Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2008, 298AMvB

Besluit van 29 mei 2008, houdende wijziging van enkele besluiten in verband met de modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs alsmede enkele andere wijzigingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, van 27 maart 2008, nr. WJZ/2008/8155 (3815), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 10b, tiende lid, 10d, tiende lid, 19, 22, eerste lid, 29, vierde lid, 72, derde lid, 84, eerste lid, 103, tweede lid, en 103a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2008, nr. W05.08.0108/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, van 23 mei 2008, nr. WJZ/17287 (3815), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT W.V.O.

Het Bekostigingsbesluit W.V.O. wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 75c» vervangen door: artikel 69.

2. Het derde lid vervalt.

B

Artikel 15c vervalt.

C

Artikel 15d vervalt.

D

In artikel 15f, eerste lid, onder D, vervalt: als bedoeld in artikel 75 van de wet.

E

Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23. Dóórlopen bekostiging in geval van samenvoeging of afsplitsing per 1 augustus

Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 71, tweede of derde lid, van de wet of afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel c, van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar worden:

a. de bekostiging van de personeelskosten op grond van de artikelen 84 en 84b van de wet,

b. de bekostiging van de exploitatiekosten op grond van artikel 86 van de wet, en

c. aanvullende bekostiging op grond van de artikelen 85a of 89 van de wet, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen dan wel van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.

ARTIKEL II. WIJZIGING FORMATIEBESLUIT W.V.O.

Het Formatiebesluit W.V.O. wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van schoolsoortgroep 1 komt te luiden:

schoolsoortgroep 1: scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs, scholen voor praktijkonderwijs en scholengemeenschappen bestaande uit ten minste twee van deze schoolsoorten, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;.

2. De begripsbepaling van schoolsoortgroep 4 komt te luiden:

schoolsoortgroep 4: scholengemeenschappen bestaande uit scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs, al dan niet in combinatie met scholen voor praktijkonderwijs of scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs, en.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het in artikel 84, derde lid, van de wet bedoelde vaste aantal formatieplaatsen in verband met de personeelscategorie van de leraren bedraagt voor de school of scholengemeenschap het aantal volgens onderstaande tabellen.

    Tabel 1. Vaste aantal formatieplaatsen school

    School

    Vaste aantal formatieplaatsen

    praktijkonderwijs

    3,14

    v.b.o.

    2,64

    m.a.v.o.

    2,43

    h.a.v.o.

    2,55

    v.w.o.

    2,55

    Tabel 2. Vaste aantal formatieplaatsen scholengemeenschap

    Scholengemeenschap

    Vaste aantal formatieplaatsen

    v.b.o.-m.a.v.o.

    4,24

    v.b.o.-m.a.v.o.-h.a.v.o.

    3,97

    v.b.o.-h.a.v.o.

    3,97

    v.b.o.-h.a.v.o.-v.w.o.

    3,97

    v.b.o.-v.w.o.

    3,97

    v.b.o.-m.a.v.o.-v.w.o.

    3,97

    v.b.o.-m.a.v.o.-h.a.v.o.-v.w.o

    5,36

    m.a.v.o.-h.a.v.o.

    2,65

    m.a.v.o.-h.a.v.o.-v.w.o.

    4,91

    m.a.v.o.-v.w.o.

    2,65

    h.a.v.o.-v.w.o.

    4,47

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In verband met een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel III, vierde lid, van de Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 296), wordt, voor zover de school is ontstaan uit een afdeling voor praktijkonderwijs die is ontstaan uit het speciaal voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel III of VII van de wet van 25 mei 1998, Stb. 337, of die is ontstaan uit een school voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging, voortkomend uit dat speciaal voortgezet onderwijs, het aantal formatieplaatsen, bedoeld in het eerste lid, tabel 2, vermeerderd als volgt:

    a. schoolsoortgroep 1: 1,53 formatieplaatsen;

    b. schoolsoortgroep 4: 0,36 formatieplaatsen.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De ratio’s leraar/leerling voor scholen en voor scholengemeenschappen zijn:

    Tabel 1. Ratio leraar/leerling school

    School

    Ratio leraar/leerling

    praktijkonderwijs

    1/8,87

    v.b.o.

    1/17,14

    h.a.v.o.

    1/20,00

    m.a.v.o.

    1/20,00

    v.w.o.

    1/20,00

    Tabel 2. Ratio leraar/leerling scholengemeenschap

    Scholengemeenschap

    Ratio leraar/leerling

    v.b.o.-m.a.v.o.

    1/17,14

    v.b.o.-m.a.v.o.-h.a.v.o.

    1/17,14

    v.b.o.-h.a.v.o.

    1/17,14

    v.b.o.-h.a.v.o.-v.w.o.

    1/17,14

    v.b.o.-v.w.o.

    1/17,14

    v.b.o.-m.a.v.o.-v.w.o.

    1/17,14

    v.b.o.-m.a.v.o.-h.a.v.o.-v.w.o.

    1/17,14

    m.a.v.o.-h.a.v.o.

    1/20,00

    m.a.v.o.-h.a.v.o.-v.w.o.

    1/20,00

    m.a.v.o.-v.w.o.

    1/20,00

    h.a.v.o.-v.w.o.

    1/20,00

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Indien een school voor praktijkonderwijs deel uitmaakt van een scholengemeenschap, geldt voor leerlingen van die school een ratio leraar/leerling van 1/8,87 en geldt voor leerlingen van de overige scholen van de scholengemeenschap de ratio leraar/leerling van tabel 2 van het derde lid.

ARTIKEL III. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT W.V.O.

Het Inrichtingsbesluit W.V.O. wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling van Onze Minister wordt «Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij» vervangen door: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2. De begripsbepaling van intrasectoraal programma komt te luiden:

intrasectoraal programma: een intrasectoraal programma als bedoeld in artikel 10b, vierde lid, onderdeel c, en artikel 10d, vierde lid, onderdeel c, van de wet;.

3. Na de begripsbepaling van intrasectoraal programma wordt ingevoegd:

intersectoraal programma: een intersectoraal programma als bedoeld in artikel 10b, vierde lid, onderdeel c, en artikel 10d, vierde lid, onderdeel c, van de wet;

regionaal opleidingencentrum: een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;.

B

In artikel 7 vervalt: of afdeling.

C

In artikel 10, tweede lid, onderdeel b, wordt «de theoretische leerweg» vervangen door: de theoretische leerweg of de gemengde leerweg.

D

In artikel 26h, eerste lid, wordt «grafische techniek» vervangen door: grafimedia.

E

Artikel 26j komt te luiden:

Artikel 26j. Intrasectorale en intersectorale programma’s v.m.b.o. beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg

  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor v.b.o., een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor v.b.o. deel uitmaakt of een agrarisch opleidingscentrum kan een bij ministeriële regeling aangewezen intrasectoraal of intersectoraal programma verzorgen voor zover dat bevoegd gezag gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de afdelingen onderliggend aan het bijbehorende intrasectorale of intersectorale programma en overigens wordt voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. Bij ministeriële regeling worden de afdelingen, bedoeld in de vorige volzin, aangewezen.

  • 2. Een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in het eerste lid wordt niet verzorgd voordat

    a. het bevoegd gezag van het meest nabij gelegen regionaal opleidingencentrum en agrarisch opleidingscentrum heeft verklaard dat het programma in voldoende mate aansluit op het onderwijs dat door de desbetreffende instelling wordt verzorgd, en

    b. uit overleg met werkgevers die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt is gebleken dat er voor leerlingen die het programma zullen volgen naar verwachting voldoende stageplaatsen beschikbaar zullen zijn.

