Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 september 2008, VGP/VV 2878778;
Gelet op artikel 36, eerste lid, van de Gezondheidswet;
De Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2008, no.W13.08.0415/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 oktober 2008, VGP/VV 2883276;
Hebben goedgevonden en verstaan:
NOTA VAN TOELICHTING
Tot de inwerkingtreding van dit besluit bepaalde artikel 1 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid niet alleen
uit welke onderdelen het Staatstoezicht bestaat, maar bevatte het tevens een niet-limitatieve beschrijving van de werkgebieden
van deze onderdelen. Volgens die beschrijving zou alleen de Inspectie voor de Gezondheidzorg (verder: IGZ) actief zijn op
het gebied van de geneesmiddelen, en de Voedsel en Waren Autoriteit (verder: VWA) niet. Die beschrijving was niet in overeenstemming
met de feitelijke situatie, aangezien de VWA inmiddels ook is belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens
de Geneesmiddelenwet gestelde voorschriften.
Gezien het voorgaande was het gewenst artikel 1 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid te beperken tot uitsluitend
de aanwijzing van de beide onderdelen van het Staatstoezicht op de volksgezondheid: de IGZ en de VWA. Artikel I, onder A,
van dit besluit zorgt daarvoor. Hierdoor wordt niet langer de indruk gewekt dat de VWA niet bevoegd zou zijn op het gebied
van de geneesmiddelen.
Het voorgaande betekent niet dat nu onduidelijk zou zijn welke taken en bevoegdheden de ambtenaren van de IGZ en de VWA thans
hebben. Hieronder is dat nader toegelicht.
Artikel 36, eerste lid, van de Gezondheidswet bepaalt dat het Staatstoezicht op de volksgezondheid (dus: zowel IGZ als VWA)
tot taak heeft onderzoek te verrichten naar de staat van de volksgezondheid en de determinanten daarvan alsmede, waar nodig,
het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan.
Uit artikel 36, eerste lid, onder b, van de Gezondheidswet blijkt dat het Staatstoezicht tevens tot taak heeft het toezicht
op de naleving en de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens wettelijke voorschriften op het gebied
van de volksgezondheid, een of ander voor zover de ambtenaren van het Staatstoezicht daarmede zijn belast bij of krachtens
wettelijk voorschrift.
Deze ruime taakomschrijving omvat alle werkgebieden van IGZ en VWA die voorheen beschreven waren in artikel 1 van het Besluit
Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Voor de toezichtstaken van zowel de IGZ als de VWA is artikel 8A2 van de Regeling Geneesmiddelenwet van belang. Die bepaling
luidt:
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Geneesmiddelenwet bepaalde zijn belast de hoofdinspecteurs, de
inspecteurs en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
De ambtenaren van de VWA en de IGZ zijn tevens belast met de handhaving van diverse andere wettelijke voorschriften. Die voorschriften
zijn wat betreft de VWA opgesomd in artikel 3, tweede lid, van het Besluit organisatie VWA. Zo hebben de ambtenaren van de
VWA onder meer de taak toe te zien op de naleving van de bij of krachtens de Warenwet gestelde voorschriften1.
Gezien deze wettelijke bevoegdheden kunnen ambtenaren van de VWA indien noodzakelijk dus optreden tegen producten die niet
voldoen aan de Warenwet of de Geneesmiddelenwet. Dat is vooral van belang bij producten waarbij niet op voorhand duidelijk
is welke wetgeving daarop van toepassing is: Geneesmiddelenwet of Warenwet. Dit soort producten wordt regelmatig aangetroffen
in levensmiddelenbedrijven – inclusief drogisterijen en andere bedrijven die voedingssupplementen of kruidenpreparaten en
dergelijke verhandelen – waar het toezicht in de praktijk uitsluitend wordt uitgeoefend door ambtenaren van de VWA, en dus
niet door de IGZ.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt enkele uitgewerkte artikelen van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid te
laten vervallen (artikel I, onder B, van dit besluit).
Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor de burger en het bedrijfsleven, en heeft ook verder geen
bedrijfseffecten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink