Besluit van 12 juni 2008, houdende regels voor een systeem van informatie-uitwisseling ter voorkoming van graafschade

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 oktober 2007, nr. WJZ 7121121;

Gelet op de artikelen 8, derde lid, 20, 21, eerste, tweede en derde lid, 22, eerste lid, 23 en 46, derde lid, en 49, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;

De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2007, nr. W10.07.0385/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 juni 2008, nr. WJZ 8033314;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;

b. beheerdersinformatie: de informatie die een beheerder verstrekt ingevolge artikel 10, eerste lid, of artikel 46, derde lid, van de wet.

Artikel 2

  • 1. Een beheerpolygoon, oriëntatiepolygoon en graafpolygoon wordt weergegeven door een tekening van een vlak aan de hand van coördinaten van het rijksdriehoekstelsel op door de Dienst verstrekt kaartmateriaal.

  • 2. De beheerder stelt een beheerpolygoon op voor elk net dat hij beheert.

  • 3. De omvang en vorm van het gebied van de beheerpolygoon is gerelateerd aan de ligging van het net dat binnen dat gebied wordt beheerd, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgvuldigheidsmarge tussen de ligging van het net en de grens van het gebied, en waarbij netten die een verbinding vormen als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet, buiten beschouwing kunnen blijven.

  • 4. De Dienst verricht de registratie, bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, van de wet, overeenkomstig de gebiedsaanduiding die desgevraagd door de gemeente in wier grondgebied het net zich bevindt, is gegeven.

  • 5. De oriëntatiepolygoon past binnen een vierkant waarvan de zijdes langs de x- en y-coördinaten lopen en waarvan de zijdes een lengte van 2,5 kilometer hebben.

  • 6. De graafpolygoon past binnen een vierkant waarvan de zijdes langs de x- en y-coördinaten lopen en waarvan de zijdes een lengte van 500 meter hebben.

Artikel 3

  • 1. Beheerders, opdrachtgevers, grondroerders, en bestuursorganen hebben toegang tot en aansluiting op het informatiesysteem, mits zij zich daartoe tevoren hebben aangemeld bij de Dienst.

  • 2. Een grondroerder of opdrachtgever heeft slechts toegang tot en aansluiting op het informatiesysteem indien hij in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf graafwerkzaamheden onder zijn verantwoordelijkheid of leiding laat verrichten, respectievelijk opdracht geeft tot het uitvoeren van een werk waarbij graafwerkzaamheden worden verricht.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de in het eerste lid bedoelde aanmelding, met inbegrip van de verstrekking van gegevens omtrent de aan te melden organisatie en personen.

Artikel 4

  • 1. De registratiemelding, het oriëntatieverzoek en de graafmelding worden gedaan en het graafbericht wordt verzonden via het elektronisch informatiesysteem, met dien verstande dat het oriëntatieverzoek en de graafmelding door tussenkomst van de Dienst gedaan kunnen worden.

  • 2. De registratiemelding omvat een aanduiding van de functie van het betreffende net overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen functie-indeling.

  • 3. De graafmelding omvat de aanvangsdatum van de voorgenomen graafwerkzaamheden en een aanduiding van de aard van deze werkzaamheden.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop en de vorm waarin een registratiemelding, een oriëntatieverzoek, een graafmelding, een ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de wet, of een graafbericht wordt gedaan, en over de hierbij te verstrekken gegevens.

Artikel 5

  • 1. De liggingsgegevens die deel uitmaken van de beheerdersinformatie hebben betrekking op elk in de oriëntatiepolygoon of graafpolygoon gelegen net, en worden weergegeven door een tekening op een bij ministeriële regeling te bepalen schaalgrootte.

  • 2. De liggingsgegevens die deel uitmaken van de beheerdersinformatie zijn gebaseerd op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat op de in het eerste lid bedoelde tekening markeringen en afzonderlijke elementen van het net als zodanig worden weergegeven, en kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de weergave van deze gegevens.

  • 4. De beheerdersinformatie omvat de volgende gegevens:

    a. de functie van het net overeenkomstig de bij ministeriële regeling te bepalen functie-indeling;

    b. indien meer dan één door de beheerder beheerd net op onderling zo geringe afstand is gelegen dat deze op de in het eerste lid bedoelde kaart niet afzonderlijk kunnen worden weergegeven: het aantal netten;

    c. andere, bij ministeriële regeling bepaalde gegevens.

  • 5. Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing voor zover het netten betreft die deel uitmaken van een stervormig aangelegd aansluitnetwerk en indien wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop beheerdersinformatie wordt verstrekt en over de daarbij te verstrekken contactgegevens.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gebiedsinformatie die op grond van artikel 11 van de wet aan de grondroerder wordt verstrekt.

Artikel 6

De maximale diepgang, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet, bedraagt 50 centimeter.

Artikel 7

  • 1. Indien als gevolg van een calamiteit onverwijld graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen zijn de artikelen 2, 8 en 13 van de wet niet van toepassing.

  • 2. Indien graafwerkzaamheden worden verricht als bedoeld in het eerste lid, draagt de opdrachtgever er zorg voor dat deze graafwerkzaamheden zoveel mogelijk op zorgvuldige wijze kunnen worden verricht, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.

  • 3. De grondroerder verricht de in het eerste lid bedoelde graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.

  • 4. De grondroerder stelt voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde graafwerkzaamheden de Dienst daarvan in kennis, waarna de Dienst onverwijld de contactgegevens van de beheerders van netten die op de graaflocatie zijn gelegen en informatie over de functie van deze netten aan de grondroerder verstrekt. De Dienst draagt in verband hiermee zorg voor permanente bereikbaarheid van de Dienst.

  • 5. De Dienst kan de uitvoering van het vierde lid opdragen aan een instelling die permanent bereikbaar is.

  • 6. De grondroerder wint voor zover mogelijk bij de beheerders van netten die zijn gelegen op de graaflocatie, informatie in over de precieze ligging van netten op de graaflocatie. De grondroerder neemt in elk geval contact op met de beheerders van een net met gevaarlijke inhoud dat op de graaflocatie is gelegen.

  • 7. De beheerder van een net met gevaarlijke inhoud zorgt dat hij met het oog op de uitvoering van het zesde lid permanent telefonisch bereikbaar is voor het verschaffen van informatie en het treffen van voorzorgsmaatregelen voor zover dat nodig en mogelijk is.

  • 8. De opdrachtgever meldt onder opgaaf van redenen uiterlijk de eerstvolgende werkdag bij Onze Minister indien hij opdracht heeft gegeven tot graafwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8

  • 1. De gebieden, bedoeld in artikel 23 van de wet, zijn:

    a. het krachtens artikel 8.5 van de Wet luchtvaart vastgestelde luchthavengebied van de luchthaven Schiphol;

    b. de op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet aangewezen luchtvaartterreinen van de luchthavens Rotterdam, Lelystad, Maastricht en Eelde;

    c. de plaatsen van vestiging van de inrichtingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet.

  • 2. Voor beheerders van netten die zijn gelegen in de in het eerste lid bedoelde gebieden, is artikel 10, eerste lid, van de wet niet van toepassing voor zover deze netten binnen deze gebieden zijn gelegen.

  • 3. De exploitant van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde luchthavens en de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid onder c draagt zorg voor de verstrekking van informatie over alle netten die zijn gelegen in het op grond van het eerste lid aangewezen gebied.

  • 4. De artikelen 9, 13, 15, 16, 17 en 18 van de wet zijn van toepassing met dien verstande dat de ten aanzien van de beheerder gestelde bepalingen gelden ten aanzien van de exploitant, onderscheidenlijk de vergunninghouder.

  • 5. Indien een oriëntatieverzoek of een graafmelding betrekking heeft op een in het eerste lid aangewezen gebied verstrekt de exploitant onderscheidenlijk de vergunninghouder, indien hij niet de grondroerder is, binnen drie werkdagen na ontvangst van het graafbericht aan de grondroerder de in artikel 10, eerste lid, van de wet bedoelde informatie van alle in de oriëntatiepolygoon of de graafpolygoon gelegen netten voor zover dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het verrichten van de graafwerkzaamheden en geen afbreuk doet aan het vereiste niveau van informatiebeveiliging.

  • 6. Op de verstrekking van informatie door de exploitant onderscheidenlijk de vergunninghouder zijn de krachtens artikel 21 en 22 van de wet gestelde regels over de verstrekking van informatie van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

De bewaarplicht, bedoeld in artikel 20 van de wet, geldt voor een periode van vijf jaar.

Artikel 10

  • 1. Het tweede tot en met het zesde lid gelden tot het moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste lid, van de wet.