  • 3. Indien het de gemengde leerweg betreft, kan het bevoegd gezag op iedere vestiging waar afsluitend onderwijs v.b.o. of m.a.v.o. kan worden verzorgd, een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in het eerste lid verzorgen.

  • 4. Indien het de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg betreft kan het bevoegd gezag alleen op de vestigingen waar het onderwijs in de in het eerste lid bedoelde afdelingen daadwerkelijk wordt verzorgd, het bijbehorende intrasectorale of intersectorale programma, bedoeld in het eerste lid, verzorgen.

F

Na artikel 26j wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26k. Intersectoraal programma «intersectoraal groen»

  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor v.b.o., een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor v.b.o. deel uitmaakt of een agrarisch opleidingscentrum kan het intersectorale programma «intersectoraal groen» verzorgen, indien dit is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de wet en overigens wordt voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan het intersectorale programma «intersectoraal groen» verzorgen indien het gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de afdelingen onderliggend aan het programma, dan wel in één van deze afdelingen. In het laatste geval kan het bevoegd gezag het programma slechts verzorgen indien het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het bevoegd gezag van een school voor v.b.o. of van een agrarisch opleidingscentrum dat gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de ontbrekende afdeling. Bij ministeriële regeling worden de afdelingen, bedoeld in de eerste volzin, per uitstroomdifferentiatie van het programma aangewezen.

  • 3. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, heeft in elk geval betrekking op de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding, de examinering en de vestiging of vestigingen waar het programma zal worden verzorgd.

  • 4. Artikel 26j, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het intersectorale programma «intersectoraal groen». In afwijking van artikel 26j, vierde lid, kan het intersectorale programma «intersectoraal groen» verzorgd worden op iedere vestiging waar afsluitend onderwijs v.b.o. in ten minste één van de onderliggende afdelingenkan worden verzorgd, indien het de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg betreft.

G

Artikel 26l vervalt.

H

Artikel 26m komt te luiden:

Artikel 26m. Gevolgen van het verzorgen van intrasectorale en intersectorale programma’s v.m.b.o. in relatie tot artikel 10b, eerste lid, van de wet

Een bevoegd gezag dat een intrasectoraal of intersectoraal programma verzorgt als bedoeld in artikel 26j of artikel 26k, voldoet aan de voorschriften van artikel 10b, eerste lid, van de wet, indien dat programma wordt aangeboden:

a. in de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg,

b. in de basisberoepsgerichte leerweg en het onderwijs in ten minste één van de onderliggende afdelingen wordt aangeboden in de kaderberoepsgerichte leerweg, of

c. in de kaderberoepsgerichte leerweg en het onderwijs in ten minste één van de onderliggende afdelingen wordt aangeboden in de basisberoepsgerichte leerweg.

I

Na artikel 26n wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4. Toevoeging gemengde leerweg en afdeling landbouw en natuurlijke omgeving in het kader van regionale samenwerking

Artikel 27. Toevoeging gemengde leerweg
  • 1. Onderwijs in de gemengde leerweg als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel e, van de wet kan worden gegeven aan een school voor v.b.o. of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien het bevoegd gezag met het bevoegd gezag van een school voor m.a.v.o. een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering.

  • 2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op onderwijs in de gemengde leerweg als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel e, van de wet dat wordt gegeven aan een school voor m.a.v.o.

Artikel 28. Toevoeging afdeling landbouw en natuurlijke omgeving

Een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de wet kan op grond van artikel 72, derde lid, onderdeel f, van de wet worden toegevoegd aan een school voor v.b.o. indien:

a. het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum deelneemt aan de desbetreffende regionale samenwerking, of

b. het bevoegd gezag van het agrarisch opleidingscentrum waarvan een vestiging het dichtst gelegen is bij de vestiging waar het onderwijs in de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving zal worden verzorgd, heeft verklaard daarmee in te stemmen.

J

In artikel 31, tweede lid, wordt «scholen en afdelingen» vervangen door «scholen» en wordt «school of afdeling» vervangen door: school.

K

In artikel 32, eerste lid, wordt «intrasectorale programma’s» vervangen door: intrasectorale of intersectorale programma’s.

L

Bijlage 1 vervalt.

ARTIKEL IV. WIJZIGING BESLUIT VBO-GROEN IN EEN AOC

Het Besluit vbo-groen in een AOC wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, onderdeel b, komt te luiden:

b. artikel 103b, eerste lid, en wat betreft het tweede lid, onderdeel h, de zinsnede «als bedoeld in artikel 85a, eerste lid», alsmede het vierde tot en met het achtste lid van de WVO;.

B

In artikel 9 wordt «zijn de artikelen 40 en 40a» vervangen door: is artikel 40a.

C

Artikel 15 komt te luiden:

Artikel 15

Ten aanzien van de voorzieningenplanning zijn de volgende artikelen van de WVO niet van toepassing op vbo-groen in een AOC:

a. de artikelen 64 tot en met 68;

b. artikel 70;

c. artikel 71, tweede lid, onderdeel a, en wat betreft het vijfde lid de zinsnede «, indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen»;

d. artikel 72, derde lid, de onderdelen c en f;

e. de artikelen 73 en 74.

ARTIKEL V. WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT VOORZIENINGEN IN DE HUISVESTING PO/VO

In artikel 1, onderdeel f, van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO vervalt: of afdeling.

ARTIKEL VI. WIJZIGING BESLUIT RVC’S EN REGIONAAL ZORGBUDGET

Het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, tweede lid, wordt «een school voor praktijkonderwijs, van een school met een afdeling praktijkonderwijs dan wel» vervangen door: een school voor praktijkonderwijs of.

B

Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt: of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs.

2. In het derde lid, onderdeel c, vervalt: of afdeling.

ARTIKEL VII. WIJZIGING EINDEXAMENBESLUIT V.W.O.-H.A.V.O.-M.A.V.O.-V.B.O.

Het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van vakken komt te luiden:

vakken: vakken, intrasectorale programma’s, intersectorale programma’s en andere programma-onderdelen;.

2. De begripsbepaling van algemene vakken komt te luiden:

algemene vakken: vakken niet zijnde afdelingsvakken genoemd in artikel 26h, eerste lid, respectievelijk bedoeld in artikel 26i, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., en niet zijnde intrasectorale of intersectorale programma's als bedoeld in artikel 26j, eerste lid, of artikel 26k, eerste lid, van dat besluit;.

B

In artikel 23, eerste lid, onderdeel c, wordt «of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 26j, eerste lid, of artikel 26k, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

C

In artikel 24, eerste lid, onderdeel c, wordt «of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 26j, eerste lid, of artikel 26k, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

D

In artikel 25, eerste lid, onderdeel d, wordt «of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 26j, eerste lid, of artikel 26k, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

E

In artikel 49, tweede lid, wordt «intrasectorale programma» vervangen door: het intrasectorale of intersectorale programma.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING BESLUIT INFORMATIEVOORZIENING WVO

Het Besluit informatievoorziening WVO wordt als volgt gewijzigd:

1. In bijlage 1 wordt onder C1 Schoolgegeven: («vaste» gegevens) «Toegestaan onderwijs per erkende hoofd- of nevenvestiging» vervangen door: Toegestaan onderwijs per hoofdvestiging, nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging».

2. In bijlage 1 wordt onder C2 Schoolgegevens: («variabele» gegevens) «Aard van de vestiging waarin onderscheiden worden, de hoofdvestiging, nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak en de dislocatie» vervangen door: Aard van de vestiging waarin onderscheiden worden, de hoofdvestiging, de nevenvestiging en de tijdelijke nevenvestiging.

