Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2010, 135Wet

Wet van 18 maart 2010, houdende regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen voor een versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis alsmede met dat doel diverse wettelijke bepalingen te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PROJECTEN

AFDELING 1 TOEPASSINGSBEREIK VAN DIT HOOFDSTUK

Artikel 1.1
  • 1. Afdeling 2 is van toepassing op:

    • a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

    • b. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en

    • c. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.

  • 2. Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten.

Artikel 1.2

Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet, kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden toegevoegd aan bijlage III bij deze wet.

AFDELING 2 PROCEDURES

§ 2.1 Voorbereiding besluiten
Artikel 1.3

Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.

§ 2.2 Beperking beroepsrecht
Artikel 1.4

In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

§ 2.3 Passeren gebreken
Artikel 1.5
  • 1. Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

  • 2. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

§ 2.4 Beroep en hoger beroep
Artikel 1.6
  • 1. De administratieve rechter behandelt het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

  • 3. Indien de administratieve rechter het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.

  • 4. De administratieve rechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn.

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Artikel 1.7
  • 1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel artikel 36, zesde lid, of artikel 39, zesde lid, van de Wet op de Raad van State of artikel 19, zesde lid, of artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt toegepast.

  • 2. In dat geval doet de administratieve rechter:

    • a. binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuitspraak, en

    • b. binnen zes maanden na de verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.

Artikel 1.8
  • 1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien de administratieve rechter met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap prejudiciële vragen stelt.

  • 2. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld.

  • 3. In de tussenuitspraak beslist de rechter zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.

  • 4. Tegen een tussenuitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Artikel 1.9

De administratieve rechter vernietigt een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Artikel 1.9a

De artikelen 1.5 tot en met 1.9 zijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

§ 2.5 Na vernietiging
Artikel 1.10
  • 1. Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de administratieve rechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een nieuw besluit wordt genomen ter uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht.

AFDELING 3 MILIEUEFFECTRAPPORT

Artikel 1.11

Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is:

  • a. artikel 7.10 van die wet voor zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing;

  • b. artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.

AFDELING 4 LEX SILENCIO POSITIVO

Artikel 1.12
  • 1. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, genoemd in bijlage III bij deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2. Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een besluit omtrent verlening van een vergunning, is op de aanvraag ervan paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 3. In afwijking van artikel 4:20b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is artikel 3.16, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing indien een aanlegvergunning van rechtswege is verleend.

  • 4. Een bevoegde instantie bevestigt de ontvangst van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, bedoeld in bijlage III, zo snel mogelijk. De ontvangstbevestiging bevat de volgende informatie:

    • a. de bij wettelijk voorschrift met betrekking tot die vergunning bepaalde termijn waarbinnen de beschikking wordt gegeven;

    • b. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te komen.

  • 5. Indien paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht op een aanvraag van toepassing is, vermeldt de ontvangstbevestiging tevens dat de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE VOORZIENINGEN

AFDELING 1 ONTWIKKELINGSGEBIEDEN

Artikel 2.1

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. milieugebruiksruimte:

binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende activiteiten;

b. milieukwaliteitsnorm:

bij wettelijk voorschrift gestelde norm ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu.

Artikel 2.2
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan bij wijze van experiment een gebied, zijnde bestaand stedelijk gebied of bestaand bedrijventerrein, voor de duur van ten hoogste tien jaar worden aangewezen als ontwikkelingsgebied, indien dat met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied bijzonder aangewezen is.

  • 2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 2.3
  • 1. Voor een ontwikkelingsgebied stelt de gemeenteraad een gebiedsontwikkelingsplan vast dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan en het exploitatieplan worden overeenkomstig met het gebiedontwikkelingsplan gewijzigd en worden tegelijkertijd met het gebiedsontwikkelingsplan vastgesteld. Het gebiedsontwikkelingsplan is gericht op een optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het totstandbrengen van een goede milieukwaliteit. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig per aangewezen gebied als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, over de wijze waarop de optimalisering van de milieugebruiksruimte plaats kan vinden.

  • 2. Een gebiedsontwikkelingsplan bevat:

    • a. de vanwege het optimaliseren van de milieugebruiksruimte door de gemeenteraad voorgenomen projecten in het ontwikkelingsgebied;

    • b. de voorgenomen maatregelen en werken in het gebied ten behoeve van een goede milieukwaliteit;

    • c. de in het gebied noodzakelijke maatregelen en werken ter compensatie van het beslag op milieugebruiksruimte door de in het gebiedsontwikkelingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;

    • d. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en werken;

    • e. een raming van de kosten van uitvoering van het gebiedsontwikkelingsplan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden voorzien, en een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de met het gebiedsontwikkelingsplan beoogde resultaten zal worden nagestreefd;

    • f. een overzicht van de tijdstippen waarop aan de gemeenteraad een rapportage zal worden uitgebracht over de voortgang en de uitvoering van de in de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en werken, die op verzoek tevens wordt verstrekt aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

  • 3. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

  • 4. Tegen een gebiedsontwikkelingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan, het exploitatieplan en het gebiedsontwikkelingsplan worden voor de behandeling en uitspraak op het beroep aangemerkt als één besluit.

  • 5. Indien voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, enig besluit is vereist, kunnen burgemeester en wethouders, met inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, dat besluit nemen, mits het gebiedsontwikkelingsplan waarin de maatregel of werken zijn opgenomen onherroepelijk is geworden en voor zover nodig in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens:

    • a. de Flora- en faunawet;

    • b. de Natuurbeschermingswet 1998;

    • c. de Ontgrondingenwet;

    • d. de Wet ammoniak en veehouderij

    • e. de Wet bodembescherming;

    • f. de Wet geluidhinder;

    • g. de Wet geurhinder en veehouderij;

    • h. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

    • i. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2,

    met dien verstande dat na vaststelling van het plan uiterlijk na tien jaar alsnog wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geven burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwaliteitsnormen.

  • 6. Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in het vijfde lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

  • 7. De verklaring, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden geweigerd met het oog op het belang dat de betrokken wet beoogt te beschermen.

  • 8. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp van de verklaring binnen acht weken aan burgemeester en wethouders. In een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders deze termijn met een bij hun besluit te bepalen redelijke termijn verlengen.

  • 9. De artikelen 2.27, tweede, vierde en vijfde lid, en 3.11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor «omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een besluit als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, van de Crisis- en herstelwet» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Crisis- en herstelwet.

  • 10. De gemeente draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, binnen een in het plan te noemen termijn.

  • 11. Werken opgenomen in het gebiedsontwikkelingsplan worden aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht.

  • 12. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat:

    • a. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    • b. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, en

    • c. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken.

  • 13. Voor zover een besluit als bedoeld in het vijfde lid zijn grondslag vindt in een gebiedsontwikkelingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen betrekking hebben.

Artikel 2.3a
  • 1. Indien voor een ontwikkelingsgebied een provinciaal inpassingsplan wordt vastgesteld, stellen, in afwijking van artikel 2.3, eerste lid, voor dat gebied provinciale staten een gebiedsontwikkelingsplan vast.

  • 2. Artikel 2.3 is van overeenkomstige toepassing op een ingevolge het eerste lid vastgesteld gebiedsontwikkelingsplan, met dien verstande dat:

    • a. in het eerste en tweede lid in plaats van «de gemeenteraad» wordt gelezen: provinciale staten;

    • b. in het eerste en vierde lid in plaats van «bestemmingsplan» telkens wordt gelezen: inpassingsplan;

    • c. in het vijfde en achtste lid in plaats van «burgemeester en wethouders» telkens wordt gelezen: gedeputeerde staten;

    • d. in het zesde lid in plaats van «Burgemeester en wethouders» wordt gelezen: Gedeputeerde staten;

    • e. in het tiende lid in plaats van «gemeente» wordt gelezen: provincie.

AFDELING 2 INNOVATIE

Artikel 2.4
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:

    • a. de Elektriciteitswet 1998;

    • b. de Warmtewet;

    • c. de Wet ammoniak en veehouderij;

    • d. de Wet bodembescherming;

    • e. de Wet geluidhinder;

    • f. de Wet geurhinder en veehouderij;

    • g. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

    • h. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;

    • i. de Wet ruimtelijke ordening, of

    • j. de Woningwet.

  • 2. Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid.

  • 3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:

    • a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;

    • b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en

    • c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

  • 4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

AFDELING 3 RADARZONERING

Artikel 2.5

In deze afdeling wordt:

a. verstaan onder bestemmingsplan:

bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van die wet, een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van die wet, een inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet;

b. onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan

de onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet;

c. verstaan onder radarstation:

voor de beveiliging van het nationaal luchtruim en de veilige afhandeling van het militair en burgerluchtverkeer essentieel radarstation, en

d. verstaan onder radarverstoringsgebied voor een radarstation:

gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation.

Artikel 2.6
  • 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation bevat geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de radar op het radarstation.

  • 2. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:

    • a. de radarstations aangewezen;

    • b. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;

    • c. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.

  • 3. Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt overwogen bestemmingen aan te wijzen of regels te geven omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van gevolgen van die bouwwerken voor het zenden of ontvangen van radiogolven door het radarstation. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de wijze van de totstandkoming van de beoordeling.

  • 4. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het derde lid, alsmede het oordeel van Onze Minister van Defensie over de toereikendheid van de beoordeling en over de aanvaardbaarheid van de in de beoordeling beschreven gevolgen.

  • 5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening ter zake van het oprichten van bouwwerken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden.

  • 6. Op een besluit als bedoeld in het tweede lid is het krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste lid, in samenhang met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing op bouwwerken:

    • a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds in het radarverstoringsgebied, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanwezig waren;

    • b. waarvoor de bouwvergunning vóór dat tijdstip is verleend, of

    • c. waarvan de bouw in het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.

AFDELING 4

[vervallen]

Artikel 2.7

[vervallen]

AFDELING 5 TIJDELIJKE VERHUUR TE KOOP STAANDE WONINGEN

Artikel 2.8

In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Leegstandwet is artikel 247 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op vergunningen voor huur en verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet. Artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet inzake zodanige woonruimte.

AFDELING 6 VERSNELDE UITVOERING VAN BOUWPROJECTEN

Artikel 2.9
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van:

    • a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste:

      • 1°. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel

      • 2°. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede

    • b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.

  • 2. Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in dat onderdeel blijven.

  • 3. Deze afdeling is niet van toepassing:

    • a. indien voor de uitvoering van een project als bedoeld in het eerste lid een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist;

    • b. op projecten als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen krachtens artikel 2.18;

    • c. indien het project ziet op de bouw van woningen op minder dan 100 meter van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Tracéwet, gemeten vanaf de as van die weg, of van een weg die overeenkomstig een daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model is aangeduid als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dat niet is toegestaan door de krachtens artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van die weg;

    • d. indien het project ziet op de bouw van woningen binnen 30 meter van een krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor;

    • e. indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswateren of regionale wateren waaraan krachtens de artikelen 4.1 of 4.4 van de Waterwet de functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.

Artikel 2.10
  • 1. Op verzoek of ambtshalve kan de gemeenteraad ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is.

  • 2. Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

  • 3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.

  • 4. Uit het projectuitvoeringsbesluit en de daarbij behorende toelichting blijkt welke gevolgen aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze rekening is gehouden met de daarbij betrokken belangen, waaronder in elk geval de belangen ter bescherming waarvan de wettelijke voorschriften strekken die ingevolge het tweede lid niet van toepassing zijn en, voor zover van toepassing, hoofdstuk V, paragraaf 1, van de Monumentenwet 1988.

  • 5. Bij een projectuitvoeringsbesluit worden de bij of krachtens wet of verordening vastgestelde toetsingskaders toegepast en normen in acht genomen. Voor zover de wet of verordening afwijking van die toetsingskaders of normen toestaat, kan het projectuitvoeringsbesluit daarin voorzien.

  • 6. Aan het projectuitvoeringsbesluit kunnen ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

  • 7. Indien een projectuitvoeringsbesluit er toe strekt een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 te vervangen:

    • a. legt de gemeenteraad, indien het een archeologisch monument betreft als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Monumentenwet 1988 en in de gevallen, bedoeld in artikel 16 van die wet, het voornemen tot een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht, advies uitbrengt, en

    • b. zendt de gemeenteraad aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het monument gelegen is buiten de bebouwde kom, aan gedeputeerde staten:

      • 1°. het ontwerpbesluit, en

      • 2°. onmiddellijk na de vaststelling een afschrift van het projectuitvoeringsbesluit.

  • 8. Indien een projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft op een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Monumentenwet 1988 zendt de gemeenteraad onmiddellijk na de vaststelling hiervan een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 9. Het tweede lid en het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, de Luchtvaartwet en de wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561) omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving van luchthavens in verband met geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid. Voor de toepassing van de Wet luchtvaart wordt het projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2.10a

Indien sprake is van provinciale belangen, kunnen provinciale staten ten behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 2.17.

Artikel 2.11

Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

Artikel 2.12

Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet.

Artikel 2.13

Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 2.14

Een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist.

Artikel 2.15

Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing:

  • a. artikel 3.8, zesde lid;

  • b. afdeling 6.1;

  • c. afdeling 6.4, met dien verstande dat voor aanvang van de bouw van bouwplannen als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van die wet een melding aan burgemeester en wethouders wordt gedaan en dat burgemeester en wethouders een beschikking met de inhoud van artikel 6.17 van die wet geven bij de start van de bouw, gericht aan een eigenaar van gronden waarop gebouwd wordt.

Artikel 2.16

Het is verboden in strijd te handelen met een projectuitvoeringsbesluit of een daaraan verbonden voorschrift.

Artikel 2.17

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

AFDELING 7 VERSNELDE UITVOERING VAN LOKALE EN (BOVEN)REGIONALE PROJECTEN MET NATIONALE BETEKENIS

Artikel 2.18

Deze afdeling is van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.

Artikel 2.19
  • 1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen lokaal project met nationale betekenis stelt de gemeenteraad een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.

  • 2. De structuurvisie, bedoeld in het eerste lid, bevat onverminderd het elders omtrent de inhoud van een structuurvisie bepaalde, tevens:

    • a. een concretisering van de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken gebied;

    • b. een beschrijving van de voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende onderdelen:

      • 1°. een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten, alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad;

      • 2°. een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie;

      • 3°. een analyse van de risico’s ten aanzien van verplichtingen tot het toekennen van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

      • 4°. eventuele voornemens inzake verwerving van gronden;

      • 5°. de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van het project noodzakelijke besluiten ingevolge artikel 2.21 toepassing zal worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • c. een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig artikel 2.20, eerste lid, gevoerde bestuurlijk overleg.

Artikel 2.19a
  • 1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen (boven)regionaal project met nationale betekenis stellen provinciale staten een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.

  • 2. Op projecten als bedoeld in het eerste lid is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. in de artikelen 2.19, tweede lid, onder b, onder 5°, en 2.21 in plaats van «de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: de provinciale coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.2 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b. in artikel 2.20, eerste lid, in plaats van «die diensten van provincie en Rijk» wordt gelezen: die diensten van Rijk;

    • c. in artikel 2.20, derde lid, in plaats van «de eerstverantwoordelijke gemeente» wordt gelezen: de eerstverantwoordelijke provincie;

    • d. in artikel 2.21 in plaats van «In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: In afwijking van artikel 3.33, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • e. in artikel 2.22 in plaats van «een gemeentelijke verordening» wordt gelezen: een provinciale of gemeentelijke verordening;

    • f. in artikel 2.23, eerste lid, in plaats van «artikel 3.10» wordt gelezen «artikel 3.27», in plaats van «kan de gemeenteraad» wordt gelezen «kunnen provinciale staten» en in plaats van «gemeentebestuur» wordt gelezen «provinciebestuur».

Artikel 2.20
  • 1. Bij de voorbereiding van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het geding zijn.

  • 2. In afwijking van hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening, worden, voor zover het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot vaststelling van een structuurvisie waarmee de bestuursorganen van de betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk instemmen, aan die structuurvisie verklaringen gehecht houdende instemming van die bestuursorganen met de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling.

  • 3. Ter uitvoering van de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van een goede begeleiding en tijdige afronding van het project een projectcommissie ingesteld. In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen, bedoeld in het tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente.

Artikel 2.21

In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2.22

Voor zover de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

Artikel 2.23
  • 1. Indien voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt genomen, kan de gemeenteraad met het oog op de invordering van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met dat projectbesluit aan dat projectbesluit voorschriften verbinden, die de verplichting inhouden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het nakomen van de ingevolge dat besluit verschuldigde rechten.

  • 2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder geval het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden.

  • 3. Bij het besluit kunnen voorschriften worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.

HOOFDSTUK 3 WIJZIGING VAN DIVERSE WETTEN

Artikel 3.1

In onderdeel J, onder 2, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt «9b, derde lid» vervangen door «9b, vierde lid» en wordt na «9d, tweede en derde lid,» ingevoegd: 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid,.

Artikel 3.2

De Elektriciteitswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9b wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op de aanleg en uitbreiding van:.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening is eveneens van toepassing op de uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, indien door die uitbreiding de capaciteit van die productie-installatie wordt vergroot tot ten minste 500 MW.

3. In het derde lid (nieuw), aanhef, wordt «eerste lid» vervangen door: eerste of tweede lid.

4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een installatie als bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste of tweede lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

    • a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

    • b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

    • c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

    • d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van die installatie. Onze Minister hoort de producent en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In de artikelen 9d, eerste, tweede en derde lid, en 20c, eerste, tweede en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

C

Na artikel 9d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9e
  • 1. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen.

  • 2. Provinciale staten geven in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingplan met betrekking tot de gronden, bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen. Voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens kunnen provinciale staten een formulier vaststellen.

  • 3. Artikel 3.26, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.

  • 4. Ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.3, in samenhang met § 3.4.1 en § 3.4.2, of in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel in Hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Woningwet, met uitzondering van artikel 57 van die wet, treden gedeputeerde staten in de plaats van burgemeester en wethouders. Artikel 3.26, vierde lid, tweede tot en met vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Provinciale staten kunnen, zo nodig in afwijking van het tweede lid, besluiten geen toepassing te geven aan het eerste lid indien:

    • a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van dit artikel de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden; en

    • b. is voldaan aan de voor die provincie gestelde minimum realisatienorm.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister wordt per provincie een minimum realisatienorm vastgesteld. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 9f
  • 1. Gedeputeerde staten coördineren de voorbereiding en bekendmaking van de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid.

  • 2. Gedeputeerde staten nemen de in het eerste lid bedoelde besluiten met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk is.

  • 3. Gedeputeerde staten geven ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, gezamenlijk toepassing aan artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voegen de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, samen in een kennisgeving die door hen wordt gedaan.

  • 4. Voor zover de aanleg of de uitbreiding, bedoeld in het eerste lid, onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een gemeente of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen of uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

  • 5. Artikel 3.33, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Onze Minister kan op verzoek van gedeputeerde staten bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien:

    • a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, of

    • b. gedeputeerde staten anders dan ter uitvoering van het eerste lid reeds voldoende bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het Rijk met betrekking tot de opwekking op land van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie.

Artikel 9g

De aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut. Artikel 3.36a, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.

D

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, komt artikel 9e, vierde lid, als volgt te luiden:

  • 4. Gedeputeerde staten oefenen de bevoegdheden en voeren de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uit en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van die wet. Gedeputeerde staten zenden terstond een afschrift aan burgemeester en wethouders van beschikkingen die zijn gegeven met toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de eerste volzin.

E

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (31 953) tot wet is of wordt verheven en artikel 9.13, onderdeel R, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 9f, vijfde lid, «vierde tot en met zevende lid» vervangen door: vierde tot en met zesde lid.

F

Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De procedure bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op een uitbreiding van het landelijke hoogspanningsnet, voor zover het betreft de van dat net deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven, en de van dat net deel uitmakende landsgrensoverschrijdende netten op een spanningsniveau van 500 V of hoger, met inbegrip van de aansluitingen op die netten.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een net als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

    • a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

    • b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

    • c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

    • d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de uitbreiding van dat net. Onze Minister hoort de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 3.3

De Gaswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 39b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:

    • a. een uitbreiding van het landelijk gastransportnet, voor zover het betreft de van dat net deel uitmakende leidingen met een druk van ten minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7 centimeter, met inbegrip van de aansluitingen op die leidingen;

    • b. de aanleg of uitbreiding van een landsgrensoverschrijdend gastransportnet als bedoeld in artikel 18h, met inbegrip van de aansluitingen op zo’n net;

    • c. de aanleg of uitbreiding van een LNG-installatie met een capaciteit van ten minste 4 miljard m3, met inbegrip van de aansluiting van de installatie op een net.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een net of een deel daarvan of een installatie als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net of die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

    • a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

    • b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

    • c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

    • d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of uitbreiding van dat net of die installatie. Onze Minister hoort de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In artikel 39d, eerste en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.4

De Interimwet stad-en-milieubenadering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.

b. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of krachtens artikel 5.2b of titel 5.2 van de Wet milieubeheer;.

2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door: , en.

b. Onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel b door een punt vervalt onderdeel c.

B

In artikel 10, tweede lid, aanhef wordt «12, derde lid, onderdelen a tot en met d, 13, eerste en tweede lid, 14, 15 en 17, eerste tot en met derde lid,» vervangen door: 14 en 15.

C

Artikel 12, tweede en derde lid, wordt vervangen door een lid, luidende:

  • 2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het besluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of 9, zijn artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en de krachtens die wet gestelde voorschriften omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

    • a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;

    • b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de provincie als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;

    • c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de bestuursorganen betrekt, die ingevolge wettelijk voorschrift zijn aangewezen om hem terzake van advies te dienen;

    • d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden gestuurd.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Een besluit als bedoeld in artikel 9 behoeft de goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2. Het derde tot en met zesde lid worden vervangen door een lid, luidende:

  • 3. Op een besluit van provinciale staten tot wijziging of intrekking van een besluit als bedoeld in artikel 9 zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d.

2. In het tweede lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d.

F

Paragraaf 6 vervalt.

G

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

H

Artikel 25, eerste lid, komt te luiden: Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3.5

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) (31 953) tot wet is of wordt verheven:

1. vervallen de artikelen 1.1, onderdeel J en onderdeel AA, onder 1, 8.2, onderdeel B, onder 5, 8.3, onderdeel A, onder 5, 8.5, onderdeel B, 9.10, onderdeel KKK, en 9.14, onderdeel E, onder 1, van die wet,

2. wordt artikel 6.2, onderdeel D, van die wet, als volgt gewijzigd:

a. in artikel 46b, derde lid, tweede volzin, wordt «tweede en derde lid» vervangen door: tweede lid,

b. in artikel 47b, derde lid, wordt na «19g» ingevoegd «, 19ia en 19kd,» en wordt na «en 19k, eerste en derde lid» ingevoegd: en het bepaalde krachtens artikel 19kb, en

3. wordt artikel 9.13 van die wet als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen E, onder 2, F tot en met I, N en P vervallen,

b. onderdeel S wordt als volgt gewijzigd:

1°. in onderdeel 1 wordt «het eerste lid, onderdeel b» vervangen door: het eerste lid, onderdeel c,

2°. de onderdelen 3, 4 en 5 vervallen, en

c. de onderdelen U, Y en Z vervallen.

Artikel 3.6

Aan artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.7

De Mijnbouwwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 141a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:

    • a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder een gebied dat is aangewezen op grond van de artikelen 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;

    • b. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen;

    • c. pijpleidingen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het vervoer van delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het opslaan van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel b.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

    • a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

    • b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

    • c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

    • d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Onze Minister hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In artikel 141c, eerste, tweede en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.8

De Natuurbeschermingswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt.

2. In het vijfde lid wordt «beheersplan» vervangen door: beheerplan.

B

Artikel 19a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

b. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het beheerplan kan zulks ook doen ten aanzien van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën projecten en andere handelingen van nationaal belang in het gebied en daarbuiten.

c. [vervallen]

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Gedeputeerde staten kunnen in het beheerplan beschrijvingen als bedoeld in het eerste lid opnemen die betrekking hebben op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

  • 10. Voor zover er in een beheerplan projecten worden opgenomen die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, wordt het beheerplan eerst vastgesteld nadat gedeputeerde staten een passende beoordeling hebben gemaakt van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

C

In artikel 19b, vierde lid, wordt «tweede»vervangen door «eerste lid, tweede en derde volzin, tweede» en wordt «en zevende lid» vervangen door: , zevende, negende en tiende lid.

D

Artikel 19c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd gezag draagt.

2. In het tweede lid wordt «Onze Minister» telkens vervangen door «het bevoegd gezag» en vervalt: in de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden,.

3. In het derde lid wordt «Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd gezag.

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt verstaan:

    • a. Onze Minister, indien:

      • 1°. voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen onherroepelijk geworden beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b is vastgesteld, of

      • 2°. het gebruik een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen project of andere handeling is, of het gebruik plaatsvindt in of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;

    • b. gedeputeerde staten, in andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op bestaand gebruik dat overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b wordt uitgeoefend.

E

Artikel 19d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

2. In het derde lid vervalt: gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid.

F

In de artikelen 19e, onderdeel a, en 19f, eerste lid, wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

G

Na artikel 19i wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 19ia
  • 1. Ingeval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien verstande dat:

    • a. in het vierde lid in plaats van «het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10» wordt gelezen: het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a;

    • b. in het vijfde lid in plaats van «een beheerplan als bedoeld in artikel 17» wordt gelezen: de beschrijvingen in het desbetreffende beheerplan, bedoeld in artikel 19a, negende lid;

    • c. de krachtens het zesde lid aangewezen handelingen de krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen handelingen zijn.

  • 2. Ingeval het eerste lid van toepassing is, geldt een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, tevens als een aanvraag van een vergunning als bedoeld in het artikel 16, eerste lid, in samenhang met het eerste lid.

  • 3. Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid bestaand gebruik is waarop artikel 19d, derde lid, van toepassing is, is in plaats van het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, artikel 19c van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de maatregelen, bedoeld in artikel 19c, eerste en tweede lid, tot doel hebben te voorkomen dat bestaand gebruik mogelijk nadelige gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied, gelet op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

H

Artikel 19j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

b. In onderdeel b wordt na «beheerplan» ingevoegd: voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2. In het tweede lid wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

I

Na artikel 19ka worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 19kb
  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of projecten, andere handelingen of plannen een verslechterend of significant verstorend effect kunnen hebben als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of artikel 19j, eerste lid, alsmede over de wijze waarop wordt bepaald of projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, of artikel 19j, tweede lid.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee effecten of gevolgen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden bepaald.

Artikel 19kc
  • 1. Bij ministeriële regeling kan aan degenen die bepaalde handelingen met, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, mogelijk nadelige gevolgen voor een bij die regeling aangewezen Natura 2000-gebied of onderdeel daarvan, verrichten, laten verrichten, of daartoe het voornemen hebben, een verplichting worden opgelegd tot het melden van die handeling.

  • 2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld aan welk bestuursorgaan de melding wordt gericht, en kunnen verder regels worden gesteld over onder meer:

    • a. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;

    • b. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;

    • c. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelingen waarop artikel 19d, eerste of tweede lid, van toepassing is, en op handelingen met betrekking tot wegen, vaarwegen, spoorwegen, waterkeringen, havens, luchthavens en luchtvaart, inclusief het gebruik daarvan.

  • 4. Het is verboden in strijd te handelen met een verplichting als het bedoeld in het eerste lid.

Ia

Na artikel 19kc wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2a. Nadere regels met betrekking tot stikstofdepositie
§ 2a.1. Regels met betrekking tot de vergunningplicht en de aanschrijvingsbevoegdheid
Artikel 19kd
  • 1. Bij besluiten over het toepassen van artikel 19c en het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag niet de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied in de volgende gevallen:

    • a. de handeling is gebruik dat op de referentiedatum werd verricht en is sedertdien niet of niet in betekenende mate gewijzigd, en heeft sedertdien per saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaakt;

    • b. de handeling is een activiteit die na de referentiedatum is begonnen, of een gebruik dat na de referentiedatum in betekenende mate is gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als gevolg van die activiteit of dat gebruik per saldo niet is toegenomen of zal toenemen.

  • 2. Met betrekking tot de bepaling van de door handelingen en maatregelen als bedoeld in het eerste lid veroorzaakte of te veroorzaken stikstofdepositie kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld. Daarbij kan onder meer worden geregeld dat hiervoor bij of krachtens andere wetten bijgehouden of aan een bevoegd gezag overgelegde gegevens kunnen worden gebruikt.

  • 3. Onder «referentiedatum» als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. 7 december 2004, of

    • b. de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG dan wel, ingeval dit eerder is, de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG, voor zover die aanwijzing, onderscheidenlijk verklaring plaatsvindt na 7 december 2004.

  • 4. Onder «voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied» wordt voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 19ke en 19kf verstaan: voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied ten aanzien waarvan op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG een verplichting geldt tot het treffen van instandhoudingsmaatregelen.

Artikel 19ke
  • 1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat passende maatregelen worden genomen om verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen, en om de in het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied ten aanzien van die habitats beschreven resultaten, bedoeld in artikel 19a, derde lid, onderdeel a, te verwezenlijken.

  • 2. Ter uitvoering van het eerste lid kan het bevoegd gezag aan degene wiens handelen stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied de verplichting opleggen om binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn:

    • a. de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen, met inachtneming van door het bevoegd gezag gegeven instructies;

    • b. de handeling te staken of te beperken, of

    • c. informatie over de handeling te verstrekken.

  • 3. Een verplichting als bedoeld in het tweede lid kan worden voorgeschreven voor:

    • afzonderlijke gevallen bij beschikking, dan wel

    • categorieën van gevallen bij algemeen verbindend voorschrift, voor zover de verplichting betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of het drijven daarvan, en zij geen betrekking heeft op handelingen waarvoor Onze Minister het bevoegd gezag is.

  • 4. Het bevoegd gezag stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in het derde lid, tenzij de verslechtering het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.

  • 5. Het is verboden in strijd te handelen met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.

  • 6. Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, wordt verstaan:

    • a. Onze Minister, indien de handeling een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen project of andere handeling is, of de handeling plaatsvindt in of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;

    • b. in andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a:

      • gedeputeerde staten, ingeval de verplichting voor één of meer afzonderlijke gevallen wordt voorgeschreven;

      • provinciale staten, ingeval de verplichting voor categorieën van gevallen wordt voorgeschreven. De artikelen 2, vijfde lid, en 2a, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «gedeputeerde staten» wordt gelezen: provinciale staten.

Artikel 19kf
  • 1. Gedeputeerde staten kunnen ter vermindering van de stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied in elk geval, indien artikel 19kd niet van toepassing is, aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, de voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door de handeling waarop de aanvraag van de vergunning betrekking heeft, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor die handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere handelingen.

  • 2. Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van artikel 19ke, tweede lid, in elk geval de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het desbetreffende handelen, geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor dit handelen beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere handelingen.

§ 2a.2. Programmatische aanpak vermindering stikstofdepositie
Artikel 19kg
  • 1. Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stellen in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, een programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen, in de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden, met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in artikel 10a, tweede lid.

  • 2. Ingeval het beheerplan voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld door gedeputeerde staten, vindt de opname van dat gebied in het programma, bedoeld in het eerste lid niet plaats dan op voordracht van desbetreffende gedeputeerde staten. Het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld in overeenstemming met desbetreffende gedeputeerde staten.

  • 3. Indien een Natura 2000-gebied wordt opgenomen in het programma, bedoeld in het eerste lid, zal in het beheerplan een doelstelling ten aanzien van stikstofdepositie worden opgenomen die strekt tot een ambitieuze en re-alistische daling, in een gelijkmatige reductie per beheerplanperiode, van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied met het oog op de realisatie binnen afzienbare termijn van de instandhoudingsdoelstelling in dat gebied. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en andere stikstofverbindingen.

  • 4. Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar en voor de eerste keer uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet vastgesteld. Na het verstrijken van de eerste drie jaar van de geldingsduur kan naar aanleiding van een beoordeling van de in die periode opgedane ervaringen het plan door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de provincies, worden aangepast.

Artikel 19kh
  • 1. In een programma als bedoeld in artikel 19kg is voor de betrokken Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd:

    • a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar:

      • 1°. depositie, veroorzaakt door factoren in de gebieden;

      • 2°. depositie, veroorzaakt door factoren buiten de gebieden;

    • b. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden;

    • c. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie, en de verwachte effecten van die maatregelen op de omvang van de depositie in de gebieden;

    • d. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen als bedoeld in onderdeel c;

    • e. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, of de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het bereiken van een goede staat van instandhouding;

    • f. de wijze waarop en frequentie waarmee de rapportage plaatsvindt over de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen in het programma beschreven en genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de depositie.