  • 2. In afwijking van artikel 10, eerste lid, van de wet verstrekt de beheerder na ontvangst van een graafbericht in verband met een oriëntatieverzoek of een graafmelding binnen vijf werkdagen, onderscheidenlijk binnen twee werkdagen, de beheerdersinformatie aan degene die het oriëntatieverzoek onderscheidenlijk de graafmelding heeft gedaan. De informatie wordt per post verstrekt, of, op verzoek van de betrokkene, per fax of per elektronische post.

  • 3. In afwijking van artikel 5, eerste lid, geldt geen vereiste omtrent de schaalgrootte van de kaart waarop de beheerder liggingsgegevens weergeeft.

  • 4. Indien het oriëntatieverzoek of de graafmelding betrekking heeft op grond die bij Onze Minister van Defensie in beheer is wordt, in afwijking van de artikelen 10, eerste lid, en 12, onderdeel b, van de wet, binnen vijf werkdagen, onderscheidenlijk binnen twee werkdagen na ontvangst van het graafbericht de beheerdersinformatie verstrekt aan Onze Minister van Defensie. Deze verstrekt deze gebiedsinformatie, samen met relevante liggingsgegevens over netten waarvan hij beheerder is, aan de grondroerder binnen zeven werkdagen na ontvangst van een graafbericht in geval van een oriëntatieverzoek en binnen vier werkdagen na ontvangst van een graafbericht in geval van een graafmelding.

  • 5. In afwijking van artikel 4, eerste lid, voor zover hierin is bepaald dat gebruik wordt gemaakt van het elektronisch informatiesysteem, worden de registratiemelding, het oriëntatieverzoek en de graafmelding gedaan en het graafbericht verzonden op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

  • 6. In afwijking van artikel 8, tweede tot en met vijfde lid,

    a. zijn de artikelen 9, 13, 15, 16, 17 en 18 van de wet van toepassing op beheerders van netten die zijn gelegen in een van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde gebieden;

    b. is artikel 10 van de wet van overeenkomstige toepassing indien een oriëntatieverzoek of een graafmelding wordt gedaan dat betrekking heeft op een van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde gebieden, met dien verstande dat de beheerder de informatie aan de exploitant onderscheidenlijk aan de vergunninghouder verstrekt die deze informatie, samen met relevante liggingsgegevens over netten waarvan hij beheerder is, aan de grondroerder verstrekt, voor zover dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het verrichten van de graafwerkzaamheden en geen afbreuk doet aan het vereiste niveau van informatiebeveiliging;

    c. zijn de in het vierde lid bedoelde termijnen voor de informatieverstrekking van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

Indien het bij koninklijke boodschap van 10 februari 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, Kamerstukken 30 452) tot wet is verheven, en artikel III, onderdeel C, in werking is getreden, komt artikel 8, eerste lid, onderdeel b, te luiden:

b. de luchthavengebieden van de burgerluchthavens die op grond van artikel 8.1 van de Wet luchtvaart van nationale betekenis zijn en waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, van die wet een luchthavenbesluit is vereist;.

Artikel 12

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van artikel 6, treedt in werking op 1 juli 2008.

  • 2. Artikel 6 treedt in werking op 1 oktober 2008.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 juni 2008

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Uitgegeven de zesentwintigste juni 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

I ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding

Met dit besluit worden, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels gesteld ter uitvoering van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: de wet). Deze wet voorziet in een regime voor de uitwisseling van informatie tussen degenen die graafwerkzaamheden voorbereiden of deze (laten) verrichten en de beheerders van de netten die zich op de graaflocatie bevinden, opdat de graafwerkzaamheden zorgvuldig kunnen geschieden. Het systeem maakt het ook mogelijk voor met name bestuursorganen en onder hen ressorterende diensten om op vrijwillige basis informatie op te vragen in het kader van hun taken op het gebied van ruimtelijke ordening en veiligheid. Het kadaster (in het besluit aangeduid als de Dienst) fungeert als het centrale loket voor het indienen van meldingen en informatieverzoeken en het bundelen van de door de beheerders verstrekte informatie ten behoeve van de verzoeker. De uitwisseling van informatie zal plaatsvinden via een elektronisch informatiesysteem. Omdat dit systeem nog niet gereed is bij de inwerkingtreding van de wet en partijen voldoende gelegenheid moeten krijgen zich op de elektronische informatie-uitwisseling voor te bereiden, zal in de overgangsperiode de informatie nog per post, fax of e-mail worden uitgewisseld – zoals in de huidige praktijk van vrijwillige informatie-uitwisseling. Bij de ontwikkeling en bouw van het elektronisch informatiesysteem zijn de toekomstige gebruikers, waaronder de beheerders, nauw betrokken.

Dit besluit heeft betrekking op de volgende onderwerpen. Ten eerste worden nadere regels gesteld over gebieden waarbinnen netten worden beheerd respectievelijk waarop de informatieverzoeken betrekking hebben, de beheer-, oriëntatie- en graafpolygonen (artikel 2). In artikel 3 zijn bepalingen opgenomen over de toegang en aansluiting op het elektronisch informatiesysteem. In artikel 4 wordt geregeld op welke wijze en met welke gegevens een registratiemelding, oriëntatieverzoek en graafmelding bij het kadaster gedaan moeten worden. In artikel 5 is voorzien in regels omtrent de informatie die de beheerder naar aanleiding van een graafbericht beschikbaar moet stellen. In artikel 6 is bepaald tot welke diepte grondeigenaren en -beheerders onder voorwaarden zonder hernieuwde graafmelding graafwerkzaamheden kunnen verrichten. In artikel 7 zijn afwijkende regels gesteld voor noodsituaties waarin de tijd ontbreekt voor de gewone meldingsprocedure. In artikel 8 zijn gebieden aangewezen waarbinnen om veiligheidsredenen een specifiek regime van toepassing is. In artikel 9 is de termijn voor het bewaren van gegevens bepaald. Verder bevat het besluit enkele bepalingen voor de uitwisseling van informatie in de overgangsperiode, in afwijking van het beoogde permanente regime. Voor zover nodig kunnen over enkele onderwerpen bij ministeriële regeling nog nadere regels worden gesteld.

Bij de opstelling van dit besluit is intensief overleg gevoerd met betrokken marktpartijen en overheidsinstellingen. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande praktijk en de technische ontwikkelingen daarbij. Dit geldt onder meer voor de informatie die relevant is voor de betrokken partij en de wijze waarop informatie moet worden verstrekt. Bij dit laatste is er rekening mee gehouden dat veel maar niet alle betrokken partijen intensief deelnemen aan de uitwisseling van informatie. Voor partijen voor wie dit slechts incidenteel aan de orde is, is het mogelijk door tussenkomst van het kadaster informatieverzoeken in te dienen. De grondroerder kan bijvoorbeeld contact opnemen met het kadaster en met ondersteuning van het kadaster de graafpolygoon bepalen.

Het kadaster heeft naast zijn wettelijke taak voor de informatie-uitwisseling op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten ook tot taak netwerken in de basisregistratie kadaster te registreren, op grond van het Kadasterbesluit. Reeds omdat deze registratie niet de gegevens bevat die essentieel zijn voor de informatie-uitwisseling in verband met graafwerkzaamheden, is niet overwogen de basisregistratie te betrekken bij deze informatie-uitwisseling. De basisregistratie bevat gegevens over de rechten op onroerende goederen. Ook netwerken worden als zodanig aangemerkt. De basisregistratie kadaster bevat geen gegevens over de ligging van netwerken. Dergelijke informatie is slechts aanwezig in de openbare registers, waarin bijvoorbeeld een zogenaamde netwerktekening als bijlage bij de akte van overdracht van het netwerk wordt opgenomen. De openbare registers vormen een statisch bestand, in tegenstelling tot de basisregistratie kadaster dat een dynamisch bestand is ten aanzien waarvan het kadaster een actieve beheersrol heeft. Er is niet voorzien in een uitbreiding van de basisregistratie kadaster met de hiervoor bedoelde netwerktekeningen.

2. Consultatie

Het opstellen van deze nadere regels heeft plaatsgevonden mede op basis van gesprekken met externe partijen. Een voorontwerp van het besluit is vervolgens voor consultatie aan de betrokken marktpartijen voorgelegd. Dit heeft geleid tot verscheidene suggesties, onder meer over de informatie die door de verschillende partijen dient te worden aangeleverd, die hebben geleid tot aanpassingen van het ontwerp-besluit. Onder meer is het verzoek gedaan dat de beheerder die informatie over de relevante netten verstrekt, het aantal kabels niet hoeft te vermelden indien deze tezamen in een kabelbed zijn gelegen. In een kabelbed kunnen ook kabels van andere beheerders liggen en de grondroerder kan zonder informatie over het aantal gelegde kabels niet vaststellen of hij alle in de gebiedsinformatie vermelde kabels heeft getraceerd. Daarom is het ontwerp-besluit op dit punt ongewijzigd gebleven. Voorts hebben met name twee onderwerpen tot veel opmerkingen geleid, te weten de afbakening van gebieden waarover informatie wordt uitgewisseld en de procedure in geval van calamiteiten.

