Wij
Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen
hebben, dat het in verband met de uitvoering van
het op 7 november 1996 te Londen tot
stand gekomen Protocol bij het Verdrag inzake de voorkoming van
verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en
andere stoffen van 1972, met Bijlagen (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000,
27) noodzakelijk is de Wet verontreiniging zeewater alsmede
enige andere wetten te
wijzigen;
Zo
is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet verontreiniging zeewater wordt als volgt
gewijzigd:
A
Artikel 1 komt te
luiden:
Artikel 1
1. In
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
lozen: het zich ontdoen van stoffen
door deze vanaf of vanuit werken opgericht op de zeebodem, vaartuigen
of luchtvaartuigen in zee te brengen, dan wel het zich in zee ontdoen
van werken opgericht op de zeebodem, vaartuigen of
luchtvaartuigen;
Onze Minister: Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat;
Protocol: het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen
Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen
Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge
van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb.
2000, 27);
Verdrag: het op 22 september 1992
te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het
mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan
(Trb. 1993, 16);
VN-Zeerechtverdrag: het op
10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de
Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983,
83);
zee: alle mariene wateren, met
uitzondering van de binnenwateren van staten, met inbegrip van de bodem
en de ondergrond daarvan.
2. Onder
lozen wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede
verstaan het zich ontdoen van stoffen door deze op zee op of vanaf een
werk opgericht op de zeebodem of een vaartuig te
verbranden.
B
Artikel 2 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt
«voorzover voor een van die gedragingen een vergunning is
vereist op grond van artikel 15 of artikel 29 van de
Kernenergiewet.» vervangen door: voorzover op een van die
gedragingen artikel 15 of artikel 29 van de Kernenergiewet van
toepassing is;.
2. Na
onderdeel b worden vier onderdelen toegevoegd,
luidende:
c. gedragingen
aan boord van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die
in gebruik zijn voor de uitvoering van de militaire
taak;
d. gedragingen waaromtrent regels
zijn gesteld bij of krachtens de
Mijnbouwwet;
e. het plaatsen van stoffen
met een ander oogmerk dan het zich er enkel van
ontdoen;
f. het achterlaten van stoffen
die aanvankelijk in zee zijn geplaatst met een ander oogmerk dan het
zich ervan
ontdoen.
C
Artikel
3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het
eerste lid, vervalt «de bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen».
2. Onder
vervanging van de punt door een komma in onderdeel c, wordt aan het
eerste lid een laatste regel toegevoegd, luidende: tenzij voor dat
lozen of voor dat aan boord nemen een ontheffing is
verleend.
3. Het tweede tot en
met het vierde lid
vervallen.
4. Een nieuw tweede
lid wordt toegevoegd, luidende:
D
De artikelen 4, 6b, 18 en 19
vervallen.
E
Artikel 5
komt te
luiden:
Artikel 5
De
in de artikel 3, eerste lid, omschreven verboden gelden niet voor het
lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen,
voorzover die handeling samenhangt met of voortvloeit uit het normale
gebruik van het werk, vaartuig, of luchtvaartuig, mits dat gebruik niet
ten doel heeft het lozen van dergelijke
stoffen.
F
In
artikel 6 wordt «het in artikel 3, eerste lid, of het in artikel
4 omschreven verbod om te lozen wordt overtreden» vervangen
door: het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, omschreven
verbod wordt
overtreden.
G
Artikel
6a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het
eerste lid wordt «is verplicht elke zodanige afgifte aan een
door de provincie waarin hij die afvalstoffen in ontvangst neemt, aan
te wijzen instantie te melden, met inachtneming van daartoe door Onze
Minister vast te stellen regels» vervangen door: is verplicht
elke zodanige afgifte te melden aan de desbetreffende instantie,
bedoeld in artikel 10.40 van de Wet
milieubeheer.
2. Het tweede
lid komt te luiden;
H
In artikel 7, eerste lid, wordt «artikel
4» vervangen door: artikel
3.
I
In artikel 8,
derde lid, wordt de zinsnede «partij is bij:» tezamen met
de onderdelen a en b, vervangen door: partij is bij het Protocol of het
Verdrag.
J
In artikel
17 wordt «een der in de artikelen 3, eerste lid, en 4 omschreven
verboden» vervangen door: een in artikel 3, eerste lid,
omschreven verbod.
ARTIKEL II
Aan artikel 27, eerste lid, van de Mijnbouwwet wordt,
onder vervanging van de punt in onderdeel f door een komma, een
onderdeel toegevoegd, luidende:
g. ter nakoming
van het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het
op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de
voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten
van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000,
27).
ARTIKEL III
In
artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten
wordt «de Wet verontreiniging zeewater: de artikelen 3, eerste
lid, 4 en 11,» vervangen door: de Wet verontreiniging zeewater,
de artikelen 3, eerste lid, en
11,.
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.