Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2008, 340Wet

Wet van 19 juni 2008, houdende regels voor een Inkomensvoorziening voor Oudere Werklozen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers tot stand te brengen in verband met de wijziging van het WW-stelsel en de bijzondere arbeidsmarktpositie van ouderen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEGRIPPEN EN ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Algemene begrippen

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvrager: de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven om een aanvraag in te dienen;

CWI: Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

eerste dag van werkloosheid: de eerste dag van werkloosheid, bedoeld in artikel 16a van de Werkloosheidswet;

kind: het kind jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, op grond van de Algemene kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen;

minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet;

Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;

uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet;

UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;

werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet.

Artikel 2 Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden

  • 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

    a. echtgenoot: geregistreerde partner;

    b. gehuwd: als partner geregistreerd;

    c. gehuwde: als partner geregistreerde.

  • 2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

    a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

    b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

  • 3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

  • 4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, en:

    a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering op grond van deze wet voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

    b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

    c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend samenlevingscontract; of

    d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.

HOOFDSTUK 2 DE UITKERING

Paragraaf 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering

Artikel 3 Recht op uitkering

  • 1. Recht op een uitkering op grond van deze wet heeft de persoon:

    a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 juli 2011 ligt;

    b. op die dag 60 jaar of ouder is;

    c. die na die dag meer dan drie maanden recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, en

    d. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

  • 2. Het recht op uitkering ontstaat op de dag nadat de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet is verstreken.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien artikel 42b van de Werkloosheidswet toepassing heeft gevonden ten aanzien van een recht op uitkering op grond van die wet waarbij de eerste dag van werkloosheid lag voor 1 oktober 2006 waarna dat recht geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na die datum een nieuw recht op uitkering is ontstaan.

Artikel 4 Vaststelling recht op uitkering

  • 1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat.

  • 2. Een aanvraag wordt ingediend bij het UWV.

  • 3. Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend.

Artikel 5 Later ontstaan van het recht op uitkering

Indien geen recht op uitkering is ontstaan omdat op de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, een of meer uitsluitingsgronden van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

Artikel 6 Uitsluitingsgronden

  • 1. Voor het recht op uitkering gelden de volgende uitsluitingsgronden:

    a. het buiten Nederland wonen of verblijf houden anders dan wegens vakantie;

    b. het niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000;

    c. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;

    d. het onbetaald verlof genieten als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet ter hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van dat verlof;

    e. het genieten van vakantie;

    f. het bereiken of hebben bereikt van de eerste dag van de kalendermaand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van de persoon die gedurende het buitenlands verblijf meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, mits:

    a. die activiteiten niet langer duren dan zes maanden;

    b. die activiteiten blijkens een intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten minste zes maanden;

    c. die activiteiten plaatsvinden in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland; en

    d. het bedrag dat het UWV is verschuldigd ter zake van die activiteiten niet hoger is dan het op grond van artikel 4.2, derde lid, van het Besluit SUWI vastgestelde bedrag.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder intentieverklaring verstaan: een ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft om een persoon die meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, na afloop van die activiteiten in dienst te nemen.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting of een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid, onderdeel a tot en met d, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, op grond waarvan die onderdelen niet van toepassing zijn.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

    a. het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e;

    b. de vaststelling van de periode gedurende welke de aanvrager of uitkeringsgerechtigde in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.

Paragraaf 2. Eindigen, herleven of wijzigen van het recht op uitkering

Artikel 7 Eindigen en herleving van het recht op uitkering

Het recht op een uitkering eindigt op de dag dat:

a. er ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde een uitsluitingsgrond van toepassing is;

b. de uitkeringsgerechtigde overlijdt.

Artikel 8 Herleven van het recht op uitkering

Indien geen recht op een uitkering meer bestaat omdat op de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, een of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 6 van toepassing waren, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat zich ten aanzien van die persoon geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

Artikel 9 Intrekking en herziening beschikkingen

  • 1. Onverminderd artikel 19 herziet het UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:

    a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 12, artikel 13, artikel 14 of 15 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;

    b. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld;

    c. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 12 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

  • 2. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Paragraaf 3. De hoogte van de uitkering

Artikel 10 Hoogte van de uitkering

  • 1. De uitkering bedraagt per kalendermaand:

    0,7 x (A – B), waarbij:

    A staat voor het minimumloon; en

    B staat voor het in de desbetreffende kalendermaand verworven inkomen.

