontslag van de directeur-generaal vindt niet plaats dan nadat de CCS is gehoord.

G

De artikelen 11 en 12 vervallen.

H

Artikel 19 vervalt.

I

Artikel 21, eerste lid, tweede volzin, en derde lid vervallen.

J

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister wijst een lid van de CCS aan als plaatsvervangend voorzitter.

2. Het derde lid vervalt.

K

Artikel 24 vervalt.

L

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede: dat, evenals de wijzigingen daarin, de goedkeuring van Onze Minister behoeft.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

M

In artikel 29, tweede lid, wordt «Artikel 24» vervangen door: Artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

N

In het opschrift van hoofdstuk 6 vervalt de zinsnede: , STURING EN TOEZICHT.

O

Het opschrift «Paragraaf 1. Informatievoorziening» voorafgaand aan artikel 53 vervalt.

P

Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid vervallen, onder vernummering van het derde en vierde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste en tweede lid (nieuw) wordt «Het jaarverslag» telkens vervangen door: Het jaarverslag van de directeur-generaal.

Q

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid alsmede de aanduiding «2» voor het tweede lid vervallen.

2. «Het jaarverslag» wordt vervangen door: Het jaarverslag van de CCS.

R

Artikel 56a komt te vervallen.

S

Artikel 57 komt te luiden:

Artikel 57

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

T

Het opschrift «Paragraaf 2. Sturing en toezicht» voorafgaand aan artikel 58 vervalt, alsmede de artikelen 58 en 59.

U

Artikel 61 komt te luiden:

Artikel 61

In afwijking van artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen geldt de verplichting jaarlijks aan Onze Minister een begroting voor het daaropvolgende jaar te zenden niet voor de CCS.

V

Artikel 62 vervalt.

W

Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

Onverminderd artikel 29, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan de goedkeuring worden onthouden indien Onze Minister bezwaar heeft tegen de hoogte van het voorgestelde bedrag dat in de rijksbegroting zal worden opgenomen.

X

Artikel 66 komt te luiden:

Artikel 66

In de situatie, bedoeld in artikel 30 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, doet de directeur-generaal tevens onverwijld mededeling aan de CCS onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

Y

Artikel 68 komt te luiden:

Artikel 68

De directeur-generaal behoeft voorafgaande instemming van Onze Minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Z

De artikelen 69, 71, 72 en 82 vervallen.

ARTIKEL II (KAMERS VAN KOOPHANDEL/WET OP DE KAMERS VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN 1997)

De Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, vijfde lid, vervalt.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 12, eerste lid, 13, tweede en derde lid, en 14, tweede lid.

C

Artikel 6, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Het algemeen bestuur kan een voorzitter of plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan.

D

Artikel 11, vijfde lid, vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid.

E

Artikel 11a, eerste lid, vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

F

Artikel 12, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur schorsen of ontslaan.

G

Artikel 13, eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

H

Artikel 14, tweede en derde lid, vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot tweede lid.

I

Artikel 17, tweede en derde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

J

Aan artikel 35 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, behoeven de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, geen goedkeuring van Onze Minister.

K

Aan artikel 35a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, behoeft een vergoeding als bedoeld in het eerste lid geen goedkeuring van Onze Minister.

L

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede lid tot en met zesde lid.

2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. Onze Minister beslist binnen 6 weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn, of de goedkeuring, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, wordt verleend.

3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. Onverminderd artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan de goedkeuring worden onthouden indien Onze Minister bezwaar heeft tegen de hoogte van het in het desbetreffende besluit vastgestelde bedrag.

M

Artikel 45, tweede en vierde lid, vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

N

De artikelen 45a en 45b vervallen.

O

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast.

2. Het tweede en vierde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

3. Het tweede lid (nieuw) wordt vervangen door:

  • 2. Onze Minister beslist binnen 6 weken na 1 juli of de goedkeuring, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt verleend.

P

Artikel 48 vervalt.

Q

Artikel 49b vervalt.

R

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid alsmede de aanduiding «3.» voor het derde lid vervallen.

2. De zinsnede «De in het eerste lid opgenomen verplichting» wordt vervangen door: De verplichting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen,.

S

Artikel 52, eerste lid, vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

T

De artikelen 54 en 54a vervallen.

U

Artikel 54b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid alsmede de aanduiding «2» voor het tweede lid vervallen.

2. De zinsnede «de uniforme uitvoering van het eerste lid» wordt vervangen door: de uniforme uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

V

De artikelen 54c, 54d, en 54e vervallen.

W

Artikel 62 vervalt.

ARTIKEL III (NMA/MEDEDINGINGSWET)

De Mededingingswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.

B

Artikel 3, tweede lid, eerste volzin, en vierde lid, vervallen.

C

Artikel 4, eerste, tweede en derde lid, alsmede de aanduiding «4.» voor het vierde lid, vervallen.

D

Artikel 4a vervalt.

E

Artikel 4b, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

F

Artikel 5a wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid tot onderscheidenlijk tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door: tweede lid.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «zevende lid» vervangen door: zesde lid.

G

Artikel 5d, eerste en derde lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

H

De artikelen 5e, 5f, 5g en 5h komen te luiden:

Artikel 5e

Onze Minister kan, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te maken, nadere regels vaststellen met betrekking tot de in artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bedoelde gegevensuitwisseling tussen Onze Minister en de raad.

Artikel 5f

Indien de raad bij werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van een andere wet als bedoeld in artikel 5 die onder verantwoordelijkheid van een van Onze andere Ministers valt, zijn taak ernstig verwaarloost, treft Onze Minister de in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bedoelde voorzieningen na overleg met Onze andere Minister wie het aangaat.

Artikel 5g

  • 1. Het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, heeft betrekking op de uitvoering van deze wet en op de uitvoering van andere wetten als bedoeld in artikel 5.

  • 2. Het verslag wordt in voorkomend geval mede gezonden aan Onze andere Minister wie het aangaat.

  • 3. Bij de toezending van het jaarverslag aan de beide Kamers der Staten-Generaal op grond van artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen voegt Onze Minister zijn bevindingen daaromtrent alsmede de bevindingen van Onze andere Minister, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5h

Voor zover het verslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, betrekking heeft op de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van een andere wet als bedoeld in artikel 5, stelt Onze Minister het verslag op na overleg met Onze andere Minister wie het aangaat.

I

De artikelen 5i, 5j en 5k vervallen.

J

Artikel 5l komt te luiden:

Artikel 5l

  • 1. De raad legt voorgenomen beleidsregels ten minste vier weken voor vaststelling daarvan aan Onze Minister voor.

  • 2. Indien de voorgenomen beleidsregels naar het oordeel van Onze Minister in strijd zijn met het belang van een goede taakuitoefening door de raad, deelt Onze Minister dit gemotiveerd mee aan de raad binnen twee weken nadat de regels aan hem zijn voorgelegd.

  • 3. Indien Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft gedaan, stelt de raad de beleidsregels niet vast.

  • 4. De raad maakt door hem vastgestelde beleidsregels bekend in de Staatscourant.

ARTIKEL IV (OPTA/WET ONAFHANKELIJKE POST- EN TELECOMMUNICATIE AUTORITEIT)

De Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatie autoriteit wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel a, en artikel 9, onderdeel b, wordt «Verkeer en Waterstaat» vervangen door: Economische Zaken.

B

Aan artikel 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.

C

Artikel 3, tweede en zevende lid, vervallen, onder vernummering van het derde, vierde, vijfde en zesde lid tot tweede, derde, vierde en vijfde lid, alsmede vernummering van het achtste en negende lid tot zesde en zevende lid.

D

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is het lidmaatschap van het college onverenigbaar met het hebben van financiële of andere belangen bij instellingen of bedrijven, waardoor de onpartijdigheid van het betrokken lid in het geding kan zijn. De vaste leden leggen hierover een verklaring af aan Onze Minister.

E

Artikel 5 vervalt.

F

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «Het college kan» wordt gewijzigd in: Op voordracht van het college kan Onze Minister.

b. Na de volzin worden twee zinnen toegevoegd, luidende: Onze Minister schorst en ontslaat geassocieerde leden. Artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de geassocieerde leden van het college.

3. In het vierde lid wordt «In afwijking van het derde lid,» gewijzigd in: In afwijking van artikel 4.

4. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing op de geassocieerde leden van het college.

G

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Het college stelt een bestuursreglement vast.

H

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

2. De laatste volzin «De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing» vervalt.

I

Artikel 12, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het college.

J

De artikelen 11, 13 en 14 vervallen.

K

Artikel 17 komt te luiden:

Artikel 17

Het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, omvat tevens een globale beschrijving van de ontwikkeling van de markt in de post- en telecommunicatiesector.

L

Artikel 18, eerste lid, vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

M

De artikelen 19 en 20 vervallen.

N

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

Het sluiten van overeenkomsten of het doen van investeringen door het college die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan, behoeven zijn voorafgaande instemming.

O

Artikel 23 vervalt.

P

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zendt Onze Minister elke vier jaar een verslag aan de beide kamers der Staten-Generaal ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het college. Dit verslag omvat mede een rapportage betreffende de wenselijkheid van het al dan niet voortzetten van het college. Het college is gehouden aan deze evaluatie medewerking te verlenen.

ARTIKEL V (VERISPECT/METROLOGIEWET)

De Metrologiewet wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 27, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.

B

In artikel 28 wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Een instelling als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

C

Artikel 32 vervalt.

D

Artikel 33, eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

E

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «en van de toezichthoudende instantie, alsmede in voorkomend geval van een krachtens artikel 28 aangewezen instelling» vervangen door: en in voorkomend geval van een krachtens artikel 28 aangewezen instelling.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, zendt Onze Minister elke vier jaar een verslag aan de beide kamers der Staten-Generaal ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de toezichthoudende instantie.

ARTIKEL VI (WAARBORGINSTELLINGEN/WAARBORGWET 1986)

De Waarborgwet 1986 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7c, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Onverminderd artikel 17 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan Onze Minister een goedkeuring als bedoeld in het eerste lid weigeren indien de tarieven hoger zijn dan, uitgaande van een redelijke toerekening van de aan het onderzoek en de stempeling van de desbetreffende werken verbonden kosten, noodzakelijk is.

B

Artikel 7d, eerste en derde lid, alsmede de aanduiding »2.» voor het tweede lid vervallen.

C

Na artikel 7e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.

D

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.

E

Artikel 52a, onderdeel b, vervalt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

F

De artikelen 52d, 53 en 58 vervallen.

ARTIKEL VII (NIEUWE GRONDSLAG UITVOERINGSREGELINGEN)

A

Na de inwerkingtreding van artikel I berust het krachtens artikel 24, tweede lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek genomen besluit op artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

B

Na de inwerkingtreding van artikel II berust:

1. het Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel op artikel 15, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

2. de Regeling aanwijzing publicatieblad kamers van koophandel op de artikelen 35, derde lid, en 37, zesde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

3. de Regeling bijdragen en vergoedingen kamers van koophandel op de artikelen 34, eerste lid, 36, eerste lid, 36a, eerste lid, en 37, vijfde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

4. de Regeling schadeloosstelling bestuursleden kamers van koophandel op artikel 13 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

5. de Financiële regeling handelsregister op de artikelen 3 en 4 van het Financieel besluit handelsregister en artikel 36, eerste lid, artikel 36a, eerste lid, en 37, vijfde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

6. de beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2008, nr. WJZ 8074645, inzake het ondernemingsbegrip in het handelsregister (Stcrt. 2008, 123) op artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

C

Na de inwerkingtreding van artikel III berusten:

