Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2007, 575Wet

Wet van 20 december 2007, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het oog op verruiming van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen (gedragsbeïnvloeding jeugdigen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen die strafbare feiten hebben begaan, te verruimen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 77b wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.»geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij toepassing van het eerste lid kan levenslange gevangenisstraf niet worden opgelegd.

B

Artikel 77g, tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of met bijkomende straffen worden opgelegd.

  • 3. Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.

C

Artikel 77h, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen b tot en met d worden geletterd c tot en met e.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige;.

D

Artikel 77l, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie meerderjarig is, wordt deze ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, tenzij in het vonnis of de beslissing op grond van het derde lid is bepaald dat de veroordeelde ook in geval van meerderjarigheid in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

E

Aan artikel 77p wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging meerderjarig is, wordt de vervangende jeugddetentie ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, tenzij in het vonnis is bepaald dat de veroordeelde ook in geval van meerderjarigheid in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

F

Na artikel 77v worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 77w

  • 1. De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige kan slechts worden opgelegd, indien:

    a. hetzij de ernst van het begane misdrijf, hetzij de veelvuldigheid van de begane misdrijven, hetzij voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven, en

    b. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

  • 2. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste een gedragsdeskundige. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

  • 3. De rechter geeft in zijn uitspraak aan waar de maatregel uit bestaat. De maatregel kan inhouden dat de veroordeelde aan een programma deelneemt in een door de rechter aan te wijzen instelling of dat de veroordeelde een ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een door de rechter aan te wijzen organisatie.

  • 4. Het programma, bedoeld in het derde lid, mag de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de staatkundige vrijheid niet beperken.

  • 5. De instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid, stellen voor de uitvoering van het programma een plan vast dat is afgestemd op de problematiek van de veroordeelde. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de eisen waaraan het plan, alsmede waaraan de programma’s en de instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid, moeten voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de werkwijze van de instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid.

  • 6. De maatregel wordt opgelegd voor de tijd van ten minste zes maanden en ten hoogste een jaar. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

  • 7. De jeugdreclassering heeft tot taak de voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Over de wijze waarop de veroordeelde de maatregel uitvoert, kan het openbaar ministerie inlichtingen inwinnen bij de jeugdreclassering.

  • 8. De termijn van de maatregel loopt niet gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.

Artikel 77wa

  • 1. De rechter kan bepalen dat het in artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet ten aanzien van de verdachte een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze op deze vorm van zorg is aangewezen. Het besluit wordt overgelegd bij het advies van de raad voor de kinderbescherming.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de rechter, indien de stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg een besluit waaruit blijkt of de verdachte op deze vorm van zorg is aangewezen niet of niet tijdig neemt, op een daartoe strekkend advies van de raad voor de kinderbescherming bepalen dat het in artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien de rechter toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het tweede lid, doet de raad daarvan onverwijld mededeling aan de stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

Artikel 77wb

  • 1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft of wijziging van de maatregel in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat de maatregel een andere invulling krijgt.

  • 2. De rechter beslist slechts tot een andere invulling van de maatregel, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de kinderbescherming.

  • 3. Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, derde tot en met vijfde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot wijziging van de maatregel.

Artikel 77wc

  • 1. In het vonnis waarbij de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.

  • 2. De duur van de vervangende jeugddetentie wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld. Voor elke maand waarvoor de maatregel is opgelegd beloopt de vervangende jeugddetentie maximaal een maand.

  • 3. Wanneer een gedeelte van de maatregel ten uitvoer is gelegd, vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenredigheid.

  • 4. Artikel 77p is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 77wd

  • 1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn van de maatregel, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. Artikel 77u is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de jeugdige de verlenging van de maatregel eist.

  • 3. Bij de vordering worden overgelegd:

    a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de kinderbescherming;

    b. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering van de maatregel.

  • 4. In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing aangewezen organisatie.

  • 5. Artikel 77wa is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot verlenging.

G

Artikel 77x komt te luiden:

Artikel 77x

In geval van een veroordeling tot jeugddetentie, vervangende jeugddetentie daaronder niet begrepen, tot taakstraf, tot geldboete, tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, tot de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige of tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, kan de rechter bepalen dat deze geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.

H

Artikel 77y, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de veroordeelde uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.

I

Artikel 77z komt te luiden:

Artikel 77z

Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen daarnaast kunnen worden gesteld. Deze mogen de vrijheid van de verdachte zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de staatkundige vrijheid niet beperken. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.

J

Artikel 77dd wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Artikel 14g, tweede, derde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien bij overeenkomstige toepassing van artikel 14g, derde lid, onder a, het daar bedoelde strafbare feit wordt vervolgd voor de politierechter, deze tevens bevoegd is tot toepassing van het eerste lid voor zover de ten uitvoer te leggen straf een geldboete, een taakstraf, een jeugddetentie van niet meer dan twaalf maanden of een gedragsmaatregel betreft.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging meerderjarig is, wordt de jeugddetentie waarvan de rechter op grond van het eerste lid de tenuitvoerlegging heeft gelast, ten uitvoer gelegd als gevangenisstraf, tenzij de veroordeelde naar het oordeel van de rechter ook in geval van meerderjarigheid in aanmerking komt voor jeugddetentie.

K

In artikel 77hh, eerste lid, wordt na «77s, achtste lid», ingevoegd: 77w, derde en zevende lid,.

L

In artikel 77k komt de zinsnede: «die de straf heeft opgelegd» te vervallen.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 488 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 488a

Artikel 94a is van overeenkomstige toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal ten aanzien van jeugdigen mogelijk is in geval van verdenking van onderscheidenlijk verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd.

B

Artikel 493 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen de tweede en derde volzin.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 6. Schorsing van de voorlopige hechtenis vindt steeds plaats onder de algemene voorwaarden, genoemd in artikel 80. De rechter kan, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, ook bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden. De rechter verbindt slechts bijzondere voorwaarden aan de schorsing voor zover de jeugdige daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen aan de schorsing kunnen worden verbonden en aan welke eisen de instemming van de jeugdige moet voldoen. De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden dat een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg aan de verdachte hulp en steun verleent. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.

ARTIKEL III

De Wet op de jeugdzorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg komt te luiden:

  • 3. Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een beslissing van Onze Minister van Justitie in het kader van artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover hij de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 77wa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 31 van die wet, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld.

B

In artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet op de jeugdzorg wordt na 77s, achtste lid, ingevoegd: 77w, derde en zevende lid, en.

ARTIKEL IV

Onze Minister van Justitie zendt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de maatregel, bedoeld in de artikelen 77w tot en met 77wd van het Wetboek van Strafrecht, alsmede een standpunt inzake de wenselijkheid van behoud van de maatregel in het Wetboek van Strafrecht.

ARTIKEL V

A

Artikel 77g, tweede en derde lid, zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten ten aanzien waarvan de vervolging is aangevangen na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten ten aanzien waarvan vervolging is aangevangen voor inwerkingtreding van deze wet blijft artikel 77g, tweede en derde lid, van toepassing zoals het luidde voor dat tijdstip.

B

De artikelen 77w, 77wa en 77wb worden slechts toegepast met betrekking tot feiten ten aanzien waarvan de vervolging is aangevangen na inwerkingtreding van deze wet.

C

Aan artikel 77l, vijfde lid, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, en aan artikel 77p, vierde lid, wordt slechts toepassing gegeven voor zover de veroordeling is uitgesproken na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten ten aanzien waarvan de veroordeling is uitgesproken voor inwerkingtreding van deze wet blijft artikel 77l, vijfde lid, van toepassing zoals het luidde voor dat tijdstip.

D

Artikel 77ff, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. aan het slot van onderdeel a vervalt het woord «en»;

b. aan het slot onderdeel b wordt de punt vervangen door: , en

c. na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

c. maatregelen betreffende het gedrag van de jeugdige als bedoeld in artikel 77h, vierde lid, onderdeel b.

ARTIKEL VI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

's-Gravenhage, 20 december 2007

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de achtentwintigste december 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 332