Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2008, 119AMvB

Besluit van 2 april 2008, houdende wijziging van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen in verband met het stellen van nadere regels aan het gebruik van nummers ter bescherming van de consument

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 2007, nr. WJZ 7153670;

Gelet op de artikelen 4.4, tweede lid, 7.8, eerste lid, en 12.1, tweede lid, van de Telecommunicatiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 30 januari 2008, nr. W10.07.0489/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 maart 2008, nr. WJZ 8018857;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 1.1, onderdeel i, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, een nieuw onderdeel toegevoegd, dat luidt als volgt:

j. nummer met bijzondere toegang: nummer uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten of een internationaal nummer dat voor toegang gebruik maakt van een voor dat nummer specifieke voorziening in een randapparaat van de eindgebruiker die wordt aangeboden door een aanbieder anders dan de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die de eindgebruiker toegang verschaft tot nummers uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten of internationale nummers.

B

In artikel 2.11 worden de woorden «worden verplicht» vervangen door: verplicht.

C

Na artikel 3.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt als volgt:

Artikel 3.4a

  • 1. Als categorieën van nummers, bedoeld in artikel 12.1, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

    a. nummers die behoren tot de reeksen 0906, 0909 en 18 uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten:

    b. nummers die behoren tot de reeks 0900 uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten en die worden gebruikt voor het aanbieden van een aan de oproep verbonden dienst, voor zover daarvoor een bijkomend tarief wordt gerekend boven het tarief voor het overbrengen van elektronische signalen;

    c. nummers met bijzondere toegang, uitgezonderd geografische nummers, nummers uit de reeks 0670 tot en met 0679 en nummers als bedoeld in de onderdelen a en b van dit lid.

  • 2. De periode, bedoeld in artikel 12.1, tweede lid, van de wet, omvat voor nummergebruikers:

    a. de periode gedurende welke een nummer in gebruik is gegeven aan de nummergebruiker, verlengd met drie maanden en

    b. de periode gedurende welke een geschil tegen de nummergebruiker aanhangig is bij een in dat lid bedoelde geschillencommissie, voor zover de klacht, waarvan het geschil het gevolg is, is ingediend in de onder a bedoelde periode.

D

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 3.5a, eerste lid, onderdeel c, door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt als volgt:

d. de gevolgen van een schriftelijke betwisting door een consument van de rekening van een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die aan eindgebruikers wordt geleverd of van een nummergebruiker, alsmede de gevolgen van een geschilprocedure waarin de consument deze rekening betwist.

E

Artikel 3.6 wordt gewijzigd als volgt:

1. De zinsnede «artikel 9.2» wordt vervangen door: artikel 9.2 van de wet.

2. De zinsnede «andere aanbieders van openbare telefoondiensten» wordt vervangen door: aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten die de eindgebruiker toegang verschaffen tot nummers uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten of internationale nummers, met uitzondering van aanbieders van carrierdiensten.

F

Na artikel 3.6 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, die luiden als volgt:

Artikel 3.6a

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor nummergebruikers over:

    a. de tarifering van een oproep naar een nummer;

    b. het bekend maken van informatie over de tarifering van een oproep naar een nummer:

    c. de weergave van een nummer;

    d. het gebruik van een nummer;

    e. de toegang tot een nummer;

    f. de duur van een oproep naar een nummer.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen verschillen voor de bij die regeling te bepalen categorieën van nummers.

Artikel 3.6b

  • 1. Als gedragingen die betrekking hebben op het kennelijk misbruik maken van de tarifering van een nummer worden aangewezen het voorafgaand aan een oproep:

    a. verstrekken van feitelijk onjuiste informatie of informatie die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden als bedoeld in artikel 193c, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek,

    b. het weglaten van essentiële informatie als bedoeld in artikel 193d, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek

    voor zover die informatie geen betrekking heeft op de inhoud van de aan een oproep verbonden dienst of product.

  • 2. Het eerste lid is van toepassing op nummers uit de categorieën 0900 en 18.

ARTIKEL II

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 2 april 2008

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

F. Heemskerk

Uitgegeven de tweeëntwintigste april 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit universele dienst en eindgebruikersbelangen met als hoofddoel het versterken van consumentenbescherming bij het gebruik van bepaalde nummers met hoge tarieven.

In het Besluit universele dienst en eindgebruikersbelangen zijn onder meer bepalingen ter bescherming van de eindgebruiker opgenomen. Artikel 7.8 van de Telecommunicatiewet (hierna: de wet) vormt de grondslag voor deze verplichtingen. Op grond van dit artikel kunnen regels worden vastgesteld voor aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten en nummergebruikers over de bescherming van natuurlijke personen die verzoeken om of gebruikmaken van openbare elektronische communicatiediensten of programmadiensten voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden.

Dit besluit bevat nadere regels ter bescherming van de belangen van consumenten bij het gebruik van bepaalde nummers met hoge tarieven, te weten informatienummers (omschreven in de volgende paragraaf). De basis voor deze nadere regels is gelegen in de artikelen 4.4, 7.8 en 12.1 van de wet, zoals deze zijn gewijzigd bij de wet van 17 februari 2007 tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument (Stb. 158). De regels sluiten aan bij de artikelen 4.7 (toekenning van nummers) en 4.9 (in gebruik geven van nummers), alsmede bij de artikelen 7.3a tot en met 7.3c (maatregelen bij niet nakomen van verplichtingen) van de wet. Met deze nadere regels wordt invulling gegeven aan de genoemde artikelen van de wet opdat het hoofd kan worden geboden aan de aanhoudende problemen die consumenten ondervinden bij het gebruik van dure telefoonnummers. Hierop wordt in de volgende paragrafen nader ingegaan. De regels hebben onder meer betrekking op materiële normen voor het gebruik van dure nummers en mogelijkheden voor de beslechting van geschillen over deze nummers tussen consumenten enerzijds, en aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten of nummergebruikers anderzijds.

Het genoemde wettelijke kader heeft de volgende achtergrond. Het systeem van toezicht op het gebruik van nummers uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten (verder: nummerplan) in de reeks 0800 en de reeksen 0900, 0906 en 0909 (verder: de reeks 090x), gebaseerd op artikel 4.11 van de wet, was gebaseerd op zelfregulering. Dit systeem bleek ontoereikend om de belangen van de consumenten te beschermen. Er bestond onvoldoende draagvlak bij marktpartijen om gezamenlijk als sector op te treden tegen misstanden bij het commerciële gebruik van de nummers uit de genoemde reeksen.

De problemen hebben in de eerste plaats betrekking op intransparante dienstverlening. Het gaat dan met name om het onnodig verlengen van oproepen naar (dure) informatienummers. Dat manifesteert zich bijvoorbeeld door te lange wachttijden of door grote tussenpozen in de dienstverlening bij diensten als klantenservice. Er zijn ook gevallen waarin een te verwachten dienst in het geheel niet wordt geleverd, ook niet na lang wachten, of waarin de dienstverlening plotseling wordt afgebroken door de dienstverlener. Dergelijke praktijken keren periodiek terug.

Het genoemde zelfreguleringssysteem had bovendien een te beperkte reikwijdte, omdat het niet van toepassing was op onder meer internationale nummers die een vergelijkbare problematiek kennen. Dit systeem is daarom vervangen door een wettelijke regeling. Onderdeel hiervan is dat in dit besluit nader te definiëren nummergebruikers zich dienen aan te sluiten bij een door de Minister van Justitie erkende geschillencommissie. De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (verder: het college) beslecht geen geschillen tussen consumenten en nummergebruikers of aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten.

2. Nummergebruikers

Het in onderdeel F van dit besluit opgenomen artikel 3.6a maakt het mogelijk om aan nummergebruikers verplichtingen op te leggen. Nummergebruikers die nummers gebruiken die toegang geven tot betaalde inhoudsdiensten (informatienummers), ook wel nummerexploitanten genoemd, zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de kwaliteit van die dienstverlening. Malafide gedragingen bij het hanteren van hoge tarieven voor informatiediensten die leiden tot consumentenproblemen komen hoofdzakelijk in deze categorie van aanbieders voor. Het is daarom van belang om nummergebruikers verplichtingen op te leggen die dergelijke problemen voorkomen. Deze verplichtingen stemmen grotendeels overeen met de reeds bestaande verplichtingen voor aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten. Het opleggen van verplichtingen aan de nummergebruiker bevordert de effectiviteit van het toezicht op het juiste gebruik van genoemde nummers. Dan kan de nummergebruiker rechtstreeks worden aangesproken op het niet naleven van die verplichtingen. Dat levert een voordeel op omdat aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten en eventuele intermediaire partijen vaak ieder slechts een deel van het klantenbereik van een nummergebruiker bedienen en het daardoor lastig kan zijn het ongewenste gebruik door een nummergebruiker van een nummer tegen te gaan. Het blijft uiteraard wel mogelijk de aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten aan te spreken op het naleven van de eigen wettelijke verplichtingen, met inbegrip van de verplichtingen ten aanzien waarvan zij tezamen met de nummergebruiker voor de naleving zorg moeten dragen. Verwacht wordt dat de onderlinge contractuele verbondenheid van de onderscheiden aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten, nummerhouders en nummergebruikers, een remmende werking zal hebben op het verlenen van medewerking aan het gebruik van dure nummers dat als misbruik kan worden aangemerkt. Zo zouden aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten in een dergelijk geval betalingen aan andere aanbieders die betrekking hebben op de betreffende nummers stop kunnen zetten.

3. Geschillenbeslechting

Ingevolge artikel 12.1, tweede lid, van de wet moeten nummergebruikers van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van nummers zijn aangesloten bij een door de minister van Justitie erkende geschillencommissie. In die algemene maatregel van bestuur moet tevens de periode gedurende welke de nummergebruikers bij een geschillencommissie moeten zijn aangesloten, worden vastgesteld. Het in artikel I, onderdeel C, vervatte artikel 3.4a geeft hieraan uitvoering.

In het eerste lid van artikel 3.4a worden de categorieën van nummers aangewezen. Deze nummerreeksen bevatten nummers bij het gebruik waarvan consumentenproblemen voorkomen zoals genoemd in paragraaf 1. Deze categorieën komen globaal overeen met de bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van nummers bedoeld in de artikelen 4.3, derde lid, 4.7, vijfde lid, 4.9, derde lid, 7.3a, eerste lid en 7.3b, eerste lid van de wet. Deze bepalingen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij beogen consumenten beter te beschermen tegen dure nummers. Wat betreft nummers die behoren tot de reeks 0900 uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten, worden nummers uitgezonderd die gebruikt worden voor het aanbieden van informatiediensten waarvoor geen bijkomend tarief op het tarief voor de elektronische communicatiedienst wordt gerekend. Het gaat hier in de praktijk om 0900 nummers met een lokaal eindgebruikerstarief. Deze nummers hebben lage tarieven vergelijkbaar met die van bijvoorbeeld geografische nummers, en veroorzaken geen bijzondere consumentenproblemen. Het is daarom niet noodzakelijk dat de desbetreffende nummergebruikers zich aansluiten bij een erkende geschillencommissie. Overigens is tarieftransparantie voor deze nummers van belang voor de consument omdat ze behoren tot een nummerreeks waarin ook hoge tarieven voorkomen. Daarom vallen deze nummers wel onder de reikwijdte van andere onderdelen van dit besluit en de uitwerking daarvan in de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen.

Het tweede lid stelt de periode vast gedurende welke nummergebruikers bij een geschillencommissie moeten zijn aangesloten. Die periode wordt bepaald als de periode gedurende welke een nummer aan de nummergebruiker in gebruik is gegeven, verlengd met drie maanden en de periode gedurende welke een geschil tegen de nummergebruiker aanhangig is bij een in artikel 12.1, tweede lid, van de wet bedoelde geschillencommissie. Aan een nummergebruiker kan een nummer in gebruik zijn gegeven voor een zeer korte termijn, bijvoorbeeld voor een tijdelijke actie. Als het gebruik van het nummer na die korte termijn wordt beëindigd, zou een consument, die voor het afnemen van de dienst die door de nummergebruiker wordt aangeboden gebruik heeft gemaakt van dat nummer, en die een klacht daarover wenst in te dienen, met lege handen komen te staan als de nummergebruiker tegen de tijd dat een geschil aanhangig wordt gemaakt bij een erkende geschillencommissie niet meer bij deze geschillencommissie is aangesloten. Hierbij is van belang dat veel aanbieders van openbare telefoondiensten een factuurcyclus van een tot twee maanden hanteren. De consument ziet dan pas wat hij voor de telefonische dienst moet betalen. Zonder een verlenging van de aansluitplicht na de periode gedurende welke het nummer in gebruik gegeven is aan de nummergebruiker zou de consument, nadat hij de nota heeft ontvangen, onvoldoende tijd hebben om voor het betwiste deel hiervan een geschil aanhangig te maken bij een geschillencommissie. Immers, bij een normale gang van zaken dient de klacht eerst aan de betreffende aanbieder van de elektronische communicatiedienst of de nummergebruiker gestuurd te worden. Daarom is in artikel 3.4a, tweede lid, bepaald dat de nummergebruiker nog drie maanden na de afloop van de periode gedurende welke het nummer aan hem in gebruik is gegeven, aangesloten moet blijven bij een geschillencommissie, en vervolgens zo lang als de beslechting van een aanhangig gemaakt geschil duurt.

4. Regels bij betwisting van de nota

De in artikel I, onderdeel D, opgenomen wijziging van artikel 3.5a, biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling regels te stellen voor aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten of nummergebruikers over de gevolgen van een uitdrukkelijke betwisting door een consument van de rekening. Deze regels zullen inhouden dat een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die aan eindgebruikers wordt geleverd of een nummergebruiker geen betaling kan verlangen van (het deel van) de nota dat door de consument wordt betwist, zolang niet op de klacht over de nota of zolang niet door een onafhankelijke geschillencommissie over het ontstane geschil een oordeel is gegeven. Aan een en ander liggen de volgende argumenten ten grondslag.

Een veel voorkomende situatie waarin de consument een klacht heeft over een informatienummer, is die waarbij de dienst weliswaar is geleverd maar de consument zich misleid voelt ten aanzien van de omstandigheden waaronder deze dienst is geleverd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als geen adequate melding van het tarief per minuut heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de oproep. Daarbij is de verhouding tussen de elektronische communicatiedienst, de inhoudelijke dienst en de (verschillende) aanbieders van die diensten voor de consument vaak ondoorzichtig. Daarom kan de consument zijn positie ten opzichte van een aanbieder bij een klacht of geschil moeilijk inschatten.

De consument kan door middel van een op te vragen gespecificeerde nota informatie inwinnen over de in rekening gebrachte bedragen. Gezien de hiervoor geschetste omstandigheden is het redelijk dat als de consument naar aanleiding van die nota een bedrag betwist en hierover een klacht heeft ingediend of er een geschillenprocedure uit voortvloeit, geen betaling kan worden verlangd voor de betwiste oproep naar een informatienummer. Daarom wordt in dit besluit een basis geschapen om in een dergelijk geval de betaling te kunnen opschorten. Dit is nodig omdat de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek over opschorting (artikel 52 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) hier onvoldoende soelaas bieden. Artikel 52 geeft een opschortingsrecht aan de schuldenaar die een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Getransponeerd naar de situatie waar het hier om gaat is de schuldenaar de consument die zijn rekening moet betalen. De consument kan echter vanwege de hiervoor omschreven omstandigheden niet goed beargumenteren dat een schuldeiser niet aan zijn leveringsverplichting (opeisbare vordering) heeft voldaan en bepalen wie de schuldeiser is jegens wie hij een verschuldigd bedrag wil betwisten (de aanbieder van de elektronische comnunicatiedienst, de nummergebruiker of een intermediaire partij). Artikel 3.5a geeft daarom een voorziening om de consument eerst uitsluitsel te geven over de betwiste onderdelen van de rekening alvorens hij deze betaalt.

5. Misbruik van de tarifering van een nummer

Artikel 4.4, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur gedragingen kunnen worden aangewezen die kunnen leiden tot de in die bepaling genoemde maatregelen vanhet college. Deze maatregelen die in artikel 4.4, eerste lid, worden genoemd zijn de opschorting of intrekking van de toekenning van een nummer, het geven van een aanwijzing om betalingen die gerelateerd zijn aan het desbetreffende nummer overeenkomstig artikel 7.3a van de wet op te schorten of het geven van een aanwijzing om de aankiesbaarheid daarvan op te schorten. Het tweede lid van artikel 4.4. houdt in dat de aan te wijzen gedragingen betrekking hebben op het kennelijk misbruik maken van de tarifering van een nummer.

Artikel I, onderdeel F, artikel 3.6b, van dit besluit geeft uitvoering aan artikel 4.4, eerste lid. Artikel 3.6b in samenhang met artikel 4.4. van de wet, beoogt bescherming te bieden tegen nummergebruikers die informatienummers gebruiken om misbruik te maken van de omstandigheid dat de consument moet bellen en in gesprek moet blijven om de dienst te kunnen afnemen. Daarmee draagt de bepaling ook bij aan het ordelijk economisch verkeer op de markt voor nummergebruikers.

Misbruik van tarifering van informatienummers kan zich voordoen in situaties waarbij de nummergebruiker, met gebruikmaking van de diensten van een platformaanbieder, een dienst aanbiedt tegen een tarief dat wordt berekend op basis van het tot stand brengen en houden van een oproep naar het nummer via welke de dienst wordt geleverd, en waarbij de dienst in rekening wordt gebracht door de aanbieder van de openbare telecommunicatiedienst. Van misbruik van tarifering van informatienummers is onder meer sprake in de volgende gevallen:

a. de door de nummergebruiker aangeboden dienstverlening is er, zonder dat dit besloten ligt in de aard van deze dienstverlening, kennelijk op gericht de duur van de oproep te verlengen;

b. bellers worden aan de lijn gehouden zonder dat zij uiteindelijk iemand te spreken krijgen of dat aan hen een dienst wordt verleend;

c. bij een nummer met een vast tarief per oproep, verbreekt een nummergebruiker zelf de verbinding zonder een dienst (volledig) te leveren.

Tegen dit soort gevallen wordt door artikel 3.6b een dam opgeworpen.

Onder a gaat het om de situatie waarin een nummergebruiker een dienst aanprijst onder een duur nummer maar niet – naar objectieve maatstaven – aan de daarbij gewekte verwachting omtrent de duur of de totale kosten van de oproep voldoet wanneer naar het nummer wordt gebeld. Hierbij kan het onder meer gaan om wachttijden bij de aanvang van een oproep, waarbij de nummergebruiker van een nummer het aantal consumenten die tegelijkertijd kunnen bellen niet beperkt, terwijl hij weet dat (een deel van) de bellers niet binnen redelijke termijn kunnen worden geholpen, en hij van de te verwachten vertraging geen mededeling doet.

De dienstverlening heeft dan, los van de vraag of de nummergebruiker nalatig is, als effect dat het aantal wachtenden per minuut en gedurende een lange wachttijd zo groot mogelijk wordt gehouden en dus verschillende consumenten worden gedupeerd. Bij de onder b bedoelde gevallen wordt de beller lang aan de lijn gehouden, tot 10 à 20 minuten, zonder dat hij uiteindelijk met iemand spreekt of dat aan hem een dienst wordt verleend (zogenoemde «loze nummers»). Indien de dienstverlening uitblijft wordt de verbinding uiteindelijk logischerwijs verbroken door de beller. Het onder c beschreven geval van misbruik betreft de omstandigheid dat bij een nummer met een vast tarief per oproep, een nummergebruiker kort na de start van de oproep, zelf de verbinding verbreekt zonder een dienst te leveren.

De hiervoor omschreven gedragingen vallen onder het bereik van de nieuwe afdeling 3A van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de oneerlijke handelspraktijken, zoals dat wordt voorgesteld in het voorstel van wet tot aanpassing van de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek en andere wetten aan de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (Kamerstukken 2006/2007, 30928) en dus onder het toezicht van de Consumentenautoriteit. Gelet op het specifieke karakter van deze gedragingen als verschijningsvormen van misbruik van tarifering in de telecommunicatiesector is het echter wenselijk dat het college hiertegen de daarop toegesneden instrumenten van artikel 4.4 van de Telecommunicatiewet kan inzetten, ook in situaties waarin het college een aanwijzing heeft dat sprake is van misbruik van tarifering. Het gaat hierbij, zoals hiervoor reeds vermeld, om het kunnen weigeren, opschorten of intrekken van de toekenning van een nummer, het kunnen geven van een aanwijzing aan de aanbieder van de openbare elektronische communicatiedienst dat hij de betaling aan de nummergebruiker voor de door deze geleverde diensten via dat nummer dient op te schorten, of een aanwijzing aan de aanbieder van de openbare elektronische communicatiedienst om overeenkomstig artikel 7.3a van de wet de aankiesbaarheid van het desbetreffende nummer op te schorten. Deze sectorspecifieke spoedvoorzieningen kan het college op zeer korte termijn treffen. Daar komt bij dat gezien het sectorspecifieke werkterrein van het college, het college in de praktijk eerder zicht zal krijgen op gedragingen als hier bedoeld.

Op grond van het hiervoor genoemde wetsvoorstel oneerlijke handelspraktijken worden de Consumentenautoriteit en de AFM aangewezen als de toezichthouders voor overtreding van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken. Artikel 4.2, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming bepaalt echter dat indien zowel de Consumentenautoriteit als een andere overheidsinstantie bevoegd zijn toezicht uit te oefenen of handhavingsmaatregelen te nemen, de Consumentenautoriteit geen gebruik maakt van haar bevoegdheden. Van een dergelijke samenloop van bevoegdheden is hier sprake. Een en ander betekent dat in beginsel uitsluitend het college tegen de in artikel 3.6b omschreven gedragingen zal optreden. Het ligt in de rede dat het college en de Consumentenautoriteit nadere afspraken maken over een praktische uitwerking van de bevoegdheden van het college op basis van artikel 3.6b van het besluit en die van de Consumentenautoriteit op basis van de genoemde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Wat betreft de afbakening van het toezicht van het college op basis van artikel 3.6b ten opzichte van dat van de Consumentenautoriteit moet in het bijzonder worden gekeken naar de uitleg van het begrip «de inhoud van de aan een oproep verbonden dienst of product». Immers, indien het gaat om de beoordeling van oneerlijke handelspraktijken die betrekking hebben op de inhoud van de aan een oproep verbonden dienst is de Consumentenautoriteit de bevoegde toezichthouder.

6. Toezicht

Het college is belast met toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de Telecommunicatiewet. Uit dit besluit vloeit voort dat voortaan ook zal worden toegezien op de naleving van de aansluitplicht bij de geschillencommissie voor de in artikel 3.4a aangewezen categorieën van nummers, en de in artikel 3.6b omschreven gedragingen. Voor de handhaving van artikel 3.6b staan het college, naast haar algemene handhavingsbevoegdheden van hoofdstuk 15 van de Telecommunicatiewet de bijzondere bevoegdheden van artikel 4.4 van de wet ter beschikking. Deze houden in dat het college de toekenning van een nummer kan weigeren, opschorten of intrekken en bepaalde aanwijzingen kan geven aan aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten. Een bijzonderheid doet zich voor bij de toepassing van de artikelen 4.4 juncto 7.3a en volgende van de wet.

Het college moet beoordelen of sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 4.4, teneinde de maatregelen te kunnen nemen, genoemd in de artikelen 7.3a en volgende. Het ligt in de rede dat het college met name zal ingrijpen in gevallen waarin meerdere consumenten worden gedupeerd of sprake is van bijzonder hoge bedragen die in rekening worden gebracht zonder dat de consument daarover (voldoende en juist) was geïnformeerd. Ingeval partijen voor gedragingen die onder de reikwijdte van artikel 3.6b vallen een gedragscode hebben afgesproken, is het niet naleven van die code een vorm van misbruik van tarifering via artikel 3.6b, eerste lid, onderdeel a, jo. artikel 193c, tweede lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt opgemerkt dat de marktpartijen thans werken aan een code inzake wachttijden.

7. Bedrijfseffecten en administratieve lasten

De artikelen 3.4a en 3.6a in dit besluit kunnen leiden tot financiële lasten voor de desbetreffende aanbieders.

In artikel 3.4a wordt vastgelegd welke categorieën van nummers van nummergebruikers zich moeten aansluiten bij een door de Minister van Justitie erkende geschillencommissie en wat de duur is van deze aansluitplicht. Aangewezen worden nummers uit de reeksen 090x, 18 en bepaalde nummers met bijzondere toegang uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten.

De financiële lasten worden gevormd door:

a. de operationele kosten van de geschillencommissie die zullen worden gedragen door marktpartijen;

b. de kosten voor de betreffende categorieën nummergebruikers van benodigde administratieve handelingen om zich aan te sluiten bij een geschillencommissie;

c. de kosten voor deze nummergebruikers als gevolg van het optreden als wederpartij bij geschilbeslechting.

Alleen de onder b genoemde financiële lasten valt onder de definitie van administratieve lasten.

Op de financiële gevolgen van de aansluitplicht voor nummergebruikers is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument (Kamerstukken II, 2006/2007, 30537, nr. 3, p. 20 e.v.) reeds ingegaan. De daarbij voorziene reikwijdte van deze aansluitplicht komt grotendeels overeen met hetgeen vastgesteld is in dit besluit. Samenvattend gaat het om het volgende beeld van deze financiële lasten.

De operationele kosten van de geschilbeslechting bedragen naar verwachting € 300 000. De administratieve lasten, gekoppeld aan de aansluitprocedure, worden geschat op initieel € 200 000 en structureel € 60 000. De omvang van deze lasten kan worden verminderd door schaalvoordelen die behaald kunnen worden door de reeds bestaande intermediaire dienstverlening van bijvoorbeeld platformaanbieders. Platformaanbieders kunnen daarmee voorkomen dat nummergebruikers die zijn klanten zijn, individueel een aansluitprocedure moeten ingaan, hetgeen over alle partijen gezien minder efficiënt is. De lasten voor nummergebruikers als gevolg van het optreden als wederpartij bij klachtbehandeling worden geschat op € 250 000.

Op de omvang van eventueel uit artikel 3.6a voortvloeiende financiële lasten is eveneens in de genoemde memorie van toelichting ingegaan. Deze omvang is echter sterk afhankelijk van de nadere vormgeving van deze verplichtingen in de nog te wijzigen Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen. Bij die wijziging wordt indien nodig nader ingegaan op deze financiële lasten. Overigens zal hierbij worden voorzien in ruimte ten aanzien van mogelijke implementatievormen. Daarnaast zal wat betreft tarief- en nummertransparantie bij informatienummers worden aangesloten bij de thans gangbare praktijk van dienstverlening. Op dit punt zullen derhalve in beginsel geen aanpassingen van de zijde van de desbetreffende nummergebruikers nodig zijn.

Samenvattend kan worden gesteld dat, gelet op de omvang en samenstelling van de sector, het totaal aan financiële en administratieve lasten als gevolg van dit besluit gering zijn.

8. Administratieve lasten

Het ontwerp-besluit is aan de Adviescommissie toetsing administratieve lasten voorgelegd. De commissie heeft besloten het ontwerp-besluit niet te toetsen.

9. Uitvoeringstoets college

Op grond van artikel 5 van het Informatiestatuut Onafhankelijke Post- en Telecommunicatieautoriteit heeft het college een uitvoeringstoets op het ontwerp-besluit uitgevoerd. Hieronder wordt op de opmerkingen van het college ingegaan.

Op grond van artikel 3.4a, eerste lid, onderdeel b, geldt de verplichting tot aansluiting bij een geschillencommissie alleen voor 0900 nummers waarvan in het eindgebruikerstarief naast een tarief voor het elektronisch transport (aangeduid als het verkeerstarief), een tarief is opgenomen voor een andere dienst (inhoudelijke dienst of «content»).

Naar de mening van het college biedt dit criterium weinig zekerheid over de reikwijdte van de aansluitplicht. Het is niet eenvoudig om vast te stellen of bij die nummerreeksen naast het transporttarief ook een tarief voor inhoudelijke dienstverlening wordt berekend. Het eindgebruikerstarief van een bepaald nummer is afhankelijk van diverse factoren zoals het soort aansluiting van de beller (bijvoorbeeld een vaste of mobiele aansluiting) of de gekozen abonnementsvorm. Ook kan de hoogte van het beltarief van een enkel nummer op zeer korte termijn, en soms per dag, wijzigen. Het college stelt voor om het genoemde criterium te laten bestaan uit een bepaald bedrag voor het eindgebruikerstarief, berekend in eurocenten.

De bezwaren van het college tegen de genoemde bepaling worden niet gedeeld. De bepaling biedt zowel de bedrijven als het college voldoende houvast om te bepalen of de aansluitplicht van toepassing is. In de regel zal het bij een nummer gehanteerde tarief een belangrijke aanwijzing vormen voor een antwoord op de vraag of in het tarief een betaling voor de te leveren inhoud is opgenomen. Hoe hoger dit tarief ten opzichte van wat in de regel als verkeerstarief (op een vast net) in rekening wordt gebracht hoe sterker het vermoeden zal zijn dat het tarief niet alleen betrekking heeft op het elektronisch transport. Ook de omstandigheid dat consumenten klachten indienen is relevant. Dergelijke klachten betreffen doorgaans nummers met dermate hoge tarieven dat het vrijwel zeker om nummers gaat waarbij betalingen voor de geleverde inhoudsdienst, in de praktijk afdrachten aan derden (nummergebruikers), voor niet-transport plaatsvinden. Voorts kan erop worden gewezen dat een onderscheid tussen nummers waarbij in het eindgebruikerstarief een tarief is opgenomen voor inhoudelijke dienstverlening en nummers waarbij dat niet gebeurt, reeds is neergelegd in artikel 1, onderdeel b van het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten. Bij de toepassing van die bepaling hebben zich geen bijzondere problemen voorgedaan.

Al met al biedt artikel 3.4a, eerste lid, onderdeel b, voldoende duidelijkheid voor een adequate handhaving. Het college zou kunnen besluiten zich bij de handhaving primair te richten op nummers waarvan het tarief boven een bepaald niveau ligt dat is afgeleid van de «reguliere» tarieven voor het interlokaal bellen vanaf een vast netwerk, bij voorbeeld dat van de grootste aanbieder. Dan valt immers niet te verwachten dat sprake is van een toeslag op dat «reguliere» tarief, dat wordt afgedragen aan de nummergebruiker. Daarnaast kan het college gebruik maken van haar bevoegdheid op basis van artikel 18.7 van de wet, dan wel artikel 4.9 van de wet, juncto artikel 3.8, onderdeel e, van de Regeling universele dienst en eindgebruikersbelangen om informatie over deze betalingen in te winnen bij de nummerhouder of de nummergebruiker.

Het voorstel van het college om een tariefhoogte in dit besluit op te nemen zou kunnen leiden tot een onevenwichtige behandeling van aanbieders omdat bij vaste netwerken sprake kan zijn van verschillende verkeerstarieven. Ook kan de hoogte van deze verkeerstarieven in de tijd veranderen. Om deze redenen, in combinatie met de hiervoor genoemde overwegingen, verdient de voorziene oplossing de voorkeur.

Naar de mening van het college is onvoldoende duidelijk wanneer de verplichting voor een nummergebruiker om aangesloten te zijn bij een geschillencommissie, eindigt. Het gaat hier om de bepaling dat de aansluitperiode wordt verlengd met de periode gedurende welke een geschil aanhangig is bij een geschillencommissie. Het is volgens het college ook niet duidelijk of de verlenging van de verplichte periode van aansluiting tevens betekent dat nieuwe klachten die gedurende deze periode worden ingediend, in behandeling kunnen worden genomen door de geschillencommissie. Het ligt naar de mening van het college meer voor de hand dat de afhandeling van lopende geschillen bij de geschillencommissie wordt geregeld in de voorwaarden tot aansluiting bij die geschillencommissie.

Het is inderdaad juist dat niet op voorhand valt vast te stellen hoelang de aansluitplicht bij een geschillencommissie geldt indien een klacht wordt ingediend. De consument weet echter dat hij altijd een termijn van drie maanden heeft na het staken van de dienstverlening van de nummergebruiker om een klacht in te dienen en dat een klacht die voor het eindigen van die termijn bij een geschillencommissie is ingediend, volledig zal worden afgehandeld. Deze periode is ruim genoeg om klachten in te dienen. Het zal zeer zelden voorkomen dat pas nadien bij de consument behoefte ontstaat een klacht in te dienen. Indien de nummergebruiker dan nog steeds is aangesloten bij een klachtencommissie omdat er een klacht tegen hem loopt, kan de consument daarvan mogelijk gebruik maken. Hij heeft dan echter geen garantie dat de klacht in behandeling wordt genomen of dat de nummergebruiker lang genoeg blijft aangesloten bij de klachtencommissie om zijn klacht af te handelen. Een en ander zal ook afhangen van de voorwaarden die de desbetreffende klachtencommissie hanteert.

Ten slotte wordt opgemerkt dat de tekst van het besluit en de toelichting naar aanleiding van enkele andere opmerkingen en suggesties van het college is aangepast.

II. Artikelgewijs

Onderdeel A

Dit onderdeel neemt de definitie van een nummer met bijzondere toegang, zoals die is omschreven in de Regeling universele dienst en eindgebruikersbelangen, over. Deze definitie is thans nodig in het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen in verband met het nieuwe artikel 3.4a.

Onderdeel B

Hiermee wordt een redactionele verbetering aangebracht.

Onderdeel C

Artikel 3.4a, eerste lid

Artikel 3.4a, eerste lid, stelt de in artikel 12.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van nummers vast waarvoor een aansluitplicht bij een geschillencommissie geldt. De bedoelde categorieën van nummers zijn alle nummers die behoren tot de reeksen 0906, 0909 en 18, bepaalde nummers met bijzondere toegang en bepaalde nummers die behoren tot de reeks 0900 uit het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten. Wat betreft nummers uit de reeks 0900 gaat het alleen om nummers die worden gebruikt voor het aanbieden van een aan de oproep verbonden dienst waarvoor een bijkomend tarief wordt gerekend op het tarief voor de elektronische communicatiedienst. Het gaat hier in de praktijk om 0900 nummers met een lokaal eindgebruikerstarief. Op het begrip aan de oproep verbonden dienst wordt in onderdeel F van de artikelgewijze toelichting nader ingegaan.

Artikel 3.4a, tweede lid

Dit artikellid regelt de periode gedurende welke een nummergebruiker moet zijn aangesloten bij een geschillencommissie. Dit is de periode gedurende welke een nummer aan de nummergebruiker in gebruik is gegeven, verlengd met drie maanden de daarop volgende periode gedurende welke een eventueel geschil tegen de nummergebruiker aanhangig blijft bij een in artikel 12.1, tweede lid, van de wet bedoelde geschillencommissie. Een en ander is in de paragrafen 3 en 6 van het algemeen deel van deze nota van toelichting uitvoerig toegelicht.

Indien de nummergebruiker ook de nummerhouder is, dient onder «de periode gedurende welke een nummer in gebruik is gegeven» te worden verstaan de periode gedurende welke het nummer aan de nummerhouder is toegekend.

Bij nummers uit de reeks 0900 kan het voorkomen dat niet gedurende de gehele periode waarin deze in gebruik zijn, voor de daaraan verbonden diensten een bijkomend tarief op het tarief voor de elektronische communicatiedienst in rekening wordt gebracht. In dergelijke gevallen is, op grond van het eerste en het tweede lid, de aansluitplicht van toepassing vanaf het moment dat het genoemde bijkomende tarief in rekening wordt gebracht.

Onderdeel D

Op grond van artikel 3.5a van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen kunnen regels worden vastgesteld over informatie en voorzieningen die de aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten aan de consumenten moeten aanbieden. In dit artikel wordt een nieuw lid d opgenomen, op basis waarvan regels kunnen worden gesteld die gelden ingeval de consument de nota betwist. Op de redenen voor deze bepaling en de wijze waarop daaraan invulling zal worden gegeven is in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting reeds nader ingegaan.

Het aanhangig maken van een geschil bij een geschillencommissie met betrekking tot een overeenkomst als bedoeld in artikel 12.1, tweede lid, van de wet, kan betrekking hebben op het niet nakomen van een wettelijke verplichting door de aanbieder of de nummergebruiker. Indien de consument in zo’n geval tevens wil bereiken dat hij (het betwiste deel van) de nota niet hoeft te betalen, zal er in de praktijk een verband moeten zijn tussen de niet-nakoming van de wettelijke verplichting en (de hoogte van) het betwiste deel van de nota.

Onderdeel E

De in het tweede lid van dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 3.6 van het besluit bewerkstelligt dat de krachtens artikel 2.11 gestelde verplichtingen, geldend voor de krachtens artikel 9.2 van de wet aangewezen aanbieder van openbare telefoondiensten op een vaste locatie, van overeenkomstige toepassing zijn op andere aanbieders van openbare telefoondiensten. De desbetreffende verplichtingen zijn opgenomen in artikel 2.5 van de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen. Het gaat om zorgvuldigheidsvereisten en beperkingen ten aanzien van afsluiting van de telefoondienst indien de consument zijn rekening geheel of gedeeltelijk niet betaalt. Zo heeft de consument het recht op continuering van overige delen van de dienstverlening van de desbetreffende aanbieders bij betalingsachterstand van het gedeelte van de telefoonnota dat betrekking heeft op nummers uit de reeksen 0900, 0906, 0909 en 18. Op grond van artikel 3.6 zijn vervolgens alle abonnees van de openbare telefoondienst beschermd tegen een ongegronde afsluiting of beperking van de dienstverlening.

Door deze wijziging van artikel 3.6 vallen aanbieders van op pakketgeschakelde transmissietechnieken gebaseerde telefonie, voor zover deze aanbieders nummers in de reeksen 0900, 0906, 0909 en 18 aankiesbaar maken, maar niet de openbare telefoondienst aanbieden, ook onder de reikwijdte van deze bepaling. Er is geen reden onderscheid te maken tussen het aanbieden van de openbare telefoondienst of bijvoorbeeld het aanbieden van alleen uitgaande oproepen omdat in beide gevallen consumentenproblemen bij de toegang tot genoemde nummers kunnen optreden en het dus in beide gevallen wenselijk is dat de consument zich kan beroepen op deze bepalingen.

Onderdeel F

Artikel 3.6a

De reikwijdte van artikel 7.8 van de Telecommunicatiewet is bij de wet van 17 februari 2007 uitgebreid tot nummergebruikers. In artikel 3.6a wordt bepaald voor welke gedragingen van nummergebruikers nadere regels kunnen worden gesteld in de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikers. Omdat de problemen inzake onvoldoende transparantie van tarieven en nummers niet bij alle nummerreeksen en bij iedere vorm van gebruik van een nummer van gelijke orde zijn, kunnen de regels per nummercategorie verschillen. Alleen voor bepaalde nummerreeksen zullen verplichtingen worden opgelegd. Hierbij moet worden gedacht aan nummers uit de categorieën 0900, 0906 en 0909, en nummers met bijzondere toegang als bedoeld in artikel 1 van de Regeling universele dienst en eindgebruikersbelangen, waarbij de regels ook voor deze categorieën onderling kunnen verschillen.

Het begrip tarifering van een oproep naar een nummer in het eerste lid, onderdeel a, moet ruim worden uitgelegd. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om tarieven die per minuut in rekening worden gebracht, maar ook op de (maximaal) in rekening te brengen geaggregeerde kosten van de oproep naar een nummer.

Artikel 3.6b

Eerste lid

In paragraaf 5 van het algemeen deel van de nota van toelichting zijn de redenen voor het opnemen van artikel 3.6b uiteengezet. Zoals daar is vermeld, zijn de gedragingen waar het hier om gaat, aan te merken als oneerlijke handelspraktijken. Daarom is voor de formulering van de gedragingen die als kennelijk misbruik maken van tarifering worden aangewezen, zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de betreffende bepalingen in de voorgestelde nieuwe afdeling 3a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Het eerste lid, onderdeel a, wijst als gedragingen die betrekking hebben op het kennelijk misbruik maken van de tarifering van een nummer of het verstrekken van feitelijk onjuiste informatie of informatie die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden in de zin van artikel 193c, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In de praktijk zal het voor de toepassing van artikel 4.4. van de wet gaan om informatie over de totale kosten van een oproep naar een informatienummer of de duur van een oproep naar een informatienummer. Daarnaast wordt via de verwijzing naar artikel 193d, tweede lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek als gedraging als hier bedoeld aangewezen het niet naleven van een gedragscode inzake tarifering van een nummer waaraan de desbetreffende handelaar is gebonden.

Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde artikel 193d, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op het weglaten van essentiële informatie. In deze context is essentiële informatie de informatie die een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, en waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen, aldus artikel 193d, tweede lid. Indien een consument vooraf voldoende informatie heeft gekregen over bijvoorbeeld de te leveren dienst, de kosten per minuut en de te verwachten gespreksduur of de kosten die voor de gehele oproep in rekening zullen worden gebracht. kan hij immers een goede keuze maken om het gesprek wel of niet te voeren. De omschrijving is ontleend aan het voorgestelde artikel 193d van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit het laatste zinsdeel van het eerste lid vloeit voort dat de bepaling alleen van toepassing is als de informatie geen betrekking heeft op de inhoud van een aan een oproep verbonden dienst of product. Onder aan een oproep verbonden dienst moeten worden verstaan alle vormen van dienstverlening bestaande uit spraak of data, die tijdens de oproep naar een nummer via de tot stand gekomen verbinding worden geleverd. Het gaat dus niet om de elektronische communicatiedienst zelf, bestaande uit het overbrengen van elektronische signalen, maar om andere dienstverlening. Evenmin gaat het om de levering van een dienst of de bezorging van een fysiek product buiten de oproep naar het nummer, waarvan de betaling of bestelling plaatsvindt tijdens de oproep naar het nummer. Daarentegen vallen deze betalingen of bestellingen die tijdens de oproep naar het nummer tot stand komen, wel onder het begrip aan de oproep verbonden dienst. Ter verduidelijking van dit onderscheid kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven.

Bij het verlenen van toegang tot een beelddienst, welke beelddienst via de verbinding die tot stand komt door het bellen naar een informatienummer wordt geleverd, vallen zowel het leveren van de beelddienst als het gebruik van het nummer voor de betaling van die beelddienst, onder diensten die aan een oproep zijn verbonden. Indien via een informatienummer een toegangscode wordt geleverd voor toegang tot een beelddienst, maar die beelddienst echter wordt geleverd via een andere verbinding zoals een breedband verbinding, valt alleen het leveren van de toegangscode onder diensten die aan een oproep zijn verbonden. Indien voor die toegang verder vereist is dat de oproep naar het informatienummer continueert, valt ook dit aspect van het gebruik van het nummer voor de betaling van de beelddienst, onder het genoemde begrip. Een derde voorbeeld is de situatie waarin een pizza wordt besteld via een informatienummer. De bestelling van dit product valt onder de reikwijdte van het genoemde begrip, maar niet de levering van het product (de pizza) zelf.

Indien sprake is van de situatie, geschetst in paragraaf 5, onder b (de praktijken van de zogenaamde «loze nummers») wordt essentiële informatie weggelaten (namelijk dat de dienst niet wordt geleverd). Hetzelfde geldt voor gevallen waarin een nummergebruiker die een vast tarief per oproep rekent, zelf de verbinding verbreekt zonder een dienst te leveren. Indien een nummergebruiker geen melding maakt van de duur van een wachttijd in een situatie waarin op voorhand duidelijk is dat niet alle bellers binnen een redelijke termijn kunnen worden geholpen of waarin de nummergebruiker de wachttijd kon voorzien, is eveneens sprake van het weglaten van essentiële informatie als bedoeld in artikel 193d, tweede lid. Met betrekking tot de inhoud van een aan de oproep verbonden dienst kan het voorbeeld van een weerbericht worden gegeven. Indien de inhoud van het weerbericht van een mindere kwaliteit is dan de consument had verwacht, is geen sprake van misbruik van de tarifering van een nummer.

Ten slotte zij opgemerkt dat uit de aanhef van het eerste lid van artikel 3.6b blijkt dat het gaat om gedragingen die voorafgaan aan een oproep. Hieronder valt ook het tijdsinterval tussen het aankiezen van een nummer en het moment waarop de tarifering van de oproep aanvangt. In de praktijk komt dit neer op een tariefmelding gevolgd door een korte pieptoon.

Tweede lid

Het eerste lid van artikel 3.6b heeft uitsluitend betrekking op nummers uit de categorieën 0900 en 18. Onder nummers in de categorieën 0906 en 0909 is dienstverlening toegestaan die naar de aard van deze dienstverlening er op gericht zijn de duur van oproepen naar deze nummers te verlengen. Het is niet zinvol artikel 3.6b, eerste lid, ook van toepassing te doen zijn op deze categorieën van nummers.

Artikel II

Dit artikel maakt een gefaseerde inwerkingtreding mogelijk. Dat kan nodig zijn in verband met de afstemming van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3.6b, dat pas in werking kan treden tegelijkertijd met of na het tijdstip van inwerkingtreding van de in dat artikel genoemde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

F. Heemskerk


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.