  • 2. Onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

  • 3. Op de uitkering wordt inkomen in verband met arbeid geheel in mindering gebracht.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in het derde lid. Daarbij kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen alsmede van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.

  • 5. De uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag van de uitkering die de werknemer op grond van artikel 47 van de Werkloosheidswet ontving voorafgaand aan eerstgenoemde uitkering.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing, voor zover het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezing wordt samengesteld, of een algemeen bestuur van een waterschap.

  • 7. Een uitkeringsgerechtigde kan niet meer uitkering ontvangen op grond van deze wet dan 70% van het minimumloon.

HOOFDSTUK 3. RECHTEN EN PLICHTEN IN VERBAND MET HET RECHT OP UITKERING

Artikel 11 Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling

De uitkeringsgerechtigde heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel 12 Informatieplicht, medewerking controle en procedurevoorschriften

  • 1. De aanvrager, de uitkeringsgerechtigde en de instelling waaraan op grond van artikel 30 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van re-integratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering.

  • 2. De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde:

    a. voldoen aan elke oproep van het UWV of van een of meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;

    b. beantwoorden vragen die door het UWV of door een of meer door het UWV aangewezen personen in verband met het recht op uitkering op grond van deze wet worden gesteld;

    c. werken mee door zich te laten onderzoeken door het UWV of een of meer daartoe door het UWV aangewezen personen;

    d. leven door het UWV vastgestelde voorschriften als bedoeld in artikel 17 na.

  • 3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:

    a. het re-integratiebedrijf dat in opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of

    b. personen die met toestemming van het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in onderdeel b,

    c. voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen taken.

  • 4. De uitkeringsgerechtigde die bij deelname aan een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het re-integratiebedrijf.

Artikel 13 Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze wet

  • 1. De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde gedragen zich zodanig dat zij door hun doen en laten het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de Toeslagenwet, niet benadelen of zouden kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit lid is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 12.

  • 2. De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid behouden.

  • 3. De aanvrager of de uitkeringsgerechtigde heeft door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid behouden indien:

    a. hieraan een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde ter zake een verwijt gemaakt kan worden;

    b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

  • 4. Het niet voeren van verweer door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde tegen of het instemmen van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde met de beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 14 Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid

  • 1. De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde trachten in voldoende mate de mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid te behouden of te verkrijgen.

  • 2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, zijn de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde in elk geval verplicht:

    a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV of het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, op grond van het advies van een arts daartoe opdracht geeft en de genezing niet te belemmeren;

    b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op inschakeling in de arbeid, die het UWV wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid;

    c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoongebonden voorzieningen die het UWV verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;

    d. mee te werken aan het opstellen van de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet;

    e. te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet.

Artikel 15 Plichten gericht op inschakeling in de arbeid

De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde

a. staan als werkzoekende geregistreerd bij de CWI, indien hen daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. trachten in voldoende mate algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

c. aanvaarden aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid;

d. stellen geen eisen in verband met door hen te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

e. voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen.

Artikel 16 Vrijstelling en ontheffing van verplichtingen

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij groepen personen worden vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14 en 15.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan aanvragers en uitkeringsgerechtigden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hen opgelegd op grond van de artikelen 14 en 15.

Artikel 17 Uitkeringsreglement

  • 1. Het UWV stelt een uitkeringsreglement vast, dat bepalingen bevat omtrent:

    a. voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle;

    b. voorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering;

    c. andere voorwaarden die aan het ontvangen van uitkering zijn verbonden.

  • 2. Het op grond van het eerste lid door het UWV vastgestelde uitkeringsreglement behoeft goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 18 Verplichting werkgever

De werkgever is verplicht de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hen bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.