  • 2. In het programma kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en andere stikstofverbindingen.

  • 3. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, behoren in elk geval:

    • a. maatregelen van bestuursorganen van het Rijk;

    • b. maatregelen voorzien in bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

    • c. gebiedsgerichte of effectgerichte maatregelen van bestuurorganen van het Rijk, provincies, gemeenten, of waterschappen.

  • 4. In het programma worden de uitgangspunten opgenomen voor de bepaling van ontwikkelingsruimte die als gevolg van de maatregelen, eerste lid, onderdeel c, ontstaat en de toedeling van die ruimte aan handelingen in en buiten de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden.

  • 5. In het programma kunnen projecten worden beschreven of genoemd waarvan op grond van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat, mede in het licht van de ontwikkelingsruimte die ontstaat als gevolg van de maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 19ki

Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de provincies, wijzigen of vervangen op verzoek van een bestuursorgaan dat het aangaat, in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c, indien het desbetreffende bestuursorgaan ten genoegen van Onze voornoemde Ministers en de provincies heeft aangetoond dat die wijziging of de vervangende maatregel per saldo een vergelijkbaar of positiever effect zal hebben op de vermindering van de stikstofdepositie.

Artikel 19kj
  • 1. De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor een tijdige uitvoering van de in het programma beschreven of genoemde maatregelen, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. Ingeval Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de provincies van oordeel zijn dat een in het programma benoemde of beschreven maatregel niet meer nodig is, nemen zij het besluit dat het eerste lid niet meer van toepassing is op de desbetreffende maatregel.

Artikel 19kk

Bij ministeriële regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen nadere regels worden gesteld over de inpassing van onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 19kg, die betrekking hebben op, of van belang zijn voor een in het programma, bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, opgenomen Natura 2000-gebied, in het desbetreffende beheerplan.

Artikel 19kl
  • 1. Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stellen in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, uiterlijk vier maanden na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet een voorlopig programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie.

  • 2. In het voorlopige programma, bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval beschreven of genoemd de maatregelen en effecten, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c, in samenhang met het tweede lid, onderdeel a.

  • 3. Het voorlopige programma vervalt op het moment dat een eerste programma als bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, wordt vastgesteld.

  • 4. De artikelen 19kh, eerste lid, onderdeel f, 19ki en 19kj zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19km
  • 1. Het bevoegd gezag dat het beheerplan vaststelt deelt de overeenkomstig artikel 19kh, vierde lid, uitgezonderd de ruimte die is toegedeeld aan projecten als bedoeld in artikel 19kh, vijfde lid vastgestelde ruimte, uitsluitend toe aan handelingen in het gebied en daarbuiten die in het beheerplan zijn of worden opgenomen.

  • 2. Een hoeveelheid van ten minste 10% van de ontwikkelingsruimte mag uitsluitend worden toebedeeld aan handelingen die eerst aanvangen in de tweede helft van het tijdvak waarvoor het beheerplan is vastgesteld.

  • 3. De toedeling, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats nadat door het bevoegd gezag is vastgesteld dat de reductiedoelstellingen worden gehaald.

  • 4. Het bevoegd gezag dat het beheerplan vaststelt, draagt er zorg voor dat de handelingen waaraan ontwikkelingsruimte is toegedeeld, en de eventueel daarbij aangegeven voorwaarden en beperkingen, worden opgenomen in het beheerplan.

Ib

In artikel 21, vierde lid, wordt na «waarvoor het gebied is aangewezen» ingevoegd: , dan wel indien het beheerplan, bedoeld in artikel19a, voorziet in het treffen van de maatregelen met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling voor het desbetreffende gebied.

J

Aan artikel 39 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a heeft uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen.

  • 4. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake een programma als bedoeld in de artikel 19kg.

K

In artikel 45, eerste lid, wordt «16 en 19d» telkens vervangen door «6, 19d, en 19ia in samenhang met 16,» en wordt na «19a» ingevoegd: een passende maatregel als bedoeld in de artikelen 19c, eerste lid, en 19ia in samenhang met 19c, een oplegging van een verplichting of het geven van instructies als bedoeld in artikel 19ke, tweede lid.

L

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «16 en 19d» vervangen door «16, 19d, en 19ia in samenhang met 16» en wordt «artikel 19c» vervangen door: de artikelen 16, 19ia in samenhang met 19c, en 19ke.

2. In het vierde lid wordt «16 en 19d» vervangen door «16, 19d, en 19ia in samenhang met 16» en wordt na «verlenen» ingevoegd: , en waarvoor zij ingevolge de artikelen 19c, 19ia in samenhang met 19c, en 19ke, bevoegd zijn verplichtingen op te leggen en instructies te geven.

Artikel 3.9

De onteigeningswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 23 worden de onderdelen 2° en 3° vervangen door een onderdeel, luidende:

  • 2°. en door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, afgegeven bewijs dat de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen binnen de betrokken gemeente ter inzage gelegen hebben.

B

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

De rechtbank wijst aan de onteigenende partij haar eis niet toe indien:

  • a. het in artikel 23, onder 1°, bedoelde exemplaar van de Staatscourant niet is overgelegd;

  • b. de in artikel 23, onder 2°, bedoelde terinzagelegging niet heeft plaatsgevonden.

C

In artikel 42a, vijfde lid, vervalt: dan wel de terinzagelegging, bedoeld in artikel 91,.

D

Artikel 54a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 80, eerste lid, dan wel artikel 87, tweede lid» vervangen door: dan wel artikel 78, tweede lid.

2. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. het bewijs, bedoeld in artikel 23, onder 2°;

E

Artikel 54g wordt als volgt gewijzigd:

1. «80, derde lid, en 87, achtste lid» wordt vervangen door: 78, achtste lid, en 79.

2. «86, derde lid, dan wel 87, zevende lid» wordt vervangen door: dan wel 78, zevende lid.

F

In artikel 54h wordt «nederlegging ter secretarie» vervangen door: terinzagelegging.

G

Artikel 61 komt te luiden:

Artikel 61
  • 1. Indien tengevolge van oorzaken die de onteigenende partij in staat was uit de weg te ruimen, met het werk waartoe werd onteigend niet binnen drie jaar nadat het vonnis van onteigening kracht van gewijsde heeft gekregen, een aanvang is gemaakt, of de arbeid meer dan drie jaren mocht zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te tonen dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebracht, biedt de onteigenende partij aan de onteigende partij de mogelijkheid om het onteigende teruggeleverd te krijgen in de toestand waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven.

  • 2. Indien de onteigende te kennen geeft geen gebruik te maken van de ingevolge het eerste lid aangeboden mogelijkheid, kan hij een vordering indienen tot uitkering van een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds ontvangen schadeloosstelling.

  • 3. Indien de onteigenende partij niet binnen drie maanden na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een aanbod tot teruglevering heeft gedaan, kan de onteigende partij, naar haar keuze, hetzij bij de rechter het afgestane terugvorderen in de toestand waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven, hetzij een vordering indienen tot uitkering van een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds ontvangen schadeloosstelling.

  • 4. Onder werk waartoe werd onteigend als bedoeld in het eerste lid worden mede verstaan: niet ingrijpende aanpassingen of aanpassingen van geringe omvang van het werk ten behoeve waarvan onteigend wordt dan wel aanpassingen van het werk die passen binnen het kader ter uitvoering waarvan tot onteigening wordt overgegaan.

H

Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onder de onteigening van onroerende zaken of rechten ten behoeve van waterkeringen, bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van:

    • a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.

3. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komt artikel 62, tweede lid, onderdeel b, te luiden:

  • b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken.

I

In artikel 63, tweede lid, wordt «ter secretarie van» vervangen door: binnen.

J

In artikel 64a, derde lid, wordt «op de secretarie van» vervangen door: binnen.

K

Artikel 64b, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, en 22 tot en met 61 zijn van toepassing.

L

1. Artikel 72a wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Onder de onteigening, bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van:

    • a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.

b. In het vierde lid (nieuw), onder 5°, wordt «op de secretarieën der» vervangen door: binnen de.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komt artikel 72a, tweede lid, onderdeel b, te luiden:

  • b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken.

M

Titel IV komt te luiden:

TITEL IV. ONTEIGENING IN HET BELANG VAN DE RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, VAN DE VOLKSHUISVESTING, VAN DE OPENBARE ORDE EN VAN DE HANDHAVING VAN DE OPIUMWET
Artikel 77
  • 1. Onteigening, bedoeld in deze titel kan plaatsvinden:

    • 1°. ten behoeve van de uitvoering van of ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig een bestemmingsplan of een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • 2°. ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan, dan wel een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, of een plan van werkzaamheden voor het opheffen van ernstig achterstallig onderhoud in het belang van de volkshuisvesting, mits een hierop betrekking hebbend besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de Woningwet onherroepelijk is geworden;

    • 3°. ten behoeve van de uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • 4°. ten behoeve van de ontruiming van oppervlakten in het belang van de volkshuisvesting;

    • 5°. ten behoeve van de verwijdering van een of meer ontruimde, onbewoonbaar verklaarde woningen of van een of meer niet meer in gebruik zijnde andere gebouwen, indien deze woningen of gebouwen dermate in verval zijn geraakt of verminkt, dat zij de omgeving in ernstige mate ontsieren;

    • 6°. ten behoeve van de uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 3.30, 3.33 of 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, alsmede met voorzieningen die met de uitvoering van zodanig besluit rechtstreeks verband houden;

    • 7°. van een gebouw als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet ten behoeve van de handhaving van de openbare orde rond dat gebouw of van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in zodanig gebouw, indien de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op een duurzaam herstel van de openbare orde rond dat gebouw welke is verstoord door gedragingen in het gebouw, onderscheidenlijk het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2 of 3 van de Opiumwet in dat gebouw;

    • 8°. van een gebouw, een open erf of een terrein als bedoeld in artikel 97 van de Woningwet ten behoeve van het opheffen van een overtreding als bedoeld in dat artikel, indien de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een zodanige overtreding.

  • 2. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • 1°. bouwplan: een project tot het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen alsmede het vergroten van een of meer bouwwerken;

    • 2°. plan van werken, geen bouwwerken zijnde: een project tot het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen alsmede het vergroten van een of meer werken, geen bouwwerken zijnde;

    • 3°. plan van werkzaamheden: een project tot het verrichten van een of meer werkzaamheden.

  • 3. Een bouwplan kan mede een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, of een plan van werkzaamheden omvatten. Een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, kan mede een plan van werkzaamheden omvatten.

  • 4. In de in het eerste lid genoemde gevallen geschiedt de onteigening overeenkomstig de volgende artikelen.

Artikel 78
  • 1. Onteigening ten name van een publiekrechtelijk lichaam of van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, toegelaten ingevolge artikel 70 of 70j van de Woningwet, heeft op verzoek van het algemeen bestuur van dat lichaam, Onze Minister wie het aangaat of die rechtspersoon, plaats uit kracht van een koninklijk besluit. Alvorens omtrent het verzoek tot onteigening wordt beslist, wordt de Raad van State gehoord. Bij de indiening van het verzoek legt de verzoeker de stukken en gegevens, bedoeld in artikel 79, over aan Onze Minister wie het aangaat.

