Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2008, 170AMvB

Besluit van 19 mei 2008, houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 11 maart 2008, nr. 5533613/08/6;

Gelet op de artikelen 12, derde lid, 28, tweede lid, 37, tweede en vijfde lid, 39 en 41 van de Wet op de rechtsbijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 10 april 2008, nr. W03.08.0091/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 13 mei 2008, nr. 5542320/08/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt na «artikel 27,» telkens ingevoegd: eerste lid,.

2. In het vierde lid wordt na «de artikelen 25 en 27,» ingevoegd: eerste lid,.

B

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin op grond van de wet aan een rechtzoekende op last van de rechter een raadsman wordt toegevoegd door de raad.

C

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «gelijk aan het door Onze Minister vast te stellen normbedrag» vervangen door: gelijk aan 75 procent van het door Onze Minister vast te stellen normbedrag.

2. Aan het slot van het vijfde lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: In afwijking van de eerste volzin wordt bij het berekenen van het eerste kwartaalvoorschot dat aan de betrokken advocaat wordt verleend het voorschot gerelateerd aan het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in de voorafgaande maand. De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing.

ARTIKEL II

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op aanvragen om een toevoeging die door de raad zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2008.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 19 mei 2008

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak

Uitgegeven de zevenentwintigste mei 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Doelstelling besluit

Met dit besluit worden wijzigingen doorgevoerd in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr). Deze wijzigingen houden verband met de in het financieel kader van het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 aangekondigde taakstelling voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. Dit besluit is noodzakelijk om de taakstelling op de gesubsidieerde rechtsbijstand voor 2008 te realiseren. Bij de keuze voor de hierin opgenomen maatregelen is als algemeen uitgangspunt genomen dat de maatregelen er zoveel mogelijk toe dienen te strekken dat de vergoeding voor de verleende rechtsbijstand beter in overeenstemming wordt gebracht met de daadwerkelijke inspanningen door rechtsbijstandverleners. Bovendien moeten de maatregelen zo snel mogelijk geïmplementeerd kunnen worden, zodat de besparingen zonder grote uitvoeringsproblemen tijdig gerealiseerd worden. Op basis van deze criteria is met dit besluit gekozen voor het afschaffen van de standaardvergoeding voor administratieve kosten in het geval een rechtsbijstandverlener op last van de rechter door de raden voor rechtsbijstand ambtshalve aan een rechtzoekende wordt toegevoegd, en voor een verlaging van de periodieke voorschotverlening aan de advocatuur.

Vanzelfsprekend dient het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand ook na de doorvoering van de noodzakelijke maatregelen te voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden door artikel 18 van de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Één en ander heeft geleid tot de keuze voor het afschaffen van de vergoeding voor administratieve kosten in geval van ambtshalve toevoegingen (artikel 27 Bvr) en het aanpassen van de voorschotregeling advocatuur (artikel 35 Bvr). In het artikelsgewijs deel van de toelichting zal op deze maatregelen nader worden ingegaan.

EVRM en Grondwet

Artikel 18 van de Grondwet bepaalt dat een ieder zich in rechte en in administratief beroep kan doen bijstaan. Om de uitoefening van dit recht te kunnen effectueren, bepaalt de Grondwet voorts dat de wet regels stelt omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen. Deze regels zijn voornamelijk neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Bvr. Behalve in de Grondwet is het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Op grond van het derde lid, onderdeel c, van dit artikel heeft een ieder tegen wie vervolging is ingesteld het recht om kosteloos door een toegevoegd advocaat te worden bijgestaan, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen en indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Naast strafrechtelijke procedures heeft het EVRM ook betekenis voor andere gerechtelijke procedures. In uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een recht op effectieve toegang tot de rechter erkend. In het licht van artikel 18 Grondwet en artikel 6 EVRM is het van belang dat de toegang tot de rechter voor minder draagkrachtigen wordt gewaarborgd door het bieden van een voldoende toegankelijk stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.

De Grondwet en het EVRM staan niet in de weg aan wijzigingen van een bestaand stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het stelsel moet immers beheersbaar blijven om toegang tot de rechter te kunnen garan-deren aan degenen die gesubsidieerde rechtsbijstand daadwerkelijk behoeven. Dit brengt mee dat van tijd tot tijd bezien moet worden of het bestaande stelsel – al dan niet op onderdelen – nog voldoende aansluit op de praktijk en of geschillen niet op een andere, meer efficiënte wijze tot een oplossing kunnen worden gebracht. Bij wijzigingen van het stelsel moet telkens de balans worden gevonden tussen enerzijds het nakomen van de grondwettelijke en verdragsrechtelijke verplichtingen en anderzijds het beheersbaar houden van het systeem, zodat de effectieve toegang tot de rechter voor rechtzoekenden gegarandeerd blijft. Ontwikkelingen in de samenleving, zoals de opkomst en verdergaande toepassing van (nieuwe vormen van) alternatieve geschillenbeslechting, kunnen aanleiding vormen voor van tijd tot tijd noodzakelijke aanpassingen van het stelsel.

Effectieve toegang tot de rechter

In het licht van de Grondwet en het EVRM is van belang dat de toegang tot de rechter wordt gewaarborgd door voldoende aanbod van rechtsbijstandverleners (veelal advocaten) die willen deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Een effectieve toegang tot de rechter veronderstelt onder meer dat rechtzoekenden eenvoudig en laagdrempelig antwoord kunnen krijgen op rechtsvragen c.q. de beschikking kunnen krijgen over de ondersteuning door een rechtsbijstandverlener. Om hieraan te voldoen geldt in Nederland een uitgebreid systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand. Afhankelijk van de omstandigheden kan een minder draagkrachtige rechtzoekende hierdoor de beschikking krijgen over gratis rechtsbijstand. Daarin spelen de juridische loketten een vooraanstaande rol. Voor gratis eerstelijns rechtshulp (vraagverheldering, informatie en advies, alsmede voor doorverwijzingen naar advocaten) kunnen rechtzoekenden terecht bij één van de dertig juridische loketten die door het gehele land verspreid zijn. De dienstverlening bestaat uit een gratis spreekuur, een landelijk telefoonnummer, een centrale website en de mogelijkheid om via e-mail vragen te stellen. Hierdoor bieden de juridische loketten een zeer laagdrempelige eerstelijns rechtshulp.

De Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand verschaft periodiek een trendmatig en getalsmatig inzicht dat van belang is voor de bewaking van de effectiviteit van het stelsel. Daarbij staat centraal de toegankelijkheid van het stelsel voor de (minder draagkrachtige) rechtzoekende, het aanbod aan rechtsbijstandverleners en de kwaliteit van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit de Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2006 (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 138) volgt dat in veel gevallen het juridisch loket het eindstation vormt. Dat wil zeggen dat vele rechtzoekenden hun rechtsvragen al beantwoord zien door het juridisch loket. Van alle hulpvragen van rechtzoekenden wordt bijna 85% door het juridisch loket afgehandeld zonder doorverwijzing naar een rechtsbijstandverlener.

Indien een rechtzoekende wel verdergaande rechtsbijstand behoeft, kan hij daarvoor terecht bij een rechtsbijstandverlener. Veelal is dat een advocaat. Voor deze verdergaande rechtsbijstand kan de rechtzoekende aanspraak maken op door de staat gesubsidieerde rechtsbijstand, wanneer is voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld draagkracht en de inhoudelijke eisen van de zaak.

Voor een effectieve toegang tot de rechter is voorts vereist dat er een genoegzaam aanbod is van voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandverleners die deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit de bovengenoemde Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2006 volgt dat in 2006 voor het eerst meer dan 7.000 rechtsbijstandverleners, waarvan 93% advocaat is, deelnamen aan het stelsel. Een substantieel deel van de totale instroom bestaat uit rechtsbijstandverleners die het stelsel tijdelijk hadden verlaten, terwijl de groep die in twee achtereenvolgende jaren deelneemt aan het stelsel redelijk constant blijft. De vraag naar en het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand waren in 2006 goed in balans met elkaar. Het gemiddeld aantal toevoegingszaken dat een rechtsbijstandverlener jaarlijks behandelt was weliswaar gestegen ten opzichte van eerdere jaren, maar de stijging van het aantal ingeschreven rechtsbijstandverleners bleef daarmee goed in de pas lopen. Uit een in de Monitor opgenomen analyse van de gegevens over de in- en uitstroom van rechtsbijstandverleners die deelnemen aan het stelsel en de ontwikkeling van het aantal toevoegingen per rechtsbijstandverlener door de jaren heen, volgt volgens de Monitor dat er voor de nabije toekomst geen reden is om aan te nemen dat er problemen zullen ontstaan ten aanzien van het aanbod aan rechtsbijstandverleners.

Gelet op het voorgaande en de aard van de gekozen maatregelen, bestaat de overtuiging dat ook na de invoering van dit besluit voldoende evenwicht blijft bestaan tussen enerzijds het nakomen van de grondwettelijke en verdragsrechtelijke verplichtingen en anderzijds het betaalbaar houden van het systeem en het aantrekkelijk houden voor advocaten om deel te nemen aan het systeem. Hierdoor blijft de effectieve toegang tot de rechter ook in de toekomst voldoende gewaarborgd.

Financiële gevolgen

Zoals hierboven reeds is aangegeven, is dit besluit noodzakelijk om de taakstelling op de gesubsidieerde rechtsbijstand voor 2008 te realiseren. In het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 werd voor 2008 een taakstelling aangekondigd van € 25 miljoen. In het kader van de behandeling van de Justitiebegroting voor 2008 is een door de Kamerleden Heerts c.s. ingediend amendement1 aangenomen, dat ertoe strekt deze taakstelling terug te brengen tot € 10 miljoen. Met inachtneming van voornoemd amendement wordt de taakstelling op de rechtsbijstand voor 2008 met dit besluit beperkt ten opzichte van de eerder in het Coalitieakkoord aangekondigde taakstelling. In het onderstaande wordt aangegeven welke bedragen naar verwachting met de verschillende maatregelen worden bespaard op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Daarbij zij opgemerkt dat de daadwerkelijk te realiseren besparingen voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van externe factoren, waaronder conjuncturele omstandigheden, die het beroep op de gesubsidieerde rechtsbijstand – en daarmee de uitgaven voor de rechtsbijstand – beïnvloeden. Voorts is onduidelijk in hoeverre gebruik zal worden gemaakt van het hierna te bespreken aangepaste artikel 35, vijfde lid, Bvr. Er moet derhalve rekening worden gehou-den met enige marges. De hieronder genoemde verwachte besparingen komen uit op een totaalbedrag van ca. € 10,2 miljoen.

Afschaffen vergoeding administratieve kosten ambtshalve toevoegingen: Deze maatregel strekt ertoe dat niet langer een standaardvergoe-ding voor administratieve kosten wordt toegekend in het geval een advocaat ambtshalve (op last van de rechtbank) wordt toegevoegd door de raad voor rechtsbijstand. Het gaat hierbij om uitvoeringskosten die een advocaat in het geval van een reguliere aanvraag om een toevoeging maakt ten behoeve van zijn cliënt. Bij een ambtshalve toevoeging hoeft hij geen aanvraag te doen en dus deze kosten niet te maken. Deze maatregel levert vanaf 2008 op jaarbasis een besparing op van € 1,7 miljoen. Deze maatregel levert in 2008 een besparing op van ca. € 0,9 mln.

Aanpassen voorschotregeling advocatuur: Op grond van deze maat-regel wordt de hoogte van het voorschot op de rechtsbijstandvergoeding – dat periodiek wordt uitgekeerd aan advocaten die deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand – verlaagd met 25% met ingang van 2008. Hiermee wordt in 2008 een eenmalige besparing behaald van € 9,3 miljoen.

Consultatie en voorhang

Een ontwerp van dit besluit is ter consultatie voorgelegd aan de Nederlandse Orde van Advocaten en de raden voor rechtsbijstand. Van hen is een reactie ontvangen op dit eerdere ontwerp. Als algemene reactie hebben de raden aangegeven dat de wijzigingen van het Bvr nopen tot aanpassing van ICT-voorzieningen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft aangegeven te betwijfelen dat de in het ontwerpbesluit neergelegde maatregelen geen negatief effect hebben op het aanbod van advocaten die aan het stelsel deelnemen. Voor wat betreft een reactie op deze algemene opmerking zij verwezen naar de passage over de toegang tot de rechter in deze nota van toelichting. De Orde had met name bezwaren tegen een aanvankelijk voorgenomen aanpassing van de indexering van de basisvergoeding voor de advocatuur. Deze maatregel zou naar de verwachting van de Orde grote gevolgen kunnen hebben voor het inkomen van de advocatuur. Deze maatregel is naar aanleiding van de bijstelling van de taakstelling geschrapt teneinde het vergoedingenstelsel aantrekkelijk te houden voor de advocatuur. Hiermee wordt in sterke mate tegemoet gekomen aan de bezwaren die de Orde had tegen het ontwerp van dit besluit.

Een ontwerp van dit besluit is overeenkomstig de in artikel 49 van de Wet op de rechtsbijstand beschreven voorhangprocedure aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd en in de Staatscourant bekendgemaakt (Stcrt. 2007, nr. 249).

Administratieve lasten

Aan dit besluit zijn naar verwachting geen noemenswaardige bedrijfseffecten, administratieve lasten of andere nalevingskosten voor het bedrijfsleven verbonden.

Artikelen

Artikel I

Onderdelen A en B (Wijziging van de artikelen 3 en 27 Bvr)

Op grond van artikel 27 Bvr wordt voor de administratieve kosten die door rechtsbijstandverleners in het kader van de rechtsbijstandverlening worden gemaakt, per toevoeging een vergoeding toegekend. De hoogte van deze forfaitaire vergoeding bedraagt per 1 juli 2007 € 17,– (Stcrt. 2007, 121). Het bedrag is samengesteld uit twee componenten. Enerzijds vallen hieronder kosten van kantoorvoering, zoals porti en fotokopieën. Anderzijds zijn onder voornoemd bedrag ook de kosten begrepen die worden gemaakt in het kader van het verkrijgen van een toevoeging.

Vóór het onderhavige besluit werd in de praktijk de vergoeding voor administratieve kosten standaard toegekend bij iedere toevoeging, ongeacht of deze kosten ook daadwerkelijk werden gemaakt. Uit de toevoegpraktijk is gebleken dat bij bepaalde toevoegingen door rechtsbijstandverleners feitelijk geen administratieve kosten worden gemaakt voor het aanvragen van de toevoeging. Het gaat hierbij om de gevallen waarbij op last van de rechter door de raad voor rechtsbijstand een raadsman wordt toegevoegd aan een rechtzoekende. Dit zijn de zogenoemde ambtshalve toevoegingen. Een voorbeeld hiervan is het geval waarin op grond van artikel 43, eerste lid, Wrb op grond van het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering door de raad van rechtsbijstand aan een verdachte of een veroordeelde op last van de rechter een raadsman wordt toegevoegd. De toegevoegde raadsman maakt in zo’n geval geen kosten voor de aanvraag van de toevoeging, aangezien hij bij de aanvraag en verstrekking van de toevoeging geen handelingen hoeft te verrichten. Het is de rechter die de last aan de raad voor rechtsbijstand zendt. De raad draagt vervolgens zorg voor de verstrekking van de toevoeging.

Ten aanzien van de kosten voor de kantoorvoering zij het volgende opgemerkt. Thans worden door rechtsbijstandverleners nog kosten gemaakt ten behoeve van het ter uitvoering van artikel 28 Bvr toezenden van declaratieformulieren en kopiëren en toezenden van uitspraken aan de raden voor rechtsbijstand. De raden voor rechtsbijstand zullen ten behoeve van rechtsbijstandverleners elektronische voorzieningen openstellen, waarlangs de declaratieformulieren en afschriften van uitspraken toegezonden kunnen worden. Door middel van dit elektronische berichtenverkeer zullen de rechtsbijstandverleners deze kosten op de kantoorvoering gaan besparen, zodat vergoeding daarvan niet langer noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande is het redelijk om met het nieuwe tweede lid van artikel 27 Bvr een einde te maken aan de praktijk waarbij standaard bij iedere toevoeging de vergoeding voor administratieve kosten wordt toegekend. Aangezien hiermee de vergoedingsstructuur beter in overeenstemming wordt gebracht met de daadwerkelijk verrichte inspanningen, blijft de effectieve toegang tot de rechter voldoende gewaarborgd en bestaat geen vrees voor verminderde interesse van advocaten om deel te nemen aan het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand. De wijziging van artikel 3 Bvr houdt verband met het toevoegen van een nieuw tweede lid aan artikel 27.

De raden voor rechtsbijstand hebben in een reactie op een ontwerp van dit besluit aangegeven dat met deze aanpassing de vergoeding voor de advocatuur in overeenstemming wordt gebracht met de daadwerkelijk verrichtte werkzaamheden.

Onderdeel C (Wijziging van artikel 35 Bvr)

Advocaten die zijn ingeschreven bij de raden voor rechtsbijstand ontvangen op grond van artikel 37, vierde lid, Wrb een periodiek voorschot op de rechtsbijstandvergoeding. De bevoorschotting dient ertoe om, vooruitlopend op de vaststelling en de uitbetaling van de vergoeding, reeds een tegemoetkoming beschikbaar te stellen aan advocaten voor hun verwachte werkzaamheden in het kader van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Rechtsbijstand uit 2002 blijkt dat in de huidige praktijk de bevoorschotting de eventuele financiële gevolgen ondervangt die zich kunnen voordoen als gevolg van de tijdsduur tussen het moment van declaratie en uitbetaling. De rentebaten verkregen uit de voorschotregeling zouden dan ook overeenkomen met de rentederving tussen het moment van declaratie en uitbetaling.

De wijze van bevoorschotting is uitgewerkt in de artikelen 35 tot en met 38 Bvr. Deze regeling komt erop neer dat aan de ingeschreven advocaat per kwartaal een voorschot wordt toegekend waarvan de hoogte gelijk is aan het door de Minister van Justitie vast te stellen normbedrag, vermenigvuldigd met een vierde deel van het aantal toevoegingen voor deze advocaat in een voorgaande periode. Aan het einde van ieder kwartaal worden de door de advocaat ingediende declaraties verrekend met het aan het begin van dat kwartaal betaalde voorschot. Tevens wordt voor het daarop volgende kwartaal een nieuw voorschot verleend. Vóór de inwerkingtreding van het huidige artikel 37 Wrb was de deelname door advocaten aan de voorschotregeling facultatief. Om redenen van administratieve doelmatigheid is nu in artikel 37, vierde lid, Wrb bepaald dat aan alle ingeschreven advocaten een voorschot wordt toegekend (Kamerstukken II 1991/92, 22 609, nr. 3, pag. 26).

Dit systeem van bevoorschotting is ingevoerd in een tijdperk waarin advocaten relatief lang moesten wachten alvorens zij, na te hebben gedeclareerd, de uiteindelijke vergoedingen ontvingen voor de door hen verrichtte werkzaamheden. Dankzij technische ontwikkelingen kunnen de raden voor rechtsbijstand inmiddels de frequentie van uitbetalingen van uiteindelijke vergoedingen aan advocaten aanzienlijk opvoeren, tot een betalingsritme van eens in de twee weken. Advocaten krijgen hierdoor eerder dan in het verleden hun vergoedingen uitbetaald. Door het opvoeren van het betalingsritme bestaat er minder noodzaak om de omvang van de bevoorschotting op hetzelfde peil te houden dat redelijk geacht werd op het moment van invoering van het systeem. Deze maatregel realiseert besparingen aangezien er vanuit de raden voor rechtsbijstand minder geld uitstaat bij de advocatuur in het kader van de bevoorschotting.

Met onderhavig besluit wordt daarom met een wijziging van het tweede lid van artikel 35 Bvr voorzien in een vermindering van de bevoorschot-ting. Met ingang van 2008 wordt het gebruikelijke kwartaalvoorschot verminderd met 25%. Advocaten ontvangen daardoor dus met ingang van 2008 aan het begin van ieder kwartaal 75% van het voorschot dat zij normaal gesproken zouden ontvangen. Deze aanpassing leidt niet tot verminderde vergoedingen voor de advocatuur. Aan het einde van ieder kwartaal wordt het toegekende voorschot nog altijd verrekend met de declaraties voor dat kwartaal en zonodig aangevuld tot aan het bedrag van de werkelijke vergoedingen waarop de betrokkene recht heeft. Vooralsnog zal het systeem van bevoorschotting grotendeels in stand blijven. De raden voor rechtsbijstand zullen in goed overleg met de advocatuur de declaratie- en betalingsmethodiek moderniseren. Aan de advocatuur zal voldoende gelegenheid worden geboden om de eigen bedrijfsvoering hierop aan te passen. Bovendien volgt uit artikel 37, vierde lid, Wrb dat er een systeem van bevoorschotting dient te zijn.

Het vijfde lid van artikel 35 Bvr biedt de mogelijkheid voor de raden voor rechtsbijstand om voor startende advocaten gedurende een bepaalde periode af te wijken van de hoofdregel van het tweede lid. Deze bepaling beoogt te waarborgen dat er voldoende aanwas is van startende en eventueel herintredende advocaten die deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Vóór de onderhavige wijziging werd voor de hoogte van het kwartaalvoorschot bij deze categorie van advocaten op grond van het vijfde lid afgegaan op het aantal toevoegingen dat aan hen in het voorafgaande kwartaal werd afgegeven. Om toetreding tot het stelsel voor deze advocaten aantrekkelijk te houden, wordt het met de toevoeging van een tweede volzin aan het vijfde lid mogelijk gemaakt om bij de verlening van een eerste kwartaalvoorschot aan deze advocaten uit te gaan van het aantal toevoegingen dat aan hen is afgegeven in de voorafgaande maand. Door aldus uit te gaan van een kortere referteperiode kunnen deze advocaten reeds na een maand van toevoegingen profiteren van een gunstiger systeem van bevoorschotting. Deze uitzondering geldt slechts voor de vaststelling van de bevoorschotting voor het eerste kwartaal. Daarna kan immers ook bij startende advocaten en herintreders worden afgegaan op het aantal toevoegingen in het voorgaande kwartaal, en geldt de regel van de eerste volzin van het vijfde lid. Ter voorkoming van misverstanden wordt het vierde lid expliciet buiten toepassing verklaard voor deze doelgroep. Het is niet redelijk om als toelatingseis voor deze groep te stellen dat er sprake dient te zijn van hetzelfde jaarlijkse minimumaantal toevoegingen dat geldt voor de reeds aan de voorschotregeling deelnemende advocaten. Zij zullen in het eerste jaar doorgaans nog onvoldoende toevoegingen hebben verkregen om aan dat minimum te voldoen.

Naar aanleiding van een ontwerp van dit besluit hebben de raden voor rechtsbijstand opgemerkt dat het aanbeveling verdient dat advocaten de keuze hebben om deel te nemen aan het systeem van bevoorschotting. De bepaling dat het voorschotbedrag procentueel wordt verminderd verdient volgens de raden wellicht nadere uitwerking of omschrijving. Deze opmerking heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerp. Zoals hierboven reeds is aangegeven, volgt uit artikel 37, vierde lid, Wrb dat alle advocaten deelnemen aan de voorschotregeling. Vóór de inwerkingtreding van het huidige artikel 37 Wrb was de deelname door advocaten aan de voorschotregeling facultatief. Differentiatie in deelname aan de voorschotregeling zou nopen tot aanpassing van artikel 37, vierde lid, Wrb. Dit ligt thans niet voor de hand, aangezien de besparingen reeds in 2008 behaald dienen te worden en een wijziging van het Wrb naar verwachting voordien niet te realiseren valt. De bepaling dat het voorschot wordt bepaald op 75% van het normbedrag behoeft geen nadere uitwerking of omschrijving. Het normbedrag wordt jaarlijks vastgesteld op een duidelijk kenbaar nominaal bedrag, laatstelijk in de regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2007 (Stcrt. 2006, 214). Daardoor kan geen onduidelijkheid bestaan over de hoogte van het aangepaste voorschotbedrag.

De Orde heeft positief gereageerd op het voornemen dat vergoedingen voor verrichte werkzaamheden sneller worden uitbetaald. Volgens de Orde zou voor declaraties van advocaten een betalingstermijn van veertien dagen moeten gelden. Wel vreest de Orde dat de thans voorgestelde maatregelen op dit punt in het begin advocatenkantoren in financiële problemen kan brengen. De Orde heeft er aandacht voor gevraagd dat advocatenkantoren voldoende tijd krijgen om zich op deze wijziging voor te bereiden. In dit verband zij opgemerkt dat de raden hebben aangegeven dat zij in de uitvoering zullen pogen eventuele problemen op te lossen die zich aan de zijde van de advocatuur voordoen als gevolg van deze aanpassing.

Artikel II (Eerbiedigende werking voor reeds ingediende aanvragen om toevoeging)

Op het moment dat dit besluit in werking treedt, zijn er zaken die reeds in behandeling zijn en nog afgewikkeld moeten worden. Het Bvr zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op alle aanvragen voor een toevoeging die door de raden zijn ontvangen vóór deze inwerkingtreding. Daarmee wordt bereikt dat een reeds ingezet traject op basis van het op dat moment geldende recht kan worden afgedaan. Tussentijdse herzieningen in een lopend traject zijn daardoor niet nodig, waarmee problemen van overgangsrechtelijke aard voorko-men worden.

De raden hebben aangegeven dat het systeem van de bepaling van de hoogte van de vergoeding uitgaat van het moment waarop de toevoeging wordt afgegeven, en niet het moment waarop de toevoeging wordt aangevraagd. Volgens de raden heeft het niet de voorkeur om van deze systematiek af te wijken. Anders dan de raden voorstellen, is vastgehouden aan het moment van aanvraag van de toevoeging als beslissend moment voor de vraag of de gewijzigde bepalingen van het Bvr van toepassing zijn op een toevoeging. Hiermee wordt niet beoogd af te wijken van de gebruikelijke systematiek, maar wordt slechts een voorzie-ning geboden van overgangsrechtelijke aard. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit geldt voor nieuwe aanvragen de gebruikelijke systematiek. In geval van wijziging van regelgeving zoals in het onderhavige geval, zijn de aanvrager om een toevoeging en de rechtsbijstandverlener als direct belanghebbenden met het oog op de rechtszekerheid het meest gediend wanneer hen reeds op het moment van de aanvraag bekend is welke regels op hen van toepassing zijn. Een differentiatie in het overgangsrech-telijk regime geniet alleen al om redenen van rechtszekerheid niet de voorkeur.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 39.