HOOFDSTUK 4. HANDHAVING

Artikel 19 Weigering uitkering bij niet nakoming verplichtingen

  • 1. Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet blijvend geheel indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de verplichting bedoeld in artikel 13, tweede lid, niet is nagekomen. Indien het niet nakomen van de verplichting die persoon niet in overwegende mate kan worden verweten weigert het UWV in afwijking van de eerste zin de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door de uitkering te halveren.

  • 2. Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel c, of e, niet of niet behoorlijk is nagekomen blijvend naar de mate waarin die persoon met het verrichten van de betreffende arbeid inkomen zou kunnen hebben verwerven.

  • 3. Het UWV weigert een uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting hem op grond van de artikelen 12, 13, eerste lid, 14, of 15 onderdelen a, b, of d, of artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.

  • 4. Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 5. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 12, eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 6. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 7. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 21 wordt opgelegd.

Artikel 20 Maatregel bij herleving van de uitkering

Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 19 heeft opgelegd, zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 8 een weigering van de uitkering voort.

Artikel 21 Boete bij niet nakoming verplichtingen

  • 1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2 269 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet.

  • 2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Artikel 22 Nadere regels betaling van boeten

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend.

Artikel 23 Afwijking van artikel 8:69 Awb

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de betrokken persoon wijzigen.

Artikel 24 Invordering bestuurlijke boete

  • 1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de overtreder ontvangt.

  • 2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de overtreder een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaanden wet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.

  • 3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV.

  • 4. Zolang de overtreder zijn verplichting, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:

    a. is het UWV in afwijking van artikel 4.4.1.9, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;

    b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4.4.4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de hoogte van het op grond van artikel 24, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.

Artikel 25 In kennis stellen re-integratiebedrijf van sanctie-oplegging

Indien het UWV de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die persoon werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van dat besluit in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf.

HOOFDSTUK 5. BETALING VAN DE UITKERING DOOR HET UWV

Artikel 26 Uitbetaling van de uitkering

Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.

Artikel 27 Betaling van de uitkering

  • 1. Het UWV betaalt de uitkering per vier kalenderweken of per maand achteraf.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is het UWV bevoegd de uitkering over een kortere periode te betalen, indien voorheen over die kortere periode loon of uitkering werd ontvangen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid betaalt het UWV een gedeelte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande twaalf kalendermaanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende kalendermaand. De vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de uitkering.

  • 4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wijzigt de in het vierde lid genoemde breuk dienovereenkomstig. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.

  • 5. De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 28 Inhouding vereveningsbijdrage

  • 1. Op de uitkering wordt een bedrag ingehouden dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is op grond van die wet, inhoudt.

  • 2. Indien op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.

Artikel 29 Overlijdensuitkering

  • 1. Na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde wordt met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald:

    a. aan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde;

    b. bij ontstentenis van de echtgenoot, aan het kind of de kinderen;

    c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

  • 2. Met de uitkeringsgerechtigde wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, de persoon wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch voor het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f, geen recht op een uitkering had.

  • 3. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over een periode van vier weken, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 4. In verband met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde is artikel 6, eerste lid, onderdeel f, niet van toepassing.

  • 5. De overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste lid, door het UWV uitbetaald.

  • 6. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.

  • 7. De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.

  • 8. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.

Artikel 30 Betaling aan instellingen

  • 1. Indien de uitkeringsgerechtigde aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 60, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

  • 2. Indien de uitkeringsgerechtigde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.

  • 3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering op grond van deze wet, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.

  • 4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 31 Verjaringstermijn

De uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 2 jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt niet meer betaald.

Artikel 32 Voorschot

Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.

Artikel 33 Opschorting en schorsing van de betaling

  • 1. Onverminderd artikel 32 schort het UWV de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoedens heeft dat:

    a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;

    b. recht op een lagere uitkering bestaat; of

    c. de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in de artikelen 12, eerste of tweede lid, 13, 14, of 15 niet is nagekomen.

  • 2. Indien een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een aanvrager of een uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.

  • 3. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 34 Terugvordering

  • 1. Een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 9 of 19 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.

  • 2. Het in aanmerking nemen van in de voorafgaande drie maanden ontvangen inkomen, wordt niet als terugvordering beschouwd.

  • 3. De uitkering wordt van de belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmee bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een uitkering verstaan een uitkering op grond van artikel 10, verminderd met de inhouding op grond van artikel 28 en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.

