Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het verbeteren en versterken van de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen in de strafrechtsketen te verbeteren en te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het slot van artikel 12e, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Artikel 273, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

B

Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt in artikel 22 een vierde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 4. De raadkamer is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en van de getuige op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin, indien over de identiteit van de verdachte of getuige twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.

C

Aan het slot van artikel 23, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

D

Na artikel 27 worden twee artikelen ingevoegd, die luiden:

Artikel 27a

  • 1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. In de gevallen, bedoeld in artikel 55c, tweede en derde lid, omvat het vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer foto’s en vingerafdrukken.

  • 2. In de gevallen waarin van de verdachte overeenkomstig dit wetboek vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit ter verificatie het nemen van zijn vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 27b

  • 1. Onze Minister van Justitie kent aan de verdachte na de vaststelling van zijn identiteit een strafrechtsketennummer toe, tenzij aan hem reeds een strafrechtsketennummer is toegekend. Het strafrechtsketennummer bevat geen informatie over de verdachte.

  • 2. Het strafrechtsketennummer mag slechts worden gebruikt ten behoeve van het uitwisselen van persoonsgegevens van verdachten en veroordeelden ten behoeve van de toepassing van het strafrecht en de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.

  • 3. De functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, gebruiken bij het onderling uitwisselen van persoonsgegevens over verdachten en veroordeelden het strafrechtsketennummer, evenals bij het uitwisselen van deze persoonsgegevens met de functionarissen die met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast.

  • 4. Het strafrechtsketennummer en de andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden en die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden in de strafrechtsketendatabank verwerkt. Onze Minister van Justitie is verantwoordelijke voor deze databank.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de gegevens, bedoeld in het vierde lid.

E

Na artikel 29 wordt een artikel ingevoegd, dat als volgt luidt:

Artikel 29a

  • 1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.

  • 2. De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken.

F

Artikel 52 komt te luiden:

Artikel 52

Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.

G

Artikel 55b wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid vervallen het eerste en vijfde lid.

2. In het eerste lid wordt «De ambtenaren bedoeld in het eerste lid zijn voorts bevoegd» vervangen door: De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd.

3. In het tweede lid wordt «Zij oefenen de bevoegdheden bedoeld in het tweede lid» vervangen door: De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid,.

4. In het derde lid wordt «de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid,» vervangen door: de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid,.

H

Na artikel 55b wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 55c

  • 1. De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin.

  • 2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

  • 3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid.

I

Artikel 61a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komen de onderdelen a en b te luiden:

  • a. het maken van foto’s en video-opnamen;

  • b. het nemen van lichaamsmaten en handpalm-, voet-, teen-, oor- en schoenzoolafdrukken;.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De in het eerste lid genoemde maatregelen kunnen alleen worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid.

J

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt in onderdeel 2° de punt vervangen door een puntkomma en wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • 3°. dat de verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden zijn verbonden betreffende het gedrag van de verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

2. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt een zesde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 6. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.

K

Artikel 147 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van artikel 147 wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Aan artikel 147 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. De personen of lichamen, belast met de uitvoering van de opdrachten, stellen de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, tenzij de opdrachten in een inrichting worden uitgevoerd.

L

Artikel 151a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin wordt «onderzoek als bedoeld in de vorige zin» vervangen door: DNA-onderzoek.

2. Aan het slot wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.

M

Aan het slot van de artikelen 177, tweede lid, en 310 wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Artikel 147, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

N

Artikel 190 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De rechter-commissaris stelt de identiteit van de verdachten, getuigen en deskundigen vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechter-commissaris is tevens bevoegd de identiteit van de verdachten vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, en van de getuigen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, tweede volzin, indien over hun identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de getuigen van overeenkomstige toepassing.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot derde tot en met zesde lid wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt:

  • 2. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en deskundigen, of zij bloed- of aanverwant zijn van de verdachte en zo ja, in welke graad.

3. In het derde lid wordt «een bepaald gegeven, bedoeld in het eerste lid,» vervangen door: een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid,

4. In het vierde lid wordt «het tweede lid» vervangen door: het derde lid.

5. In het vijfde lid wordt «vindt het eerste lid geen toepassing» vervangen door: vinden het eerste en tweede lid geen toepassing.

6. In het zesde lid wordt «blijft het eerste lid buiten toepassing» vervangen door: blijven het eerste en tweede lid buiten toepassing.

O

Artikel 195a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin wordt «onderzoek als bedoeld in de vorige zin» vervangen door: DNA-onderzoek.

2. Aan het slot wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.

P

Aan artikel 244 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. Indien de officier van justitie voorwaarden stelt betreffende het gedrag van de verdachte, stelt hij tevens als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.