ARTIKEL IX. OVERGANGSRECHT

  • 1. Het bevoegd gezag dat op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een intrasectoraal programma verzorgde als bedoeld in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O. zoals luidend voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan dit programma gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit blijven verzorgen zolang wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 26l en Bijlage 1 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. zoals luidend voor de inwerkingtreding van dit besluit. Het bevoegd gezag kan het programma, bedoeld in de vorige volzin, vanaf het zesde jaar na inwerkingtreding van dit besluit blijven verzorgen indien en zolang dit programma is aangewezen in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 26j, eerste lid, eerste volzin, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. zoals luidend door artikel III, onderdeel E, van dit besluit en overigens wordt voldaan aan het eerste, derde en vierde lid van eerstgenoemd artikel.

  • 2. Het bevoegd gezag dat op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een intersectoraal programma verzorgde op basis van een beschikking van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van artikel 25 of artikel 29, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, kan dit programma gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit blijven verzorgen zolang wordt voldaan aan de voorwaarden die golden voor de desbetreffende school of vestiging bij de aanvang van de verzorging van het programma. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het intrasectorale programma Techniek Breed, verzorgd op basis van een beschikking van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van artikel 25 of artikel 29, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

ARTIKEL X. INWERKINGTREDING

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 29 mei 2008

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de vierentwintigste juli 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Deze nota van toelichting wordt gegeven mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Doel van het besluit

Dit besluit strekt ertoe de Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 296) (hierna te noemen: de wijzigingswet) uit te werken.

Daarnaast zorgt dit besluit ervoor dat bij afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap de bekostiging wordt gehandhaafd tot het einde van het kalenderjaar.

Tot slot wordt geregeld dat leerlingen die in het bezit zijn van het diploma vmbo voor zover het betreft de gemengde leerweg, niet langer de toestemming van de inspectie behoeven om toegelaten te kunnen worden tot het vierde leerjaar van het havo.

2. Achtergronden van het besluit

De wijzigingswet heeft als doel de regels over de voorzieningenplanning in het voortgezet onderwijs te moderniseren, te vereenvoudigen en te beperken.

De wijzigingswet heeft gevolgen voor enige algemene maatregelen van bestuur die op de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) gebaseerd zijn. Deels gaat het om inhoudelijke wijzigingen. Zo dienen de voorwaarden voor het verzorgen van intersectorale programma’s en de gemengde leerweg te worden vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder aan een VO-school een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving kan worden toegevoegd in geval van regionale samenwerking. Deels gaat het om technische wijzigingen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de vernummering van artikelen of het wijzigen of schrappen van wettelijke termen (grafische techniek, lyceum, afdelingen voor praktijkonderwijs).

3. Inhoud van het besluit

3.1. Voorwaarden intrasectorale en intersectorale programma’s

Van het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg kunnen intrasectorale en intersectorale programma’s deel uitmaken. In een intrasectoraal programma wordt het onderwijs van ten minste twee afdelingen uit dezelfde sector gecombineerd tot een samenhangend programma. Bij een intersectoraal programma gaat het om het onderwijs van ten minste twee afdelingen uit verschillende sectoren. De intrasectorale programma’s zijn geregeld in de WVO en in het Inrichtingsbesluit W.V.O. De intersectorale programma’s hadden tot dusver een experimenteel karakter en waren nader geregeld in beleidsregels met betrekking tot de regionale arrangementen in het vmbo. De wijzigingswet heeft de intersectorale programma’s omgevormd tot reguliere programma’s. Ook de intersectorale programma’s vinden nu hun grondslag in de WVO. Op grond van het tiende lid van de artikelen 10b en 10d WVO kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot intrasectorale en intersectorale programma’s, alsmede de voorwaarden waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum (AOC) binnen het kader van regionale samenwerking een intersectoraal programma kan worden verzorgd. Hierin voorziet de aanpassing van het Inrichtingsbesluit W.V.O., die in dit besluit is opgenomen.

Het Inrichtingsbesluit W.V.O. bevat nu voor zowel intrasectorale als intersectorale programma’s een regeling. Een bevoegd gezag mag een intrasectoraal of intersectoraal programma aanbieden, indien de school of scholengemeenschap gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de afdelingen onderliggend aan het bijbehorende intrasectorale of intersectorale programma. Een verschil met het Inrichtingsbesluit W.V.O. zoals dat tot nu toe gold is dat de intrasectorale programma’s niet langer benoemd worden in het Inrichtingsbesluit W.V.O. zelf, maar bij ministeriële regeling worden aangewezen. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte aan nieuwe programma’s, wordt het wenselijk geacht de programma’s bij ministeriële regeling te kunnen vaststellen. Hiermee hangt samen dat de afdelingen die een school of scholengemeenschap moet hebben om een bepaald programma te mogen verzorgen, ook niet meer in het Inrichtingsbesluit W.V.O. benoemd worden. Deze afdelingen worden eveneens bij ministeriële regeling aangewezen.

AOC’s en scholen met een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving (LNO) mochten tot dusver op grond van het Inrichtingsbesluit W.V.O. het intrasectoraal programma landbouw-breed verzorgen. Daarvoor was slechts één afdeling vereist (de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving (LNO)). Dit wordt gehandhaafd, met dien verstande dat het intrasectoraal programma landbouw-breed niet langer in het Inrichtingsbesluit W.V.O. zelf benoemd wordt, maar bij ministeriële regeling zal worden aangewezen (artikel 26j, eerste lid).

Naast de aanwezigheid van de onderliggende afdelingen is het van belang dat de programma’s die de scholen willen aanbieden voldoende aansluiting geven op het vervolgonderwijs (middelbaar beroepsonderwijs). Daarom is als voorwaarde gesteld dat het programma niet van start gaat voordat afstemming hierover heeft plaatsgevonden met het meest nabijgelegen ROC en AOC, voor wat betreft het vervolgonderwijs in de aan deze instellingen verbonden sectoren. De ROC’s en AOC’s kunnen een duidelijk beeld scheppen van de vakken die noodzakelijk zijn om bij hen een goede vervolgopleiding te kunnen volgen. Bovendien hebben zij goed zicht op het aantal stageplaatsen en leerbanen dat binnen deze vervolgopleidingen gerealiseerd kan worden alsmede op de doorstroommogelijkheden naar arbeidsplaatsen in de regio. Dit arbeidsmarktperspectief moet voldoende inzicht bieden in de huidige en toekomstige vraag naar en aanbod van geschoolden.

Ook is het van belang dat er bij bedrijven in de regio voldoende stageplaatsen gerealiseerd kunnen worden die passen bij de betreffende programma’s. Daarom is ook overleg met werkgevers die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt onontbeerlijk. Dit overleg wordt dan ook als voorwaarde gesteld voor het mogen starten van de programma’s.

Voor het intersectorale programma «intersectoraal groen» gelden bijzondere voorwaarden (artikel 26k Inrichtingsbesluit W.V.O.). In dit programma wordt onderwijs in de afdeling landbouw en natuurlijk omgeving gecombineerd met onderwijs in afdelingen uit andere sectoren. Het programma zal verschillende uitstroomvarianten kennen. Voor het programma «intersectoraal groen» geldt niet de eis dat het bevoegd gezag dat het programma wil aanbieden, over alle daarvoor benodigde afdelingen moet beschikken. AOC’s en bevoegde gezagsorganen van scholen of scholengemeenschappen die deelnemen aan regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 WVO, kunnen dit programma onder voorwaarden aanbieden. Dat een AOC slechts één afdeling onder zich heeft, de afdeling LNO (zie artikel 1.3.3 Wet educatie en beroepsonderwijs) staat daar niet aan in de weg. Het AOC is voor het aanbieden van het programma aangewezen op samenwerking met een school die de betreffende afdeling uit de andere sector onder zich heeft. In verband hiermee is in artikel 26k, tweede lid, Inrichtingsbesluit W.V.O. als voorwaarde opgenomen dat met de school die de betreffende afdeling uit de andere sector onder zich heeft, een samenwerkingsovereenkomst moet zijn gesloten. Deze overeenkomst heeft in elk geval betrekking op de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding, de examinering en de vestiging(en) waar het onderwijs feitelijk zal worden verzorgd. Ook een vbo-school die zelf niet over alle afdelingen benodigd voor het programma «intersectoraal groen» beschikt kan dit programma verzorgen, mits er een samenwerkingsovereenkomst is gesloten met een AOC of vbo-school die de ontbrekende afdeling onder zich heeft.

Een vbo-school die zelf over alle afdelingen beschikt die voor het groene intersectorale programma nodig zijn (inclusief de afdeling LNO) kan dit programma zelfstandig verzorgen. De vbo-school is voor de verzorging van dit programma niet aangewezen op een samenwerkingsovereenkomst met een AOC of vbo-school. Wel geldt als voorwaarde dat dit programma is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (artikel 26k, eerste lid, Inrichtingsbesluit W.V.O.).

3.2. Voorwaarden gemengde leerweg

Onderwijs in de gemengde leerweg kan op grond van artikel 10d, eerste lid, WVO worden verzorgd door scholengemeenschappen waarvan in elk geval een school voor mavo en een school voor vbo deel uitmaken. Ook AOC’s die deel uitmaken van een scholengemeenschap AOC-mavo kunnen op grond van artikel 10d, eerste lid, WVO de gemengde leerweg aanbieden, voor zover het vbo op de desbetreffende vestiging van het AOC deels leerlingen betrekt uit hetzelfde gebied als de school voor mavo.

Daarnaast kunnen scholen voor mavo en scholen voor vbo op grond van regionale samenwerking het onderwijs in de gemengde leerweg toevoegen aan hun onderwijsaanbod. Deze mogelijkheid bestaat ook voor AOC’s die geen deel uit maken van een scholengemeenschap AOC-mavo, alsook voor vestigingen van AOC’s die wel deel uit maken een scholengemeenschap AOC-mavo, maar waarbij het vbo op de desbetreffende vestiging niet deels leerlingen betrekt uit hetzelfde gebied als de school voor mavo. Voor deze scholen voor mavo, scholen voor vbo en AOC’s bepaalt artikel 72, derde lid, aanhef en onderdeel e, WVO dat de minister het onderwijs in de gemengde leerweg voor bekostiging in aanmerking brengt, indien deze voorziening is opgenomen in een RPO en indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden.

Een voorwaarde die door dit besluit aan het Inrichtingsbesluit W.V.O. wordt toegevoegd, is dat er een samenwerkingsovereenkomst is gesloten tussen enerzijds een school voor vbo of AOC en anderzijds een school voor mavo, die betrekking heeft op de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering (artikel 28 Inrichtingsbesluit W.V.O.). Een school voor vbo en een AOC zijn onderwijsinhoudelijk gezien aangewezen op samenwerking met een school voor mavo om het onderwijs in de gemengde leerweg te kunnen aanbieden. Omgekeerd is een school voor mavo aangewezen op samenwerking met een school voor vbo of AOC om de gemengde leerweg te kunnen verzorgen, zodat ook voor een school voor mavo de eis van een samenwerkingsovereenkomst moet gelden. Deze voorwaarden zijn in het verleden opgenomen in beleidsregels (Beleidsregel gemengde leerweg aan scholen voor mavo of scholen voor vbo 1999–2002, Gele Katern 1998, nr. 23, blz. 9–12, verlengd tot 2006 (Gele Katern 2002, nr. 18, blz. 94) en Beleidsregel gemengde leerweg aan aoc’s na bestuurlijke samenwerking 1999–2002, Gele Katern 1998, nr. 23, blz. 21–22).

3.3. Bekostiging afdelingen in het kader van regionaal plan onderwijsvoorzieningen

Op grond van artikel 72, derde lid, WVO kan op grond van een RPO onder meer een vbo-afdeling voor bekostiging in aanmerking worden gebracht. Bij zo’n toevoeging van een vbo-afdeling hoeft niet aan de getalsnormen, opgenomen in artikel 68, eerste lid, WVO te worden voldaan. Voor zover het gaat om de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving (LNO) die aan een VO-school wordt toegevoegd, wordt het wenselijk geacht specifieke voorwaarden te stellen. Dit houdt verband met het feit dat aan een AOC geen andere vbo-afdeling dan de afdeling LNO kan zijn verbonden (zie de memorie van toelichting bij de wijzigingswet, Kamerstukken II 2007/08, 31 310, nr. 3, blz. 33). Voorkomen moet worden dat het aanbod vbo-groen te zeer verdund wordt.

Een afdeling LNO kan aan een VO-school worden toegevoegd, indien een AOC aan de betreffende regionale samenwerking deelneemt. Dit AOC is dan betrokken geweest bij de vaststelling van het RPO waarin de afdeling LNO is opgenomen. Indien er geen AOC aan de betreffende regionale samenwerking deelneemt, geldt een instemmingsvereiste. Hierbij wordt uitgegaan van de vestiging van een AOC die het dichtst gelegen is bij de vestiging van de VO-school waar het onderwijs in de afdeling LNO zal worden verzorgd. Het bevoegd gezag van het betreffende AOC moet verklaard hebben in te stemmen met de toevoeging van de afdeling LNO. Dit wordt getoetst in het kader van de beoordeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 72, derde lid, van de WVO. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Inrichtingsbesluit W.V.O.

3.4. Bekostiging voormalige afdelingen voor praktijkonderwijs

Voor inwerkingtreding van de wijzigingswet hadden scholengemeenschappen met een afdeling voor praktijkonderwijs ontstaan uit het voortgezet speciaal onderwijs, recht op extra formatieplaatsen, op grond van artikel 2, derde lid, Formatiebesluit W.V.O. Scholengemeenschappen met een afdeling voor praktijkonderwijs hadden, ongeacht of die afdeling uit het voortgezet speciaal onderwijs was voortgekomen of langs andere weg tot stand was gekomen, bovendien recht op een specifieke ratio leraar/leerling van 1/8,87, op grond van artikel 3, vijfde lid, Formatiebesluit W.V.O.

Artikel III, vierde lid, van de wijzigingswet voorziet in de omzetting van alle afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs. Deze scholen vormen van rechtswege een scholengemeenschap met de school of scholengemeenschap waarvan zij voorheen een afdeling waren. De scholengemeenschappen waarvan deze scholen voor praktijkonderwijs deel uitmaken, behouden de bekostiging die zij voorheen vanwege de betreffende afdeling voor praktijkonderwijs ontvingen. Daartoe is het Formatiebesluit aangepast.

3.5. Aanpassing Besluit vbo-groen in een AOC

Op grond van artikel 1.3.3 WEB is een AOC een instelling in de zin van die wet, waarin, naast beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, tevens voorbereidend beroepsonderwijs in de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving, bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de WVO, wordt verzorgd. In beginsel zijn derhalve de bepalingen van de WEB van toepassing op het AOC, met uitzondering van de bepalingen betreffende de inhoud van het voorbereidend beroepsonderwijs.

Vanwege deze bijzondere positie die de AOC’s innemen in onderwijsrechtelijk stelsel zijn in deze beide onderwijswetten bepalingen opgenomen, die het mogelijk maken vast te stellen dat bepalingen van de WVO, of de WEB geheel of gedeeltelijk niet van toepassing te verklaren.

