Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2007, 510AMvB

Besluit van 6 december 2007 tot wijziging van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz en het Besluit administratieve bepalingen Bopz in verband met de introductie van het instrument zelfbinding

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2007, kenmerk CZ/CGG-2796480, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie;

Gelet op de artikelen 34m, tweede lid, en 59 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, alsmede op artikel II van de wet van 20 november 2006 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (zelfbinding) (Stb. 680);

De Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2007, nr. W13.07.0348/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2007, kenmerk CZ/CGG 2811139, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, wordt «artikel 14a, vijfde lid,» vervangen door: artikelen 14a, vijfde lid, of 34b, onder a,.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

De patiëntenvertrouwenspersoon verleent de in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen patiënten, patiënten met een voorwaardelijke machtiging, patiënten die een zelfbindingsverklaring opstellen en patiënten met een zelfbindingsmachtiging, op hun verzoek advies en bijstand in aangelegenheden samenhangend met hun opneming en verblijf in het ziekenhuis, onderscheidenlijk samenhangend met de voorwaardelijke machtiging, de zelfbindingsverklaring of de zelfbindingsmachtiging.

ARTIKEL II

Het Besluit administratieve bepalingen Bopz wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoekschrift als bedoeld in artikel 34g van de wet.

B

In artikel 3 wordt «33, derde lid van de wet» vervangen door: 33, derde lid, 34 c van de wet.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 20 november 2006 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (zelfbinding) (Stb. 680) in werking treedt.

ARTIKEL IV

De wet van 20 november 2006 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (zelfbinding) (Stb. 680) treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 6 december 2007

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Uitgegeven de achttiende december 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij de wet van 20 november 2006 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (zelfbinding) (Stb. 680) is het instrument zelfbinding geïntroduceerd. Daarmee wordt het mogelijk psychiatrische patiënten met een ziektebeeld waarin «goede» periodes worden afgewisseld met «slechte» periodes, gedwongen op te nemen of te behandelen, terwijl er (nog geen) sprake is van «gevaar» in de zin van de Wet bopz. Daarvoor is wel vereist dat de patiënt vóóraf in een goede periode welbewust met zijn behandelaar onder ogen heeft gezien en in een document (de zogenoemde zelfbindingsverklaring) heeft vastgelegd onder welke omstandigheden tot (gedwongen) opneming of behandeling kan worden overgegaan. Voordat de geneesheer-directeur tot daadwerkelijke gedwongen opneming kan overgaan, is een rechterlijke machtiging vereist waarbij de rechter toetst of de in de zelfbindingsverklaring opgenomen omstandigheden zich daadwerkelijk voordoen.

Patiënten die op grond van de Wet bopz zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, kunnen een beroep doen op een patiëntenvertrouwenspersoon (pvp) die aan patiënten op hun verzoek advies en bijstand verleent in zaken die te maken hebben met de opneming en het verblijf in het ziekenhuis. In het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz is een verplichting voor het betrokken psychiatrisch ziekenhuis opgenomen om ervoor te zorgen dat de patiënt kan worden bijgestaan door een pvp (artikel 1). Tevens bevat dit besluit een taakomschrijving van de pvp (artikel 2).

Omdat het wenselijk is dat de pvp ook een persoon kan adviseren en bijstaan die een zelfbindingsverklaring wil aangaan of is aangegaan, zijn daartoe in de wet van 20 november 2006 aanvullende bepalingen opgenomen. Het onderhavige besluit geeft hier mede uitvoering aan. De wet van 20 november 2006 en het onderhavige besluit treden op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel I

Zoals gezegd, is het wenselijk dat de pvp ook advies en bijstand kan verlenen aan een persoon die een zelfbindingsverklaring wil aangaan of is aangegaan. Het gaat nadrukkelijk om advies en bijstand niet alleen in het stadium waarin de zelfbindingsverklaring reeds is vastgelegd, maar ook in het daaraan voorafgaande stadium waarin de patiënt en de psychiater samen de zelfbindingsverklaring opstellen. Het gaat hier overigens niet alleen om een zelfbindingsverklaring die strekt tot opneming, verblijf en behandeling (artikel 34b), maar ook om een zelfbindingsverklaring die alleen betrekking heeft op een behandeling als iemand gedwongen is opgenomen (artikel 34p).

In de eerste plaats is in artikel 34b, tweede lid, van de wet van 20 november 2006 bepaald dat de pvp op verzoek van een patiënt advies en bijstand verleent bij het opstellen van de zelfbindingsverklaring betreffende de opneming, het verblijf en behandeling van de patiënt. Via artikel 34p geldt deze verplichting ook ten aanzien van patiënten die zich met een zelfbindingsverklaring alleen wil verbinden tot behandeling. Het betreft hier het beginstadium waarin een persoon samen met een psychiater aan de slag is om een zelfbindingsverklaring op te stellen.

In de tweede plaats is de begripsbepaling dusdanig uitgebreid dat op basis van artikel 59 Wet bopz de zorgplicht – van het betrokken psychiatrisch ziekenhuis en de taak van de pvp ten aanzien van personen met een zelfbindingsverklaring – kan worden vastgelegd. Hier gaat het om advies en bijstand in het vervolgstadium waarin de zelfbindingsverklaring reeds is vastgelegd.

Het verlenen van advies en bijstand door de patiëntenvertrouwenspersoon is met name gericht op de uitoefening door de patiënt van zijn rechten. In het kader van het instrument zelfbinding wordt concreet aan de volgende activiteiten van de pvp gedacht. De pvp kan de patiënt helpen bij de beslissing al of niet tot zelfbinding over te gaan. Hij kan de patiënt voorlichting geven over de gevolgen van zelfbinding en wellicht ook meedenken over de inhoud van de zelfbindingsverklaring. De pvp kan tevens worden benaderd over een eventuele wijziging of intrekking van de zelfbindingsverklaring.

Nadat een patiënt is opgenomen op basis van een zelfbindingsmachtiging, is de betrokkenheid van een patiëntenvertrouwenspersoon – net als bij andere gedwongen opnames op basis van andere machtigingen – geregeld via artikel 2 van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz. Betrokkene is dan immers iemand «die is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis».

Voor de goede orde wordt erop gewezen dat artikel 3 van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz ook in het kader van zelfbinding van toepassing is. Is iemand niet in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen, dan zal het voor de uitoefening van de taak van de patiëntenvertrouwenspersoon niet snel nodig zijn toegang te hebben tot ruimten in het ziekenhuis. Heeft hij dat niet nodig, dan is hij daartoe ook niet bevoegd, hetgeen blijkt uit de tekst van het artikel.

Artikel II

Artikel II strekt ertoe in twee artikelen van het Besluit administratieve bepalingen een verwijzing toe te voegen naar het instrument zelfbinding.

Artikelen III en IV

De inwerkingtreding van het onderhavige besluit is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de wet waarin het instrument zelfbinding is geïntroduceerd (wet van 20 november 2006 (Stb. 680)). Met artikel IV behoeft geen afzonderlijk koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet te worden geslagen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.