Besluit van 2 november 2007 tot wijziging van het Bekostigingsbesluit WHW in verband met enkele wijzigingen in de berekeningswijze van de rijksbijdrage voor universiteiten en hogescholen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 4 oktober 2007, nr. WJZ/2007/36412 (4841), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 2.6, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

De Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2007, nr. W05.07.0360/I);

Gezien het nader rapport van Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 30 oktober 2007, nr. WJZ/2007/41596 (4841), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bekostigingsbesluit WHW wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.2 wordt «, 2.22» vervangen door: 2.6c, vierde lid, 2.11, 2.14, vierde lid, 2.22.

B

In artikel 2.3, onderdeel b, wordt «een component dynamisering Smart Mix» vervangen door «een component afbouw dynamisering Smart Mix».

C

In artikel 2.6c, vierde lid, wordt «50%» vervangen door: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage.

D

Onderdeel c van artikel 2.8 komt te luiden:

c. een component afbouw dynamisering Smart Mix,

E

Artikel 2.11 komt te luiden:

Artikel 2.11 Verdeling landelijke component afbouw dynamisering Smart Mix

De verdeling van de landelijke component afbouw dynamisering Smart Mix over de universiteiten wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

F

In artikel 2.14, vierde lid, wordt «15%» vervangen door: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage.

G

Het tweede lid van artikel 3.9 komt te luiden:

2. De toevoeging aan de rijksbijdrage van een hogeschool vanwege het verrichten van ontwerp en ontwikkeling geschiedt naar rato van de som van het exploitatiedeel en het huisvestingsdeel per hogeschool.

H

Na artikel 5.5 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2. Afwijkingen bekostiging hogescholen 2007

Artikel 5.6. Verhoging exploitatiedeel hbo in 2007

Na toepassing van artikel 3.7, eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2007 de exploitatiedelen van de onder a tot en met u genoemde hogescholen verhoogd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in duizenden euro:

a. Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

16,

b. Gerrit Rietveld Academie (Amsterdam)

28,

c. Hotelschool Den Haag

23,

d. Design Academy Eindhoven

13,

e. Hogeschool Helicon (Zeist)

4,

f. Codarts, Hogeschool voor de Kunsten (Rotterdam)

49,

g. Hogeschool Drenthe (Emmen)

35,

h. Hogeschool Zeeland (Vlissingen)

17,

i. Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

56,

j. NHTV internationale hogeschool Breda

22,

k. Fontys Hogescholen Venlo

226,

l. Christelijke Hogeschool Nederland (Leeuwarden)

18,

m. Saxion Hogeschool Enschede

125,

n. Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans (Den Haag)

45,

o. Hanzehogeschool Groningen

90,

p. Hogeschool Zuyd (Heerlen)

207,

q. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (Arnhem)

103,

r. ArteZ hogeschool (Arnhem)

67,

s. CAH Dronten

46,

t. Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein (Rheden)

9, en

u. Van Hall Instituut (Leeuwarden)

10.

I

Artikel 5.33b vervalt.

J

Artikel 5.35 komt te luiden:

Artikel 5.35 Verdeling van het bedrag basisvoorziening onderwijs plus in 2007

Na toepassing van artikel 2.6c, vijfde lid, worden in het begrotingsjaar 2007 de bedragen basisvoorziening onderwijs plus van de onder a tot en met h genoemde universiteiten verhoogd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in duizenden euro:

a. de openbare universiteit te Maastricht

486,

b. de openbare universiteit te Amsterdam

565,

c. de openbare universiteit te Delft

64,

d. de openbare universiteit te Enschede

42,

e. de openbare universiteit te Eindhoven

500,

f. de bijzondere universiteit te Tilburg

229,

g. de bijzondere universiteit te Nijmegen

65, en

h. de openbare universiteit te Wageningen

42.

K

In artikel 5.36, derde lid, wordt «verlaagd met 0,600 miljoen euro» gewijzigd in: verhoogd met 0,250 miljoen euro.