  • 5. De persoon van wie wordt teruggevorderd verstrekt desgevraagd aan het UWV de inlichtingen die voor de terugvordering van belang zijn.

Artikel 35 Afzien van terugvordering

  • 1. In afwijking van artikel 34, eerste en derde lid, kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de persoon van wie wordt teruggevorderd:

    a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

    b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

    c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

    d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

  • 2. De in het eerste lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:

    a. het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en

    b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid.

  • 3. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

  • 4. In afwijking van artikel 34, eerste en derde lid, kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Artikel 36 Executoriale titel beschikking tot terugvordering

  • 1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 34, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

  • 2. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddelde inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Artikel 37

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 34, 35 en 36 alsmede omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend van hetgeen onverschuldigd is betaald.

Artikel 38 Bepaling hoogte uitkering bij terugvordering

Onder uitkering in de zin van artikel 34 wordt verstaan de uitkering, bedoeld in artikel 10 verminderd met de inhouding op grond van artikel 28 en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 39 Onvervreemdbaarheid

  • 1. Een uitkering op grond van deze wet is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.

  • 2. Volmacht tot ontvangst van een uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

  • 3. Elke beding strijdig met dit artikel, is nietig.

HOOFDSTUK 6. FINANCIERING

Artikel 40 Financiering

  • 1. De op grond van deze wet te betalen uitkeringen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de Toeslagenwet.

  • 2. Ter dekking van de uitkeringen en de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt het Toeslagenfonds voorzien van middelen van het Rijk alsmede van de met de toepassing van artikel 21 verkregen boeten.

  • 3. Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, in de vorm van een onderdeel van het Toeslagenfonds.

HOOFDSTUK 7. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN DE RECHTSGANG

Artikel 41 Algemene beslistermijnen

  • 1. Onverminderd artikel 42 worden beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.

  • 3. Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

  • 4. Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 42 Bijzondere beslistermijnen

  • 1. Een beschikking over de betaling van een voorschot op grond van artikel 4.4.1.11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 43 Afzien van horen belanghebbende

In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het UWV gestelde redelijke termijn, verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

Artikel 44 Beslistermijn in bezwaar

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 45 Delegatiebepaling bezwaar medische besluiten

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.

Artikel 46 Strafbaar feit

  • 1. De werkgever die zijn verplichting als bedoeld in artikel 18 niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

  • 2. Het in het eerste lid omschreven strafbare feit is een overtreding.

Artikel 47 Beroep in cassatie

  • 1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen terzake van schending of verkeerde toepassing van artikel 2, tweede tot en met zesde lid en de daarop berustende bepalingen.

  • 2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

HOOFDSTUK 8. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 48 Verruiming grondslag lagere regelgeving

  • 1. De volgende algemene maatregelen van bestuur berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die maatregelen genoemde artikelen van deze wet:

    a. het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998: artikel 2, zesde lid;

    b. het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid: artikel 6, vierde lid;

    c. het Boetebesluit socialezekerheidswetten: artikel 21, zevende lid;

    d. het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1989 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, houdende vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds en voor de Ziektewet: artikel 28, tweede lid;

    e. het Reglement justitiële jeugdinrichtingen: artikel 6, vierde lid;

    f. het Besluit ontheffing verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, tweede lid.

  • 2. De volgende ministeriële regelingen berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die regelingen genoemde artikelen van deze wet:

    a. het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering: artikel 22 en artikel 37;

    b. de Regeling terugvordering geringe bedragen: artikel 35, vierde lid;

    c. de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 24 juni 1997, nr. SV/AVF/97/2347 tot vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds (Stcrt. 119): artikel 28, tweede lid;

    d. de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, eerste lid;

    e. Scholingsregeling WW: artikel 14, tweede lid;

    f. de Vakantieregeling WW: artikel 6, zesde lid.

Artikel 49 Evaluatie

Onze Minister zendt binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 50 Inwerkingtreding

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Deze wet vervalt met ingang van 1 juli 2016.

Artikel 51 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 19 juni 2008

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de achtentwintigste augustus 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 819