Q

Onder vernummering van het vierde lid tot zesde lid worden in artikel 257a een vierde en vijfde lid ingevoegd, die luiden:

  • 4. Bij het opleggen van een taakstraf en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het derde lid, onder e, geldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • 5. Bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de begeleiding bij de naleving van de aanwijzingen, bedoeld in het derde lid, onder e, wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld.

R

Aan het slot van artikel 269, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

S

Artikel 273, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De voorzitter begint het onderzoek tegen de verdachte door de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.

T

Artikel 290 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De voorzitter stelt voorafgaand aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, tweede volzin, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid worden een tweede en derde lid ingevoegd, die luiden:

  • 2. De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.

  • 3. Indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid, door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.

U

In artikel 296, tweede lid, wordt «artikel 290, eerste lid, tweede volzin» vervangen door: artikel 290, derde lid.

V

In artikel 487, eerste lid, wordt «de artikelen 52 tot en met 56» vervangen door: de artikelen 52 tot en met 55b, 56.

W

In artikel 360, eerste lid, wordt «de artikelen 190, tweede lid, en 290, eerste lid, tweede en derde volzin,» vervangen door: de artikelen 190, derde lid, en 290, derde lid,.

X

In artikel 493, zesde lid, wordt na «aan de verdachte hulp en steun verleent.» ingevoegd: Bij het verlenen van hulp en steun is artikel 80, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Y

Aan het slot van de artikelen 509o, vijfde lid, 552aa, tweede lid, en 578b, derde lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Artikel 273, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Z

In artikel 552o, tweede lid, wordt «190, eerste en vierde lid,» vervangen door: 190, eerste, tweede en vijfde lid,.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 14c, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

    • a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

    • b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, onder 5°, zijn gesteld, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

B

Aan het slot van artikel 14d, tweede lid, worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden, bedoeld in artikel 14c, tweede lid, onder 5°, stelt de reclasseringsinstelling dan wel de bijzondere reclasseringsambtenaar de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

C

Artikel 15a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

    • a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

    • b. de veroordeelde, voor zover aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid worden gesteld, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

D

Aan het slot van artikel 15b, tweede lid, worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: Bij het bieden van begeleiding bij en het toezicht houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

E

In artikel 22e wordt «Artikel 147 van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door: Artikel 147, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

F

Aan het slot van artikel 22k worden twee volzinnen toegevoegd: Bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

G

In artikel 22g, eerste lid, wordt «Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht» vervangen door: Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht.

H

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt:

  • 2. De rechter geeft tevens een in de uitspraak aangewezen instelling, die aan bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen voldoet, opdracht de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van de ter beschikking gestelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

I

In artikel 38g, tweede lid, wordt «De artikelen 38, eerste lid, tweede volzin en derde lid» vervangen door: De artikelen 38, eerste lid, laatste volzin, tweede en vierde lid,.

J

Artikel 38p wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid geldt als algemene voorwaarde dat:

    • a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

    • b. de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

2. Aan het slot van het vierde lid worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

K

Aan artikel 77f wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3. Bij het begeleiden bij de naleving van de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de uitvoering van de taakstraf, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe stelt de officier van justitie als voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

L

Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt in artikel 77o een tweede lid ingevoegd, dat luidt:

  • 2. Bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

M

In artikel 77p, eerste lid, wordt «Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht» vervangen door: Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht.

N

Artikel 77w wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel verleent de veroordeelde medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt hij een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

2. In het zevende lid wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt: Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel stelt de jeugdreclassering de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

O

Artikel 77z, eerste volzin, komt te luiden: Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en, in het geval aan de toepassing van artikel 77x bijzondere voorwaarden als bedoeld in de tweede volzin worden gesteld, dat hij medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

P

Aan het slot van artikel 77aa, tweede lid, worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de bijzondere voorwaarden stelt de stichting de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Q

Artikel 447e komt te luiden:

Artikel 447e

Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

ARTIKEL III

De Overleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 26, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van het Europees aanhoudingsbevel en de mogelijkheid van overlevering. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

B

Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid wordt in artikel 39 een derde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 3. De officier van justitie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of de rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IV

De Uitleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 26, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van het Europees aanhoudingsbevel en de mogelijkheid van overlevering. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

B

Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid wordt in artikel 41 een derde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 3. De rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de voortvluchtige vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van artikel 19, eerste lid, worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: De personen of lichamen, belast met de uitvoering van de opdrachten, stellen de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, tenzij de opdrachten in een inrichting worden uitgevoerd.

2. Aan het slot van het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, die luidt: De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van de officier van justitie, de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing van belang zijn. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de veroordeelde vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

C

In artikel 52, vierde lid, wordt «De artikelen 21–26 van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door: De artikelen 21–26 en 29a van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL VI

De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het slot van artikel 4, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Bij het uitoefenen van toezicht op de deelname aan een penitentiair programma wordt de identiteit van de deelnemer aan het penitentiair programma vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

B

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28

  • 1. De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de gedetineerde vast.

  • 2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de gedetineerde vast, tenzij een ambtenaar of medewerker op de gedetineerde voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.

  • 3. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de gedetineerde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.

  • 5. De directeur is bevoegd van de gedetineerde een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De gedetineerde is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.

ARTIKEL VII

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

  • 1. Het hoofd van de inrichting stelt bij de eerste opname in de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de verpleegde vast.

  • 2. Het vaststellen van de identiteit van de verpleegde omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de verpleegde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het vaststellen van de identiteit van de verpleegde omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de verpleegde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.

  • 4. Het hoofd van de inrichting is bevoegd van de verpleegde een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De verpleegde is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een personeelslid of medewerker te tonen.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.

B

Aan het slot van artikel 51, tweede lid, worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden: Bij het verlenen van hulp en steun wordt de identiteit van de ter beschikking gestelde vastgesteld. Artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VIII

Artikel 33 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen komt te luiden:

Artikel 33

  • 1. De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de jeugdige vast. Indien de jeugdige in een behandelinrichting verblijft, stelt hij slechts bij de eerste opname in de inrichting en bij de tenuitvoerlegging van het bevel, bedoeld in de eerste volzin, de identiteit van de jeugdige vast.

  • 2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de jeugdige vast, tenzij een personeelslid of medewerker op de jeugdige voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.

  • 3. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer van zijn vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de jeugdige tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.

  • 5. De directeur is bevoegd van de jeugdige een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De jeugdige is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.

ARTIKEL IX

Artikel 4 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Celmateriaal wordt slechts van de aangehouden persoon afgenomen, nadat van hem een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering zijn genomen en verwerkt en de opsporingsambtenaar zijn identiteit heeft vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

  • 4. Indien de aangehouden persoon ontkent de persoon te zijn tegen wie het bevel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, is gericht, of indien over zijn identiteit twijfel bestaat, is de opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden persoon, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit, aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich meevoert te onderzoeken. Artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

2. In het vijfde lid wordt «de maatregelen genoemd in artikel 61a, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door: de maatregelen, bedoeld in artikel 55c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL X

Na artikel 51 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 51a

  • 1. Bij de eerste opname in een psychiatrisch ziekenhuis, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is voor de vaststelling van de identiteit, wordt de identiteit vastgesteld van een persoon die krachtens een beslissing op grond van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst.

  • 2. Het vaststellen van de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, omvat bij de eerste opname in het psychiatrisch ziekenhuis het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten het psychiatrisch ziekenhuis. In de gevallen waarin van betrokkene vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000, omvat het vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van zijn vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van het identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de persoon, bedoeld in het eerste lid, een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt en is het tweede lid, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing. In een ander geval waarin het noodzakelijk is de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, vast te stellen, is het tweede lid, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing,

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het tweede en derde lid.

ARTIKEL XI

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

  • 1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:

    • a. dertig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene,

    • b. twintig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of

    • c. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.

  • 2. De termijn van dertig en twintig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan. In dat geval worden de justitiële gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat het vonnis is uitgesproken of de strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan zes jaar of zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld.

  • 3. De termijn van dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt met twintig jaar verlengd indien de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel langer is dan twintig jaar. Indien de gevangenisstraf levenslang is of de vrijheidsbenemende maatregel de duur van veertig jaar overstijgt, worden de justitiële gegevens na tachtig jaar vernietigd.

  • 4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven als bedoeld in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht na tachtig jaar vernietigd.

B

Artikel 5 komt te vervallen.

C

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens overtredingen worden vernietigd:

  • a. vijf jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd,

  • b. tien jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd, en daarbij een vrijheidsstraf, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of een taakstraf is opgelegd, dan wel aan een rechtspersoon een geldboete van de derde categorie of hoger is opgelegd,

  • c. twee jaar na het overlijden van betrokkene, of

  • d. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.

D

Artikel 39d komt te luiden:

Artikel 39d

Strafvorderlijke gegevens worden vernietigd overeenkomstig de termijnen, genoemd in de artikelen 4 en 6.

E

Artikel 41, derde lid, vervalt.

ARTIKEL XII

De vingerafdrukken die op grond van artikel 28, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 22, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 33, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, zoals die artikelleden luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, zijn verwerkt, worden tevens geacht te zijn verwerkt op grond van artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Tavarnelle, 18 juli 2009

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de achtentwintigste juli 2009

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 31 436

Naar boven