In het voorstel voor de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, zoals dat luidde ten tijde van de consultatie, was bepaald dat bij uitvoeringsregeling een aantal aspecten rond de afbakening van de hiervoor bedoelde gebieden door middel van gebiedseenheden nader uitgewerkt zou worden. De bepalingen hierover in het voorontwerp van dit besluit hebben tot veel reacties van partijen geleid. Inmiddels maakte een nieuwe techniek het namelijk mogelijk om een gebied veel gerichter en doelmatiger af te bakenen. De marktpartijen bleken, mede uit een oogpunt van reductie van de administratieve lasten, groot voorstander van toepassing van de nieuwe techniek. Dit heeft, mede vanuit de optiek om het informatie-uitwisselingsproces beter en efficiënter te regelen, geleid tot een tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2006/07, 30 475, nr. 12). Met deze wijziging is tegelijkertijd tegemoet gekomen aan de opmerkingen die zowel beheerders als grondroerders hierover in de consultatie over dit ontwerp-besluit naar voren hebben gebracht.

Op grond van de wet dient voorafgaand aan (mechanische) graafwerkzaamheden een melding te worden gedaan opdat de beheerder liggingsgegevens ten behoeve van de grondroerder kan verstrekken. Deze informatie is echter niet á la minute beschikbaar wat bij calamiteiten een probleem vormt. Het voorontwerp van het besluit voorzag in een aparte procedure voor dergelijke gevallen. Deze was niet van toepassing op storingen en leveringsonderbrekingen. Dit betekende dat men in die situatie handmatig zou moeten graven. Op deze wijze zou men wel direct kunnen handelen binnen het wettelijke regime. Voor handmatig graven is immers geen melding nodig. Uit de consultatie bleek dat zowel beheerders als grondroerders, als het Verbond van Verzekeraars hier grote problemen mee hadden. In de praktijk dienen ook storingen en leveringsonderbrekingen met spoed te worden opgelost waarbij met regelmaat mechanische graafwerkzaamheden nodig zijn. In overleg met het kadaster en de marktpartijen is vervolgens bezien hoe te voorzien in dit knelpunt. Volgens het bijgestelde ontwerp-besluit is de spoedprocedure ook van toepassing op storingen en leveringsonderbrekingen indien noodzakelijk om grote schade of persoonlijk letsel te voorkomen.

3. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets

In haar uitvoeringstoets heeft het kadaster gevraagd om enkele verduidelijkingen in de toelichting. Hiermee is rekening gehouden bij de opstelling van het gewijzigde ontwerp-besluit.

Vanuit het perspectief van de een-loket-gedachte had het kadaster graag gezien dat de melding over toepassing van de procedure voor calamiteiten bij het kadaster zou worden gedaan. Er is echter vastgehouden aan melding bij de toezichthouder. Het gaat immers om het afleggen van verantwoording door de meldende partij. Melding bij de instantie die in het kader van het toezicht toetst of terecht een beroep is gedaan op deze spoedprocedure, maakt dat de meldende partij zich extra bewust is van de noodzaak de spoedeisendheid te kunnen onderbouwen.

Het kadaster heeft tenslotte nog enkele opmerkingen gemaakt die er mede toe hebben geleid dat enkele artikelen zijn samengevoegd en dat de aansluiting op het wetsvoorstel is verbeterd.

In haar handhaafbaarheidstoets heeft het Agentschap Telecom enkele verduidelijkingen gevraagd. Hiermee is rekening gehouden bij de opstelling van het gewijzigde ontwerp-besluit.

Ten aanzien van de regeling voor calamiteiten (artikel 7) was het Agentschap van oordeel dat ook het kadaster, of de partij die namens het kadaster zou optreden, permanent bereikbaar zou moeten zijn. Het ontwerp-besluit is in lijn met dit standpunt aangepast.

Ook is de suggestie van het Agentschap overgenomen om in de regeling voor calamiteiten niet alleen voor de grondroerder maar ook voor de opdrachtgever een (aan de noodsituatie aangepaste) zorgvuldigheidsnorm op te nemen, overeenkomstig de systematiek van het wetsvoorstel.

4. Administratieve lasten en overige bedrijfseffecten

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: de wet) codificeert voor een groot deel de bestaande praktijk die op grond van zelfregulering is ontstaan. De wet is in ieder geval van invloed op de volgende sectoren: beheerders van netten (ca. 620 bedrijven en 480 gemeenten; het betreft netten voor gas, elektriciteit, telecommunicatie, Kabel (Cai), stadsverwarming, water, riool, buisleidingen, straatverlichting, kabels voor verkeersregelinstallaties etc.), grondroerders (ca. 2350) en opdrachtgevers. De administratieve lasten die volgen uit de wet zijn in totaal begroot op € 32 miljoen. De wet levert echter een reductie op van naar schatting € 20 miljoen, vergeleken met de huidige praktijk van vrijwillige informatie-uitwisseling.

De wet geeft het kader en biedt de mogelijkheid om bij nadere regels verschillende elementen nader uit te werken. Met deze regeling wordt hier invulling aan gegeven. Met deze nadere regels wordt dus geen nieuw beleid gerealiseerd.

Naar de toename van de administratieve lasten als gevolg van het wetsvoorstel is door het bureau EIM Onderzoek voor Bedrijf & Beleid in 2005 onderzoek gedaan. Bij de opstelling van het wetsvoorstel was op hoofdlijnen duidelijk wat in nadere regels zou worden uitgewerkt. De hieruit voortvloeiende administratieve lasten zijn zo veel mogelijk meegenomen bij het hiervoor bedoelde onderzoek. Dit besluit bevat ten opzichte van het onderzochte wettelijke kader op artikel 7 (calamiteiten) na geen nieuwe elementen. De paragraaf over administratieve lasten zoals die in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is opgenomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 475, nr. 3, blz. 21-23) geldt daarom onverkort voor deze nadere regels. De nadere regels met betrekking tot het doen van graafverzoeken door grondroerders en het leveren van informatie door beheerders worden in zowel dit besluit als in een ministeriële regeling geregeld. Hiermee wordt in totaal ca. € 15 miljoen aan administratieve lasten geëffectueerd. Ten aanzien van de calamiteitenprocedure kan het volgende gezegd worden.

Waar de wet verplicht alle mechanische graafwerkzaamheden te melden en het in de overgangssituatie drie dagen kan duren voordat het kaartmateriaal wordt ontvangen, is deze werkwijze niet geschikt voor noodsituaties. Alsdan is het van belang in korte tijd (en ook buiten kantooruren) de minimaal benodigde informatie te kunnen verkrijgen. Om die reden is voorzien in een afwijkende regeling voor noodsituaties. Zonder een dergelijke regeling zouden partijen in noodsituaties alleen handmatig mogen graven, hetgeen niet tegemoet komt aan de wensen van de praktijk. Uitgaande van 5000 calamiteiten per jaar waarvoor men direct (mechanische) graafwerkzaamheden moet verrichten en dus niet de reguliere melding kan doen, betekent dit een extra last voor beheerders (exclusief gemeenten) van totaal € 7.750,– en voor grondroerders van totaal € 87.500,–.

Bij het opstellen van dit besluit is uitgangspunt geweest om niet meer te regelen dan nodig voor een goede werking van de wet. Om die reden zijn niet alle mogelijkheden voor nadere regels ook daadwerkelijk benut. Dit geldt met name ten aanzien van het onderwerp zorgvuldig graven. Hoewel het mogelijk is om in dit besluit nadere regels terzake te stellen is hiervoor vooralsnog niet gekozen. De marktpartijen zijn in de gelegenheid gesteld om samen tot invulling hiervan te komen en hebben hier ook gehoor aan gegeven. Dit heeft geleid tot de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces waarin uitvoerig wordt beschreven op welke wijze partijen invulling zouden moeten geven aan de wettelijke norm van zorgvuldig graven. De gedachte hierachter is dat de marktpartijen vanuit hun praktijkervaring veel beter kunnen bepalen wat wel en wat niet werkt. Bovendien zorgt deze bottom-up benadering voor een goed draagvlak. Mocht in de toekomst blijken dat de Richtlijn niet het gewenste effect heeft, dan zal worden bekeken of deze alsnog (deels) in regelgeving moet worden omgezet.

Ook is uitvoerig met partijen overleg gevoerd over de vraag welke informatie verstrekt zou moeten worden. Dit is gebeurd om goed aan te sluiten bij de praktijk en om te waarborgen dat de te verstrekken informatie ook feitelijk bruikbaar is. Partijen hebben, onder meer samen met de stichting Nederlands Normalisatie instituut (NEN), onderzocht welke informatie nodig is. In dit besluit is bij de uitkomsten hiervan aangesloten. Partijen dienen alleen die informatie te leveren die noodzakelijk is in het kader van een goede informatie-uitwisseling.

Het ontwerp-besluit is aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten voorgelegd dat op 29 mei 2007 advies heeft uitgebracht over deze regeling. Het college constateert daarin dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven in principe niet wijzigen ten opzichte van de voor het wetsvoorstel geraamde lasten. Het college geeft te kennen dat het een nadere beoordeling van de administratieve lasten van deze regeling niet noodzakelijk acht.

Aan het besluit zijn naderhand twee voor de administratieve lasten relevante bepalingen toegevoegd als gevolg van de aanvaarding door de Tweede Kamer van amendementen ten aanzien van het wetsvoorstel voor de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten. Deze bepalingen over toegang en aansluiting (artikel 3) en over de maximale diepgang (artikel 6) hebben beperkte gevolgen voor de administratieve lasten. Voorzien is dat bij ministeriële regeling zal worden geregeld hoe de aanmelding van de betrokkenen plaats vindt voor het verkrijgen van toegang en aansluiting. Ingevolge artikel 6 wordt de wettelijke uitzondering van de verplichting een graafmelding te doen nader ingevuld. Omdat de uitzondering (artikel 8, derde lid, van de wet) voorheen ruimer was geformuleerd, zullen het aantal graafmeldingen en de daarmee samenhangende administratieve lasten zullen toenemen. Voorshands kan deze toename worden begroot op structureel per jaar € 255.000,–.

5. Europese verplichtingen

Ten aanzien van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten is vastgesteld dat deze valt binnen de reikwijdte van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU van 27 december 2006, nr. L 376, blz. 36 e.v., hierna: de Dienstenrichtlijn). In de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2006/2007, 30 475, nr. 12, blz. 8, 9) is geconstateerd dat de meldingsverplichting voor grondroerders, opgenomen in artikel 8 van de wet, voldoet aan de Dienstenrichtlijn. In dit besluit worden nadere regels gesteld ten aanzien van onder meer de toegang tot en aansluiting op het elektronisch informatiesysteem. Deze vormen een uitwerking van de wettelijke bepalingen inzake de toepassing van een elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie. Derhalve wordt voor de motivering inzake de verenigbaarheid met de Dienstenrichtlijn hier verwezen naar voornoemd kamerstuk.

Dit ontwerp-besluit is op 12 oktober 2007 voorgelegd aan de Europese Commissie in verband met Richtlijn 1998/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Deze notificatie die nummer 2007/0583/NL heeft gekregen, is geen aanleiding geweest tot het maken van opmerkingen.

II ARTIKELEN

Artikel 1

De wet bevat een aantal begripsomschrijvingen van betrokken partijen – beheerders, grondroerders en opdrachtgevers – en van de verschillende informatieverstrekkingen in het proces van informatie-uitwisseling – registratiemelding, oriëntatieverzoek, graafmelding en graafbericht. Omdat de desbetreffende wettelijke bepaling ook geldt voor de op de wet berustende bepalingen, zijn deze begripsomschrijvingen in dit besluit zonder meer van toepassing. In onderdeel b van artikel 1 is de op grond van de artikelen 10 en 46, derde lid, van de wet door de afzonderlijke beheerder te verstrekken informatie gekwalificeerd als de beheerdersinformatie. De door het kadaster op grond van artikel 11 van de wet te verstrekken informatie (gebiedsinformatie) betreft een bundeling van de beheerdersinformatie die door elk van de afzonderlijke beheerders is verstrekt.

Artikel 2

Op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden nadere regels gesteld met betrekking tot polygonen. De beheer-, oriëntatie- en graafpolygoon zijn wettelijk omschreven als een weergave van een (aaneengesloten) gebied waarin een net wordt beheerd, respectievelijk ten aanzien waarvan informatie wordt gevraagd betreffende de erin gelegen netten. Het gebied van de polygoon wordt op door het kadaster verstrekt kaartmateriaal weergegeven aan de hand van de coërdinaten van het rijksdriehoekstelsel. Dit stelsel is een gebruikelijke methode voor de lokalisering van objecten op het aardoppervlak. De weergave op de kaart gebeurt feitelijk door het invoeren in het elektronisch informatiesysteem van bepaalde gegevens, al dan niet door tussenkomst van het kadaster, bijvoorbeeld door het plaatsen van punten op de kaart – waarna automatisch de polygoon binnen deze punten zichtbaar wordt.

Ingevolge het tweede lid dient per net een aparte beheerpolygoon te worden gemaakt. Dit maakt het mogelijk dat het kadaster bij het verzoek aan de beheerders informatie te leveren naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding gericht te werk gaat. Informatie dient slechts te worden geleverd over de netten waarvan de beheerpolygonen overlappen met de oriëntatie- of graafpolygoon.

In het derde lid is vastgelegd dat er een zeker verband moet zijn tussen het gebied van de polygoon en het daarin gelegen net. De ligging van het net moet naar omvang en vorm worden weerspiegeld in de polygoon. Indien het mogelijk zou zijn dat een polygoon bijvoorbeeld een tien keer grotere lengte en breedte dan het erin gelegen net zou hebben, zou het informatieve gehalte van de beheerpolygoon kleiner zijn en zou de informatie-uitwisseling minder doelmatig verlopen.

Anderzijds is van belang dat de beheerpolygoon zo wordt afgebakend dat geen indirecte graafschade kan ontstaan door te krap bepaalde polygonen. Het uitgangspunt is immers dat informatie-uitwisseling slechts aan de orde is als de oriëntatie- of de graafpolygoon met een beheerpolygoon overlapt. Als een net tot op de grens van een beheerpolygoon gelegen kan zijn, kan dat er toe leiden dat in aanpalend gebied wordt gegraven zonder dat de grondroerder op de hoogte is dat zich zeer dichtbij een net bevindt. Als gevolg daarvan kan schade ontstaan. Om die reden is in deze bepaling bepaald dat de beheerder een zorgvuldigheidsmarge moet aanhouden bij de opstelling van de beheerpolygoon. Door een marge op te geven verplicht de beheerder zichzelf ook vaker informatie uit te wisselen en in voorkomend geval voorzorgsmaatregelen te treffen. Naar verwachting zullen de meeste beheerders om die reden de marges beperken tot het noodzakelijke. Voor netten met een gevaarlijke inhoud of met grote waarde kan worden gedacht aan een marge tot circa 100 meter, voor andere netten volstaat een veel kleinere marge van hoogstens enkele tientallen meters.

Voorts is in het derde lid bepaald dat voor de opstelling van de beheerpolygoon de netten die een huisaansluiting vormen in de zin van artikel 45, tweede lid, van de wet, buiten beschouwing kunnen blijven. Op deze wijze wordt geëxpliciteerd dat beheerders die op grond van voornoemd wetsartikel gedurende de eerste acht jaar niet zijn verplicht liggingsgegevens over deze netten te verstrekken, evenmin zijn gehouden de huisaansluitingen te betrekken bij de opgave van beheerpolygonen. Omdat wordt voorzien dat de wettelijke uitzondering voor huisaansluitingen een permanent karakter zal krijgen, behoeft de verbijzondering ten aanzien van beheerpolygonen niet aan een beperkte geldingsduur te worden gebonden.

Indien een net wordt aangetroffen waarvan niet duidelijk is wie de beheerder is, een zogenaamde weesleiding, bericht het kadaster op grond van artikel 18, vierde lid, van de wet hierover de gemeente die het aangaat en registreert het de globale ligging van dat net als polygoon. Het ligt in de rede dat de gemeente – voorafgaand aan de registratie – haar zienswijze geeft over het als polygoon af te bakenen gebied. Op zich kan de registratie beperkt zijn tot het gebied dat – met in achtneming van een zorgvuldigheidsmarge – rond de weesleiding kan worden afgebakend. Maar onder omstandigheden kan de gemeente er belang bij hebben het gebied van de polygoon enigszins ruimer af te bakenen, bijvoorbeeld omdat haar bekend is dat de weesleiding die bij graafwerkzaamheden aan het begin van een straat is aangetroffen, over de volle lengte van de straat is gelegen. Tegen deze achtergrond is in het vierde lid bepaald dat het kadaster bij de registratie rekening houdt met de door de gemeente gegeven gebiedsaanduiding. In verband hiermee dient het kadaster bij het doorgeven van gegevens aan de gemeente te vragen de bijgevoegde concept-polygoon te beoordelen en hierover binnen een bepaalde termijn aan het kadaster te berichten door een bevestiging van de concept-polygoon of door de aanduiding van een ruimer gebied. Vervolgens zal het kadaster de registratie overeenkomstig deze gebiedsaanduiding verrichten.