  • 2. Op de voorbereiding van het besluit tot onteigening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde kennisgeving wordt gedaan door de burgemeester van de gemeente waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen. Terinzagelegging geschiedt tevens binnen de gemeente waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen. In ieder geval worden ter inzage gelegd de in artikel 79 bedoelde stukken en gegevens.

  • 3. Mondelinge zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht bij Onze Minister wie het aangaat.

  • 4. Alvorens op het verzoek tot onteigening wordt beslist, stelt Onze Minister wie het aangaat degenen die tijdig ingevolge artikel 3:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht een zienswijze naar voren hebben gebracht, in de gelegenheid gehoord te worden. Zo nodig kan Onze Minister ook andere belanghebbenden daartoe in de gelegenheid stellen.

  • 5. Bij een koninklijk besluit tot onteigening worden de te onteigenen onroerende zaken en rechten aangewezen door aanhaling van de in artikel 79 bedoelde grondtekeningen en vermelding van:

    • 1°. de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken met vermelding van de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;

    • 2°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten;

    • 3°. de namen volgens de basisregistratie kadaster van de eigenaren van de te onteigenen onroerende zaken en, bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de rechthebbenden op de te onteigenen rechten.

  • 6. Het koninklijk besluit wordt genomen binnen zes maanden na afloop van de termijn gedurende welke het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken ingevolge artikel 3:11, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage heeft gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt aan de verzoeker en aan de in het vijfde lid, onder 3°, bedoelde eigenaren en andere rechthebbenden.

  • 7. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Terinzagelegging ingevolge artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht vindt tevens plaats binnen de gemeente, bedoeld in het tweede lid. De burgemeester geeft tevens kennis van de zakelijke inhoud van het besluit in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen die in de gemeente verspreid worden, onder vermelding van datum en nummer van het koninklijk besluit en van de Staatscourant waarin het besluit is geplaatst. Een en ander geschiedt op kosten van hen ten name van wie het werk wordt uitgevoerd.

  • 8. Het koninklijk besluit tot onteigening vervalt, indien de onteigenende partij niet binnen twee jaar na dagtekening van het koninklijk besluit de eigendom bij minnelijke overeenkomst heeft verkregen overeenkomstig artikel 17, of de in het onteigeningsbesluit aangewezen eigenaren voor de rechtbank in het arrondissement waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, heeft doen dagvaarden overeenkomstig artikel 18.

Artikel 79

Het besluit tot indiening van een verzoek tot onteigening vervalt indien het niet uiterlijk drie maanden na het nemen van dat besluit aan Ons is voorgedragen, vergezeld van:

  • 1°. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en met grondtekeningen waarop de te onteigenen onroerende zaken, en bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten, met vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;

  • 2°. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:

    • a. de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;

    • b. de namen van de eigenaren van deze zaken, volgens de basisregistratie kadaster;

    • c. de kadastrale uittreksels ten tijde van het verzoek;

  • 3°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de basisregistratie kadaster;

  • 4°. een zakelijke beschrijving ter onderbouwing van het verzoek;

  • 5°. een overzicht van het gevoerde minnelijk overleg met bewijsstukken;

  • 6°. een lijst van de belanghebbenden;

  • 7°. de kaart of de kaarten behorend bij het bestemmingsplan, het inpassingsplan, of de wijziging of uitwerking daarvan, dan wel van het projectbesluit ter uitvoering waarvan onteigend wordt, met daarop geprojecteerd de grondplantekening;

  • 8°. andere documenten waaruit kan blijken welke wijze van uitvoering de verzoeker voor ogen staat.

Artikel 80

De artikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, 22 tot en met 61, en 64b, tweede en derde lid, zijn op onteigeningen als bedoeld in deze titel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  • a. wanneer de onteigening geschiedt ten name van een publiekrechtelijk lichaam of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 78, eerste lid, dat lichaam of die rechtspersoon als eisende partij optreedt;

  • b. het verzoek, bedoeld in artikel 54a, kan worden gedaan, zodra de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaats gehad en bij het verzoekschrift, in plaats van de in artikel 54a, tweede lid, onder a tot en met d, genoemde stukken en gegevens een afschrift van het koninklijk besluit moet worden overgelegd.

Artikel 81
  • 1. Indien het te onteigenen gebouw onbewoonbaar is verklaard, wordt de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen, ingeval het gebouw voor geen enkel doeleinde kan worden gebruikt. Indien het gebouw voor een ander doeleinde dan bewoning kan worden gebruikt, wordt de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen, vermeerderd met zodanig bedrag als billijk kan worden geacht in verband met het voordeel dat de eigenaar uit dat andere gebruik zou kunnen trekken.

  • 2. Indien slechts een gedeelte van het te onteigenen gebouw onbewoonbaar is verklaard, wordt daarmee rekening gehouden bij de bepaling van de waarde van het geheel. Daarbij wordt gelet op de geschiktheid of ongeschiktheid van het onbewoonbaar verklaarde deel voor andere doeleinden dan bewoning.

Artikel 82
  • 1. Indien aan een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet, strekkende tot het treffen van bepaalde voorzieningen aan een gebouw of een daartoe strekkend besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens niet-naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de Woningwet geen gevolg wordt gegeven, wordt vergoed de waarde die het gebouw zou hebben in het geval zodanige voorzieningen waren getroffen, met aftrek van de kosten van het treffen van die voorzieningen.

  • 2. Indien het gebouw door een groter aantal personen wordt bewoond dan volgens plaatselijke verordening geoorloofd is, wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde geen rekening gehouden met de vermeerdering van huurprijs die uit die overschrijding voortvloeit.

N

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in artikel 79, onderdeel 7°, «het projectbesluit» vervangen door: de omgevingsvergunning.

O

Artikel 85 vervalt.

P

Na artikel VII wordt een Titel ingevoegd, luidende:

TITEL VIIA. EVALUATIE
Artikel 125
  • 1. Onze Ministers van Justitie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat zenden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van de artikelen 3.9, 3.10, onderdeel D, 3.12, onderdeel C, 3.13, 3.14, 3.23 en 3.24, onderdeel D, van die wet.

  • 2. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet wordt een voorstel van wet tot regeling van de in het eerste lid bedoelde onderwerpen ingediend bij de Staten-Generaal.

Artikel 3.9a

De Reconstructiewet concentratiegebieden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 27, derde lid, tweede volzin, vervalt.

B

Na artikel 27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 27a
  • 1. In gevallen als bedoeld in artikel 27, derde lid, stelt de gemeenteraad binnen een jaar nadat het reconstructieplan onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het reconstructieplan vast.

  • 2. De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het reconstructieplan, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening is vastgesteld overeenkomstig het reconstructieplan. De bevoegdheid vervalt indien het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening niet binnen zes maanden na het verstrijken van de in het eerste lid gestelde termijn is vastgesteld.

C

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «27, derde lid» vervangen door: 27a, eerste lid.

2. In het vierde lid wordt «27, derde lid, in samenhang met artikel 1.13 van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: 27a, eerste lid.

Artikel 3.10

De Spoedwet wegverbreding wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7, vierde lid, vervalt.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: Indien krachtens het vierde lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid wordt het wegaanpassingsbesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

2. Na het derde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 4. De artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft.

    Indien die handelingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen 19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, en 19kd van die wet, en het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een wegaanpassingsbesluit.

  • 5. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft. Indien die handelingen plaatsvinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over stelt het wegaanpassingsbesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

  • 6. Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit indien de handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, zijn opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet, of in het programma op grond van artikel 19kh, vijfde lid, en die handelingen overeenkomstig dat plan of dat programma worden uitgevoerd.

C

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

2. Het tiende lid komt te luiden:

  • 10. De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het wegaanpassingsbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

D

Artikel 16, tweede tot en met vierde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

Artikel 3.11

De Telecommunicatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.14 komt te luiden:

Artikel 5.14
  • 1. Indien een gemeente openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten aanbiedt, of een belang of zeggenschap heeft in een onderneming die dit doet, zijn de personen die besluiten voorbereiden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b, daarbij niet betrokken.

  • 2. Het voornemen om direct of indirect betrokken te zijn bij het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten wordt bekend gemaakt. Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Bij de bekendmaking van het voornemen wordt de redengeving ervan vermeld. Tevens wordt bekendgemaakt waar en wanneer nadere informatie over het voornemen van de te nemen beslissing kan worden verkregen.

  • 3. Bij de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, bevoordelen burgemeester en wethouders geen ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken aanbieden waarin de gemeente direct of indirect bij betrokken is.

  • 4. Een gemeente die direct of indirect betrokken is bij het aanbieden van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bevordert open en non-discriminatoire toegang tot dit netwerk.

B

Artikel 20.12 vervalt.

Artikel 3.12

De Tracéwet wordt als volgt gewijzigd:

aA

In artikel 1, eerste lid, onderdeel f, wordt na «werken of bouwwerken» toegevoegd: , daaronder begrepen oplaadpunten bestemd voor het laden van accu’s van voertuigen die een elektromotor als hoofdmotor hebben,.

A

Artikel 12, derde lid, derde volzin, vervalt.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Na de eerste volzin worden twee volzinnen ingevoegd, luidende: Indien krachtens het tiende lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het elfde lid wordt het tracébesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

b. In de vijfde volzin (nieuw) wordt «ouder zijn dan twee jaar zijn» vervangen door: ouder zijn dan twee jaar.

2. Aan het zevende lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien ter uitvoering van het tracébesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

2a. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het tracébesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

3. Na het negende lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 10. De artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft. Indien die handelingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen 19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, en 19kd van die wet en het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een tracébesluit.

  • 11. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft. Indien die handelingen in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet plaatsvinden, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over het tracébesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

  • 12. Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op de vaststelling van het tracébesluit indien de handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft, zijn opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet, of in het programma op grond van artikel 19kh, vijfde lid, en die handelingen overeenkomstig dat plan of dat programma worden uitgevoerd.

C

De artikelen 20b en 20c vervallen.

Artikel 3.13

In artikel 13, eerste lid, van de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken wordt «bedoeld in artikel 80 van de onteigeningswet alsmede de terinzagelegging van het besluit van de gemeenteraad bedoeld in artikel 85, mede in verband met artikel 84 van de onteigeningswet» vervangen door: ingevolge artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet.

Artikel 3.14

Artikel 5.14, eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid, van de Waterwet vervalt.

Artikel 3.15

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

aA

Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt.

2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt in onderdeel c «tweede lid» vervangen door: eerste lid.

bA

Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9a
  • 1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.

  • 2. De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur, provinciaal bestuur of Onze betrokken Minister verstrekte diensten die verband houden met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop dat besluit of de mededeling, bedoeld in artikel 3.12, langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. De bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.

A

Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b, aanhef, wordt «het» vervangen door: het bevoegd gezag.

b. Onderdeel c wordt als volgt gewijzigd:

1°. In de aanhef wordt «het» vervangen door: het bevoegd gezag.

2°. De onderdelen 3° en 4° komen te luiden:

  • 3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

  • 4°. [vervallen]

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3. Aan het vierde lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.

B

[vervallen]

C

Artikel 3.12, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b wordt geletterd c.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld, voor zover en op de wijze waarop dat bij algemene maatregel van bestuur is voorgeschreven;.

Artikel 3.16

Artikel 2, derde lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van waterstaatswerken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in het kader van de aanleg, wijziging, verbetering of het beheer van die waterstaatswerken of de regeling van het verkeer over die waterstaatswerken.

Artikel 3.16a

Artikel 34 van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit komt te luiden:

Artikel 34

De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat een in artikel 3, eerste lid, bedoeld besluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig dat besluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in dat besluit, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

Artikel 3.17

De Wet bodembescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «»het uitvoeren van werken» vervangen door: het uitvoeren of gebruik maken van werken.

2. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. werken ten behoeve van een bodemenergiesysteem.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Ten aanzien van werken als bedoeld in het tweede lid, onder h, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels ook worden gesteld in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

B

Artikel 15, eerste lid, onderdeel d, wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

  • d. een verbod een zodanige werkzaamheid te verrichten zonder dat daarvan een melding is gedaan op een bij of krachtens die maatregel aan te geven wijze aan een daarbij aan te geven bestuursorgaan onder vermelding van bij of krachtens die maatregel aan te geven gegevens;

  • e. de verplichting te voldoen aan een bevel van een bij de maatregel aangewezen bestuursorgaan om het gebruik van een bodemenergiesysteem binnen een bij dat besluit aangegeven termijn te staken of te beperken in het belang van het doelmatig gebruik van bodemenergie.

C

In artikel 17 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, derde lid, en het invloedsgebied van een dergelijk systeem buiten het perceel waar het is geïnstalleerd.

D

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd:

  • 2. Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens de artikelen 6 tot en met 12, kan worden bepaald dat bij die maatregel gestelde regels slechts gelden in gebieden die daartoe bij of krachtens provinciale verordening zijn aangewezen.

E

Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het vijfde lid wordt ingevoegd: , tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de ontheffing betrekking heeft op een bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het derde lid wordt ingevoegd: , tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de ontheffing betrekking heeft op een bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.18

De Wet geluidhinder wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de begripsbepaling voor «industrieterrein» te luiden:

industrieterrein:

terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken;.

B

Aan artikel 41 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Onverminderd het eerste lid kan de gemeenteraad bij besluit de begrenzing van een industrieterrein, waarop de vastgestelde zone is gebaseerd, vastleggen.

C

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3. In het derde lid wordt «vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

D

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3. In het derde lid wordt «vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

E

Na artikel 66 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 67
  • 1. Indien de geluidbelasting buiten een bestaande zone vanwege een industrieterrein de waarde van 50 dB(A) overschrijdt of op een of meer plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de geluidsbelasting hoger is dan de ten hoogste toegestane geluidsbelasting, stellen burgemeester en wethouders voor het betreffende industrieterrein een geluidreductieplan vast.

  • 2. Een geluidreductieplan bevat ten minste een beschrijving van:

    • a. het te voeren beleid om de geluidbelasting binnen en buiten de bestaande zone te beperken;

    • b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om de geluidbelasting binnen die periode voor het hele industrieterrein te verminderen tot beneden de bedoelde grenswaarden;

    • c. de wijze waarop de vermindering van de geluidsbelasting van het betreffende industrieterrein zal worden gerealiseerd indien de geluidsbelasting binnen de onder b genoemde periode niet is verminderd tot beneden de grenswaarden.

  • 3. Artikel 123 is van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede en derde lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

G

Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het derde lid wordt «vaststelling van het bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van het bestemmingsplan of van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Artikel 3.19

De Wet luchtvaart wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 8.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenindelingsbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

B

Aan artikel 8.17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenverkeersbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

C

Aan artikel 8.44 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

D

Aan artikel 8.70 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

  • 6. Ten aanzien van de burgerluchthaven Twente wordt het luchthavenbesluit of een wijziging daarvan, in afwijking van het eerste lid, vastgesteld bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 8.71 is van overeenkomstige toepassing.

E

Na artikel 8a.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a.50a
  • 1. Indien ten aanzien van de burgerluchthaven Twente een vrijstelling, als bedoeld in artikel 8a.50, tweede lid, van het verbod in artikel 8.1a, derde lid, wordt verleend, is op de voorbereiding van die vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2. Tegen een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

F

Aan artikel 10.17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

    die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

G

In artikel 12.1 wordt «artikel 8.70, eerste lid» vervangen door: artikel 8.70, eerste en zesde lid.

Artikel 3.20

De wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)(Stb. 561) wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel XVIA wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit of een wijziging daarvan wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

    die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit of een wijziging daarvan ouder zijn dan twee jaar, het besluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

B

Aan artikel XVII wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij de vaststelling van een beslissing op bezwaar kan, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

    die ten grondslag hebben gelegen aan een ontwerp-aanwijzingsbesluit of wijziging daarvan of een eerdere beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van de beslissing op bezwaar ouder zijn dan twee jaar, het besluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

Artikel 3.21

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.12, twaalfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt voor «vervangen» ingevoegd: wijzigen of.

2. In onderdeel b wordt de zinsnede die begint met «indien bij de betreffende melding» op een nieuwe regel geplaatst.

B

1. Na artikel 5.12a wordt een artikel ingevoegd:

Artikel 5.12b
  • 1. Indien krachtens enig wettelijk voorschrift een besluit is vereist voor de door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het hoofdwegennet, en anders dan met toepassing van artikel 4a, derde lid, van de Spoedwet wegverbreding, of artikel 15a, derde lid, van de Tracéwet, uit te voeren maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, negende lid, zijn deze wettelijke voorschriften op die uitvoering niet van toepassing.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vereist zijn van een besluit voortvloeit uit Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke verplichtingen.

  • 3. Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of de beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking hebbende onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet.

  • 4. In de gevallen waarin het derde lid van toepassing is, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vast overeenkomstig de onderdelen van het programma, bedoeld in het derde lid. Dit geschiedt binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet of, ingeval van een wijziging van dat programma die of nieuw programma dat na die datum wordt vastgesteld, binnen een jaar nadat die wijziging of dat programma onherroepelijk is geworden.

  • 5. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de onderdelen van het programma, bedoeld in het derde lid, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerp van het bestemmingsplan.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt artikel 5.12b van de Wm als volgt gewijzigd:

a. het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. In de eerste volzin wordt «projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet» vervangen door: omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

2°. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij de toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden onder bestemmingsplan of beheersverordening mede de betrokken onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, begrepen.

C

1. Aan artikel 5.16, tweede lid, worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma twee onderdelen toegevoegd:

  • f. artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering;

  • g. artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet.

2. Met ingang van 1 januari 2014 vervalt artikel 5.16, tweede lid, onderdelen f en g, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel e van dat artikel, door een punt.

D

In artikel 8.2, derde lid, wordt na «een inrichting die» ingevoegd: in hoofdzaak.

E

Na artikel 8.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.2a
  • 1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een inrichting die tevens een mijnbouwwerk is, maar geen aanvraag is als bedoeld in artikel 8.2, derde lid, wordt de vergunning niet verleend dan nadat Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen, voor zover het de mijnbouwactiviteiten betreft, geen bedenkingen heeft.

  • 2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

  • 3. De artikelen 2.27, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 2.29, eerste lid, 2.31, eerste lid, onderdeel a, 2.33, eerste lid, onderdeel c, 3.11 en 5.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor«omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

F

Artikel 8.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde tot zesde lid, wordt een tweetal leden ingevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht.

  • 5. Het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, en het vierde lid zijn niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de geluidsbelasting van het gehele industrieterrein niet toeneemt.

2. Aan het zesde lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde of vijfde lid, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

G

Artikel 11.2, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel g wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • i. werkzaamheden met betrekking tot een bodemenergiesysteem.

H

[vervallen]

I

1. Artikel 20.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen b tot en met j worden geletterd c tot en met k.

2°. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. houdende een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 8.2a;.

b. In het derde lid wordt «een beschikking als bedoeld in dat lid, onder a, c, d of f,» vervangen door: een beschikking als bedoeld in dat lid onder a, b, d, e of g.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt artikel 20.2 als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid:

  • 1°. vervallen de onderdelen b tot en met e en h tot en met k, en

  • 2°. worden de onderdelen f en g en l en m geletterd b tot en met e.

b. In het derde lid wordt «onder a, b, d, e of g» vervangen door: onder a of c.

Artikel 3.22

Artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Crisis- en herstelwet, artikel 2.16;.

2. In de zinsnede met betrekking tot de Natuurbeschermingswet 1998 wordt «19d, eerste lid» vervangen door: 19d, eerste lid, 19ke, vijfde lid, 19ia, eerste lid, in samenhang met 16, 19ia, derde lid, in samenhang met 19c, vierde lid, en 19kc, eerste lid.

Artikel 3.23

Artikel 7k van de Wet op de waterkering vervalt.

Artikel 3.24

De Wet ruimtelijke ordening wordt als volgt gewijzigd:

aA

1. Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het vijfde lid, tweede volzin, vervalt.

b. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Een voorbereidingsbesluit vervalt tevens op het moment waarop het bestemmingsplan ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen, in werking treedt.

bA

Artikel 3.13 komt te luiden:

Artikel 3.13

De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het projectbesluit, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop dat besluit langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Deze bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.

cA

Artikel 3.14 komt te luiden:

Artikel 3.14

Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan of de uitwerking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, zijn grondslag vindt in het projectbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

dA

Artikel 3.15 vervalt.

eA

In artikel 3.27, tweede lid, vervalt: en voor «gemeentebestuur» «provinciaal bestuur»,.

A

Aan artikel 3.28, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het horen van de gemeenteraad en provinciale staten kan worden gecombineerd met het overleg, bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Aa

In artikel 3.29, tweede lid, vervalt: en voor gemeentebestuur «Onze Minister»,.

B

1. Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b worden geletterd b en c.

2°. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • a. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen, wordt vastgesteld;.

3°. In onderdeel c (nieuw) wordt «als bedoeld onder a» vervangen door: als bedoeld onder b.

b. In het tweede lid wordt «strekkende tot vaststelling van een inpassingsplan» vervangen door: strekkende tot toepassing van dat lid, onder a of c,.

c. In het derde lid wordt «strekkende tot gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten» vervangen door: strekkende tot toepassing van dat lid, onder b of c,.

d. In het vierde lid wordt «onder a of b» vervangen door: onder b of c.

e. In het vijfde lid wordt «onder a» vervangen door: onder b.

f. Onder vernummering van het zevende tot en met negende lid tot achtste tot en met tiende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 7. Indien het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.28 is aangewezen als plan bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 of 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en één van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, is aangewezen als besluit bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vangen de termijnen voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van en voor het indienen van zienswijzen en het uitbrengen van advies over laatstgenoemd milieueffectrapport, zo nodig in afwijking van de artikelen 7.18, eerste lid, 7.20, derde lid, en 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet eerder aan dan nadat het milieueffectrapport dat betrekking heeft op het plan gereed is. Van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit wordt in een geval als bedoeld in de vorige volzin, zo nodig in afwijking van de artikelen 7.29, 7.30, eerste lid, en 13.2 van de Wet milieubeheer, niet eerder openbaar kennisgeving gedaan dan nadat van het milieueffectrapport dat betrekking heeft op het plan openbaar kennis is gegeven.

g. Aan het achtste lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Voor zover een aanlegvergunning is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingplan, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het gebied dat in dat plan is begrepen.

h. In het negende lid (nieuw) vervalt: onder a of b,.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (31 755) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel X, van die wet in werking treedt, komt artikel 3.35, zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening te luiden:

  • 7. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, en het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.28 is aangewezen als plan bij de voorbereiding waarvan krachtens de artikelen 7.2 of 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en één van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, is aangewezen als besluit bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt de raadpleging op grond van artikel 7.25 of artikel 7.27, tweede lid, van de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats met de raadpleging op grond van artikel 7.8 van die wet respectievelijk vindt de kennisgeving op grond van artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats met de kennisgeving op grond van artikel 7.9, eerste lid, van die wet. In afwijking van artikel 7.26 of artikel 7.27, zevende lid, van de Wet milieubeheer kan de termijn, bedoeld in dat artikel of dat artikellid, tweemaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.

C

In de artikelen 3.36, eerste lid en 3.36a, tweede en derde lid, wordt «artikel 3.35, eerste lid, onder a» vervangen door: artikel 3.35, eerste lid, onder b.

D

Artikel 3.36b vervalt.

Da

Artikel 3.40, tweede en derde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

Db

Artikel 3.41 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, tweede volzin, komt te luiden: Artikel 3.40, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervalt.

Dc

Artikel 3.42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, tweede volzin, komt te luiden: Artikel 3.40, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervalt.

E

Artikel 8.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. besluiten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, of 3.35, eerste lid;.

2. In het vierde lid wordt na «betreft» ingevoegd: ter uitvoering waarvan een verzoek tot onteigening is gedaan als bedoeld in artikel 78 van de onteigeningswet, dan wel een bestemmingsplan.

F

Artikel 8.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «3.35, eerste lid, onder a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onder b.

2. In onderdeel b wordt «3.35, eerste lid, onder b» vervangen door: 3.35, eerste lid, onder c.

Artikel 3.24a

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt de Wet ruimtelijke ordening als volgt gewijzigd:

A

Afdeling 3.3 komt te luiden:

AFDELING 3.3 VASTSTELLING BESTEMMINGSPLAN OF UITWERKING DAARVAN NAAR AANLEIDING VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNING
Artikel 3.10

Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan of de uitwerking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, zijn grondslag vindt in een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

B

In de artikelen 3.26, tweede lid, en 3.28, tweede lid, wordt «De afdelingen 3.1 en 3.2» vervangen door: De afdelingen 3.1, 3.2 en 3.3.

C

De artikelen 3.27, 3.29, 3.40, 3.41 en 3.42 vervallen.

D

Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdelen a en c, vervalt «, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen,» en wordt na «wordt vastgesteld» ingevoegd: of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

2. Het vijfde lid vervalt.

3. Het zesde tot en met tiende lid worden vernummerd tot vijfde tot en met negende lid.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt in de eerste volzin «Artikel 3.30, vierde lid,» vervangen door «Artikel 3.30, derde lid» en komt de tweede volzin te luiden: Voor zover een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingsplan of een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het gebied dat in dat plan is begrepen.

Artikel 3.25

In artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de Wet stedelijke vernieuwing wordt na «Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur» ingevoegd: of, indien spoed vereist is, bij ministeriële regeling.

Artikel 3.26

Artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten vervalt.

HOOFDSTUK 4 WIJZIGING VAN LAGERE REGELGEVING

Artikel 4.1

Artikel 2, onderdeel p, van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 komt te luiden:

  • p. activiteiten ten aanzien van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet die in beheer zijn bij het Rijk, het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.7 van de Waterwet, militaire luchthavens, de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart.

Artikel 4.2

In bijlage 1, onderdeel a, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt «artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet» vervangen door: de artikelen 8.2, derde en vierde lid, en 8.2a, eerste lid, van de wet.

Artikel 4.3

In artikel 3, derde lid, onder a, onder 1°, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wordt na «wegaanduiding,» ingevoegd: het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor,.

HOOFDSTUK 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1 ALGEMEEN

Artikel 5.1
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen regels worden gegeven gericht op:

    • a. een versnelling van de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, en

    • b. een goede uitvoering van deze wet.

  • 2. Het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts van toepassing op:

    • a. de projecten en categorieën van projecten, genoemd in de bijlagen I en II bij deze wet;

    • b. de projecten waar deze wet bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.2 op van toepassing is verklaard;

    • c. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en

    • d. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.

Artikel 5.2

Tegen toevoeging als bedoeld in artikel 1.2 van categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage I, van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage II of van wettelijke voorschriften aan bijlage III bij deze wet alsmede tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, een verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, of een aanwijzing van een project op grond van artikel 2.18 staat geen beroep open.

Artikel 5.2a

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.2, 2.2, 2.4, 2.9, 2.18 of 5.1 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

AFDELING 2 OVERGANGSRECHT

Artikel 5.3
  • 1. De artikelen 1.4 en 1.6 tot en met 1.9 zijn niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt.

  • 2. De artikelen 1.4 en 1.9 zijn voorts niet van toepassing, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 5.4
  • 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een onteigeningsbesluit, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip.

  • 2. Een koninklijk besluit tot goedkeuring van een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 79 van de onteigeningswet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 78 van de onteigeningswet.

Artikel 5.5

De Interimwet stad-en-milieubenadering, zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van die wet.

Artikel 5.5a

Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 5.5b

Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een tracébesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

AFDELING 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.6

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (31 755) tot wet is of wordt verheven en:

a. artikel I, onderdeel KK, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 1.11, onderdeel a, «7.10» vervangen door: 7.23, en

b. artikel I, onderdeel NN, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 1.11, onderdeel b, «7.26» vervangen door: 7.32, vijfde lid,.

Artikel 5.7

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

1. wordt artikel 2.3, vijfde lid, als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen d tot en met i worden geletterd e tot en met j.

b. Na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het betreft een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet;.

2. wordt artikel 2.5 als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel a vervalt «een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van die wet,» en vervalt «een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet alsmede» en wordt na «artikel 10.3 van die wet» ingevoegd: alsmede een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken;

b. in onderdeel b wordt «een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken;

3. wordt in artikel 2.6, vijfde lid, «een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, 2°, of het tweede lid van dat artikel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

4. wordt artikel 2.10 als volgt gewijzigd:

a. in het zevende lid wordt:

1°. in de aanhef na «Monumentenwet 1988» ingevoegd: of artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

2°. in onderdeel a «, bedoeld in artikel 16 van die wet» vervangen door: waarin Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht adviseert;

b. in het negende lid, tweede volzin, wordt «een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

5. wordt in artikel 2.12 «projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet» vervangen door: omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

6. wordt artikel 2.23 als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid wordt «projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt genomen» vervangen door «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt verleend», wordt «dat projectbesluit» telkens vervangen door «die omgevingsvergunning» en wordt «dat besluit» vervangen door: die vergunning;

b. in het derde lid wordt «het besluit» vervangen door: de vergunning.

Artikel 5.8

Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening gegeven bepalingen met betrekking tot radarstations als bedoeld in die afdeling.

Artikel 5.9

De ministeriële regelingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berusten op artikel 20, eerste lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, berusten na dat tijdstip op artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing.

Artikel 5.9a

Onze Minister van Justitie zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een evaluatie van de effecten van de in Hoofdstuk 1 van deze wet opgenomen instrumenten op versnelling en op verbetering van de projecten waarop deze van toepassing zijn.

Artikel 5.10
  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met uitzondering van de artikelen 3.6 en 3.25, en vervalt met ingang van 1 januari 2014. De artikelen 3.6 en 3.25 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2008, respectievelijk tot en met 15 juni 2009.

  • 2. Indien het eerste besluit ter uitvoering van een project waarop deze wet van toepassing was, is genomen voor 1 januari 2014 blijft deze wet na 31 december 2013 van toepassing op latere besluiten of handelingen ter uitvoering van datzelfde project.

  • 3. Deze wet blijft na 31 december 2013 van toepassing op:

    • a. ontwikkelingsgebieden ten aanzien waarvan voor 1 januari 2014 een gebiedsontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2.3 is vastgesteld;

    • b. experimenten als bedoeld in artikel 2.4 die voor 1 januari 2014 zijn aangewezen overeenkomstig dat artikel;

    • c. de uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, indien ten aanzien van dat project voor 1 januari 2014 een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, is genomen, en

    • d. de uitvoering van krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten, indien ten aanzien van die projecten voor 1 januari 2014 aan de structuurvisie, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, de in artikel 2.20, tweede lid, bedoelde verklaringen zijn gehecht.

Artikel 5.11

Deze wet wordt aangehaald als: Crisis- en herstelwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 18 maart 2010

Beatrix

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C. M. P. S. Eurlings

Uitgegeven de dertigste maart 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage bij artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE I CATEGORIEËN RUIMTELIJKE EN INFRASTRUCTURELE PROJECTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1.1, EERSTE LID

1. duurzame energie

  • 1.1. aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998

  • 1.2. ontwikkeling en verwezenlijking van bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder h, van de Wet bodembescherming

  • 1.3. aanleg, wijziging of uitbreiding van installaties voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 in de glastuinbouw, en van energienetwerken bestemd voor levering van restenergie aan op het netwerk aangesloten glastuinbouwondernemingen, dan wel levering van restwarmte van die ondernemingen aan anderen

  • 1.4. aanleg, wijziging of uitbreiding bij agrarische bedrijven van installaties voor co-vergisting van de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer stoffen, genoemd in bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

  • 1.5. ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het leveren van duurzame energie

2. gebiedsontwikkeling en werken van provinciaal of nationaal belang

  • 2.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening

  • 2.2. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens

  • 2.3. projecten aangewezen krachtens artikel 2.18.

3. gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang

  • 3.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden

  • 3.2. projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid

  • 3.3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens

4. greenports

  • 4.1. project «Innovacomplex» en «Villa Flora» voor de Floriade 2012 in greenport Klavertje 4 te Venlo (uitvoering deel 4 Nota Ruimte)

5. hoofdwegen

  • 5.1. aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet

  • 5.2. wegaanpassingsprojecten als bedoeld in artikel 2 van de Spoedwet wegverbreding

  • 5.3. uitvoering van onderhoud, herstel of verbetering van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken

6. luchthavens

  • 6.1. ontwikkeling en verwezenlijking van luchthavens waarvoor krachtens de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit is vereist dan wel krachtens de Luchtvaartwet een aanwijzingsbesluit is vereist

7. natuur, water en waterstaatswerken

  • 7.1. projecten ter uitvoering van de Nadere uitwerking rivierengebied (NURG)

  • 7.2. werken als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de waterkering, of artikel 2.7, eerste lid, van de Waterwet (inclusief zandsuppleties)

  • 7.3. aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet

  • 7.4. [vervallen]

8. spoorwegen

  • 8.1. aanleg of wijziging van landelijke spoorwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet

9. vaarwegen

  • 9.1. aanleg of wijziging van hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet.

Bijlage bij artikel 1.1, eerste en tweede lid, van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE II RUIMTELIJKE EN INFRASTRUCTURELE PROJECTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1.1, EERSTE EN TWEEDE LID

A. NOTA RUIMTE

nr

Omschrijving project

Omschrijving ligging of locatie

Vindplaats in MIRT projectenboek 2009

Vindplaats in Nota Ruimte Uitvoeringsbudget 2007 – 2014

Aard van het project

1

Amsterdam Noordelijke IJoevers

Tegenover Amsterdam CS aan de noordkant van het IJ

P 149

P 16 en 17

Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein

2

Den Bosch Spoorzone

Gelegen rondom station

P 221

P 64 en 65

Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering

3

Apeldoorn Kanaalzone

Centraal gelegen zone in de stad

P 284

P 62 en 63

Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering

4

Den Haag Internationale Stad (onderdeel Scheveningen Boulevard) Bij Boulevard van Scheveningen

P 145

P 26 en 27

Integrale gebiedsontwikkeling + kustversterking

 

5

Greenports (6 tuinbouwlocaties in Zuid-Holland en Deurne)

Prov Zuid-Holland: Boomwatering ; 4B-water Waalblok; Overbuurtsepolder; Bollenstreek; Boskoop; Prov Noord-Brabant: Deurne

Boskoop: P 190 Duin- en Bollenstreek: P 191 Westland – Oostland: P 192

P 68 en 69 voor Boskoop, Duin- en Bollenstreek, Westland – Oostland

Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw

6

Greenport Aalsmeer/PrimaViera

Bij Aalsmeer

P189

P 68 en 69

Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw

7

Klavertje 4 Venlo

Bij Venlo

p. 257

P 46 en 47 (en 68, 69)

Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw en op verbinding A73–A67 (Greenportlane)

8

Nijmegen Waalfront

Centrum Nijmegen aan de zuidkant van de Waal

P 264

P 54 en 55

Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering

9

Eindhoven A2 zuidelijke aansluiting (zie ook Eindhoven brainport)

Rondom A2 bij Eindhoven

P 256

P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven)

Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen

10

Nieuwe Hollandse Waterlinie

Rijnauwen – Vechten, Linieland, Lingekwartier – Diefdijk

P 188

P 40 en 41

Integrale gebiedsontwikkeling; restauratie forten, natuurontwikkeling, verbetering infrastructuur, bouw van woningen

11

Waterdunen

In de buurt van Breskens

P 220

P 52 en 53

Integrale gebiedsontwikkeling; focus op natuurontwikkeling en recreatie, kustversterking

12

Maastricht Belvedere

Grenzend aan het centrum van Maastricht

P 214

P 66 en 67

Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein tot woon- en werkgebied

13

Nieuw Reijerwaard/ Westelijke Dordtse Oever

Industriegebied tussen Ridderkerk en Dordrecht

P 187

P 32 en 33 (als Hoeksche Waard of alternatieve locatie)

Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein

14

Zuidplaspolder

Driehoek tussen Rotterdam Zoetermeer en Gouda

P 140

P 30 en 31

Integrale gebiedsontwikkeling voor de functies wonen, werken, glas, groen, water en recreatie

15

Groningen Centrale Zone

Centrum van Groningen

P 290

P 58 en 9

Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering

16

Oude Rijnzone

Strook tussen Leiden en Bodegraven

P 138

P 36 en 37

Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein

17

Westelijke Veenweiden

Groene Hart en Laag Holland

P 148 P 193, als Westelijke Veenweiden fase 1

P 38 en 39

Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering van kwetsbare delen van de veenweidegebieden

18

Hengelo Hart van Zuid

Rondom centraal station Twente

P 260

P 60 en 61

Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering

19

IJsseldelta

Bij Kampen

P 260

P 50 en 51

Integrale gebiedsontwikkeling; «blauwe bypass» met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en recreatie

20

IJsselsprong

Bij Zutphen

P 261

P 50 en 51

Integrale gebiedsontwikkeling met focus op woningbouw, bereikbaarheid en groene buffer

21

Mooi en Vitaal Delfland

Gebied tussen den Haag, Rotterdam en Zoetermeer

P 147

P 28 en 29

Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering glas en groen

22

Almere Weerwaterzone

Gelegen naast het centrum van Almere

P 139 (als Schaalsprong Almere)

P 18 en 19 (als Schaalsprong Almere)

Verdiepte aanleg A6 om barrièrewerking te voorkomen en integrale gebiedsontwikkeling te faciliteren

23

Rotterdam Stadshavens

Aan noord- en zuidzijde van de Maas

P 139

P 24 en 25

Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering van verouderde bedrijventerreinen

24

Brainport Eindhoven

Aanliggend aan de A2 ten westen van Eindhoven

P 218

P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven)

Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen

25

Den Haag Internationale Stad (onderdeel Worldforum)

Bij Statenkwartier

P 145

P 26 en 27

Vestigingsplaats voor internationale bedrijven + bereikbaarheid

26

Westflank Haarlemmermeer

Strook ten oosten van Heemstede, Hillegom en Lisse

P 147

P 20 en 21

Integrale gebiedsontwikkeling; woningbouwopgave, piekwaterberging, recreatieve groenontwikkeling, versterking Groene Hart

27

Breda Centraal (t.b.v. Nieuw Sleutelproject)

Centrum Breda

p. 240

n.v.t.

Ontwikkeling openbaar vervoerterminal

28

Windmolenpark Tweede Maasvlakte

Maasvlakte

p. 186

n.v.t.

Ontwikkeling windmolenpark

B BODEMBESCHERMING EN BODEMENERGIE

nr.

Aanduiding project

Omschrijving ligging of locatie

Aard van het project

1

Havengebied Rotterdam

De haven van Rotterdam

Pilotproject voor gebiedsgerichte aanpak van grootschalige grondwaterverontreiniging

2

Utrecht biowasmachine

Utrechts Stationsgebied e.o.

Pilotproject, met combinatie van winning van bodemenergie en aanpak bodemverontreiniging

C WATERSTAATSWERKEN

nr.

Omschrijving waterstaatswerk

Aard van het project

1

Kustlijn en kustfundament Noordzee

Zandsuppleties en werken ter voorkoming of tegengaan van een landwaartse verplaatsing van de kustlijn

D LUCHTHAVENS

nr.

Omschrijving luchthaven

Omschrijving project

1

Luchthaven Twente

Ontwikkeling burgerluchthaven

2

Luchthaven Lelystad

Vaststellen gebruiksmogelijkheden

3

Luchthaven Eindhoven

Vaststellen gebruiksmogelijkheden

E WEGENPROJECTEN

nr.

Wegnummer

Omschrijving traject

Aard van het project

1

A1/A27

Utrecht – Knooppunt Eemnes – Amersfoort (Draaischijf Nederland)

Wijziging

2

A1/A6/A9

Schiphol – Amsterdam – Almere

Wijziging

3

A12

Ede – Grijsoord

Verbreding

4

A2

Passage Maastricht

Aanleg / wijziging

5

A4

Delft – Schiedam

Aanleg

6

A74

Venlo – Duitse grens

Aanleg

7

N61

Hoek – Schoondijke

Aanleg / wijziging

8

N23

Westfrisiaweg

Aanleg / wijziging

9

A6/A7

Knooppunt Joure

wijziging

10

N31

Harlingen (Flessenhals Harlingen)

wijziging

11

N35

Tussen Zwolle en Wythem en tussen Nijverdal en Wierden

Aanleg / wijziging

12

 

Buitenring Parkstad (incl. aansluiting Nuth en aansluiting Avantis)

Ontwikkeling en aanleg

13

A15

Tunnel bij Rotterdam (tweede westelijke oeververbinding)

Aanleg / wijziging (aanleg tunnel)

14

A7

Zuidelijke Ringweg Groningen

Aanleg / wijziging

F BRUGGEN

nr.

Omschrijving brug

Aard van het project

1

Boogbrug Beek

A2 knooppunt Kerensheide – afslag Maastricht Airport

Renovatie

2

Brienenoordbrug (westelijke boog)

A16 Ridderkerk – Terbregseplein

Renovatie

3

Brug bij Ewijk

A50 knooppunt Valburg – knooppunt Ewijk

Renovatie

4

Calandbrug

N15 bij Rozenburg

Renovatie

5

Galecopperbrug

A12 Oude Rijn – Lunetten

Renovatie

6

Gideonsbrug

A7 Groningen – Hoogezand

Renovatie

7

Ketelbrug

A6 Emmeloord – Lelystad

Renovatie

8

Kreekrakbrug

A58 knooppunt Markiezaat – afslag Rilland

Renovatie

9

Kruiswaterbrug

A7 Sneek – afslag Bolsward

Renovatie

10

Muiderbrug

A1 knooppunt Muiderberg – knooppunt Diemen

Renovatie

11

Scharbergbrug

A76 Stein – Belgische grens

Renovatie

12

Scharsterrijnbrug

A6 Lemmer – Joure

Renovatie

13

Suurhoffbrug

N15 Emmeloord – Oostvoorne

Renovatie

14

Wantijbrug

N3 Papendrecht – Dordrecht

Renovatie

G SPOORWEGEN

nr.

Omschrijving spoorweg of emplacement

Omschrijving traject of locatie

Aard van het project

1

Emplacement Amersfoort westzijde

Vrije kruising spoorlijnen Amersfoort – Utrecht en Amersfoort – Amsterdam

ongelijkvloerse kruising (tunnelbak)

2

Vrije kruising bij Transformatorweg, Amsterdam

Vrije kruising spoorlijnen Amsterdam Centraal – Zaanlijn – Schiphollijn – Westelijk havengebied Amsterdam

ongelijkvloerse kruising (spoorviaduct)

3

Zuidtak OV SAAL Riekerpolder – Duivendrecht

Knooppunt Riekerpolder – knooppunt Duivendrecht (Zuidtak), incl. aansluitingen

wijziging naar 4 en 6 sporen (incl. ongelijkvloerse dubbele vorkaansluitingen)

4

Traject Leeuwarden – Groningen

 

wijziging van 1 naar 2 sporen

5

Flevolijn OV SAAL

Weesp – Lelystad

geluidmaatregelen en spoorverdubbeling bij Almere

H VAARWEGEN, SLUIZEN, HAVENS

nr.

Omschrijving vaarweg

Omschrijving traject of locatie

Aard van het project

1

Lekkanaal

Lekkanaal bij de Prinses Beatrixsluizen

Verbreding / verdieping / aanleg derde sluiskolk

2

IJmond

Voorhaven IJmuiden

Lichteren bulkcarriers / aanleg nieuwe insteekhaven

3

Waal-Rijn

Weurt-Lobith

Aanleg twee overnachtingshavens

Bijlage bij artikel 1.12 van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE III TOEPASSING LEX SILENCIO POSITIVO

Artikel 3.16 van de Wet ruimtelijke ordening


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 127