1. de krachtens de artikelen 4a en 5d, eerste lid, van de Mededingingswet genomen besluiten op onderscheidenlijk de artikelen 14, tweede lid, en 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

2. de krachtens artikel 5l van de Mededingingswet vastgestelde regels op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

D

Na de inwerkingtreding van artikel IV:

1. berust de Regeling rechtspositie vaste leden van OPTA 2009 op artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

2. berust de Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken over door het college uit te oefenen taken in de elektronische communicatiesector op artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

3. wordt een benoeming van een geassocieerd lid die is gedaan door het college voor inwerkingtreding van artikel IV, gelijkgesteld met een benoeming gedaan krachtens artikel 7, eerste lid, Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;

4. wordt een vergoeding die door het college aan een geassocieerd lid is toegekend voor inwerkingtreding van artikel IV, gelijkgesteld met een vergoeding die is toegekend krachtens artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

ARTIKEL VIII (WIJZIGING WETTEN MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT)

A

De Loodsenwet wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 45d vervalt.

2. Artikel 45e komt te luiden:

Artikel 45e

  • 1. Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

  • 2. Onze Minister verstrekt de raad van bestuur de nodige inlichtingen en gegevens die de raad behoeft in verband met de uitvoering van deze wet.

B

De Spoorwegwet wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 72 vervalt het tweede lid en wordt het derde lid vernummerd tot tweede lid.

2. Artikel 73 vervalt.

3. Artikel 74 komt te luiden:

Artikel 74

Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

C

De Wet personenvervoer 2000 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

2. Artikel 17 vervalt.

D

De Wet luchtvaart wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid van artikel 8.25h vervalt, terwijl het vijfde, zesde en zevende lid worden vernummerd tot vierde, vijfde en zesde lid.

2. Artikel 8.25ha vervalt.

ARTIKEL VIIIA (WIJZIGING TIJDELIJKE WET MEDIACONCENTRATIES)

Artikel 10 van de Tijdelijke wet mediaconcentraties wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «5d, eerste lid, en 5e, tweede lid» vervangen door: en 5e.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onze Minister van Economische Zaken stelt beleidsregels die betrekking hebben op de werkzaamheden van de raad ter uitvoering van deze wet vast in overeenstemming met Onze Minister.

ARTIKEL IX (AANPASSING WETSVOORSTEL AANPASSING MEDEDINGINGSWET TER INVOERING VAN GEDRAGSREGELS VOOR DE OVERHEID)

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Mededingingswet ter invoering van regels inzake ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of die hiermee zijn verbonden (Kamerstukken 31 354) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel A, artikel 25h, eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. publieke media-instellingen als bedoeld in artikel 1 van de Mediawet 2008.

B

De punt aan het einde van artikel 25j, tweede lid, onderdeel a, wordt vervangen door een puntkomma.

C

Artikel I, onderdeel B, artikel 70c, komt te luiden:

Artikel 70c

  • 1. De raad kan ingeval van overtreding van artikel 25i, eerste lid, 25j, eerste lid, artikel 25k of artikel 25l:

    • a. verklaren dat hij de overtreding heeft vastgesteld, of

    • b. de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

  • 2. Aan een last onder dwangsom kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad.

D

Artikel I, onderdelen C, E en F, vervallen.

E

Onderdeel G, artikel 82b, komt te luiden:

Artikel 82b

  • 1. Een beschikking waarbij een verklaring of een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 70c wordt opgelegd wordt, nadat zij is bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de mededingingsautoriteit. De beschikking wordt niet eerder ter inzage gelegd, dan nadat vijf dagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking.

  • 2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Gegevens die ingevolge artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur niet voor verstrekking in aanmerking komen, worden niet ter inzage gelegd. Van de beschikking wordt niet eerder mededeling gedaan, dan nadat vijf dagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking.

ARTIKEL X (INWERKINGTREDING)

Deze artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 29 april 2010

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

Uitgegeven de tiende juni 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 151