Oriëntatie- en graafpolygonen zijn, anders dan beheerpolygonen, niet aan een net gerelateerd, maar aan (potentiële) graafwerkzaamheden. De graaflocatie beslaat in het algemeen een gebied van beperkte omvang. Om de informatie-uitwisseling in overzichtelijke eenheden te laten plaatsvinden, is er voor gekozen de omvang van oriëntatie- en graafpolygonen te beperken. Daarom is in het vijfde lid bepaald dat een oriëntatiepolygoon moet passen binnen een vierkant van 2,5 bij 2,5 kilometer dat overeenkomstig de x- en y-coördinaten is georiënteerd. Voor graafpolygonen geldt als maximum een vierkant van 500 bij 500 m. In verband met de wijze waarop polygonen worden opgesteld wordt hiermee een nauwkeuriger optekening van graafpolygonen mogelijk gemaakt.

Artikel 3

Alleen na aanmelding kunnen de betrokken partijen toegang tot en aansluiting op het informatiesysteem verkrijgen voor het doen van een melding of het verstrekken van informatie, respectievelijk het ontvangen van berichten of informatie. Omdat hier niet wordt gesproken over toegang tot en aansluiting op het elektronisch informatiesysteem – evenmin als in de wettelijke grondslag, artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de wet – is deze bepaling ook van toepassing in de periode waarin de informatie-uitwisseling nog niet via het elektronisch informatiesysteem plaatsvindt.

Ingevolge het tweede lid kunnen alleen professionele grondroerders en opdrachtgevers toegang krijgen tot het systeem. Andere grondroerders en opdrachtgevers kunnen verzoeken en meldingen doen door tussenkomst van het kadaster, zoals bepaald in artikel 4. Voor beheerders is niet een vergelijkbare bepaling opgenomen omdat beheerders op grond van de wettelijke definitie professionele partijen zijn.

In het derde lid is voorzien dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de aan melding. Het betreft in het bijzonder regels over de verstrekking van gegevens ter identificatie van de organisatie en de persoon die als individuele gebruiker aan de informatie-uitwisseling zal deelnemen. Een onderneming of een overheid kan hiertoe een nummer van inschrijving in het handelsregister verstrekken. Degene die namens de organisatie optreedt, zal zich moeten identificeren, bijvoorbeeld door een kopie van zijn identiteitsbewijs te overleggen.

Artikel 4

Op grond van artikel 21, derde lid, onderdelen b en d, van de wet kunnen nadere regels worden gesteld over registratiemeldingen, oriëntatieverzoeken en graafmeldingen, respectievelijk ontvangstberichten en graafberichten. In dit kader is van belang op welke wijze deze meldingen, verzoeken en berichten moeten worden gedaan en welke informatie daarbij moet worden verstrekt.

Blijkens het eerste lid wordt in de bedoelde gevallen steeds het elektronisch informatiesysteem gebruikt – voor de overgangsfase is in artikel 10, vijfde lid, van het besluit bepaald dat het berichtenverkeer op bij ministeriële regeling bepaalde wijze plaatsvindt.

In sommige gevallen zullen gebruikers niet aangesloten zijn op het elektronisch informatiesysteem. Het gaat hier in het bijzonder om burgers die slechts incidenteel mechanische graafwerkzaamheden verrichten. In verband hiermee wordt voor de opgave in het elektronisch informatiesysteem de mogelijkheid geboden het verzoek of de melding door tussenkomst van het kadaster te doen. Daartoe dient de betrokkene contact op te nemen met het zogenoemde Contactcentrum van het kadaster. Het Contactcentrum biedt ondersteuning bij de invoering van het verzoek of de melding in het elektronisch informatiesysteem en stuurt ter bevestiging het resulterende verzoek of de melding aan betrokkene toe.

Het tweede en derde lid betreffen enkele gegevens die in elk geval moeten worden verstrekt. Bij de registratiemelding dient de functie van het betreffende net te worden vermeld, aan de hand van een bij ministeriële regeling te bepalen functie-indeling. Dit houdt verband met de regeling voor calamiteiten die impliceert dat het kadaster in voorkomende gevallen informatie over de functie van netten moet kunnen leveren. Indien een grondroerder de functie van een net weet, kan hij al een eerste beoordeling maken over de aard van de risico’s die aan de orde zijn. De voornoemde functie-indeling kan worden beschouwd als een categorisering naar de in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde eigenschappen.

Bij de graafmelding dient in elk geval informatie te worden verstrekt over de aanvangsdatum van de graafwerkzaamheden en dient een aanduiding van de aard van de werkzaamheden te worden gegeven.

Blijkens het vierde lid kunnen zo nodig nadere regels worden gesteld over uitvoeringsaspecten. Onder meer valt te denken aan een voorziening voor de authenticatie van degene die een melding of verzoek via het elektronisch informatiesysteem doet, bijvoorbeeld door middel van een toegangscode. Voorts ligt het in de rede dat degene die zich tot het Contactcentrum van het kadaster wendt voor een melding of verzoek, zich dient te identificeren – zoals ook regels voor identificatie gelden voor de aanmelding, bedoeld in artikel 3. Ook kan het van belang zijn modellen voor te schrijven voor het doen van meldingen en verzoeken en voor het specificeren van de contactgegevens die bij de meldingen en verzoeken in elk geval dienen te worden verstrekt. De contactgegevens zijn onder meer nodig in verband met de afstemming over eventueel noodzakelijke voorzorgsmaatregelen tussen beheerder en grondroerder. Verder is het van belang dat tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt ontstane schade eenvoudig kan worden gemeld. In verband hiermee wordt voorzien dat de contactgegevens van de beheerder een telefoonnummer omvat voor het doen van een schademelding. Het kan hier gaan om een speciaal schadenummer.

Artikel 5

In dit artikel is krachtens artikel 21, eerste lid, onder a, van de wet op onderdelen nadere invulling gegeven aan artikel 10 van de wet, waarin is bepaald welke informatie de beheerder ten minste moet verstrekken ten behoeve van de grondroerder. In beginsel gelden deze vereisten ook in de overgangsfase, als het elektronisch informatiesysteem nog niet in gebruik is genomen. Dit is alleen anders voor de in het eerste en het derde lid bepaalde voorschriften.

Ten aanzien van de liggingsgegevens van het net geldt ingevolge het eerste lid dat deze moeten worden weergegeven op een schaalgrootte die overeen komt met de schaalgrootte van de kaart die het kadaster gebruikt als ondergrond voor de gebiedsinformatie. In de overgangsfase worden de liggingsgegevens echter nog door elke beheerder afzonderlijk naar de grondroerder gezonden. Daarom is in artikel 10, derde lid, – op de voet van artikel 46 van de wet – bepaald dat dit voorschrift eerst in de elektronische fase geldt.

De beheerder verstrekt liggingsgegevens op basis van metingen over de ligging van zijn net. De nauwkeurigheid van liggingsgegevens is derhalve afhankelijk van de nauwkeurigheid waarmee die metingen zijn verricht. Ingevolge het tweede lid dienen metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter te hebben. Indien de beheerder kan beschikken over meer nauwkeurige meetgegevens dient hij deze te gebruiken. Het is denkbaar dat de beheerder zelf beschikt over meetgegevens die bijvoorbeeld zijn uitgedrukt in decimeters. Ook kan zich de situatie voordoen dat anderen over dergelijke nauwkeurige informatie beschikken en deze zonder meer aan de beheerder beschikbaar stellen. Zo beschikt de gemeente Rotterdam over de liggingsgegevens van de in de gemeente gelegen netten. Het zou onwenselijk zijn als in het kader van de wettelijke informatie-uitwisseling minder nauwkeurige liggingsgegevens worden verstrekt dan de reeds bij de betrokkenen beschikbare gegevens. De verplichting de meest nauwkeurige gegevens te gebruiken geldt niet indien de beheerder kosten zou moeten maken of zich inspanningen zou moeten getroosten om deze gegevens te verkrijgen. Alsdan zijn de meetgegevens niet zonder meer voor de beheerder beschikbaar.