L

Na artikel 5.37 wordt een nieuw artikel 5.38 ingevoerd, luidende:

Artikel 5.38 Aanpassing bedragen numerus fixus geneeskunde, werkplaats diergeneeskunde, werkplaats tandheelkunde en numerus fixus klinische technologie per universiteit in 2008

  • 1. Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de numerus fixus geneeskunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten verhoogd met de onderstaande bedragen, uitgedrukt in miljoenen euro:

    a. de openbare universiteit te Leiden

    0,960,

    b. de openbare universiteit te Utrecht

    1,105,

    c. de openbare universiteit te Groningen

    2,914,

    d. de openbare universiteit te Rotterdam

    2,949,

    e. de openbare universiteit te Maastricht

    1,812,

    f. de openbare universiteit te Amsterdam

    1,976,

    g. de bijzondere universiteit te Amsterdam

    1,353, en

    h. de bijzondere universiteit te Nijmegen

    1,679.

  • 2. Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht verlaagd met 0,481 miljoen euro.

  • 3. Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten verlaagd met de onderstaande bedragen, uitgedrukt in miljoenen euro:

    a. de openbare universiteit te Groningen

    0,465,

    b. de openbare universiteit te Amsterdam

    0,096,

    c. de bijzondere universiteit te Amsterdam

    0,096, en

    d. de bijzondere universiteit te Nijmegen

    0,192.

  • 4. Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede verhoogd met 2,270 miljoen euro.

M

Bijlage 3 vervalt.

ARTIKEL II

  • 1. Artikel I treedt, met uitzondering van de onderdelen H, J en K, in werking met ingang van 1 januari 2008.

  • 2. Artikel I, onderdelen H, J en K treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 2 november 2007

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de zevenentwintigste november 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit bevat enkele wijzigingen in de berekeningswijze van de rijksbijdrage voor universiteiten en hogescholen. De wijzigingen betreffen het begrotingsjaar 2007 en geven invulling aan bestuurlijke toezeggingen over de aanpassing van de rijksbijdrage van een aantal specifieke instellingen. Daarnaast gaat het om enkele algemene wijzigingen die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2008 waarbij invulling wordt gegeven aan bestuurlijke afspraken en waarbij de uitvoerbaarheid van de regelgeving wordt vergroot. Tenslotte zal de component dynamisering Smart Mix worden afgebouwd.

De nota van toelichting onderteken ik mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Gevoerd overleg

Een voorontwerp van dit besluit is aan VSNU en HBO-raad voorgelegd met het verzoek om een bestuurlijk oordeel. De maatregelen die betrekking hebben op hogescholen zijn op verzoek en in overleg met de HBO-raad totstandgekomen. De berekeningswijze voor de numerus fixus- en werkplaatsbedragen is in overleg met de VSNU vastgesteld. De VSNU heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de overheveling van onderzoeksmiddelen naar NWO. Naar aanleiding daarvan heb ik in overleg met VSNU besloten die overheveling in vier tranches, te faseren. Over dit bestuurlijk akkoord is de Tweede Kamer geinformeerd bij brief van 20 september 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/37102. De VSNU heeft geen commentaar gegeven op de overige maatregelen in dit besluit.

Uitvoeringstoets

Een voorontwerp van dit besluit is aan CFI, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor de uitvoeringstoets voorgelegd. CFI heeft aangegeven het besluit te kunnen uitvoeren. Voor de IB-Groep hebben deze wijzigingen geen gevolgen.

Financiële gevolgen

Om de verhoging van de rijksbijdrage in verband met het vervallen van de Raulinvergoeding mogelijk te maken wordt in 2007 2 miljoen, in 2008 4 miljoen en vanaf 2009 5,5 miljoen euro van het budget voor studiefinanciering overgeheveld naar het ho-budget. De 0,4 miljoen euro voor de verhoging van het werkplaatsbedrag tandheelkunde van de RuG wordt gefinancierd uit de Enveloppemiddelen zorgopleidingen hoger onderwijs. De andere wijzigingen hebben geen eigenstandige gevolgen voor de wo- en hbo-begrotingen, ze leiden slechts tot een herverdeling.

Er zal ten laste van het onderzoeksbudget van de universiteiten (de component dynamisering Smart Mix; eerste geldstroom) gefaseerd een bedrag worden overgeheveld naar NWO (tweede geldstroom), waar het op basis van kwaliteit en excellentie in competitie zal worden ingezet via de Vernieuwingsimpuls. Het totale budget van NWO voor de Vernieuwingsimpuls bedraagt in 2008 75 miljoen euro en in de jaren daarna 150 miljoen euro. In 2008 wordt 12 miljoen euro overgeheveld van het onderzoeksdeel van de universiteiten naar NWO. Daarnaast wordt in 2008 een bedrag van 13 miljoen euro uit de enveloppegelden bestemd voor de Vernieuwingsimpuls. Voor de jaren 2009 tot en met 2011 zijn volgende tranches afgesproken met de VSNU. Ook in die jaren wordt een (oplopend) bedrag aan onderzoeksmiddelen overgeheveld en tot en met 2010 een deel van de enveloppemiddelen ingezet. Laatstgenoemde middelen zijn gereserveerd op de begroting van het ministerie van Financiën.

Voorhang ontwerpbesluit

Overeenkomstig artikel 2.6, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is het ontwerpbesluit voorafgaand aan de advisering door de Raad van State aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorgelegd (brief van 31 augustus 2007; Kamerstukken II 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 177). Tevens is het ontwerpbesluit ter kennisgeving aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal gezonden.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A, C, F en L

De bedragen numerus fixus geneeskunde en klinische technologie en de bedragen werkplaats tandheelkunde en diergeneeskunde worden aangepast aan de verhoging van de numerus fixus van deze opleidingen in de jaren 2000 tot en met 2004. Bij de berekening van deze bedragen is verondersteld dat een kwart van de studenten afstudeert in de nominale cursusduur en driekwart in de cursusduur plus één jaar. Dit heeft tot gevolg dat – volgens het rekenmodel – een kwart van de extra instroom in het jaar 2000 van de zesjarige opleidingen (geneeskunde en diergeneeskunde), een kwart van de extra instroom in 2001 in de (vijfjarige) tandheelkundeopleidingen en driekwart van de extra instroom in 2000 van de tandheelkundeopleiding van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) in 2006 is afgestudeerd en in het begrotingsjaar 2008 tot extra bekostiging in de componenten getuigschriften (onderwijs) en basisvoorziening onderzoek leidt. De bedragen werkplaats tandheelkunde en diergeneeskunde worden daarom in 2008 verlaagd. De verlaging van het bedrag werkplaats tandheelkunde van de RuG in 2007 wordt deels ongedaan gemaakt (zie de toelichting bij onderdeel K). Bij de overige opleidingen hebben in latere jaren nog instroomverhogingen plaats gevonden. De bedragen numerus fixus nemen daarom nog toe.

De meeropbrengst in de component getuigschriften als gevolg van de numerus fixusverhogingen bedraagt in 2008 ongeveer 1,9 miljoen euro, de meeropbrengst van de component basisvoorziening onderzoek ongeveer 0,9 miljoen. Deze verhogingen van de getuigschriftcomponenten mogen geen invloed hebben op de hoogte van de compensatie voor de invoering van de bachelor-masterstructuur, zoals die geregeld is in het vierde lid van artikel 2.6c en het vierde lid van artikel 2.14. In die artikelleden is bepaald dat de compensatiebedragen voor onderwijs en onderzoek worden berekend als verschil van de component getuigschriften, respectievelijk basisvoorziening onderzoek, en een vast deel van het onderwijs- en het onderzoekdeel (50% respectievelijk 15%). Bij stijging van de getuigschriftcomponenten zou dus ook het compensatiedeel stijgen. Om dit te voorkomen, worden de vaste percentages in de genoemde artikelleden flexibel gemaakt. Ze worden voortaan jaarlijks, in overleg met de VSNU, bij ministeriële regeling vastgesteld.

Onderdelen A, B, D, E en I

De onderzoekbekostiging is gedynamiseerd via de bepaling «dynamisering Smart Mix», waarbij een deel van de onderzoeksmiddelen wordt herverdeeld op basis van financiële middelen die universiteiten uit de tweede geldstroom (NWO) en derde geldstroom (subsidies en EU programma’s) ontvangen. Deze vorm van onderzoeksbekostiging vervalt mede gelet op de desbetreffende afspraken in het Coalitieakkoord. Na afschaffing dynamisering Smart Mix zullen die middelen rechtstreeks bij het meest excellente onderzoek belanden doordat het via NWO, in competitie en zonder matchingverplichtingen, direct aan de meest excellente onderzoekers wordt verstrekt: daarmee is sprake van directe in plaats van indirecte prestatiebekostiging.