In het Besluit vbo-groen in een AOC is per onderwerp geregeld welke bepalingen van de WVO en de WEB niet of niet geheel van toepassing zijn. Dit besluit wordt om twee redenen aangepast.

Ten eerste is, na inwerkingtreding van de wijzigingswet, een aantal artikelen inhoudelijk gewijzigd, of is de inhoud van bepaalde artikelen opgenomen in een bepaling met een ander artikelnummer, dan voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Ten tweede wordt artikel 19 WVO na inwerkingtreding van de wijzigingswet inhoudelijk gewijzigd. Als algemeen uitgangspunt geldt dat voor het vbo-groen in een agrarisch opleidingscentrum inhoudelijk dezelfde regels gelden als voor het vbo dat niet in een AOC wordt verzorgd. Dat uitgangspunt wordt nu ook expliciet verwoord in artikel 19 WVO. Op een enkel punt waar dit noodzakelijk is, worden andere, afwijkende regels voorgesteld.

3.6. Handhaven bekostiging tot einde kalenderjaar bij afsplitsing van scholen

Bij een afsplitsing maken een of meer scholen zich los van een scholengemeenschap. Volgens artikel 72, achtste lid, WVO vangt de bekostiging bij (onder meer) afsplitsing van scholen aan op 1 augustus van enig kalenderjaar. In artikel 23 Bekostigingsbesluit W.V.O. wordt nu geregeld dat de bekostiging van vóór de afsplitsing doorloopt tot het einde van het kalenderjaar. In ditzelfde artikel was al geregeld dat bij samenvoeging van scholen per 1 augustus van enig kalenderjaar de oorspronkelijke bekostiging doorloopt tot het einde van het kalenderjaar. Door deze wijziging werken alle wijzigingen in de voorzieningen van bestaande scholen of scholengemeenschappen per 1 augustus pas door in de bekostiging van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de wijziging plaatsvindt.

3.7. Aansluiting gemengde leerweg-havo

De doorstroom van leerlingen uit de gemengde leerweg en de theoretische leerweg van het vmbo naar het havo neemt weer toe. Dat is een goede ontwikkeling. Scholen zien kans voor deze groep leerlingen een passend onderwijsprogramma te realiseren om deze doorstroom maar vooral de kans van slagen in het havo succesvol te maken. In de huidige situatie is toelating tot het vierde leerjaar van het havo voor leerlingen uit de gemengde leerweg slechts mogelijk na goedkeuring van het bevoegd gezag van de school en van de inspectie. Voor zowel de school als de inspectie geldt als beoordelingsmaatstaf, dat de leerling het onderwijs in het vierde leerjaar naar verwachting met voldoende resultaat zal kunnen volgen (artikel 10, eerste en derde lid, Inrichtingsbesluit W.V.O.). De goedkeuring van de inspectie wordt in de praktijk vrijwel altijd verleend en is daarmee uitsluitend nog een administratieve handeling. Daarom is besloten de goedkeuringsprocedure van de inspectie te laten vervallen en de beslissing geheel aan de scholen over te laten. Deze maatregel is aanbevolen door de Adviesgroep vmbo in het rapport «Voortvarend vmbo. Samen koersen op bewegingsruimte» (Kamerstukken II 2006/07, 30 079, nr. 8).

De effecten van de doorstroom van leerlingen uit de gemengde leerweg naar het havo zullen gemonitord worden en na twee tot drie jaar geëvalueerd worden.

4. Administratieve lasten

De wijzigingen in de besluiten hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten. Dit met uitzondering van artikel 26j, tweede lid, Inrichtingsbesluit W.V.O. en de wijziging van artikel 10 Inrichtingsbesluit W.V.O.

Artikel 26j, tweede lid, Inrichtingsbesluit W.V.O. houdt in dat een intra- of intersectoraal programma niet wordt verzorgd voordat het ROC en AOC hebben verklaard dat het programma voldoende aansluit op het onderwijs dat door deze instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs verzorgd wordt. Ook moet uit overleg met werkgevers werkzaam op de regionale arbeidsmarkt gebleken zijn dat er voor de betreffende leerlingen voldoende stageplaatsen zijn. Voor intersectorale programma’s was een dergelijke bepaling voorheen reeds opgenomen in de Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2006 en 2007 (Stcrt. 2006, 217, blz. 15 e.v., gewijzigd bij besluit van 27 juli 2007, Stcrt. 2007, 152, blz. 23 e.v.). In zoverre is er geen sprake van wijziging van de administratieve lasten. Voor intrasectorale programma’s is deze verplichting wel nieuw. Deze verplichting vloeit voort uit het beleidsmatig belang van een goede aansluiting op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt. Tevens is het uit oogpunt van eenvoud in de regelgeving gewenst om voor intra- en intersectorale programma’s van dezelfde regels uit te gaan. De verhoging van de lasten is zeer beperkt. Het overleg over de intrasectorale programma’s kan immers gemakkelijk gecombineerd worden met dat over de intersectorale programma’s. Daarbij komt dat er jaarlijks slechts een beperkt aantal intrasectorale programma’s wordt gestart (circa 5). Voor dat overleg is naar schatting per programma 28 manuren nodig, tegen een tarief van 33 euro per uur (924 euro per programma); bij 5 programma’s gaat het dus in totaal om 4.620 euro per jaar.

Daarnaast vervalt voor leerlingen die de gemengde leerweg van het vmbo hebben afgerond de verplichting om de instemming van de inspectie te verkrijgen als zij willen instromen in het havo (zie wijziging artikel 10 Inrichtingsbesluit W.V.O.).

Het besluit is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Actal heeft op grond van de door haar gehanteerde selectiecriteria besloten het besluit niet te selecteren voor een toets.

5. Uitvoerings- en handhavingsgevolgen

CFI en de IB-Groep hebben voor dit besluit een uitvoeringstoets verricht. Het besluit is tevens voorgelegd aan de Inspectie van het onderwijs.

CFI is van mening dat het voorstel uitvoerbaar is onder een aantal voorwaarden. Die voorwaarden betreffen met name de doorwerking van dit besluit en de wijzigingswet op de basisregistratie instellingen (Brin) en – daarmee samenhangend – de zgn. elementcodetabel. CFI gaat er daarbij van uit dat aanpassingen in Brin pas per 1 augustus 2009 moeten zijn verwerkt. Aan de voorwaarden die CFI heeft gesteld zal worden voldaan. Er zal, overeenkomstig artikel III, zestiende lid, van de wijzigingswet een ministeriële regeling worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de wet. Deze regeling zal CFI tot 1 augustus 2009 de tijd geven om haar systemen aan te passen.

Verder gaat CFI er van uit dat van de overlegverplichting met werkgevers (zie nieuw artikel 26j, tweede lid, Inrichtingsbesluit W.V.O.) geen melding en registratie bij CFI hoeft plaats te vinden. Dit is juist.

Tot slot maakt CFI een algemeen voorbehoud in verband met de uitwerking bij ministeriële regeling van een aantal onderdelen van dit besluit. Alle ministeriële regelingen die op dit besluit of op de wijzigingswet berusten, zullen nog voor een uitvoeringstoets aan CFI worden voorgelegd.

De IB-Groep geeft aan dat het besluit uitvoerbaar is als CFI de nodige wijzigingen tijdig en correct kan verwerken in de tabellen (de school-/studiegegevens).

Wat betreft de handhaafbaarheid van de wetgeving omtrent het toegestane onderwijsaanbod merkt de inspectie op dat daarvoor afspraken met het kerndepartement zullen moeten worden gemaakt. Dit is evenwel al in ontwikkeling: de zogenaamde Interventiepiramide.

6. Financiële gevolgen

Aan dit besluit zijn geen gevolgen voor de Rijksbegroting verbonden.

Artikelsgewijs

ARTIKEL I. Wijziging Bekostigingsbesluit W.V.O.

Onderdelen A en D (artikel 7a en 15f)

Door de wijzigingswet hebben de artikelen in de WVO over de voorzieningenplanning een andere nummering gekregen. Hieraan zijn artikelen 7a en 15f technisch aangepast. Het derde lid van artikel 7a vervalt in verband met de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs (artikel III, vierde lid, van de wijzigingswet).

Onderdeel B (artikel 15c)

Artikel 15c bevatte een overgangsregeling voor de melding van gegevens uit de leerlingentelling bij scholengemeenschappen waarvan een AOC en een school voor mavo deel uit maken. Deze overgangsregeling geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit artikel is vervallen omdat het bedoelde tijdstip inmiddels is bepaald op 1 oktober 2006 (Stb. 2006, 622).

Onderdeel C (artikel 15d)

Artikel 15d bevatte een overgangsregeling voor de melding van gegevens uit de leerlingentelling bij scholen voor praktijkonderwijs. Deze overgangsregeling geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit artikel is vervallen omdat het bedoelde tijdstip inmiddels is bepaald op 1 januari 2008 (Stb. 2007, 466).

Onderdeel E (artikel 23)

Dit onderdeel wijzigt artikel 23 van het Bekostigingsbesluit W.V.O. zodanig dat de oorspronkelijke bekostiging niet alleen bij samenvoeging van scholen, maar ook bij afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap, doorloopt tot het einde van het kalenderjaar. Zie paragraaf 3.6 van het algemeen deel van deze toelichting.

ARTIKEL II. Wijziging Formatiebesluit W.V.O.

Onderdeel A (artikel 1)

De begripsbepalingen van schoolsoortgroepen 1 en 4 zijn aangepast naar aanleiding van de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs.

Onderdelen B en C (artikelen 2 en 3)

Na de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs, behouden de scholengemeenschappen waarvan deze scholen deel uitmaken, de bekostiging die zij voorheen vanwege de betreffende afdeling voor praktijkonderwijs ontvingen. Daartoe strekt de wijziging van artikelen 2 en 3. De tabellen in deze artikelen zijn genummerd; tabel 1 heeft betrekking op (categoriale) scholen en tabel 2 op scholengemeenschappen. Deze tabellen zijn tevens zodanig gewijzigd dat de begrippen gymnasium, atheneum en lyceum zijn vervangen door vwo. Hiervoor is gekozen omdat het begrip lyceum uit de WVO is geschrapt (zie artikel I, onderdeel B, van de wijzigingswet) en voor gymnasia en athenea op grond van het Formatiebesluit W.V.O. reeds hetzelfde vaste aantal formatieplaatsen en dezelfde ratio leraar/leerling golden.

ARTIKEL III. Wijziging Inrichtingsbesluit W.V.O.

Onderdeel A (artikel 1)

Dit onderdeel voegt aan artikel 1 een begripsbepaling van intersectoraal programma toe. Tevens is de begripsbepaling van intrasectoraal programma zodanig gewijzigd, dat deze verwijst naar de desbetreffende bepaling van de WVO in plaats van naar een bepaling van het Inrichtingsbesluit W.V.O. zelf. Tot slot zijn begripsbepalingen van regionaal opleidingencentrum en agrarisch opleidingscentrum toegevoegd, in verband met de artikelen 26j, 26k, 27 en 28, en is de begripsbepaling van Onze Minister geactualiseerd.

Onderdeel B (artikel 7)

Deze wijziging houdt verband met de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs.

Onderdeel C (artikel 10)

Tot dusver moesten leerlingen met een diploma vmbo voor zover het betreft de gemengde leerweg, op grond van artikel 10, derde lid, Inrichtingsbesluit W.V.O. toestemming krijgen van de inspectie om in te kunnen stromen in het vierde leerjaar van het havo. Onderdeel C schrapt dit toestemmingsvereiste. Voor de achtergrond van deze maatregel zie paragraaf 3.7 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel D (artikel 26h)

Deze terminologische wijziging vloeit voort uit artikel I, onderdeel F, van de wijzigingswet.

Onderdeel E (artikel 26j)

In artikel 26j zijn de voorwaarden voor het verzorgen van intrasectorale en intersectorale programma’s opgenomen. In paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze toelichting wordt nader ingegaan op deze voorwaarden.

Op grond van het eerste lid worden bij ministeriële regeling intrasectorale en intersectorale programma’s aangewezen. Bij ministeriële regeling worden tevens de afdelingen aangewezen die voor het verzorgen van een programma nodig zijn.

Het tweede lid bevat een verplichting tot afstemming met het meest nabijgelegen ROC en AOC voor wat betreft het aanbod van vervolgonderwijs in de aan deze instellingen verbonden sectoren, en met werkgevers werkzaam op de regionale arbeidsmarkt. Dit met het oog op de beschikbaarheid van voldoende stageplaatsen en doorstroommogelijkheden naar het middelbaar beroepsonderwijs.

Het derde en vierde lid zijn overgenomen uit artikel 26l Inrichtingsbesluit W.V.O. Binnen de gemengde leerweg kan een intrasectoraal of intersectoraal programma verzorgd worden op iedere vestiging van een school of AOC waar afsluitend vbo of mavo mag worden verzorgd (derde lid). Binnen de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg mag het intrasectorale of intersectorale programma alleen worden verzorgd op vestigingen waar het onderwijs in al de onderliggende afdelingen daadwerkelijk wordt verzorgd (vierde lid).

Onderdeel F (artikel 26k)

In het nieuwe artikel 26k zijn bijzondere bepalingen opgenomen voor het intersectoraal programma «intersectoraal groen». Dit programma is aangekondigd in de memorie van toelichting bij de wijzigingswet (Kamerstukken II 2007/08, 31 310, nr. 3, p. 23) en wordt benoemd in het Inrichtingsbesluit W.V.O. zelf. Dit in tegenstelling tot de andere intersectorale programma’s, die bij ministeriële regeling zullen worden aangewezen (zie artikel 26j, eerste lid).

In het programma «intersectoraal groen» wordt onderwijs in de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving gecombineerd met onderwijs in afdelingen uit andere sectoren. Het programma zal drie uitstroomvarianten kennen. Bij ministeriële regeling zullen (per uitstroomvariant) de benodigde afdelingen aangewezen worden. Het programma kan worden verzorgd wanneer een regionaal plan onderwijsvoorzieningen daarin voorziet (eerste lid). Indien de grondslag in het RPO aanwezig is kan het programma worden verzorgd door vbo-scholen en AOC’s. Een vbo-school die slechts één van de afdelingen onderliggend aan het programma «intersectoraal groen» onder zich heeft, moet een samenwerkingsovereenkomst sluiten met een vbo-school of AOC die de ontbrekende afdeling onder zich heeft (tweede lid). Dit vereiste geldt ook voor een AOC, omdat een AOC alleen de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving onder zich heeft. In de samenwerkingsovereenkomst worden bindende afspraken gemaakt over de uitvoering van het programma (derde lid). Het programma hoeft daarbij niet zowel op een vestiging van de vbo-school als op een vestiging van het AOC (of van de andere vbo-school) feitelijk te worden verzorgd. Wel noodzakelijk is dat er afspraken worden gemaakt over de vestigingen binnen het samenwerkingsverband waar het programma feitelijk wordt verzorgd. Dit met inachtneming van het vierde lid.

Het vierde lid verklaart het tweede en derde lid van artikel 26j van overeenkomstige toepassing en geeft aan dat wordt afgeweken van het vierde lid van artikel 26j. Ook bij het programma «intersectoraal groen» is het, met het oog op doorstroommogelijkheden en stageplaatsen, van belang dat afstemming plaatsvindt met het MBO en het bedrijfsleven. Daarom wordt het tweede lid van artikel 26j van overeenkomstige toepassing verklaard. Het programma kan worden aangeboden op alle vestigingen waar afsluitend onderwijs v.b.o. in tenminste één van de onderliggende afdelingen mag worden verzorgd. Dit geldt niet alleen als het programma wordt aangeboden binnen de gemengde leerweg, maar ook binnen de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg. Andere intersectorale programma’s kunnen binnen de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg slechts worden verzorgd worden op vestigingen waar alle afdelingen onderliggend aan het programma daadwerkelijk worden verzorgd (artikel 26j, vierde lid). Voor het programma «intersectoraal groen» wordt hiervan afgeweken. Reden is dat een school of AOC bij dit programma niet over alle onderliggende afdelingen hoeft te beschikken, om het programma te mogen verzorgen (zie tweede lid).

Onderdeel G (artikel 26l)

Dit onderdeel laat artikel 26l, dat de voorwaarden voor het verzorgen van intrasectorale programma’s bevatte, vervallen. Grotendeels zijn deze voorwaarden thans opgenomen in artikel 26j en verruimd tot de intersectorale programma’s.

Onderdeel H (artikel 26m)

Dit onderdeel voegt de intersectorale programma’s toe aan artikel 26m.

Onderdeel I (artikel 27 en 28)

Dit onderdeel voegt een paragraaf toe waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder aan vbo-scholen, scholen voor mavo en AOC’s (in het kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 WVO) onderwijs in de gemengde leerweg verzorgd kan worden. Zie nader paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Ook zijn in de nieuwe paragraaf voorwaarden opgenomen waaronder vbo-scholen onderwijs in de afdeling LNO kunnen gaan verzorgen, eveneens in het kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 WVO. Zie nader paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel J (artikel 31)

Deze wijzigingen houden verband met de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs.

Onderdeel K (artikel 32)

Artikel 32, eerste lid, bepaalde dat in het derde en vierde leerjaar de lessen in afdelingsvakken of intrasectorale programma’s kunnen worden besteed aan stage. Dit lid is zodanig gewijzigd dat ook de lessen in intersectorale programma kunnen worden besteed aan stage.

Onderdeel L (bijlage 1)

Zoals aangegeven in paragraaf 3.1, zullen de intrasectorale en intersectorale programma’s en de daarvoor benodigde afdelingen worden aangewezen bij ministeriële regeling. In verband hiermee is de bijlage bij het Inrichtingsbesluit W.V.O. vervallen.

ARTIKEL IV. Wijziging Besluit vbo-groen in een AOC

Onderdeel A (artikel 4)

Bij ministeriële regeling kan, op grond van artikel 85a WVO, bij bijzondere ontwikkelingen aan scholen voor voortgezet onderwijs aanvullende bekostiging voor personeelskosten worden verstrekt. Omdat AOC’s, voor wat betreft de bekostigingssystematiek, geheel onder de reikwijdte van de WEB vallen is dit artikel niet van toepassing op vbo-groen in een AOC. Op grond van artikel 2.2.3 WEB kan, op grond van een ministeriële regeling, een gelijksoortige aanvullende bekostiging worden verstrekt ten behoeve van het vbo-groen in een AOC.

Artikel 103b, tweede lid, onderdeel h, WVO bepaalt dat een school verplicht is gegevens betreffende eventueel in de leerlingenpopulatie aanwezige leden van minderheden aan te leveren, indien die minderheden of de verblijfsduur van die minderheden als categorie zijn opgenomen in een ministeriele regeling voor bekostiging, als bedoeld in artikel 85a WVO. Zoals vermeld is die bekostigingsgrondslag niet van toepassing op vbo-groen in aan AOC. Door middel van deze wijziging is artikel 103, tweede lid, onderdeel h, WVO wel van toepassing op het vbo-groen in een AOC.

Op grond van artikel 4 van het Besluit vbo-groen in een AOC, zoals dat luidt na aanpassing, verstrekt het bevoegd gezag van een AOC derhalve, indien van toepassing, de aanduiding van de minderheidsgroep en de verblijfsduur in Nederland, voorzover de desbetreffende minderheidsgroep of verblijfsduur als categorie is opgenomen in een ministeriële regeling waarin voorschriften zijn vastgesteld omtrent toekenning van een aanvullende vergoeding voor personeelskosten. De verwijzing naar artikel 85a WVO wordt uitgezonderd voor vbo-groen in een AOC.

Onderdeel B (artikel 9)

Deze wijziging houdt verband met het vervallen per 1 juli 2007 van artikel 40 van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 2006, 19).

Onderdeel C (artikel 15)

De wijzigingswet wijzigt afdeling I van titel III van de WVO. In deze afdeling zijn de bepalingen betreffende de voorzieningenplanning in het voortgezet onderwijs opgenomen. In artikel 15 van het besluit is bepaald welke artikelen met betrekking tot de voorzieningenplanning van het voortgezet onderwijs van toepassing zijn op het vbo-groen. In onderstaande weergave wordt ten aanzien van elk artikel in die afdeling aangegeven of het van toepassing is op het vbo-groen in een AOC.

Artikelen 64 tot en met 66 en 68 WVO zien op de vestiging van nieuwe scholen of afdelingen vbo. Deze artikelen zijn niet van toepassing op het vbo-groen aan een AOC, omdat aan een AOC per definitie een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving aanwezig is. Artikel 67 draagt aan gedeputeerde staten de verplichting op zorg te dragen voor voldoende openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Hiertoe kunnen gedeputeerde staten de gemeente opdragen een aanvraag voor bekostiging in te dienen voor een openbare school. Omdat een dergelijke aanvraag voor vbo-groen aan een AOC gezien het bovenstaande niet mogelijk is, is dit artikel evenmin van toepassing.

Artikel 69 WVO ziet op de mogelijkheid onder voorwaarden leerwegondersteunend onderwijs aan te bieden aan een school of afdeling. Dit artikel is van toepassing op het vbo-groen in een AOC. De berekening van de rijksbijdrage voor het leerwegondersteunend onderwijs gegeven aan het vbo-groen in een AOC wordt geregeld in artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB.

Artikel 70 WVO is niet van toepassing, omdat omzetting voor AOC’s geregeld is in artikel 2.1.3, tweede lid, WEB. Artikel 71, eerste lid, WVO (verplaatsing) is van toepassing op het vbo-groen in een AOC. Samenvoeging van een scholengemeenschap waarvan een AOC, en dus ook het vbo-groen in een AOC, deel uitmaakt, is geregeld in het derde lid van artikel 71, in combinatie met het tweede lid, onderdeel b. Na samenvoeging waarbij een AOC betrokken, is gelden de nadere voorschriften van de leden 4 en 6 ook voor het vbo-groen in het AOC dat tot de ontstane scholengemeenschap behoort. Het vijfde lid van artikel 71 is gedeeltelijk van toepassing op het vbo-groen in een AOC. Een tijdelijke nevenvestiging van vbo-groen in een AOC komt, op grond van dat artikel, voor bekostiging in aanmerking indien deze voldoet aan de eisen die op grond van de WVO gelden voor tijdelijke nevenvestigingen. De voorwaarde, dat het bevoegd gezag aantoont dat burgemeester en wethouders voor die nevenvestiging voldoende huisvesting ter beschikking zullen stellen, geldt niet voor het vbo-groen in een AOC, omdat de gemeente geen zorgplicht heeft ten aanzien van de huisvesting van (het vbo-groen in) een AOC. Wel geldt ook voor een tijdelijke nevenvestiging die aan een AOC verbonden wordt, dat dat deze dient te voorzien in een tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofd- of nevenvestiging. Hierover kunnen in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 76 WVO, nadere voorschriften vastgesteld worden.

Een AOC kan, voor wat betreft het vbo-groen, deelnemen aan een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO). Artikel 72 WVO is dan ook van toepassing op het vbo-groen in een AOC. Omdat het vbo-groen in een AOC een integraal onderdeel is van het AOC kan geen afsplitsing plaatsvinden. Het derde lid, onderdeel c is dan ook niet van toepassing.

Artikel 1.3.3 WEB bepaalt dat in een AOC voorbereidend beroepsonderwijs in de afdeling landbouw en natuurlijk omgeving wordt gegeven. Bij wet kan worden bepaald dat tevens ander voortgezet onderwijs wordt verzorgd. Op grond van artikel 72, derde lid, onderdeel e, WVO kan een AOC bij deelname aan een RPO tevens onderwijs in de gemengde leerweg aanbieden. Omdat geen andere afdeling dan de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving aan het AOC kan worden toegevoegd is onderdeel f van het derde lid niet van toepassing.

Artikel 73 WVO, dat ziet op incidentele bekostiging van cursusonderwijs, en artikel 74 WVO, dat ziet op aanvullende bekostiging, zijn niet van toepassing op het vbo-groen in een AOC. Beide artikelen bieden een grondslag voor bekostiging van bepaalde activiteiten. Het vbo-groen in een AOC, dat een onlosmakelijk onderdeel is van een instelling die onder de WEB valt, wordt bekostigd op grond van de WEB. Op grond van artikel 2.1.3 kent de WEB een gesloten bekostigingssystematiek. De toekenning van aanvullende middelen is geregeld in artikel 2.2.3 WEB.

Op grond van artikel 75 WVO kan bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van afdeling I van Titel III ten behoeve van, onder andere, een scholengemeenschap die een AOC en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs omvat. Voorschriften op grond van artikel 75, die zien op voorbereidend beroepsonderwijs, zijn van toepassing op het vbo-groen in een AOC.

Op grond van artikel 75a WVO kan een belanghebbende tegen een besluit, genomen op grond van een bepaling uit afdeling I van Titel III, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wanneer op grond van artikel 76 VWO nadere voorschriften worden vastgesteld voor een bepaling die van toepassing is op het vbo-groen in een AOC gelden die voorschriften tevens voor het vbo-groen in een AOC.

ARTIKEL V. Wijziging Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO

Deze technische wijziging houdt verband met de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs.

ARTIKEL VI. Wijziging Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget

Deze technische wijzigingen houden verband met de omzetting van de afdelingen voor praktijkonderwijs in scholen voor praktijkonderwijs.

ARTIKEL VII. Wijziging Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

Tot nu toe waren alleen de intrasectorale programma’s opgenomen in het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. In verband met het regulier worden van de intersectorale programma’s was het noodzakelijk dat besluit op onderdelen aan te passen. Daartoe strekt artikel VII.

Artikel VIII. Wijziging Besluit informatievoorziening WVO

Dit artikel voert het onderscheid tussen hoofdvestigingen, nevenvestigingen en tijdelijke nevenvestigingen (zie artikel 16 van de wijzigingswet) door in het Besluit informatievoorziening WVO.

ARTIKEL IX. Overgangsrecht

In het verleden zijn voorwaarden vastgesteld waaronder bevoegde gezagsorganen intra- en intersectorale programma’s konden verzorgen. Deze voorwaarden hadden onder meer betrekking op de afdelingen waarover men moest beschikken om het desbetreffende programma te kunnen aanbieden en de vestigingen waar het programma mocht worden verzorgd.

Voor intrasectorale programma’s waren de voorwaarden vastgelegd in artikel 26l van het Inrichtingsbesluit W.V.O. en Bijlage 1 bij dat besluit. Voor intersectorale programma’s waren de voorwaarden vastgelegd in ministeriële beschikkingen op grond van artikel 25 of artikel 29, zesde lid, WVO, die zien op de afwijking van inrichtings- en examenvoorschriften. Bedoelde voorwaarden zijn vanaf 2006 ook bekend gemaakt in beleidsregels, te weten:

– het Besluit van 20 februari 2006 houdende wijziging van de Beleidsregeling houdende criteria regionale arrangementen voor de schooljaren 2005–2006 en 2006–2007, verlenging van het Toetsingskader Plan van Scholen 2005–2007 voor de periode 2007–2009, alsmede houdende criteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing,nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2006 (Stcrt. 2006, 44);

– de Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2006 en 2007 (Stcrt. 2006, 217), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juli 2007 (Stcrt. 2007, 152).

Op het voorgaande bestond één uitzondering: de voorwaarden voor het intrasectoraal programma Techniek Breed werden vastgelegd in de twee bovengenoemde beleidsregels in plaats van in het Inrichtingsbesluit W.V.O.

De intrasectorale en intersectorale programma’s die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gestart, mogen onder voorwaarden voortgezet worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit en de periode daarna.

In de eerste vijf jaar mag het betreffende programma voortgezet worden zolang het bevoegd gezag voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 26l en Bijlage 1 Inrichtingsbesluit W.V.O. (intrasectorale programma’s, uitgezonderd het intrasectorale programma Techniek Breed) of de voorwaarden die golden voor de betrokken school of vestiging bij de aanvang van het programma (intersectorale programma’s, alsmede het intrasectorale programma Techniek Breed).

Na verloop van tijd kan het aanbod van programma’s die worden aangewezen in de ministeriële regeling op grond van het nieuwe artikel 26j, eerste lid, Inrichtingsbesluit W.V.O., gaan afwijken van het aanbod van programma’s die in het verleden zijn gestart. Er kunnen nieuwe programma’s bij komen en bestaande programma’s kunnen komen te vervallen. Het is niet wenselijk dat programma’s op grond van het overgangsrecht voor onbepaalde tijd blijven bestaan. Om die reden is bepaald dat na vijf jaar een programma nog slechts kan worden verzorgd, indien en zolang het programma is aangewezen in de genoemde ministeriële regeling.

Na vijf jaar geldt voorts dat het bevoegd gezag moet voldoen aan het eerste, derde en vierde lid van het nieuwe artikel 26j Inrichtingsbesluit W.V.O. Uit het eerste lid van dat artikel vloeit voort dat een programma alleen kan worden verzorgd als het bevoegd gezag gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de afdelingen, aangewezen in de ministeriële regeling. Omdat bevoegde gezagsorganen over het algemeen reeds overleg hebben gevoerd met MBO-instellingen en het bedrijfsleven voordat zij startten met de intrasectorale en intersectorale programma’s, geldt de overlegverplichting die is vastgelegd in het tweede lid van artikel 26j niet voor bevoegde gezagsorganen die een programma na vijf jaar willen blijven verzorgen.

Uit het derde en vierde lid van artikel 26j vloeit voort dat het bevoegde gezag een programma in de gemengde leerweg mag aanbieden op iedere vestiging waar afsluitend onderwijs vbo of mavo kan worden verzorgd en in de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg alleen mag aanbieden op vestigingen waar het onderwijs in alle onderliggende afdelingen daadwerkelijk wordt verzorgd.

Voor het intrasectorale programma Techniek Breed is in het derde lid van artikel IX een aparte regeling getroffen omdat dit programma – anders dan de overige intrasectorale programma’s – niet in het Inrichtingsbesluit W.V.O. is vastgelegd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 augustus 2008, nr. 154.