Het derde lid bevat een grondslag voor nadere regels om te voorzien dat de liggingsgegevens op een gestandaardiseerde wijze in kaart worden gebracht. Zoals gebruikelijk dient de kaart te worden voorzien van een volledige legenda. Daarbij worden zonodig onderdelen van het net, zoals ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, afzonderlijk zichtbaar gemaakt, evenals bovengrondse markeringen ten aanzien van de ligging van het net. Deze markeringen maken geen deel uit van het net zelf, maar bieden voor de grondroerder waardevolle informatie. De hier bedoelde uniforme weergave van gegevens is in het bijzonder mogelijk en wenselijk na invoering van het elektronisch informatiesysteem, als het kadaster zorg draagt voor de bundeling van informatie van beheerders en voor de doorgeleiding van de gebiedsinformatie aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan. Om die reden zullen naar verwachting geen nadere regels worden gesteld voor de hieraan voorafgaande overgangsfase.

Het vierde lid betreft de beheerdersinformatie. Het is onder meer van belang dat de grondroerder wordt geïnformeerd over de eigenschappen van het net. Deze eigenschappen zijn gerelateerd aan de functie van het net, bijvoorbeeld een laag- of hoogspanningselektriciteitsnet, een rioolnet etc. Uit de functie van het net vloeit voort waaruit het net is gemaakt, welke stoffen er door heen worden getransporteerd, welke spanning of druk eventueel op de kabel respectievelijk de leiding staat, e.d. Derhalve behoeft in de beheerdersinformatie alleen de functie van het net te worden vermeld.

Soms worden netten bij elkaar in een zogenaamd kabelbed gelegd. Het betreft hier vooral kabels voor elektronische communicatie. Alsdan is het niet mogelijk en niet noodzakelijk dat elke kabel op de kaart afzonderlijk wordt getekend. Volstaan kan worden met één lijn, waarbij wel moet worden aangeduid hoeveel kabels er liggen. Dit is van belang omdat de grondroerder bij graafwerkzaamheden moet kunnen vaststellen of hij alle netten die in de gebiedsinformatie zijn aangeduid, heeft aangetroffen.

In bepaalde gevallen varieert het aantal netten in een beperkt gebied sterk omdat zij stervormig zijn aangelegd. Het betreft in het bijzonder aansluitnetwerken voor kabelnetten. Bij stervormige aansluitnetwerken loopt vanaf een centraal punt in een wijk een groot aantal (bijvoorbeeld 60) kabels naar verschillende gebruikers. Deze kabels lopen in een bundel in de ondergrond van een straat en na elke aansluiting ligt er een kabel minder in de grond. Dit maakt het zeer bewerkelijk precies in kaart te brengen op welke plaats zich hoeveel kabels bevinden. Om die reden is in het vijfde lid voorzien dat de beheerdersinformatie voor dergelijke kabelbundels niet het aantal kabels hoeft te bevatten. Bij ministeriële regeling zullen nadere randvoorwaarden worden geformuleerd die er op zijn gericht dat een grondroerder eenvoudig de kabelbundel kan identificeren als het in de beheerdersinformatie aangeduide netwerk.

Het technische karakter van de informatie-uitwisseling over netten impliceert dat het noodzakelijk kan zijn dat de beheerdersinformatie ook andere dan de in de wet en in dit besluit genoemde gegevens omvat. In onderdeel c van het vierde lid is daarom voorzien dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere gegevens door de beheerder moeten worden verstrekt. Onder meer kan worden gedacht aan informatie over de door beheerders te treffen voorzorgsmaatregelen voor graafwerkzaamheden in de omgeving van netten met een gevaarlijke inhoud. Ingevolge het zesde lid kunnen hiernaast nadere regels worden gesteld inzake de wijze waarop de verstrekking van de beheerdersinformatie dient plaats te vinden. Te denken valt aan regels die de volledig geautomatiseerde uitwisseling van informatie-uitwisseling mogelijk moeten maken.

In het zevende lid wordt de mogelijkheid gegeven nadere regels te stellen omtrent de gebiedsinformatie. Dit is in het bijzonder van belang omdat de gebiedsinformatie mede een kaartondergrond omvat. Deze kaartondergrond wordt door het kadaster toegevoegd aan de door de beheerders verstrekte liggingsgegevens, alvorens het totaal van deze informatie door te sturen aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan.

Artikel 6

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de wet, geldt een vrijstelling voor graafwerkzaamheden tot een bepaalde diepte indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in grond die de grondroerder in eigendom of in beheer heeft en indien hij weet dat sinds de voorafgaande graafmelding de ligging van de netten in deze grond niet is veranderd. Deze vrijstelling is in het bijzonder bedoeld voor oppervlakkige grondbewerkingen die agrariërs zeer frequent uitvoeren, zoals ploegen. Deze werkzaamheden hebben een diepte van maximaal 40 cm. Diepgravender grondbewerking betreft onder meer woelen en diepploegen, hetgeen een diepgang van ten minste 50 cm heeft. Deze werkzaamheden worden slechts incidenteel verricht. Buisleidingen zijn gelegen op een diepte van ten minste 60 cm onder het maaiveld. Door de maximale diepgang op 50 cm te bepalen wordt een marge gehanteerd ten opzichte van zowel de reguliere graafwerkzaamheden als de minimale diepteligging van buisleidingen.

Artikel 7

Op grond van artikel 21, tweede lid, van de wet kunnen nadere regels gesteld worden over situaties waarin door de geboden spoed, de in hoofdstuk 4 van de wet geregelde procedure van zorgvuldig graven niet kan worden gevolgd. Dit artikel bevat deze regels. Deze zijn relevant voor mechanische graafwerkzaamheden in verband met calamiteiten, waaronder zowel rampen of zware ongevallen als leveringsonderbrekingen kunnen worden verstaan. Het begrip ramp of zwaar ongeval is afgebakend in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen. Bij een calamiteit kan concreet gedacht worden aan bijvoorbeeld een ongeval met een brandbare, explosieve of giftige stof, branden op industrieterreinen of terreinen met gevaarlijke stoffen en aardverschuivingen. De opdrachtgever tot de graafwerkzaamheden is dan veelal de gemeente die verantwoordelijk is om op te treden tegen de calamiteit. Ook bij een leveringsonderbreking is het vaak noodzakelijk direct te kunnen optreden, mede in verband met de verplichtingen van beheerders om storingen binnen een kort tijdsbestek te verhelpen. In dergelijke gevallen is de beheerder de opdrachtgever.

Het begrip calamiteit impliceert dat sprake is van een onverwachte gebeurtenis. Verder gelden blijkens het eerste lid als randvoorwaarden voor de toepassing van de onderhavige regels dat als gevolg van de calamiteit persoonlijk letsel of grote schade dreigt te worden veroorzaakt, en dat de graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om deze dreiging weg te nemen. Derhalve is niet bij elke storing toepassing van dit artikel gerechtvaardigd. Er moet zich een situatie voordoen waarbij als gevolg van het doorlopen van de gewone meldingsprocedure grote schade zou ontstaan die door direct optreden kan worden voorkomen. Bij een storing in de elektriciteitsaansluiting van een huishouden zal dit niet licht het geval zijn; indien het een aansluiting voor een fabriek betreft, zal de dreiging van grote schade veel eerder aan de orde zijn.

Ingevolge het tweede en het derde lid geldt bij calamiteiten voor de opdrachtgever en voor de grondroerder een aangepast zorgvuldigheidsvereiste, namelijk de verplichting naar vermogen zorgvuldig te zijn, gegeven de noodzaak met spoed op te treden. Dit impliceert een afweging tussen de verwachte gevolgen bij niet optreden en het risico van graafschade als gevolg van graafwerkzaamheden zonder dat over voldoende informatie wordt beschikt.

De te volgen procedure is dat de grondroerder conform het zesde lid zoveel mogelijk informatie inwint, met gebruikmaking van de door het kadaster te verstrekken gegevens over relevante beheerders en netten. In verband hiermee dient het kadaster permanent bereikbaar te zijn, hetzij telefonisch, hetzij op een andere wijze – het is wellicht op termijn mogelijk via het elektronisch informatiesysteem automatisch de benodigde informatie te verstrekken. Voor zover het een grondroerder betreft die bij ter plaatse voorziene graafwerkzaamheden met een calamiteit te maken krijgt, bijvoorbeeld als gevolg van een afwijkende ligging van een net, zal hij reeds beschikken over contactgegevens en gegevens over de functie van de netten ter plaatse. In het vijfde lid is de mogelijkheid geboden dat het kadaster de taak tot het telefonisch verstrekken van informatie uitbesteedt, omdat het kadaster op zich niet permanent telefonisch bereikbaar is.

Na afloop moet de opdrachtgever ingevolge het achtste lid binnen een werkdag de minister, feitelijk Agentschap Telecom, informeren dat hij zonder melding in de zin van artikel 8 van de wet graafwerkzaamheden heeft verricht, met een redengeving. Deze informatie is van belang opdat in het kader van het toezicht kan worden getoetst of terecht gebruik is gemaakt van de onderhavige spoedprocedure.

In verband met de noodzaak bij calamiteiten snel bij beheerders relevante informatie te kunnen opvragen is het van belang dat het kadaster beschikt over de contactgegevens van de beheerders, zoals bedoeld in artikel 4. Voor beheerders van een net met gevaarlijke inhoud is de bereikbaarheid van bijzonder belang. Om die reden is in het zevende lid bepaald dat zij permanent, dat wil zeggen 24 uur per dag en zeven dagen per week, bereikbaar moeten zijn.

Artikel 8

Op grond van artikel 23 van de wet dienen gebieden te worden aangewezen waarvoor «om veiligheidsredenen» kan worden afgeweken van de voorschriften ten aanzien van de informatie-uitwisseling. Het gaat er om misbruik te voorkomen van informatie over de ligging van netten voor (terroristische) aanslagen op vitale infrastructuur. Het belang van reguliere uitwisseling van informatie ter voorkoming van graafschade wordt hierbij afgewogen tegen het risico van misbruik. Het risico op misbruik van op grond van deze wet verkregen informatie kan als gering worden ingeschat zodat kan worden volstaan met een terughoudende invulling van artikel 23, zowel qua aantal gebieden als wat de mate van afwijking van het reguliere regime betreft. Bij de keuze voor de aan te wijzen gebieden is bepalend geweest in hoeverre sprake is van specifieke relevantie van een gebied als terrorismedoelwit, als vitale infrastructuur en vanuit het oogpunt van netbeheer. Toepassing van deze criteria leidt tot de aanwijzing van Schiphol en enkele andere Nederlandse luchthavens, alsmede de zes kerninstallaties (o.a. kerncentrale Borssele). Het betreft gebieden waarvoor op grond van luchtvaart-, respectievelijk kernenergiewetgeving specifieke regels met het oog op de beveiliging en de veiligheid van kracht zijn. Wat betreft de luchthavens is volstaan met aanwijzing van de grote luchthavens, te weten Schiphol en de luchthavens die in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, Kamerstukken I 2007/2008, 30 452, nr. A) met name worden aangemerkt als luchthavens van nationale betekenis. Militaire luchthavens kunnen hier buiten beschouwing blijven omdat voor militaire terreinen op grond van artikel 12 van de wet reeds een specifiek regime van kracht is.

Voor de afbakening van de veiligheidsgebieden is ten aanzien van de luchthavens aangesloten bij de luchtvaartwetgeving. In de Wet luchtvaart wordt voor Schiphol onderscheiden tussen het luchthavengebied en het beperkingengebied, voor elk waarvan aparte regels gelden. Het luchthavengebied betreft de luchthaven zelf, waaronder het gebied dat publiek toegankelijk is en ander gebied, zoals de landingsbanen. Dit is het gebied dat wordt aangewezen als veiligheidsgebied. Voor andere luchthavens wordt op grond van de Luchtvaartwet een zogenaamd luchtvaartterrein aangewezen, welk terrein naar aard en afbakening vergelijkbaar is met het hiervoor genoemde luchthavengebied. Voor kerninstallaties geldt op grond van de Kernenergiewet een vergunningplicht. In het kader van een vergunningaanvraag dient onder meer de plaats van vestiging te worden opgegeven en omschreven (artikelen 6 e.v. van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen). Ingevolge de aan een vergunning verbonden beperkingen en voorschriften geldt voor een kerninstallatie en in het bijzonder voor de plaats van vestiging een specifiek regime.

Voor de in het eerste lid aangewezen gebieden is in het tweede tot en met het zesde lid een aangepast regime voor de informatie-uitwisseling opgenomen. Kern hiervan is dat de voor het gebied verantwoordelijke instantie verplicht is om de grondroerder tijdig te voorzien van volledig en betrouwbaar kaartmateriaal over alle in zijn gebied gelegen netten. De beheerders van deze netten hebben derhalve in deze gevallen geen taak deel te nemen aan het reguliere systeem van informatie-uitwisseling. Bijgevolg worden zij in het tweede lid uitgezonderd van de reikwijdte van de verplichting inzake informatieverstrekking naar aanleiding van graafberichten. Omdat deze bepaling ook betrekking heeft op beheerders van netten die ten dele in een veiligheidsgebied zijn gelegen, geldt de uitzondering alleen voor zover de netten in het veiligheidsgebied zijn gelegen.

De voor het veiligheidsgebied verantwoordelijke instantie, dat wil zeggen de exploitant van de luchthaven of de vergunninghouder van de kerninstallatie, neemt deel aan de wettelijke informatie-uitwisseling als ware hij beheerder van alle netten in zijn gebied. Hij is gehouden voor elk van deze netten zorg te dragen voor de verstrekking van informatie naar aanleiding van graafberichten, en is ook overigens betrokken bij de uitvoering van het wettelijke stelsel (het treffen van voorzorgsmaatregelen, het rapporteren over schadegevallen, het ontvangen van schademeldingen, het treffen van maatregelen naar aanleiding van een melding inzake een afwijkende ligging en het beoordelen van meldingen over onbekende netten). Met het oog hierop zijn in het vierde lid de desbetreffende wettelijke bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard voor de exploitant, respectievelijk de vergunninghouder.

Voor de informatieverstrekking naar aanleiding van graafberichten geldt ingevolge het vijfde lid een aangepast regime: ten eerste wordt de informatie direct aan de betrokkene verstrekt, dus zonder tussenkomst van het kadaster; ten tweede kan de betrokken instantie een eigen afweging maken of de informatie daadwerkelijk moet worden verstrekt.

De informatieverstrekking op grond van deze bepaling heeft alleen betrekking op het veiligheidsgebied, ook in het geval een oriëntatie- of graafpolygoon betrekking heeft op zowel veiligheidsgebied als ander gebied. Er is geen reden waarom de exploitant of vergunninghouder verantwoordelijk zou moeten zijn voor de informatieverstrekking over aangrenzend gebied. In een voorkomend geval zal het graafbericht zowel naar de beheerders van buiten het veiligheidsgebied gelegen netten worden gezonden als naar de exploitant of vergunninghouder. De beheerders zullen alsdan door tussenkomst van het kadaster liggingsgegevens en dergelijke aan de grondroerder verstrekken; de exploitant of vergunninghouder dient in beginsel voor het veiligheidsgebied de liggingsgegevens te verstrekken. Dit laatste dient binnen drie werkdagen te gebeuren, binnen welke periode de afweging over de informatieverstrekking en het verzamelen van liggingsgegevens van betrokken beheerders kunnen plaatsvinden. De termijn van drie dagen is vergelijkbaar met de maximumtermijn voor de verstrekking van informatie over terreinen van de Minister van Defensie.

Voor de eerder bedoelde afweging is van belang enerzijds of de informatie noodzakelijk is en anderzijds of verstrekking ervan geen schadelijke gevolgen heeft vanuit de optiek van beveiliging. Indien bijvoorbeeld de indiener van het oriëntatieverzoek of de graafmelding geen opdracht heeft tot uitvoering van de graafwerkzaamheden, kan de betrokken instantie concluderen dat de informatieverstrekking niet noodzakelijk is. Vanuit de optiek van beveiliging van informatie verdient het in het algemeen de voorkeur zo min mogelijk informatie te verstrekken. Dit kan reden zijn te volstaan met het verstrekken van liggingsgegeven over alleen de graaflocatie zelf en niet over het omringende gebied dat ook binnen de graafpolygoon is gelegen, al dan niet gecombineerd met voorzorgsmaatregelen zoals de aanwijzing ter plaatse van de exacte ligging van netten. Het voorgaande maakt duidelijk dat de afweging per situatie dient te worden gemaakt en dat het oordeel van de exploitant, respectievelijk de vergunninghouder, maatgevend is. Hierbij dient hij ten aanzien van de informatiebeveiliging ook rekening te houden met de beperkingen en voorschriften die voortvloeien uit wetgeving of vergunningen. Indien bijvoorbeeld op grond van de Kernenergiewet bepaalde informatie wordt aangemerkt als vertrouwelijk, dient de vergunninghouder dit te betrekken bij zijn beoordeling of verstrekking van de informatie afbreuk doet aan het vereiste niveau van beveiliging.

Ingevolge het zesde lid dient de exploitant respectievelijk de vergunninghouder van een veiligheidsgebied te voldoen aan de wettelijke regels over informatieverstrekking. Het betreft in het bijzonder de eisen die krachtens artikel 21 van de wet gelden voor de te verstrekken informatie en die onder meer betrekking hebben op de kwaliteit en vormgeving van de informatie. Het is wenselijk dat grondroerders die gewend zijn hun graafwerkzaamheden te verrichten met krachtens de wet verstrekte gebiedsinformatie, voor graafwerkzaamheden in veiligheidsgebieden kunnen beschikken over informatie die voldoet aan dezelfde standaard.

Artikel 9

De in dit artikel gegeven bewaartermijn heeft betrekking op zogenaamde procesgegevens, zoals meldingen en verzoeken. Het is van belang nog enkele jaren over deze gegevens te kunnen beschikken, bijvoorbeeld in het geval dat zich een graafincident voordoet of indien een net met afwijkende ligging wordt aangetroffen. De termijn van vijf jaar is gestoeld op de verwachting dat na verloop van deze periode nog slechts in geringe mate behoefte zal bestaan aan deze procesgegevens.

Artikel 10

Dit artikel bevat enkele afwijkende bepalingen voor de overgangsfase waarin het elektronisch informatiesysteem nog niet operationeel is.

In het tweede lid is voorzien in de termijnen waarbinnen beheerders informatie beschikbaar moeten stellen, rekening houdend met de minder goede ontsluitingsmogelijkheden van informatie in deze fase. Voor informatieverstrekking in verband met een oriëntatieverzoek, dat in het algemeen minder urgent is, geldt een termijn van vijf werkdagen, en voor verzending van de informatie in verband met een graafmelding geldt een termijn van twee werkdagen.

Voor het derde lid wordt verwezen naar de bij artikel 5 terzake gegeven toelichting.

Het vierde lid betreft de situatie dat de graafwerkzaamheden worden uitgevoerd in grond die bij de Minister van Defensie in beheer is. Dergelijke werkzaamheden kunnen feitelijk slechts worden verricht in opdracht van de Minister van Defensie. Indien een graafbericht betrekking heeft op zowel Defensiegebied als ander, aangrenzend gebied, geldt deze bepaling alleen voor zover de oriëntatie- of graafpolygoon met het Defensiegebied overlapt. Dit is een aanpak die overeenkomt met die voor veiligheidsgebieden die is toegelicht bij artikel 8, vijfde lid.

De informatieverstrekking voor de hiervoor bedoelde werkzaamheden verloopt in de overgangsfase door tussenkomst van de Minister van Defensie, zoals overigens op grond van artikel 12 van de wet ook het geval is in de elektronische fase. De in het vierde lid gestelde termijnen zijn zo omschreven dat de Minister van Defensie na de bedoelde termijn de beschikbare informatie aan de betrokkene dient toe te sturen, ongeacht of alle beheerders hem tijdig de vereiste beheerdersinformatie hebben toegezonden. De Minister van Defensie heeft ook geen zicht op de compleetheid van deze informatie; het is aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan om te bezien of de van de Minister van Defensie ontvangen informatie betrekking heeft op alle beheerders waaraan het graafbericht is gezonden.

In de overgangsfase kan artikel 4, eerste lid, niet onverkort worden toegepast omdat hierin is bepaald dat meldingen en verzoeken via het elektronisch informatiesysteen moeten worden gedaan. Op grond van het vijfde lid wordt bij ministeriële regeling nader bepaald hoe in de overgangsfase meldingen en verzoeken moeten worden gedaan. Dit laat overigens het tweede deel van het eerste lid van artikel 4 onverlet zodat ook in de overgangsfase incidentele gebruikers bij het Contactcentrum van het kadaster, zoals bedoeld in de toelichting bij artikel 4, terecht kunnen voor het doen van een opgave.

Het zesde lid bevat een overgangsregeling voor de informatieverstrekking ten aanzien van de zogenaamde veiligheidsgebieden. Hierbij wordt goeddeels aangesloten bij de procedure die in de overgangsperiode geldt voor terreinen van de Minister van Defensie. Dit impliceert dat de beheerders van in een veiligheidsgebied gelegen netten gehouden zijn na ontvangst van een graafbericht ieder hun informatie te verstrekken aan de verantwoordelijke instantie van het veiligheidsgebied. Deze instantie vult deze informatie zo nodig aan met informatie over eigen netten en geleidt het totaal van de informatie door naar de indiener van het oriëntatieverzoek of het graafbericht. In verband met deze aanpak zijn in het zesde lid, onderdeel a, de relevante wettelijke bepalingen op de beheerder van toepassing verklaard. Ingevolge onderdeel b heeft de exploitant, respectievelijk de vergunninghouder, een beoordelingsruimte bij de verstrekking van informatie die overeenkomt met hetgeen in artikel 8, vijfde lid, is bepaald. Ingevolge onderdeel c geldt dat de verantwoordelijke instantie de informatie binnen vier werkdagen moet doorgeleiden in geval van een graafmelding en binnen zeven werkdagen in geval van een oriëntatieverzoek. Hetgeen in de toelichting bij artikel 8, vijfde lid, is opgemerkt over verzoeken die deels op een veiligheidsgebied en deels op ander gebied betrekking hebben, is ook voor de overgangsfase van toepassing.

De overgangsvoorziening van artikel 10, zesde lid, bevat geen compleet afwijkend regime voor veiligheidsgebieden. De aanwijzing van de veiligheidsgebieden en de toepasselijkheid van krachtens de wet gestelde regels (artikel 8, eerste, respectievelijk zesde lid) zijn ook in de overgangsfase van toepassing.

Artikel 11

In artikel 8 is voor de aanwijzing van veiligheidsgebieden ten aanzien van andere luchthavens dan Schiphol aangesloten bij de aanwijzing van luchtvaartterreinen op grond van de Luchtvaartwet. Bij de Eerste Kamer is een wetsvoorstel aanhangig gemaakt dat voor deze luchthavens voorziet in een ander wettelijk regime, neergelegd in de Wet luchtvaart (wetsvoorstel Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, Kamerstukken 30 452). Na aanvaarding en inwerkingtreding van die wetswijziging zullen op grond van artikel 8.1 van de Wet luchtvaart de in artikel 8, eerste lid, onder b, genoemde luchthavens gelden als luchthaven van nationale betekenis, waarvoor in een luchthavenbesluit het luchthavengebied wordt vastgesteld.

De in artikel 11 opgenomen aanwijzing van luchtvaartgebieden heeft mede betrekking op de luchthaven Twenthe: indien de militaire status van deze luchthaven wordt beëindigd, zal ingevolge voornoemd artikel 8.1 Twenthe gelden als een luchthaven van nationale betekenis. Tot die tijd zal de informatie-uitwisseling voor luchthaven Twenthe gebeuren overeenkomstig de procedure voor Defensie-terreinen, bepaald in artikel 12 van de wet of de in artikel 10, vierde lid, van het besluit bedoelde procedure.

Overigens zijn er ook andere luchthavens van nationale betekenis dan de hiervoor bedoelde luchthavens, namelijk luchthavens op het continentaal plat. Deze laatste categorie valt niet onder het bereik van artikel 11, omdat voor deze luchthavens geen luchthavenbesluit vereist is.

Artikel 12

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten treedt op 1 juli 2008 in werking, met uitzondering van een aantal artikelen dat in werking treedt op 1 oktober 2008, respectievelijk op een nader te bepalen tijdstip. Vanaf 1 juli dienen beheerders overeenkomstig artikel 45, eerste lid, van de wet bij het kadaster een opgave van de beheerpolygonen van hun netten te doen. Vanaf 1 oktober gelden voor graafwerkzaamheden de regels voor zorgvuldig graven en voor de informatie-uitwisseling, met dien verstande dat hiervoor nog geen gebruik kan worden gemaakt van het elektronisch informatiesysteem. Op het nader te bepalen tijdstip treden de bepalingen van de wet die specifiek betrekking hebben op het gebruik van het elektronisch informatiesysteem in werking.

Het besluit is zodanig opgesteld dat een dergelijke gefaseerde inwerkingtreding voor het besluit niet noodzakelijk is. Artikel 10 bevat enkele bepalingen betreffende de overgangsperiode. Enkele andere artikelen hebben zowel betrekking op de opgave van beheerpolygonen – in het bijzonder relevant voor de periode vanaf 1 juli – als op andere aspecten die eerst vanaf 1 oktober aan de orde zijn. Gelet hierop verdient het de voorkeur het besluit in zijn geheel in werking te laten treden op 1 juli 2008. Voor zover het besluit nadere regels stelt over de reguliere informatie-uitwisseling blijven deze tot 1 oktober 2008 zonder effect omdat de in hoofdstuk 4 van de wet opgenomen verplichtingen nog niet van kracht zijn.

Ten aanzien van artikel 6 van het besluit dient een uitzondering te worden gemaakt. Omdat dit artikel is gebaseerd op een wettelijke bepaling, artikel 8, derde lid, die eerst op 1 oktober 2008 in werking treedt, is voor artikel 6 hetzelfde tijdstip van inwerkingtreding bepaald.

De Minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 juli 2008, nr. 129.

Naar boven