Gegeven het bestuurlijke akkoord met VSNU over de gefaseerde overheveling van middelen zal in het jaar 2008 geen 100 miljoen euro, maar een lager bedrag aan het onderzoeksbudget van de instellingen worden onttrokken. Met VSNU is de afspraak gemaakt dat de verdeling van het bedrag dat als gevolg van de fasering nog niet is overgeheveld, zal geschieden overeenkomstig de wijze waarop de verdeling van de landelijke component Smart Mix in het begrotingsjaar 2007 heeft plaatsgevonden. Hiervoor wordt de component afbouw dynamisering Smart Mix geïntroduceerd. Eén en ander zal in een ministeriële regeling worden vormgegeven waar overleg over plaats vindt met VSNU.

Om ervoor te zorgen dat de verlaging van het onderzoekdeel vanwege de bovengenoemde aanpassing van de rijksbegroting geen invloed heeft op het verloop van de compensatie voor de invoering van de bachelor-masterstructuur, moet het compensatiedeel onderzoek constant blijven. Het percentage van het onderzoekdeel dat wordt gebruikt om het compensatiedeel te berekenen, moet daarom worden verhoogd van 15 naar ruim 16. De wijziging in onderdeel F van dit besluit maakt het mogelijk dit percentage aan te passen.

Onderdelen G en M

Deze onderdelen voorzien in een wijziging van de vaststelling van de rijksbijdrage aan hogescholen vanwege ontwerp en ontwikkeling en toegepast onderzoek in het hbo. De bepaling over de verdeling van het deel ontwerp en ontwikkeling hbo is zodanig aangepast dat dit bedrag wordt verdeeld naar rato van de verdeling van het onderwijsdeel hbo in plaats van naar rato van periodiek vast te stellen percentages per instelling. Verdeling naar rato van periodiek vast te stellen percentages blijkt tot onevenwichtige uitkomsten te leiden. Het onderwijsdeel hbo wordt berekend op basis van het exploitatiedeel hbo en het huisvestingsdeel hbo. In verband met het voorgaande kan bijlage 3, waarin de percentages per instelling zijn opgesomd, vervallen.

Onderdelen H en J

In de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met uitbreiding van de mogelijkheid met studiefinanciering in het buitenland te studeren (Stb. 200) is voorzien in de invoering van het zogenaamde collegegeldkrediet per 1 september 2007. De invoering van het collegegeldkrediet heeft mede tot gevolg dat de tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het hoger onderwijs, die studenten uit andere EER-landen en Zwitserland in Nederland ontvangen (de zogeheten Raulin-vergoeding) vervalt. In verband hiermee is de universiteiten en hogescholen toegezegd, dat zij vanaf het begrotingsjaar 2007 een budget ontvangen waarmee zij maatregelen kunnen nemen om buitenlandse studenten voldoende in Nederland te blijven interesseren (Kamerstukken II 2006–2007, 30 387, nr. 84). De onderdelen E en F geven voor 2007 invulling aan die toezegging door bedragen toe te voegen aan de basisvoorziening onderwijs (wo) en het exploitatiedeel hbo. De toevoeging van de bedragen in 2008 en later wordt in een volgende wijziging van het Bekostigingsbesluit WHW geregeld.

Onderdeel K

In het vigerende bekostigingsbesluit was verondersteld dat de extra instroom in de opleiding tandheelkunde van de Rijksuniversiteit Groningen in het studiejaar 2000/2001 in het studiejaar 2004/2005 tot extra getuigschriften zou leiden. Om die reden was het werkplaatsbedrag voor die universiteit in 2007 verlaagd met 0,6 miljoen euro. In de praktijk doen de studenten langer over hun studie. Daarom is besloten, de verlaging van het werkplaatsbedrag voor een kwart in het begrotingsjaar 2007 en voor driekwart in 2008 te laten plaatsvinden. De verlaging met 0,6 miljoen euro in 2007 wordt dus teruggebracht tot 0,15 miljoen euro.

Aan dezelfde universiteit is toegezegd dat het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde in 2007 wordt gecorrigeerd en dat in verband met de achterstand ten opzichte van de andere universiteiten die een tandheelkundeopleiding verzorgen structureel 0,4 miljoen euro zal worden toegevoegd aan het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde. Netto wordt het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde dus met 0,25 miljoen euro verhoogd.

Artikel II, tweede lid

De inwerkingtreding met terugwerkende kracht leidt niet tot negatieve financiële gevolgen voor de betrokken instellingen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven