Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2007, 407AMvB

Besluit van 30 oktober 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht met betrekking tot de toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten en voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt en wijziging van enkele andere besluiten ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (Besluit gereglementeerde markten Wft)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2007, nr. FM 2007-2455 M;

Gelet op richtlijn nr. 2004/39EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nr. 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145) en richtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) alsmede de artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, 4:11, derde lid, 4:14, tweede lid, 4:16, tweede en derde lid, 4:18c, vierde lid, 4:19, vierde lid, 4:20, eerste, tweede, derde en vierde lid, 4:22, eerste lid, 4:23, derde lid, onderdelen a en b, 4:24, vierde lid, onderdeel e, en vijfde lid, 4:25, eerste lid, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, 4:90, tweede lid, 4:90b, tiende lid, 4:90d, en vierde lid, 5:27, tweede en vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 2007, no. W06.07.0368/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 19 oktober 2007, FM 2007-2645 M;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1 Inleidende bepaling

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

§ 2 Toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten

Artikel 2

De gegevens, bedoeld in artikel 5:27, tweede lid, van de wet zijn:

a. een opgave van de naam, het adres en het telefoon- en faxnummer van de marktexploitant;

b. indien de marktexploitant een rechtspersoon is, een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;

c. indien de marktexploitant is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving;

d. indien aanwezig, een gewaarmerkt afschrift van de statuten;

e. een opgave van activiteiten die de marktexploitant voornemens is te verrichten;

f. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of voldaan wordt aan artikel 5:29, eerste lid, van de wet;

g. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of voldaan wordt aan artikel 5:29, tweede lid, van de wet;

h. een beschrijving van de regels van de gereglementeerde markt, bedoeld in de artikelen 5:30 en 5:32, eerste lid, van de wet;

i. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 5:30, aanhef en onderdeel f, van de wet is bepaald met betrekking tot de financiële middelen om een ordelijke werking van de gereglementeerde markt te bevorderen;

j. een beschrijving van de regels inzake de toelating van financiële instrumenten tot de handel op de gereglementeerde markt, bedoeld in artikel 5:32a, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

k. een beschrijving van de regels inzake de toegang tot de handel op of het lidmaatschap van de gereglementeerde markt, bedoeld in artikel 5:32b, van de wet; en

l. indien van toepassing:

1°. een opgave van de omvang van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 5:32d van de wet in een aanvrager, bedoeld in artikel 5:27, eerste lid, van de wet;

2°. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten of, in voorkomend geval, de Minister van Financiën kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de houder van een gekwalificeerde deelneming in de aanvrager die op grond hiervan het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen; en

3°. bescheiden waaruit de financiële positie en de juridische groepsstructuur van de houder van een gekwalificeerde deelneming in de aanvrager blijken.

Artikel 3

  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, zijn:

    a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;

    b. een curriculum vitae;

    c. een opgave van de relevante diploma’s;

    d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en

    e. een opgave van referenten.

  • 2. Het artikel 2, onderdelen g en l, onder 2°, is niet van toepassing ten aanzien van personen wier betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

Artikel 4

  • 1. Een marktexploitant waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet is verleend, geeft slechts uitvoering aan een voorgenomen wijziging als bedoeld in artikel 5:27, vierde lid, van de wet indien de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging.

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming:

    a. binnen zes weken na ontvangst van de melding; of

    b. indien de zij binnen twee weken na ontvangst van de melding de marktexploitant om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de op grond daarvan toepasselijke termijn geen redelijke termijn is voor een besluit omtrent de instemming inzake de voorgenomen wijziging. In dat geval stelt de Autoriteit Financiële Markten de marktexploitant daarvan in kennis onder vermelding van een termijn waarbinnen zij verwacht te kunnen besluiten.

§ 3 Wijzigingen andere besluiten

Artikel 5

Het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van paragraaf 2.12. komt te luiden:

§ 2.12. Verlenen van beleggingsdiensten en verrichten van beleggingsactiviteiten

Bepalingen ter uitvoering van artikel 2:97, achtste lid, en 2:99, derde lid, van de wet

B

Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. Aan het slot van onderdeel n vervalt «en».

  • 2. De punt aan het slot van onderdeel o wordt vervangen door «;en».

  • 3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende;

    p. indien van toepassing, een beschrijving van de regels en procedures die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit.

C

Na artikel 41 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 41a
  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 2:97, achtste lid, van de wet, zijn:

    a. een opgave van de naam en het adres van de verbonden agent;

    b. een opgave van de rechtsvorm van de verbonden agent;

    c. indien de verbonden agent een rechtspersoon is: een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;

    d. indien de verbonden agent is ingeschreven in het handelsregister: een opgave van het nummer van inschrijving;

    e. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of met betrekking tot de verbonden agent voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 4:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;

    f. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of met betrekking tot de verbonden agent voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 4:10 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;

    g. een opgave van de financiële dienst waarvoor de beleggingsonderneming als verbonden agent optreedt; en

    h. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten kan beoordelen of de beleggingsonderneming volledig verantwoordelijk is voor de verbonden agent als bedoeld in artikel 2:97, vijfde lid, van de wet.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:

    ten aanzien van de personen die het dagelijks beleid bepalen:

    1°. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;

    2°. een curriculum vitae;

    3°. een opgave van de relevante diploma’s;

    4°. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en

    5°. een opgave van referenten.

  • 3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:

    a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;

    b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;

    c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en

    d. een opgave van referenten.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing ten aanzien van personen wier betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

D

Het opschrift van paragraaf 3.6. komt te luiden:

§ 3.6. Verlenen van beleggingsdiensten en verrichten van beleggingsactiviteiten

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 2:127, tweede lid, en 2:130, tweede lid, van de wet

Artikel 6

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die uitsluitend een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet verlenen. In afwijking van artikel 130 verstrekt een beleggingsonderneming als bedoeld in de vorige volzin slechts staten ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het minimum vermogen ingevolge de artikelen 3:53, eerste lid, en 3:54, eerste lid, van de wet. De artikelen 131 tot en met 133 zijn van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 17, vierde lid, eerste volzin, komt te luiden:

  • 4. De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de financiële onderneming of het bijkantoor over een organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent.

C

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a

Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft als taak:

a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de bank te onderzoeken en te beoordelen;

b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;

c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en

d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.

D

Artikel 21 komt te luiden:

Artikel 21
  • 1. Een clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft opgesteld.

  • 2. Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft voorts als taak:

    a. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;

    b. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;

    c. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en

    d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.

  • 3. Het organisatieonderdeel van een bank als bedoeld in het tweede lid beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

E

Na artikel 22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 22a

De werknemers van een bank die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten en andere personen die door een dergelijke bank zijn belast met het verrichten van zodanige werkzaamheden beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen.

F

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde en vijfde lid wordt de zinsnede «tweede lid» telkens vervangen door: derde lid.

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. De financiële onderneming heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijk risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de risico’s waaraan de financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

G

Na artikel 24a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 24b
  • 1. Het risicobeheer, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde lid, 3:22 of 3:23, tweede lid, van de wet oefent controle uit op:

    a. de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de bank of beleggingsonderneming vastgestelde procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid;

    b. de mate waarin de bank of beleggingsonderneming en haar medewerkers de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, naleven; en

    c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde tekortkomingen of gebreken op te heffen.

  • 2. Het risicobeheer rapporteert ten minste jaarlijks aan personen die het dagelijks beleid van de bank of beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank of beleggingsonderneming. In de jaarlijkse rapportage wordt met name aangegeven of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.

H

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. De onderdelen f tot en met h komen als volgt te luiden:

f. € 35.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die uitsluitend de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en die deze beleggingsdienst niet vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;

g. € 50.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;

h. € 50.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel g, die de beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel b, c, d of f, van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;

3. De onderdelen i en j worden geletterd l en m.

4. Na onderdeel h worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

i. € 730.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel f of g, die de beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel e van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;

j. € 730.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel f of g, die de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet;

k. € 730.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel b van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet;

5. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen andere beleggingsdienst mogen verlenen dan de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, en geen nevendiensten als bedoeld in onderdeel a van de definitie van nevendienst in artikel 1:1 van de wet verrichten, indien zij beschikken over:

    a. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die de aansprakelijkheid dekt van de beleggingsonderneming wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 1.000.000 per schadegeval en ten minste € 1.500.000 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of

    b. een combinatie van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 50.000 of onderdeel a.

  • 3. Onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel g of h, beschikken beleggingsondernemingen als bedoeld in het tweede lid, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:80 of 2:86 van de wet is verleend, over:

    a. een minimumbedrag aan eigen vermogen van € 25.000;

    b. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die hun aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van hun beroep en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 500.000 per schadegeval en ten minste € 750.000 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of

    c. een combinatie van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 25.000 of onderdeel b.

I

In artikel 62a, tweede lid, wordt in de onderdelen a en b de zinsnede «artikel 48, aanhef en onderdeel f» telkens vervangen door: artikel 48, eerste lid, aanhef en onderdelen i, j of k,.

J

In artikel 131, vierde lid, wordt de zinsnede «artikel 48, onderdeel f» vervangen door: artikel 48, eerste lid, onderdeel i, j of k.

Artikel 7

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel i wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

i.1. financieel analist: een relevante persoon die tastbaar onderzoek op beleggingsgebied verricht;

2. Na onderdeel m wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

m.1. gelieerd financieel instrument: een financieel instrument waarvan de prijs sterk wordt beïnvloed door prijsschommelingen van een ander financieel instrument dat het onderwerp van onderzoek op beleggingsgebied is of van een van dit andere financiële instrument afgeleid financieel instrument;

3. Na onderdeel w worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

w.1. nauwe banden: situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

1°. een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een rechtspersoon;

2°. een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een andere rechtspersoon; een dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

w.2. onderzoek op beleggingsgebied: onderzoek of andere voor het publiek bestemde informatie waarbij expliciet of impliciet een beleggingsstrategie wordt aanbevolen of voorgesteld ten aanzien van één of meerdere financiële instrumenten of uitgevende instellingen van financiële instrumenten, daaronder begrepen aanbevelingen betreffende de huidige of toekomstige waarde of koers van dergelijke instrumenten, welk onderzoek:

a. als onderzoek op beleggingsgebied wordt gepresenteerd of op enigerlei andere wijze wordt voorgesteld als een objectieve of onafhankelijke verklaring van de aangelegenheden die in de aanbeveling aan de orde komen; en

b. indien het tot een cliënt zou zijn gericht, geen adviseren is.

4. Na onderdeel x wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

x.1. persoonlijke transactie: een transactie in een financieel instrument door of in naam van een relevante persoon, waarbij:

1°. de betrokken relevante persoon handelt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf;

2°. de transactie wordt verricht voor rekening van de relevante persoon;

3°. de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon met wie de relevante persoon familiebanden of nauwe banden heeft; of

4°. de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon wiens relatie met de relevante persoon van dien aard is dat de relevante persoon een direct of indirect wezenlijk belang heeft bij het resultaat van de transactie afgezien van een provisie voor de uitvoering van de transactie.

5. Onderdeel y komt te luiden:

y. relevante persoon:

1°. een persoon die het dagelijks beleid bepaalt of een verbonden agent is van een beleggingsonderneming;

2°. een ieder die het dagelijks beleid bepaalt van een verbonden agent van een beleggingsonderneming;

3°. een werknemer van de beleggingsonderneming of van een verbonden agent van de beleggingsonderneming of een andere natuurlijke persoon wiens diensten ter beschikking en onder zeggenschap staan van een beleggingsonderneming onderscheidenlijk de verbonden agent en die betrokken is bij het verrichten van beleggingsactiviteiten of het verlenen van beleggingsdiensten door de beleggingsonderneming; of

4°. een natuurlijke persoon die uit hoofde van een overeenkomst tot uitbesteding met het oog op het verlenen of verrichten door de beleggingsonderneming van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten rechtstreeks betrokken is bij het verrichten van diensten ten behoeve van de beleggingsonderneming of haar verbonden agent.

6. Onderdeel hh komt te luiden:

hh. wet: Wet op het financieel toezicht.

B

Artikel 5, vierde lid, vervalt.

C

Artikel 6, derde lid, vervalt.

D

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De beleggingsonderneming draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen die belast zijn met de taak, bedoeld in artikel 31c.

  • 3. De beleggingsonderneming beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de personen die zijn belast met de taak, bedoeld in artikel 31c, tot een gepaste bijstelling leiden.

E

Artikel 31 komt te luiden:

Artikel 31
  • 1. De bedrijfsvoering van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet voorziet in:

    a. duidelijke besluitvormingsprocedures en een duidelijke en adequate organisatiestructuur;

    b. een duidelijke en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    c. eenduidige rapportagelijnen; en

    d. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie; en

    e. adequate interne controleprocedures om te waarborgen dat beslissingen en procedures op alle niveaus in acht worden genomen.

  • 2. De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van het bedrijf en de werkzaamheden van de beleggingsonderneming.

  • 3. De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.

  • 4. Een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat werknemers die verscheidene functies uitoefenen, daardoor niet worden of kunnen worden belet een van deze functies op degelijke, eerlijke en professionele wijze uit te oefenen.

  • 5. Werknemers van een beleggingsonderneming en andere personen die zich onder haar verantwoordelijkheid rechtstreeks bezig houden met het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten beschikken over de nodige vakbekwaamheid en kennis om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen.

  • 6. De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de beleggingsonderneming over een organisatieonderdeel dat een interne controlefunctie uitoefent. De beleggingsonderneming voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.

F

Na artikel 31 worden in paragraaf 5.1 drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 31, zesde lid, heeft als taak:

a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de beleggingsonderneming te onderzoeken en te beoordelen;

b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld onder a;

c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en

d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.

Artikel 31b

Een beleggingsonderneming beschikt over procedures en maatregelen om de integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.

Artikel 31c
  • 1. Een beleggingsonderneming beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent.

  • 2. Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, heeft als taak:

    a. het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de beleggingsonderneming zelf heeft opgesteld;

    b. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;

    c. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;

    d. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en

    e. het tenminste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.

  • 3. Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

G

Artikel 35 komt te luiden:

Artikel 35
  • 1. Een beleggingsonderneming houdt gegevens bij over alle door haar verleende beleggingsdiensten, nevendiensten en verrichte beleggingsactiviteiten ten einde het toezicht op de naleving van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald mogelijk te maken.

  • 2. De beleggingsonderneming bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende ten minste vijf jaar.

  • 3. Een beleggingsonderneming bewaart de gegevens met betrekking tot de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:89, tweede lid, van de wet, ten minste voor de duur van de relatie met de cliënt.

  • 4. Een beleggingsonderneming bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, op een duurzame drager in een zodanige vorm en op zodanige wijze dat:

    a. de Autoriteit Financiële Markten vlot toegang kan hebben tot de gegevens en elk stadium van de verwerking van een transactie kan reconstrueren;

    b. alle wijzigingen, alsmede de inhoud van de gegevens voordat wijzigingen zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden achterhaald;

    c. de gegevens niet anderszins gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.

  • 5. De Autoriteit Financiële Markten stelt een lijst op van gegevens die een beleggingsonderneming op grond van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald, ten minste moet bewaren.

H

Na artikel 35 (nieuw) worden acht artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 35a
  • 1. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen de beleggingsonderneming en haar cliënten of tussen haar cliënten onderling.

  • 2. De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn erop gericht dat relevante personen die betrokken zijn bij verschillende bedrijfsactiviteiten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid, deze activiteiten verrichten in een mate van onafhankelijkheid die evenredig is aan de omvang en activiteiten van de beleggingsonderneming en de groep waarvan zij deel uitmaakt, en aan de grootte van het risico dat de belangen van een cliënt worden geschaad.

  • 3. De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten, voor zover nodig en passend om de mate van onafhankelijkheid, bedoeld in het tweede lid, te waarborgen:

    a. procedures ter voorkoming of controle van de uitwisseling van informatie tussen relevante personen die verschillende activiteiten verrichten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict wanneer de uitwisseling van deze informatie de belangen van een cliënt kan schaden;

    b. controle op de activiteiten van relevante personen wier hoofdtaken bestaan in het uitoefenen van activiteiten in naam van, of het verlenen van diensten aan cliënten wier belangen met elkaar in strijd kunnen zijn;

    c. de uitsluiting van elk direct verband tussen de beloning van relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij de ene activiteit en de beloning van of de inkomsten gegenereerd door andere relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij een andere activiteit, wanneer door deze activiteiten een belangenconflict kan ontstaan;

    d. maatregelen om te voorkomen of het risico te beperken dat een persoon zodanige invloed uitoefent op de wijze waarop een relevante persoon beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten verricht, dat daardoor een belangenconflict ontstaat of kan ontstaan;

    e. maatregelen ter voorkoming of controle van de gelijktijdige of achtereenvolgende betrokkenheid van een relevante persoon bij verschillende beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten wanneer een dergelijke betrokkenheid kan leiden tot het ontstaan van belangenconflicten.

  • 4. Indien bij vaststelling of toepassing van procedures of maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet de in het tweede lid bedoelde mate van onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd, draagt de beleggingsonderneming zorg voor alternatieve of aanvullende procedures of maatregelen.

Artikel 35b

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet legt de gegevens vast die betrekking hebben op de soorten door of in naam van de onderneming verrichte beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een of meer cliënten worden geschaad.

Artikel 35c
  • 1. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot persoonlijke transacties.

  • 2. De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn er op gericht dat indien een relevante persoon betrokken is bij het verrichten van activiteiten die een belangenconflict kunnen doen ontstaan, of indien een relevante persoon als gevolg van een activiteit die hij in naam van de beleggingsonderneming verricht toegang heeft tot informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet of tot andere vertrouwelijke informatie over cliënten of transacties met of voor cliënten:

    a. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die in strijd is met artikel 5:56 of 5:58 Wft;

    b. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die gepaard gaat met misbruik of ongeoorloofde bekendmaking van de in de aanhef bedoelde vertrouwelijke informatie;

    c. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die anderszins in strijd is of in strijd kan zijn met hetgeen ter uitvoering van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald;

    d. de relevante persoon niet, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, een andere persoon adviseert om een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel 35h, onderdeel a of b of artikel 164, derde lid zou vallen; en

    e. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een transactie in een financieel instrument zal of zou kunnen aangaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel 35h, onderdeel a of b of artikel 164, derde lid zou vallen;

    f. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een derde zal of zou kunnen adviseren een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer het een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan.

Artikel 35d

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat relevante personen op de hoogte zijn van de door haar vastgestelde maatregelen en procedures, bedoeld in artikel 35c, eerste lid.

Artikel 35e
  • 1. De procedures en maatregelen bedoeld in artikel 35c, eerste lid, houden in dat een beleggingsonderneming onverwijld in kennis wordt gesteld van elke persoonlijke transactie.

  • 2. Een beleggingsonderneming houdt gegevens bij van aan haar gemelde of door haar onderkende persoonlijke transacties en vermeldt daarbij in voorkomend geval tevens of de desbetreffende transactie is toegestaan.

  • 3. Ingeval van uitbesteding draagt de beleggingsonderneming zorg voor registratie door de onderneming waaraan de activiteit wordt uitbesteed van gegevens met betrekking tot persoonlijke transacties. Deze gegevens worden desgevraagd onverwijld aan de beleggingsonderneming verstrekt.

  • 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op achtereenvolgende persoonlijke transacties, met uitzondering van de eerste persoonlijke transactie, die worden uitgevoerd namens een relevante persoon overeenkomstig vooraf door de relevante persoon gegeven instructies, wanneer de instructies ongewijzigd van kracht blijven.

Artikel 35f

De artikelen 35c, 35d en 35e, eerste tot en met het derde lid, zijn niet van toepassing op:

a. persoonlijke transacties verricht in het kader van het beheer van een individueel vermogen waarbij het vermogen op discretionaire basis wordt beheerd en waarbij over de transactie geen voorafgaande communicatie heeft plaatsgevonden tussen de vermogensbeheerder en de relevante persoon of een andere persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel X1, onder 3° of 4°, voor wiens rekening de transactie wordt uitgevoerd;

b. persoonlijke transacties in rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in effecten, indien noch de relevante persoon, noch een persoon als bedoeld in onderdeel X1, onder 3° of 4°, voor wiens rekening de transacties worden uitgevoerd, bij de leiding van de betreffende instelling betrokken is.

Artikel 35g
  • 1. Indien een beleggingsonderneming onderzoek op beleggingsgebied verricht of laat verrichten waarvan het de bedoeling is of aangenomen mag worden dat het daarna onder eigen verantwoordelijkheid of onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde groep als de beleggingsonderneming onder cliënten of onder het publiek wordt verspreid, is artikel 35a, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de financieel analisten die betrokken zijn bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied, en andere relevante personen wier verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd kunnen zijn met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op beleggingsgebied wordt verspreid.

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van de ingevolge het eerste lid toepasselijke bepalingen indien de beleggingsonderneming voornemens is door een derde, die geen deel uitmaakt van de groep waartoe de beleggingsonderneming behoort, verricht onderzoek op beleggingsgebied te verspreiden en de beleggingsonderneming:

    a. geen ingrijpende wijzigingen aanbrengt in de aanbevelingen in het onderzoek;

    b. het onderzoekniet presenteert als onderzoek dat zij zelf heeft verricht; en

    c. zich ervan vergewist dat degene die het onderzoek heeft verricht aan verplichtingen voldoet met betrekking tot het verrichten van het onderzoek die gelijkwaardig zijn aan hetgeen ingevolge dit besluit is bepaald met betrekking tot het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied.

Artikel 35h

Een beleggingsonderneming die onderzoek op beleggingsgebied verricht of laat verrichten en voornemens is dat onderzoek onder cliënten of het publiek te verspreiden, draagt er zorg voor dat:

a. de bij het onderzoek betrokken financieel analisten of andere relevante personen geen transacties verrichten namens de beleggingsonderneming of andere personen, in financiële instrumenten waarop het onderzoek op beleggingsgebied betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde financiële instrumenten, behalve als marketmaker, indien zij op de hoogte zijn van het tijdstip van verspreiding of de inhoud van het onderzoek op beleggingsgebied en deze kennis niet openbaar is, totdat de ontvangers van het onderzoek een redelijke kans hebben gehad ernaar te handelen;

b. de bij het onderzoek betrokken financieel analisten of andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, geen met de gangbare aanbevelingen strijdige persoonlijke transacties verrichten in financiële instrumenten waarop het onderzoek op beleggingsgebied betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde financiële instrumenten, behalve in uitzonderingsgevallen en in die gevallen met voorafgaande instemming van het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie, bedoeld in artikel 31c, uitoefent;

c. zijzelf, financieel analisten en andere relevante personen die bij het verrichten van het onderzoek zijn betrokken, geen vergoeding aanvaarden van degenen die een wezenlijk belang hebben bij het onderwerp van het onderzoek;

d. zijzelf, de financieel analisten en andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, aan uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, niet een gunstige behandeling beloven in hun onderzoek; en

e. uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, relevante personen die geen financieel analist zijn, en andere personen vóór de verspreiding van het onderzoek geen inzage krijgen in het concept-onderzoek ter controle van de juistheid van de feitelijke beweringen in dit onderzoek of voor andere doeleinden, met uitzondering van een controle op de naleving van de juridische verplichtingen van de uitgevende instelling, indien het concept-onderzoek een aanbeveling of richtprijs bevat.

I

Na artikel 38 worden in hoofdstuk 6 vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 38a
  • 1. Een beleggingsonderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 31, zesde lid.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.

Artikel 38b
  • 1. Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat zij daartoe over de nodige deskundigheid beschikt en daarbij de nodige zorgvuldigheid en waakzaamheid in acht neemt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.

Artikel 38c
  • 1. Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde draagt er zorg voor dat:

    a. de uitbesteding geen afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;

    b. door de uitbesteding de relatie en verplichtingen van de beleggingsonderneming jegens haar cliënten uit hoofde van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald niet worden gewijzigd;

    c. de voorwaarden waaraan de beleggingsonderneming moet voldoen om een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet te verkrijgen en om deze te behouden niet worden ondermijnd; en

    d. door de uitbesteding geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van voorschriften verbonden aan de vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet.

  • 2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.

Artikel 38d
  • 1. Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde legt de wederzijdse rechten en verplichtingen vast in een schriftelijke overeenkomst.

  • 2. De beleggingsonderneming draagt er zorg voor dat:

    a. de derde over de deskundigheid, de capaciteit en elke bij wet vereiste vergunning beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare en professionele wijze uit te voeren;

    b. de derde de uitbestede werkzaamheden efficiënt verricht en dat zij methoden vaststelt om het prestatieniveau van de derde te beoordelen;

    c. de derde de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden afdoende controleert en de daaraan verbonden risico´s op adequate wijze beheerst;

    d. zij passende actie onderneemt indien blijkt dat de derde de werkzaamheden niet efficiënt en met inachtneming van de wettelijke voorschriften uitvoert;

    e. zij de nodige deskundigheid behoudt om een doeltreffend controle op de uitbestede werkzaamheden uit te oefenen;

    f. de derde haar in kennis stelt van elke ontwikkeling die van wezenlijke invloed kan zijn op zijn vermogen om de uitbestede werkzaamheden efficiënt en met inachtneming van de wettelijke voorschriften uit te voeren;

    g. zij de uitbestedingsovereenkomst indien nodig kan beëindigen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de continuïteit of de kwaliteit van haar dienstverlening aan cliënten;

    h. de derde met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden medewerking verleent aan de toezichthouders;

    i. zij, haar accountants en de toezichthouders toegang hebben tot de gegevens over de uitbestede werkzaamheden en dat de toezichthouders bij de derde een onderzoek ter plaatse kunnen doen of laten doen;

    j. de derde alle vertrouwelijke informatie over haar en haar cliënten beschermt;

    k. zij en de derde over een noodplan beschikken dat voorziet in calamiteitenbeheersing en in een periodieke controle van de noodvoorzieningen wanneer dit noodzakelijk is gelet op de uitbestede werkzaamheden.

  • 3. De toezichthouders maken slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i, om bij de derde een onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen, indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

  • 4. Het eerste, tweede en derde lid, onderdelen a, b, d, e en g zijn niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.

Artikel 38e
  • 1. Een beleggingsonderneming die het beheren van een individueel vermogen van een niet-professionele belegger uitbesteedt aan een derde in een staat die geen lidstaat is, draagt er, onverminderd de artikelen 38b en 38c, zorg voor dat:

    a. de derde in de staat van herkomst voor het beheren van individueel vermogen een vergunning heeft of in een register is ingeschreven en onder prudentieel toezicht staat; en

    b. er een samenwerkingsovereenkomst is gesloten tussen de toezichthouders en de toezichthoudende instantie van de staat die geen lidstaat is.

  • 2. Indien niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan de beleggingsonderneming de betreffende werkzaamheden uitbesteden indien zij de Autoriteit Financiële Markten vooraf in kennis stelt van de uitbestedingsovereenkomst en deze binnen een redelijke termijn geen bezwaar maakt.

  • 3. De Autoriteit Financiële Markten stelt beleidsregels vast met betrekking tot de gevallen waarin zij geen bezwaar zal aantekenen in de zin van het tweede lid.

  • 4. De Autoriteit Financiële Markten maakt een lijst bekend van toezichthoudende instanties in staten die geen lidstaat zijn met wie zij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft gesloten.

J

Artikel 49, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het verstrekken van informatie met betrekking tot het verlenen van beleggingsdiensten.

K

Na artikel 49 wordt in paragraaf 8.1.1. een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 49a
  • 1. Een beleggingsonderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, derde lid, 4:90b, derde en achtste lid, en artikel 4:90c, derde lid, van de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald. De beleggingsonderneming kan na toestemming van de cliënt, de informatie op een andere duurzame drager verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet.

  • 2. Een beleggingsonderneming kan, na toestemming van de cliënt, de op grond van de artikelen 58a tot en met 58e en 59a te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website verstrekken indien:

    a. het gebruik van de website past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet;

    b. de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen;

    c. de informatie actueel is en, zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft.

  • 3. De verstrekking van informatie door de beleggingsonderneming aan de cliënt via elektronische mededelingen past in de context waarin de beleggingsonderneming met de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan.

L

Na artikel 49a (nieuw) wordt een paragraaf ingevoegd luidende:

§ 8.1.1a. Cliëntenclassificatie
Artikel 49b

Een cliënt die als niet-professionele belegger is gekwalificeerd, kan door een beleggingsonderneming op schriftelijk verzoek als professionele belegger worden behandeld indien is voldaan aan het in artikel 4:18c van de wet bepaalde, en:

a. de beleggingsonderneming de cliënt schriftelijk waarschuwt voor het lagere beschermingsniveau en het niet van toepassing zijn van het beleggerscompensatiestelsel; en

b. de cliënt in een afzonderlijk document bevestigt dat hij zich bewust is van de gevolgen die aan het lagere beschermingsniveau verbonden zijn.

M

Na artikel 51 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 8.1.2a. Informatieverstrekking door beleggingsondernemingen
Artikel 51a
  • 1. De door een beleggingsonderneming aan een niet-professionele belegger verstrekte informatie:

    a. bevat de naam van de beleggingsonderneming;

    b. is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een beleggingsdienst of financieel instrument zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico´s wordt gegeven;

    c. is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht; en

    d. geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.

  • 2. Indien in de informatie beleggingsdiensten, nevendiensten, personen die deze diensten verrichten of financiële instrumenten onderling worden vergeleken:

    a. is de vergelijking zinvol en op correcte en evenwichtige wijze voorgesteld;

    b. worden de voor de vergelijking gebruikte informatiebronnen vermeld; en

    c. worden de voornaamste voor de vergelijking gebruikte feiten en aannames vermeld.

  • 3. Indien de informatie een indicatie bevat van de resultaten die in het verleden met een financieel instrument, een financiële index of een beleggingsdienst zijn behaald:

    a. vormt deze indicatie niet het meest opvallende kenmerk van de mededeling;

    b. bevat de informatie passende gegevens over de resultaten over de onmiddellijk voorafgaande vijf jaar of over de gehele periode waarin het financiële instrument is aangeboden, de financiële index is vastgesteld of de beleggingsdienst is verleend, indien deze periode korter is dan vijf jaar, dan wel over een door de onderneming gekozen langere periode waarbij altijd wordt uitgegaan van volledige perioden van twaalf maanden;

    c. worden de referentieperiode en de informatiebron duidelijk aangegeven;

    d. wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om resultaten uit het verleden gaat en dat deze geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten;

    e. wordt, indien de indicatie berust op gegevens die in een andere valuta luiden dan die van de lidstaat waarin de niet-professionele belegger woonachtig is, de desbetreffende valuta duidelijk vermeld en wordt tegelijk gewaarschuwd dat het rendement door valutaschommelingen hoger of lager kan uitvallen; en

    f. wordt indien de indicatie op brutoresultaten berust, het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld.

  • 4. Indien de informatie fictieve, in het verleden behaalde resultaten bevat of daarnaar verwijst, heeft deze betrekking op een financieel instrument of een financiële index, en:

    a. berusten de fictieve, in het verleden behaalde resultaten op de feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald met een of meer financiële instrumenten of financiële indices die identiek zijn aan of de onderliggende waarde vormen van het betrokken financiële instrument;

    b. is op de onder a bedoelde feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald, het derde lid, onderdelen a, b, c, e en f van overeenkomstige toepassing; en

    c. wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om fictieve, in het verleden behaalde resultaten gaat en dat in het verleden behaalde resultaten geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.

  • 5. Indien de informatie gegevens over toekomstige resultaten bevat:

    a. wordt niet uitgegaan van of verwezen naar fictieve in het verleden behaalde resultaten;

    b. wordt uitgegaan van redelijke aannames die worden ondersteund door objectieve gegevens;

    c. wordt het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld indien de informatie op brutoresultaten berust; en

    d. wordt duidelijk gewaarschuwd dat dergelijke prognoses geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.

  • 6. Indien de informatie verwijst naar een bepaalde fiscale behandeling, wordt duidelijk vermeld dat deze behandeling afhangt van de individuele omstandigheden van de cliënt en in de toekomst aan wijzigingen onderhevig kan zijn.

  • 7. In de informatie wordt de naam van de toezichthouder niet zodanig gebruikt dat daarmee wordt beweerd of gesuggereerd dat deze de producten of diensten van de beleggingsonderneming steunt of aanbeveelt.

Ma

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Het eerste lid, met uitzondering van de verplichting om een risico-indicator te verstrekken, en het derde tot en met zevende lid, zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen voor zover zij beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen met betrekking tot deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen.

N

Artikel 56 komt te luiden:

Artikel 56

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vorm van waarschuwingszinnen in reclame-uitingen van beleggingsondernemingen.

O

Het opschrift van paragraaf 8.1.4. komt als volgt te luiden:

§ 8.1.4. Verplichte precontractuele informatie

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 4:20, eerste en tweede lid, artikel 4:22, eerste lid, 4:73, derde lid, aanhef en onderdeel a, en 4:90b, tiende lid, van de wet

P

Artikel 57, derde lid, vervalt.

Pa

Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen voor zover zij beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen met betrekking tot deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen.

Q

Na artikel 58 worden zes artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 58a
  • 1. Een beleggingsonderneming verstrekt voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan een niet-professionele belegger:

    a. informatie over de wederzijdse rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst met betrekking tot de beleggings- of nevendienst;

    b. de in artikel 58b bedoelde informatie over de overeenkomst of de beleggingsdiensten of nevendiensten;

    c. de overige op grond van de artikelen 58b tot en met 58e vereiste informatie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid mag een beleggingsonderneming de informatie bedoeld in het eerste lid verstrekken onmiddellijk na aanvang van het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst, indien:

    a. zij de in het eerste lid genoemde termijnen niet in acht heeft kunnen nemen omdat de overeenkomst op verzoek van de niet-professionele belegger is gesloten door middel van een techniek voor communicatie op afstand die haar belet de informatie overeenkomstig het eerste lid te leveren; of

    b. de beleggingsonderneming ten aanzien van de niet-professionele belegger voldoet aan artikel 79, eerste lid, als ware deze belegger een consument en de beleggingsonderneming een financiële dienstverlener.

  • 3. Indien een reclame-uiting van een beleggingsonderneming een aanbod bevat om een overeenkomst met betrekking tot een financieel instrument of een beleggings- of nevendienst aan te gaan, of de uitnodiging bevat om een dergelijk aanbod te doen en vermeldt hoe hierop kan worden gereageerd, wordt daarin tevens de voor het aanbod of de uitnodiging van belang zijnde informatie als bedoeld in de artikelen 58b tot en met 58e opgenomen.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing indien het aanbod of de uitnodiging is gericht tot een niet-professionele belegger en deze voor een reactie wordt verwezen naar een ander document of andere documenten die afzonderlijk of tezamen deze informatie bevatten.

Artikel 58b
  • 1. De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdelen b en c, omvat de volgende gegevens:

    a. de naam, het adres en de contactgegevens van de beleggingsonderneming;

    b. de talen waarin de cliënt met de beleggingsonderneming kan communiceren en stukken en andere informatie van haar kan ontvangen;

    c. methoden van communicatie tussen de beleggingsonderneming en de cliënt, waaronder die betreffende het versturen en ontvangen van orders;

    d. een verklaring waarin staat dat de beleggingsonderneming over een vergunning beschikt, alsmede de naam en het contactadres van de toezichthouder die de vergunning heeft verleend;

    e. een verklaring dat de beleggingsonderneming door tussenkomst van een verbonden agent beleggingsdiensten verleent en in welke lidstaat deze agent in een register staat ingeschreven;

    f. aard, frequentie en tijdschema van de rapporten over de verrichting van de dienst die overeenkomstig de artikelen 69, 70, 71 en 71a door de beleggingsonderneming aan de cliënt worden toegezonden;

    g. indien de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden van cliënten aanhoudt, een korte beschrijving van de maatregelen die zij heeft genomen om deze financiële instrumenten of gelden te beschermen, alsmede beknopte gegevens over de vangnetregeling die op de onderneming van toepassing is;

    h. een beschrijving, die in beknopte vorm mag worden verstrekt, van het beleid inzake belangenconflicten dat de onderneming overeenkomstig artikel 35a voert;

    i. indien de cliënt daarom verzoekt, nadere bijzonderheden over het beleid inzake belangenconflicten.

  • 2. Een beleggingsonderneming stelt bij het beheren van een individueel vermogen op basis van de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de soorten financiële instrumenten in de portefeuille van de cliënt, een geschikte evaluatie- en vergelijkingsmethode vast, zodat de cliënt de prestaties van de onderneming kan beoordelen.

  • 3. Een beleggingsonderneming verstrekt bij het beheren van een individueel vermogen van een niet- professionele belegger, naast de informatie op grond van het eerste lid, voor zover van toepassing, aan de cliënt informatie over:

    a. de waarderingsmethode en -frequentie voor de financiële instrumenten in diens portefeuille;

    b. de bijzonderheden van een eventuele overdracht van het beheer op discretionaire basis van alle of een deel van de financiële instrumenten of gelden in de portefeuille van de cliënt;

    c. elke evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf, bedoeld in het tweede lid, waartegen de resultaten van de portefeuille worden afgezet;

    d. de soorten financiële instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille en de soorten transacties die in deze instrumenten mogen worden verricht, alsmede de begrenzingen;

    e. de beheersdoelstellingen, de omvang van het risico dat voortvloeit uit de beoordelingsruimte die de beleggingsonderneming heeft, alsmede eventuele specifieke beperkingen in deze beoordelingsruimte.

Artikel 58c
  • 1. De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om de niet-professionele belegger in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.

  • 2. De beschrijving van de risico’s, bedoeld in het eerste lid, omvat, indien van toepassing, mede:

    a. de risico´s die verbonden zijn aan het desbetreffende soort financiële instrument, waaronder een uitleg over de hefboomwerking en de gevolgen daarvan en het risico dat de gehele belegging verloren gaat;

    b. de volatiliteit van de prijs van het desbetreffende soort financiële instrument en eventuele beperkingen in de bestaande markt daarvoor;

    c. het feit dat de cliënt met transacties in dergelijke instrumenten naast de aanschaffingskosten extra financiële- en andere verplichtingen, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, zou kunnen aangaan;

    d. eventuele marge- of soortgelijke verplichtingen die van toepassing zijn op het desbetreffende soort financiële instrumenten.

  • 3. Een beleggingsonderneming die aan een niet-professionele belegger informatie verstrekt over een financieel instrument waarvoor overeenkomstig de richtlijn prospectus een prospectus is gepubliceerd, deelt de cliënt mede waar dit prospectus verkrijgbaar is.

  • 4. Indien aangenomen mag worden dat de risico´s die verbonden zijn aan een financieel instrument dat uit twee of meer verschillende financiële instrumenten bestaat, groter zijn dan de risico´s die verbonden zijn aan elk van de financiële instrumenten afzonderlijk, verstrekt de beleggingsonderneming een adequate beschrijving van de verschillende financiële instrumenten waaruit het instrument bestaat en van de risicoverhogende wisselwerking daartussen.

  • 5. Een beleggingsonderneming verstrekt over een financieel instrument dat een garantie van een derde omvat, aan een niet-professionele belegger voldoende bijzonderheden over de garantie en de garantiegever.

  • 6. Een financiële bijsluiter die voldoet aan het ingevolge artikel 66, tweede en derde lid, van dit besluit bepaalde of een vereenvoudigd prospectus dat voldoet aan artikel 28 van de richtlijn beleggingsinstellingen wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt.

Artikel 58d
  • 1. De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat, indien van toepassing, gegevens over de omstandigheid dat een derde namens de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden die toebehoren aan de niet-professionele belegger kan aanhouden, alsmede gegevens over haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten van de derde en voor de gevolgen die insolventie van de derde voor de cliënt heeft.

  • 2. Indien een derde namens een beleggingsonderneming, voor zover het toepasselijke recht dit toelaat, financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger op een omnibusrekening mag aanhouden, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

  • 3. Indien het op grond van het toepasselijke recht niet mogelijk is om door een derde

    namens een beleggingsonderneming aangehouden financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger te onderscheiden van de financiële instrumenten die toebehoren aan deze derde of de beleggingsonderneming zelf, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

  • 4. Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een niet-professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.

  • 5. Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.

  • 6. Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger verstrekt, geruime tijd voordat zij effectenfinancieringstransacties aangaat met betrekking tot die financiële instrumenten, of van dergelijke financiële instrumenten anderszins voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt gebruikmaakt, de cliënt voorafgaand aan het gebruik van deze instrumenten duidelijke, volledige en accurate informatie over haar verplichtingen en verantwoordelijkheden met betrekking tot het gebruik van deze financiële instrumenten, met inbegrip van de voorwaarden voor restitutie ervan, alsmede over de risico´s die uit dat gebruik voortvloeien.

Artikel 58e
  • 1. De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat gegevens over de kosten en bijbehorende lasten, die voor zover van toepassing bestaat uit de volgende elementen:

    a. de totale prijs van het financiële instrument, de beleggingsdienst of nevendienst, met inbegrip van alle bijbehorende kosten en als geen exacte prijs kan worden gegeven de grondslag voor de berekening van de totale prijs.

    b. de door de beleggingsonderneming in rekening gebrachte provisies;

    c. een vermelding van de desbetreffende buitenlandse valuta en de toepasselijke omrekeningskoers en wisselkosten, wanneer een deel van de totale prijs moet worden betaald in of luidt in een buitenlandse valuta;

    d. vermelding van de mogelijkheid dat transacties die verband houden met het financiële instrument of de beleggingsdienst, nog andere kosten, voor de niet-professionele belegger kunnen meebrengen die niet via de beleggingsonderneming worden betaald of door haar worden opgelegd;

    e. de regelingen voor betaling of andere prestaties met betrekking tot de uitvoering van de beleggings- of nevendienst.

  • 2. Een financiële bijsluiter die voldoet aan het ingevolge artikel 66, tweede en derde lid, van dit besluit bepaalde of een vereenvoudigd prospectus dat voldoet aan artikel 28 van de richtlijn beleggingsinstellingen wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt wat de aan de beleggingsinstelling zelf verbonden kosten en bijbehorende lasten, met inbegrip van de instap- en uitstapprovisies, betreft.

Artikel 58f
  • 1. De beleggingsonderneming verstrekt aan een professionele belegger een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om hem in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.

  • 2. Artikel 58c, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beschrijving van de aard en risico’s bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.

  • 4. Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.

  • 5. Een beleggingsonderneming verstrekt de in dit artikel bedoelde informatie aan een professionele belegger voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.

  • 6. Artikel 58c, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

R

Artikel 59 komt te luiden:

Artikel 59

Een beleggingsonderneming verstrekt een niet-professionele belegger voorafgaand aan het uitvoeren van een order met betrekking tot een financieel instrument voor diens rekening de volgende informatie over haar orderuitvoeringsbeleid:

a. een uitleg over het relatieve gewicht dat de beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 4:90a, tweede lid, van de wet toekent aan de in artikel 4:90a, eerste lid, van de wet genoemde factoren, of over de wijze waarop zij het relatieve gewicht van deze factoren bepaalt;

b. een overzicht van de plaatsen van uitvoering waarop de beleggingsonderneming een aanzienlijk beroep doet om haar verplichting na te komen om alle redelijke maatregelen te nemen teneinde bij de uitvoering van orders van cliënten steeds het best mogelijke resultaat te behalen;

c. een duidelijke waarschuwing dat een specifieke instructie van de cliënt de beleggingsonderneming kan beletten de door haar vastgestelde en in haar orderuitvoeringsbeleid opgenomen maatregelen te nemen om bij de uitvoering van de desbetreffende order het best mogelijke resultaat te behalen voor de elementen waarvoor deze instructie geldt.

S

Artikel 69 komt te luiden:

Artikel 69
  • 1. Een beleggingsonderneming die voor rekening van een cliënt een order met betrekking tot een financieel instrument heeft uitgevoerd die niet strekt ter uitvoering van een beslissing in verband met het beheren van een individueel vermogen, verstrekt aan de cliënt onmiddellijk de belangrijkste informatie over de uitvoering van deze order.

  • 2. Een beleggingsonderneming die een order als bedoeld in het eerste lid heeft uitgevoerd voor een niet-professionele belegger geeft de cliënt, onverminderd het eerste lid, onverwijld en uiterlijk op de eerste werkdag na de uitvoering van de order kennis van de uitvoering van de order. Indien de beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering ontvangt van een derde, geeft de beleggingsonderneming de cliënt daarvan kennis uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van deze derde, tenzij deze derde de cliënt reeds onmiddellijk in kennis heeft gesteld.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid informeert een beleggingsonderneming die een order als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot obligaties ter financiering van een hypothecair krediet heeft uitgevoerd, de cliënt die dit krediet is aangegaan over de uitvoering van de order bij de mededeling van de kredietsom, doch uiterlijk een maand na uitvoering van de order.

  • 4. Indien een beleggingsonderneming periodiek orders met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling uitvoert voor een niet-professionele belegger, kan een beleggingsonderneming de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, éénmaal per zes maanden verstrekken.

  • 5. Een beleggingsonderneming verstrekt de cliënt desgevraagd informatie over de status van diens order.

  • 6. De kennisgeving, bedoeld in tweede lid, bevat, voorzover van toepassing en voorzover relevant in overeenstemming met tabel 1 van bijlage 1 bij de uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten, de volgende informatie:

    a. de identificatiegegevens van de melder;

    b. de naam of een andere omschrijving van de cliënt;

    c. de handelsdag;

    d. de handelstijd;

    e. het soort order;

    f. de identificatiegegevens van de plaats van uitvoering;

    g. de identificatiegegevens van het financieel instrument;

    h. de aankoop of verkoop;

    i. de aard van de order indien het geen koop- of verkooporder betreft;

    j. de hoeveelheid;

    k. de prijs per eenheid;

    l. de totale vergoeding;

    m. de totale kosten die in rekening zijn gebracht, en een specificatie daarvan indien de niet-professionele belegger daarom verzoekt;

    n. de verantwoordelijkheden van de cliënt met betrekking tot de afwikkeling van de transactie, waaronder de betalings- of levertermijn en de beleggingsrekeninggegevens voorzover deze gegevens en verantwoordelijkheden nog niet eerder aan de cliënt zijn medegedeeld;

    o. het feit dat de tegenpartij van de cliënt de beleggingsonderneming zelf, een persoon die deel uitmaakt van de groep waartoe de beleggingsonderneming behoort dan wel een andere cliënt van de beleggingsonderneming was, tenzij de order is uitgevoerd via een handelssysteem dat anonieme handel mogelijk maakt.

  • 7. Indien een beleggingsonderneming een order met betrekking tot financiële instrumenten in tranches uitvoert, kan zij voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel k, de cliënt informatie over de prijs van elke tranche afzonderlijk dan wel over de gemiddelde prijs verstrekken. Indien de beleggingsonderneming informatie over de gemiddelde prijs geeft, verstrekt zij de niet-professionele cliënt op verzoek informatie over de prijs van elke tranche afzonderlijk.

  • 8. Een beleggingsonderneming kan de informatie, bedoeld in het zesde lid, door middel van standaardcodes verstrekken indien zij een toelichting op de gebruikte codes geeft.

T

Artikel 70 komt te luiden:

Artikel 70
  • 1. Een beleggingsonderneming die een individueel vermogen beheert, verstrekt de cliënt een periodiek overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten die namens hem zijn uitgevoerd, tenzij dit overzicht reeds door een derde is verstrekt.

  • 2. Voorzover het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger, bevat het, voorzover van toepassing, de volgende gegevens:

    a. de naam van de beleggingsonderneming;

    b. de naam of een andere omschrijving van de ten behoeve van het beheer gehanteerde beleggingsrekening van de niet-professionele belegger;

    c. een vermelding van de inhoud en de waardering van de portefeuille, waaronder gegevens over elk financieel instrument dat aangehouden wordt, de marktwaarde of, als deze niet beschikbaar is, de reële waarde ervan en het kassaldo aan het begin en het einde van de rapportageperiode, alsmede de portefeuilleresultaten over de rapportageperiode;

    d. het totale bedrag aan kosten over de rapportageperiode met een afzonderlijke specificatie van in elk geval de totale beheersvergoedingen en de totale uitvoeringskosten en, voor zover van toepassing, met de vermelding dat desgewenst een gedetailleerdere specificatie wordt verstrekt;

    e. een vergelijking van de resultaten van de portefeuille over de overzichtsperiode met elke tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf;

    f. het totale bedrag aan dividenden, rente en andere betalingen die over de rapportageperiode zijn ontvangen in verband met de portefeuille van de cliënt;

    g. informatie over corporate actions waardoor rechten worden verkregen die verband houden met financiële instrumenten in de portefeuille;

    h. voor elke in de rapportageperiode uitgevoerde transactie, voor zover van toepassing, de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid, onderdelen c tot en met l, tenzij de cliënt per transactie informatie wenst te ontvangen overeenkomstig het vijfde lid.

  • 3. De beleggingsonderneming verstrekt het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger eenmaal per zes maanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid verstrekt een beleggingsonderneming het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger:

    a. eenmaal per kwartaal, indien de niet-professionele belegger een verzoek daartoe heeft ingediend;

    b. ten minste eenmaal per jaar, indien het vijfde lid van toepassing is, tenzij het periodieke overzicht betrekking heeft op transacties in effecten als bedoeld in onderdeel c van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet of in financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in dat artikel; of

    c. maandelijks, indien het een overeenkomst betreft die een portefeuille met hefboomwerking toestaat.

  • 5. De beleggingsonderneming wijst haar cliënten die niet-professionele belegger zijn erop dat zij het recht hebben om een verzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, in te dienen.

  • 6. Indien de cliënt per uitgevoerde transactie informatie wenst te ontvangen, verstrekt de beleggingsonderneming onmiddellijk na uitvoering van de transactie de belangrijkste informatie over deze transactie.

  • 7. Indien de cliënt een niet-professionele belegger is en per uitgevoerde transactie informatie wenst te ontvangen, zendt de beleggingsonderneming de cliënt een bevestiging van de transactie waarin de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid, is opgenomen, uiterlijk op de eerste werkdag na de uitvoering van die transactie of, indien de beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering ontvangt van een derde, uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van deze derde. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer de derde onmiddellijk na het uitvoeren van de transactie een bevestiging die dezelfde informatie bevat aan de cliënt zendt.

U

Artikel 71 komt te luiden:

Artikel 71
  • 1. Indien een beleggingsonderneming in het kader van het beheer van een individueel vermogen voor een niet-professionele belegger transacties verricht of een beleggingsrekening beheert waarbij sprake is van een ongedekte open positie als gevolg van een transactie waarbij een voorwaardelijke verplichting is aangegaan, stelt de beleggingsonderneming deze cliënt tevens in kennis van verliezen die uitstijgen boven een van tevoren tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen drempel.

  • 2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop de drempel wordt overschreden of wanneer de drempel op een dag die geen werkdag is wordt overschreden, aan het einde van de eerstvolgende werkdag.

V

Na artikel 71 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71a
  • 1. Een beleggingsonderneming zendt een cliënt voor wie zij financiële instrumenten of gelden aanhoudt ten minste eenmaal per jaar een overzicht van de financiële instrumenten of gelden. Indien de informatie onderdeel uitmaakt van een ander periodiek overzicht dat aan een cliënt wordt verstrekt, heeft de beleggingsonderneming voldaan aan de eerste volzin.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op banken, voor zover het betreft deposito’s die zij voor cliënten aanhouden.

  • 3. Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    a. gegevens over alle financiële instrumenten of gelden die de beleggingsonderneming voor de cliënt aan het eind van de rapportageperiode aanhoudt;

    b. in hoeverre financiële instrumenten of gelden van de cliënt zijn gebruikt voor effectenfinancieringstransacties; en

    c. het voordeel dat de cliënt uit hoofde van diens deelneming in effectenfinancieringstransacties heeft behaald en de basis waarop dit voordeel is behaald.

  • 4. Indien de portefeuille van een cliënt de opbrengsten uit niet-afgewikkelde transacties bevat, wordt in de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde informatie uitgegaan van hetzij de handelsdatum hetzij de afwikkelingsdatum, indien voor al deze gegevens in het overzicht steeds dezelfde grondslag wordt gehanteerd.

  • 5. Een beleggingsonderneming die voor een cliënt financiële instrumenten of gelden aanhoudt en voor die cliënt tevens een individueel vermogen beheert, kan het overzicht, bedoeld in het eerste lid, opnemen in het periodiek overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten.

W

Artikel 76 vervalt.

X

In afdeling 8.2. wordt voor artikel 81 een paragraaf ingevoegd luidende:

§ 8.2.1. Verplichting tot inwinnen van informatie door beleggingsondernemingen
Artikel 80a
  • 1. De informatie, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, stelt de beleggingsonderneming in staat om vast te kunnen stellen dat een transactie waarop haar advies of beheer van een individueel vermogen betrekking heeft:

    a. voldoet aan de beleggingsdoelstellingen van de cliënt;

    b. van dien aard is dat de cliënt de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan dragen; en

    c. van dien aard is dat de cliënt, gelet op diens ervaring en kennis, kan begrijpen welke beleggingsrisico’s aan de transactie of aan het beheer van zijn portefeuille verbonden zijn.

  • 2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bevat gegevens over de duur van de periode waarin de cliënt de belegging wenst aan te houden, diens risicobereidheid en beleggingsdoelstelling.

  • 3. De informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat gegevens over de bron en omvang van de periodieke inkomsten, het vermogen en de financiële verplichtingen van de cliënt.

  • 4. Een beleggingsonderneming die een professionele belegger adviseert over een financieel instrument handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel b, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan dragen.

  • 5. Een beleggingsonderneming die een advies over financiële instrumenten verleent of een individueel vermogen beheert voor een professionele belegger handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt.

Artikel 80b
  • 1. Een beleggingsonderneming die zonder daarbij te adviseren een andere beleggingsdienst verleent dan het beheren van een individueel vermogen, stelt bij de beoordeling van de passendheid, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, vast of de cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt om te begrijpen welke risico’s aan het betrokken financiële instrument en de betrokken beleggingsdienst verbonden zijn.

  • 2. Een beleggingsonderneming, als bedoeld in het eerste lid, die een beleggingsdienst verleent voor een professionele belegger, handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt.

  • 3. Indien de cliënt vóór 1 november 2007 een reeks transacties met betrekking tot financiële instrumenten heeft verricht of vóór dat tijdstip een beleggingsdienst verscheidene malen heeft afgenomen, mag de beleggingsonderneming ervan uitgaan dat de cliënt met betrekking tot dat financiële instrument of die beleggingsdienst over de ervaring en kennis, bedoeld in het eerste lid, beschikt.

Artikel 80c
  • 1. De informatie over de kennis en ervaring van de cliënt, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, voorzover deze redelijkerwijs relevant is voor een advies over financiële instrumenten of beheer van een individueel vermogen, en de informatie, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, is wat de hoeveelheid betreft evenredig aan het soort cliënt, de aard en omvang van de beleggingsdienst en het beoogde soort financiële instrument, de complexiteit ervan en de daarmee samenhangende risico’s, en bevat gegevens over:

    a. het soort beleggingsdiensten en financiële instrumenten waarmee de cliënt vertrouwd is;

    b. de aard, het volume en de frequentie van de transacties in financiële instrumenten van de cliënt en de periode waarin deze zijn verricht; en

    c. de opleiding en het beroep of, voor zover relevant, het vroegere beroep of de vroegere beroepen van de cliënt.

  • 2. Een beleggingsonderneming moedigt een cliënt niet aan om de informatie, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid, van de wet niet te verstrekken.

  • 3. Een beleggingsonderneming mag vertrouwen op de door de cliënt verstrekte informatie over de in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid, van de wet genoemde onderwerpen, tenzij zij weet of zou moeten weten dat deze informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is.

Artikel 80d

Als financieel instrument in de zin van artikel 4:24, vierde lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen financiële instrumenten, niet zijnde financiële instrumenten als bedoeld in onderdeel c van de definitie van effecten in artikel 1:1 van de wet of financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet, voor zover:

a. er zich regelmatig een gelegenheid voordoet om deze te verkopen, te gelde te maken of anderszins te realiseren tegen voor de marktdeelnemers publiekelijk beschikbare prijzen die hetzij marktprijzen zijn, hetzij prijzen die afkomstig zijn van of gevalideerd door waarderingssystemen die onafhankelijk zijn van de uitgevende instelling of beleggingsinstelling;

b. deze voor de cliënt geen andere verplichtingen met zich brengen dan de betaling van de aanschaffingskosten ervan; en

c. voor het publiek informatie beschikbaar is over de kenmerken ervan die goed te begrijpen is, zodat cliënten, die geen professionele belegger zijn, met kennis van zaken een beslissing over een eventuele transactie in deze financiële instrumenten kunnen nemen.

Y

Na artikel 80d (nieuw) wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 8.2.2. Bepalingen ter uitvoering van artikel 4:25, eerste lid, van de wet.

Z

Artikel 84 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 84

Een beleggingsonderneming onthoudt zich van het uitvoeren van transacties voor rekening van cliënten met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beleggingsonderneming, tenzij sprake is van transacties waarvoor de cliënt op eigen initiatief uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven.

AA

Het opschrift van hoofdstuk 14 komt te luiden:

Hoofdstuk 14. Aanvullende regels betreffende verlenen van beleggingsdiensten en verrichten van beleggingsactiviteiten

BB

Na het opschrift van hoofdstuk 14 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

§ 14.1. Algemeen

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 4:85, derde lid, 4:86, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, en 4:89, tweede lid, 4:90, tweede lid, van de wet

CC

Artikel 164 komt te luiden:

Artikel 164
  • 1. Een beleggingsonderneming die orders van cliënten uitvoert:

    a. registreert orders die in naam van cliënten worden uitgevoerd onmiddellijk en correct en wijst deze onmiddellijk en correct toe;

    b. voert vergelijkbare orders van cliënten in volgorde van ontvangst en onmiddellijk uit, tenzij de aard van de order of de heersende marktomstandigheden dit onmogelijk maken of in het belang van de cliënt anders moet worden gehandeld; en

    c. brengt een een cliënt die niet-professionele belegger is onverwijld op de hoogte van een probleem dat een correcte uitvoering van diens order ernstig belemmert, zodra zij kennis neemt van dat probleem.

  • 2. Een beleggingsonderneming die verantwoordelijk is voor de controle op of de regeling van de afwikkeling van een uitgevoerde order neemt alle redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat alle financiële instrumenten of gelden van de cliënt die bij de afwikkeling van deze uitgevoerde order worden ontvangen, onmiddellijk op correcte wijze op de rekening van de cliënt worden bijgeschreven.

  • 3. Een beleggingsonderneming maakt geen misbruik van informatie over lopende orders van cliënten en neemt alle redelijke maatregelen om misbruik van dergelijke informatie door haar relevante personen te voorkomen.

DD

Na artikel 164 worden twee artikelen ingevoegd luidende:

Artikel 164a
  • 1. Een beleggingsonderneming voert een order van een cliënt of een transactie voor eigen rekening niet samen met een andere order van een cliënt uit, tenzij:

    a. het onwaarschijnlijk is dat de samenvoeging van de orders en transacties nadelig is voor de betrokken cliënt;

    b. zij de betrokken cliënt ervan op de hoogte heeft gesteld dat de samenvoeging voor hem nadelig kan zijn;

    c. zij een ordertoewijzingsbeleid heeft vastgesteld en geïmplementeerd dat voldoende nauwkeurig voorziet in een billijke toewijzing van samengevoegde orders en transacties en dat onder meer voorschrijft hoe het volume en de prijs van orders bepalend zijn voor de toewijzingen en de behandeling van gedeeltelijke uitvoeringen.

  • 2. Indien een beleggingsonderneming een order samenvoegt met andere orders van cliënten en de samengevoegde order slechts ten dele wordt uitgevoerd, wijst zij de desbetreffende transacties toe overeenkomstig haar ordertoewijzingsbeleid.

Artikel 164b
  • 1. Een beleggingsonderneming die een transactie voor eigen rekening samenvoegt met een order van een cliënt, wijst de desbetreffende transactie niet toe op een voor de cliënt nadelige wijze.

  • 2. Indien een beleggingsonderneming een order van een cliënt samenvoegt met een transactie voor eigen rekening en de samengevoegde order slechts ten dele wordt uitgevoerd, geeft zij de order van de cliënt bij de toewijzing van de desbetreffende transactie voorrang op haar eigen transactie.

    Het is de beleggingsonderneming slechts toegestaan een transactie als bedoeld in de vorige volzin naar evenredigheid toe te wijzen overeenkomstig haar orderuitvoeringsbeleid, bedoeld in artikel 59, indien zij kan aantonen dat de order van de cliënt niet of niet op dezelfde gunstige voorwaarden had kunnen uitvoeren als deze niet was samengevoegd.

  • 3. Een beleggingsonderneming beschikt in het kader van het ordertoewijzingsbeleid, bedoeld in artikel 59, over procedures die voorkomen dat transacties voor eigen rekening die samen met orders van cliënten worden uitgevoerd, op een voor de cliënt nadelige wijze opnieuw worden toegewezen.

EE

Artikel 165 komt te luiden:

Artikel 165
  • 1. Een beleggingsonderneming:

    a. houdt alle gegevens en rekeningen bij die noodzakelijk zijn om haar op elk moment onmiddellijk in staat te stellen de financiële instrumenten en gelden die voor een cliënt worden aangehouden, te onderscheiden van voor andere cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden en hun eigen financiële instrumenten en gelden;

    b. houdt de onder a bedoelde gegevens en rekeningen op zodanige wijze bij dat deze altijd accuraat zijn en in elk geval de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen;

    c. gaat regelmatig na of de onder a bedoelde gegevens en rekeningen overeenstemmen met die van eventuele derden door wie deze financiële instrumenten en gelden worden aangehouden;

    d. draagt er zorg voor dat financiële instrumenten van cliënten die overeenkomstig artikel 165a bij een derde worden aangehouden, door middel van verschillend getitelde rekeningen in de boeken van de derde of door middel van andere vergelijkbare maatregelen waarmee hetzelfde beschermingsniveau wordt bereikt, kunnen worden onderscheiden van de financiële instrumenten die aan de beleggingsonderneming zelf toebehoren, en van de financiële instrumenten die aan de derde toebehoren;

    e. draagt er zorg voor dat de gelden van cliënten die overeenkomstig artikel 165b worden aangehouden op een rekening of rekeningen die kan of kunnen worden onderscheiden van alle rekeningen die worden gebruikt voor het aanhouden van gelden die aan de beleggingsonderneming zelf toebehoren;

    f. treft passende organisatorische maatregelen om het risico van verlies of vermindering van de financiële instrumenten en gelden van cliënten, dan wel van hun rechten daarop, als gevolg van misbruik van financiële instrumenten en gelden, fraude, wanbeheer, het bijhouden van ontoereikende gegevens of nalatigheid tot een minimum te beperken.

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot:

    a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van financiële instrumenten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 4:87, eerste en tweede lid, van de wet; en

    b. de wijze waarop de instemming, bedoeld in artikel 4:87, eerste lid, onderdeel b, van de cliënt kan worden verkregen voor gebruik van diens financiële instrumenten voor eigen rekening door de beleggingsonderneming.

FF

Na artikel 165 worden vier artikelen ingevoegd luidende:

Artikel 165a
  • 1. Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten voor een cliënt aanhoudt op een rekening bij een derde, past de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid toe bij de selectie, aanwijzing en periodieke beoordeling van de derde en van de regelingen voor het aanhouden en bewaren van de betrokken financiële instrumenten. De beleggingsonderneming houdt daarbij rekening met de deskundigheid en marktreputatie van de betrokken derde, evenals met alle op het aanhouden van deze financiële instrumenten betrekking hebbende wettelijke verplichtingen of marktpraktijken die de rechten van de cliënt nadelig kunnen beïnvloeden.

  • 2. Indien het bewaren van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon onderworpen is aan specifieke regelgeving in een rechtsgebied waar een beleggingsonderneming deze financiële instrumenten van cliënten bij een derde wil aanhouden, houdt de beleggingsonderneming deze financiële instrumenten niet aan in dat rechtsgebied bij een derde die niet aan het toezicht op de naleving van deze regels onderworpen is.

  • 3. Een beleggingsonderneming houdt financiële instrumenten niet voor een cliënt aan

    bij een derde in een staat die geen lidstaat is waar het aanhouden en bewaren van financiële instrumenten voor rekening van een andere persoon niet aan regels is gebonden, tenzij:

    a. de aard van de financiële instrumenten of van de met deze instrumenten verband houdende beleggingsdiensten vereist dat ze worden aangehouden bij een derde in die staat; of

    b. indien het financiële instrumenten betreft die voor een professionele belegger worden aangehouden, deze aan de beleggingsonderneming schriftelijk heeft verzocht om ze in die staat bij een derde aan te houden.

Artikel 165c
  • 1. Een beleggingsonderneming gaat geen overeenkomsten inzake effectenfinancieringstransacties aan met betrekking tot financiële instrumenten die zij voor een cliënt aanhoudt, en maakt ook niet anderszins gebruik van dergelijke financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt van de onderneming, tenzij:

    a. de cliënt vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd met het gebruik van de financiële instrumenten onder daarbij gespecificeerde voorwaarden, hetgeen bij een niet-professionele belegger wordt aangetoond door zijn handtekening; en

    b. de financiële instrumenten van deze cliënt uitsluitend worden gebruikt onder de gespecificeerde voorwaarden waarmee de cliënt heeft ingestemd.

  • 2. Een beleggingsonderneming gaat geen overeenkomsten inzake effectenfinancieringstransacties aan met betrekking tot financiële instrumenten die zij voor een cliënt op een omnibusrekening bij een derde aanhoudt, en maakt ook niet anderszins gebruik van dergelijke financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt, tenzij, onverminderd het eerste lid:

    a. de cliënt vooraf uitdrukkelijk zijn instemming heeft verleend; of

    b. de beleggingsonderneming beschikt over systemen en controlemiddelen die waarborgen dat de betrokken financiële instrumenten toebehoren aan cliënten die vooraf uitdrukkelijk hun instemming hebben verleend. Op het verlenen van instemming is het eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De gegevens van de beleggingsonderneming omvatten bijzonderheden over de cliënt met wiens toestemming de financiële instrumenten zijn gebruikt, alsook het aantal gebruikte financiële instrumenten dat toebehoort aan elke cliënt die zijn instemming heeft verleend, teneinde eventuele verliezen op correcte wijze te kunnen toewijzen.

Artikel 165d

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:87, eerste en tweede lid, van de wet legt eenmaal per jaar aan de Autoriteit Financiële Markten een verslag over van een externe accountant over de naleving door de beleggingsonderneming van de artikelen 165 tot en met 165 c.

GG

Artikel 167 komt te luiden:

Artikel 167

Het beleid, bedoeld in artikel 4:88, eerste lid, van de wet, is gericht op het herkennen van in elk geval de volgende situaties:

a. de beleggingsonderneming, een relevante persoon of een persoon die met de beleggingsonderneming is verbonden door een zeggenschapsband kan financieel gewin behalen of een financieel verlies vermijden ten koste van de cliënt;

b. de onderneming, een relevante persoon of een persoon die met de beleggingsonderneming is verbonden door een zeggenschapsband heeft een belang bij het resultaat van een ten behoeve van de cliënt verrichte dienst of een namens de cliënt uitgevoerde transactie, dat verschilt van het belang van de cliënt bij dit resultaat;

c. de onderneming, een relevante persoon of een persoon die met de beleggingsonderneming is verbonden door een zeggenschapsband heeft een financiële of andere drijfveer om het belang van een andere cliënt of groep cliënten te laten voorgaan boven het belang van de cliënt;

d. de onderneming, een relevante persoon of een persoon die met de beleggingsonderneming is verbonden door een zeggenschapsband oefent hetzelfde bedrijf uit als de cliënt;

e. de onderneming, een relevante persoon of een persoon die met de beleggingsonderneming is verbonden door een zeggenschapsband ontvangt van een andere persoon dan de cliënt voor een ten behoeve van de cliënt verrichte beleggingsactiviteit, verleende beleggingsdienst of verleende nevendienst een provisie in de vorm van gelden, goederen of diensten die verschilt van de gebruikelijke provisie of vergoeding voor deze activiteit of dienst, of zal een dergelijke provisie ontvangen.

HH

Na artikel 167 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 167a
  • 1. Een beleggingsonderneming legt het beleid, bedoeld in artikel 4:88, eerste lid, van de wet, schriftelijk vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand te houden. Het beleid is evenredig aan de omvang en organisatie van de beleggingsonderneming en aan de aard, schaal en complexiteit van haar bedrijf.

  • 2. Indien de beleggingsonderneming deel uitmaakt van een groep, heeft het beleid ook betrekking op belangenconflicten die kunnen ontstaan als gevolg van de structuur en bedrijfsactiviteiten van andere ondernemingen die deel uitmaken van de groep.

  • 3. Het beleid omschrijft, onder verwijzing naar de specifieke beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten die door of in naam van de beleggingsonderneming worden verleend, onderscheidenlijk verricht, de omstandigheden die een belangenconflict vormen of kunnen doen ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een cliënt worden geschaad, alsmede de te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het omgaan met een dergelijk conflict.

  • 4. Het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde beleid vermeldt de te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het beheer van een belangenconflict, bedoeld in artikel 4:88, eerste lid, van de wet.

Artikel 167b

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:88, tweede lid, van de wet, brengt de cliënt, indien een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn, hiervan door middel van een duurzame drager op de hoogte. De beleggingsonderneming vermeldt daarbij, met inachtneming van de kenmerken van de cliënt, voldoende bijzonderheden om deze in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen ten aanzien van de beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst in verband waarmee het belangenconflict zich voordoet.

II

Na artikel 168 wordt in hoofdstuk 14 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 168a
  • 1. Een beleggingsonderneming verschaft of ontvangt voor het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst geen provisie die niet noodzakelijk is voor het verlenen van de betreffende dienst of deze mogelijk maakt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    a. provisies die worden verschaft door of aan de cliënt;

    b. provisies die worden verschaft door of aan een derde, indien:

    1°. de cliënt op uitvoerige, accurate en begrijpelijke wijze mededeling wordt gedaan van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening daarvan, van de provisie voordat de desbetreffende dienst wordt verleend; en

    2°. de verschaffing van de provisie de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten goede komt en geen afbreuk doet aan de verplichting van de beleggingsonderneming om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt.

  • 3. De beleggingsonderneming voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, indien zij in samengevatte vorm mededeling doet van de essentiële voorwaarden van de regelingen voor provisies en zij de cliënt informeert over de mogelijkheid om nadere bijzonderheden te verkrijgen en deze op verzoek van de cliënt verstrekt.

  • 4. Onder cliënt of derde in de zin van het tweede lid worden mede verstaan personen die handelen namens de cliënt onderscheidenlijk de derde.

Artikel 8

Artikel 8 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. financiële ondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens, of als bedoeld in artikel 2:96 van de wet voor zover het betreft het verlenen van beleggingsdiensten;

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het beleggerscompensatiestelsel is niet van toepassing op financiële ondernemingen die uitsluitend beleggingsactiviteiten verrichten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet en financiële ondernemingen die uitsluitend beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel d van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet.

Artikel 9

Het Besluit marktmisbruik Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 24, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is van toepassing op:

    a. clearinginstellingen;

    b. banken die geen beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten, beheerders van beleggingsinstellingen, beleggingsmaatschappijen, financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben verkregen, ondernemingsspaarfondsen, pensioenfondsen en verzekeraars, die beschikken over een gekwalificeerde deelneming in een uitgevende instelling of waarvan de transacties in financiële instrumenten gedurende het afgelopen kalenderjaar € 20 miljoen of meer hebben bedragen.

B

De artikelen 28 en 29 vervallen.

Artikel 10

Het Besluit boetes Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tabel, voor zover deze betrekking heeft op artikelen van de Wet op het financieel toezicht, worden in de numerieke volgorde de volgende artikelen met de bijbehorende tariefnummers ingevoegd:

2:99, vierde en vijfde lid

2

2:103a, eerste lid

4

2:128, vijfde lid

2

3:6, vierde lid

3

3:7, eerste lid

5

3:57, zevende lid

3

3:69, tweede lid

3

3:74a, eerste en tweede lid

3

3:74a, derde lid

1

3:74a, vierde lid

3

3:120, zevende lid

1

4:3, vierde lid

4

4:4a

5

4:18a, eerste en tweede lid

3

4:18b, tweede en derde lid

3

4:18c, derde lid

3

4:18d, eerste en tweede lid

3

4:18e, eerste en tweede lid

3

4:89a, eerste en tweede lid

3

4:90a, eerste tot en met het vijfde lid

3

4:90b, eerste tot en met het derde lid

3

4:90b, vierde tot en met het zesde lid

4

4:90b, zevende tot en met het tiende lid

3

4:90c, eerste tot en met het vierde lid

3

4:90d, eerste, tweede en vierde lid

3

4:90e, eerste tot en met het vijfde lid

3

4:90e, achtste lid

3

4:91a, eerste, derde, vierde tot en met het zevende lid

3

4:91a, negende lid

4

4:91b, eerste en tweede lid

3

4:91b, derde en vierde lid

4

4:91c, eerste en tweede lid

3

4:91d, eerste en tweede lid

3

4:91g, eerste tot en met het vierde lid

3

4:91i

3

4:91j, eerste, tweede en vijfde lid

3

4:91k, eerste lid

3

4:91k, tweede lid

4

4:91l, eerste en tweede lid

3

4:100a, eerste en tweede lid

3

4:100b, eerste tot en met het derde lid

3

4:100c

4

4:100d, eerste en tweede lid

4

5:27, derde en vierde lid

3

5:29, eerste tot en met het vijfde lid

3

5:32a, eerste tot en met het derde lid

3

5:32b, eerste tot en met het derde lid

3

5:32b, vijfde lid

4

5:32c

4

5:32d, eerste lid

5

5:32e

3

5:32f, eerste lid

3

5:32g

3

5:32j, eerste tot en met het derde lid

3

5:32k, eerste, tweede en vierde lid

3

5:32l, eerste tot en met het derde lid

3

5:32m

3

2. De tabel wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «2:129, eerste lid» met het bijbehorende tariefnummer «1» wordt vervangen door «2:129, eerste en derde lid» met het bijbehorende tariefnummer «1».

b. De zinsnede «3:18, eerste lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «3:18, eerste en tweede lid» met het bijbehorende tariefnummer «3».

c. De zinsnede «3:72, zesde en achtste lid» met het bijbehorende tariefnummer «1» wordt vervangen door «3:72, zesde tot en met het negende lid» met het bijbehorende tariefnummer «1».

d. De zinsnede «4:19, eerste en tweede lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «4:19, eerste tot en met het derde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3».

e. De zinsnede «4:26, eerste lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «4:26, eerste, derde, vierde en vijfde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3».

f. De zinsnede «4:87, eerste en tweede lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «4:87, eerste, tweede, en vierde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3».

g. De zinsnede «5:30, eerste en derde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «5:30» met het bijbehorende tariefnummer «3».

h. De zinsnede «5:31» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «5:31, eerste en vierde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» en «5:31, derde lid» met het bijbehorende tariefnummer «4».

i. De zinsnede «5:32, eerste en vierde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3» wordt vervangen door «5:32, eerste tot en met het vierde lid» met het bijbehorende tariefnummer «3».

3. Het gedeelte van de tabel met betrekking tot het Besluit prudentiële regels Wft komt als volgt te luiden:

Besluit prudentiële regels Wft

Tariefnummer

10, eerste tot en met het zesde lid

3

11, eerste tot en met het vijfde lid

3

12, eerste tot en met het derde lid

3

13, eerste en tweede lid

3

14, eerste tot en met het vierde lid

3

14, vijfde lid

4

15, eerste tot en met het derde lid

3

16, eerste en tweede lid

3

17, eerste tot en met het vierde lid

3

17a

3

18

3

19

3

20, eerste tot en met het derde lid

3

21, eerste tot en met het derde lid

3

22

3

22a

3

23, eerste tot en met het derde lid

3

23, vijfde en zesde lid

3

23a, eerste tot en met het derde lid

3

23b, tweede lid

3

23c, tweede lid

3

23d

3

23e, tweede lid

3

24

3

24a, eerste en tweede lid

3

24b, eerste en tweede lid

3

25

3

26, eerste tot en met het derde lid

3

27, eerste en tweede lid

3

28

3

29

3

30

3

31, eerste lid

1

31, tweede lid

3

33, eerste tot en met het derde lid

1

34, eerste en tweede lid

3

35, eerste en tweede lid

1

36, eerste lid

1

37, eerste tot en met het vierde lid

1

38, eerste tot en met het derde lid

1

39, eerst en tweede lid

1

39, vierde lid

3

40, eerste lid

3

40, tweede lid

1

41, tweede lid

3

44, tweede lid

1

44, derde, vierde en zesde lid

1

45, eerste en derde lid

1

47, eerste tot en met het derde lid

1

47, vierde lid

3

47, vijfde lid

1

54

5

55, eerste lid

5

56, tweede tot en met het vierde lid

3

59, eerste en tweede lid

4

60, eerste tot en met vierde lid

3

61, eerste tot en met zesde lid

3

61a, eerste en tweede lid

3

62, tweede en derde lid

3

62, vierde lid

4

62a, derde lid

4

62b, eerste lid

4

62c, tweede lid

3

62c, derde en vierde lid

3

62e, eerste lid

4

63, eerste en tweede lid

3

64

3

65, eerste tot en met derde lid

3

66, eerste lid

3

67, eerste tot en met zevende lid

3

68, eerste en tweede lid

3

69, tweede lid

3

69, zesde lid

3

69, zevende lid

3

70, derde tot en met het vijfde lid

3

71, eerste tot en met derde lid

3

72, tweede lid

3

74, eerste tot en met het derde lid

3

75, tweede en derde lid

3

79, eerste lid

4

80

3

81, eerste tot en met het vierde lid

3

81, vijfde lid

4

82, eerste tot en met het derde lid

3

83

3

84, tweede en derde lid

3

85, eerste lid

3

86, eerste lid

3

87, eerste tot en met het derde lid

3

89, eerste lid

3

90, eerste tot en met vierde lid

3

91, eerste tot en met derde lid

3

92, eerste tot en met derde lid

3

93

3

94, eerste tot en met vierde lid en zesde lid

3

95, eerste tot en met derde lid en vijfde lid

3

96

3

98, eerste tot en met vierde lid

3

101, eerste en tweede lid

3

102, eerste tot en met het vierde lid

3

103, eerste en tweede lid

3

103, vierde lid

4

104, eerste tot en met het derde lid

4

105, eerste tot en met het derde lid

3

106

4

107, tweede lid

3

108, eerste lid

3

109, eerste lid

3

110

3

111, eerste tot en met het vijfde lid

3

112

3

113, eerste en tweede lid

3

114, eerste en tweede lid

3

115, eerste en tweede lid

3

116, eerste lid

3

117, eerste tot en met het vierde lid

3

118, tweede en derde lid

4

119

3

120, eerste en derde lid

4

120, vierde lid

3

121, eerste, derde en vierde lid

3

122, eerste tot en met het vierde lid

3

123, eerste tot en met het derde lid

3

123, zesde lid

3

125, eerste en tweede lid

3

126, eerste lid, tweede lid en vierde lid

3

126, achtste

4

127, eerste tot en met het derde lid

3

129

1

131, vierde lid

3

133, eerste lid

1

133, tweede lid

1

134, eerste lid

1

134, tweede lid

3

135, eerste tot en met het vierde lid

3

136, eerste en tweede lid

3

137, eerste tot en met derde lid

3

138

3

142

3

4. Het gedeelte van de tabel met betrekking tot het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft komt als volgt te luiden:

Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Tariefnummer

2, eerste lid

3

3, eerste en tweede lid

3

3, vierde lid

2

4

2

17, eerste tot en met het zesde lid

3

18

3

19, eerste en tweede lid

3

19, derde lid

4

20, eerste en tweede lid

3

21, eerste en tweede lid

3

21, derde tot en met het vijfde lid

3

22, eerste en tweede lid

4

23, eerste tot en met derde lid

3

23, tweede en derde lid

3

24, eerste en tweede lid

3

24, derde lid

4

25, eerste en tweede lid

3

26, eerste tot en met het derde lid

4

26, vierde lid

3

27, eerste en tweede lid

4

28, eerste lid

2

29, eerste en tweede lid

2

29, derde lid

4

30, eerste tot en met het derde lid

3

31, eerste tot en met het zesde lid

3

31a

3

31b

3

31c, eerste tot en met het derde lid

3

32, eerste tot en met het derde lid

2

32, vijfde lid

2

33

2

34, eerste en vierde lid

3

35, eerste lid

3

35, tweede en derde lid

4

35, vierde lid

3

35, vijfde lid

4

35a, eerste lid

4

35a, tweede lid

3

35a, derde en vierde lid

4

35 b

4

35c, eerste en tweede lid

3

35d

3

35e, eerste tot en met het derde lid

3

35g, eerste lid

3

35h

3

37

5

38, eerste en tweede lid

3

38, derde lid

1

38a, eerste lid

4

38b, eerste lid

3

38c, eerste lid

3

38d, eerste en tweede lid

3

38e, eerste en tweede lid

3

39

4

40

4

41

2

42

3

49, eerste lid

3

49, tweede lid

2

49a, eerste en tweede lid

3

49b

3

50, eerste tot en met het derde lid

3

51, eerste en tweede lid

2

51a, eerste tot en met het vierde lid

3

51a, vijfde lid

4

51a, zesde lid

3

51a, zevende lid

5

52, eerste tot en met het zevende lid

3

53, eerste tot en met het twaalfde lid

3

55, eerste en derde lid

2

56

4

57, eerste en tweede lid

3

58, eerste tot en met het derde lid

3

58a, eerste tot en met het derde lid

3

58b, eerste lid

3

58b, tweede lid

4

58b, derde lid

3

58c, eerste lid

4

58c, tweede tot en met het vijfde lid

3

58d, eerste tot en met het zesde lid

3

58e, eerste lid

3

58f, eerste lid

4

58f, derde tot en met vijfde lid

3

59

3

60, eerste en vierde lid

3

61, eerste lid

3

62

3

63, eerste, tweede en vierde lid

3

65, eerste en tweede lid

3

66, eerste tot en met het derde lid

3

67, eerste en tweede lid

2

68, eerste tot en met het derde lid

2

69, eerste tot en met het zevende lid

3

70, eerste tot en met het zevende lid

2

71, eerste en tweede lid

3

71a, eerste, derde en vierde lid

3

72, eerste lid

3

72, tweede lid

2

72, derde lid

2

72, vijfde lid

3

73

3

74

2

75

2

77, eerste lid

3

78, tweede en vierde lid

3

79, eerste en tweede lid

3

80

3

80a, eerste lid

4

80a, tweede en derde lid

3

80b, eerste lid

4

80c, eerste lid

3

80c, tweede lid

5

81, eerste tot en met het derde lid

4

81, vierde lid

3

82, eerste lid

2

83, eerste en tweede lid

3

83, derde lid

5

84

4

85

3

86, eerste en tweede lid

3

88, eerste en tweede lid

2

89, eerste tot en met het derde lid

2

90

2

91, eerste en tweede lid

2

92, eerste tot en met het derde lid

2

94, eerste en tweede lid

2

95, eerste, tweede, vierde en vijfde lid

2

96, eerste lid

2

97, eerste lid

1

98

2

99, eerste tot en met het vijfde lid

2

100

2

102, eerste en tweede lid

2

103, eerste en tweede lid

2

104

2

105

2

106

2

110, eerste lid

3

112, eerste, derde en vierde lid

3

113, eerste lid

4

114, eerste lid

4

115, eerste lid

4

116

3

117

3

118, eerste en tweede lid

1

119

1

120, eerste, tweede en vierde lid

3

122, eerste en tweede lid

3

123, eerste en vierde lid

3

123, vierde lid

3

123, vijfde en zesde lid

1

124, eerste lid

3

125, eerste en tweede lid

3

125, derde lid

1

126, eerste lid

3

127, eerste en tweede lid

3

128

3

129

3

130

4

132

4

133, eerste lid

2

133, tweede tot en met het vierde lid

4

134, eerste tot en met het vierde lid

4

135, eerste en tweede lid

4

136, eerste lid

4

137, tweede lid

4

138, eerste lid

4

139, eerste en tweede lid

4

140, eerste lid

3

140, tweede lid

4

143, tweede lid

3

144

3

145

1

146, eerste en tweede lid

3

147, eerste, derde en vierde lid

3

148, eerste en tweede lid

1

149, tweede lid

2

150, eerste en tweede lid

3

151

3

154

3

155, eerste lid

3

156

4

158, tweede lid

1

159, tweede lid

4

160, tweede lid

4

162, eerste en tweede lid

3

163, eerste en tweede lid

1

164, eerste lid

4

164, tweede lid

3

164, derde lid

5

164a, eerste lid

5

164a, tweede lid

3

164b, eerste en tweede lid

4

164b, derde lid

3

165, eerste en tweede lid

3

165a, eerste tot en met het derde lid

3

165b, eerste, vierde en vijfde lid

3

165c, eerste tot en met het derde lid

3

165d

3

166

2

167

3

167a, eerste tot en met het vierde lid

3

168a, eerste lid

3

174, tweede lid

3

B

Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd luidende:

3. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten is als volgt beboetbaar:

Uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten

Tariefnummer

7

3

8, eerste lid

3

8, tweede lid

3

17, eerste lid

3

24

3

27, eerste lid

3

29, eerste lid

3

29, tweede lid

3

29, derde lid

3

29, vierde lid

3

29, vijfde lid

3

36

3

37

3

Artikel 11

Het Besluit bekostiging financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «3:4, eerste lid,» toegevoegd: «5:26, eerste lid,».

2. In onderdeel b wordt de zinsnede «5:27, tweede lid,» vervangen door: «5:26, derde lid,».

3. Onder vervanging van de puntkomma in een punt in onderdeel f, komt onderdeel g te vervallen.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 5:81, derde lid.

2. In het derde lid, wordt de zinsnede «uitbreiding of wijziging voor een aanmelding» vervangen door: «uitbreiding, wijziging of aanmelding».

C

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d, wordt «artikel 1, onderdeel b van de Zorgverzekeringswet» vervangen door: artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet.

2. Onderdeel h komt te luiden:

h. beleggingsondernemingen verdeeld in:

1°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die uitsluitend in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening;

2°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die in de uitoefening van een beroep of bedrijf een multilaterale handelsfaciliteit exploiteren;

3°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verlenen;

4°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten;

5°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten;

6°. beleggingsondernemingen die in de uitoefening van beroep of bedrijf uitsluitend adviseren over financiële instrumenten.

D

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel d wordt als volgt gewijzigd:

a. In onder 1° wordt «als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, 2:47» vervangen door: als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:47.

b. In onder 2° wordt «bedoeld onder 1°:» vervangen door: bedoeld onder 1°;.

2. De onderdelen g en h, komen te luiden:

g. beleggingsondernemingen verdeeld in:

1°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland uitsluitend adviseren over financiële instrumenten;

2°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten of beleggingsdiensten verlenen;

3°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die uitsluitend in de uitoefening van beroep of bedrijf voor eigen rekening in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten;

4°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in Nederland een multilaterale handelsfaciliteit exploiteren of beheren;

5°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland financiële instrumenten overnemen of plaatsen bij aanbieding ervan, als bedoeld in hoofdstuk 5.1 van de wet, met plaatsingsgarantie;

6°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland financiële instrumenten plaatsen bij aanbieding ervan, als bedoeld in hoofdstuk 5.1 van de wet, zonder plaatsingsgarantie;

7°. beleggingsondernemingen die in een andere lidstaat een vergunning hebben gekregen voor het verlenen van beleggingsdiensten onderscheidenlijk het verrichten van beleggingsactiviteiten, die in Nederland actief zijn;

8°. houders van een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, die in Nederland actief zijn;

9° beleggingsondernemingen die in Nederland een multilaterale handelsfaciliteit exploiteren waarvoor in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

10°. financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:97, eerste lid, onderdeel b of c, of 2:98, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten;

h. marktexploitanten, verdeeld in:

1°. marktexploitanten waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, die in Nederland actief zijn;

2°. marktexploitanten waaraan een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 5:26, derde lid, van de wet, die in Nederland actief zijn;

3°. houders van een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, die in Nederland actief zijn;

3. In onderdeel i, onder 2°, wordt «artikel 5:33, eerste lid, onder a, van de wet» vervangen door: artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

4. Onderdeel m, wordt als volgt gewijzigd:

a. voor de tekst wordt een 1°. geplaatst

b. Onder vervanging van de punt door een puntkomma wordt toegevoegd:

2°. adviseurs en bemiddelaars in een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, niet zijnde een effect.

E

In artikel 12, derde lid, wordt «Aan financiële ondernemingen, bedoeld in het eerste lid,» vervangen door: Aan financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 12

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gereglementeerde markten Wft

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

's-Gravenhage, 30 oktober 2007

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de eenendertigste oktober 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

 

blz.

  

Algemeen deel

49

  

1. Inleiding

49

2. Reacties marktpartijen op consultatie besluit en nota van toelichting

49

3. Besluit gereglementeerde markten Wft

52

4. Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft

54

5. Besluit prudentiële regels Wft

54

6. Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

54

7. Gevolgen voor het bedrijfsleven van het besluit

56

8. Bepalingen van de uitvoeringsrichtlijn MiFID die niet tot wijziging van een Wft-besluit leiden

56

9. Impact MiFID en uitvoeringsmaatregelen MiFID op Nadere regelingen Wft

59

  

Artikelsgewijze toelichting

61

  

Bijlage: Transponeringstabel

112

ALGEMEEN

>1. Inleiding

Dit besluit bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het besluit strekt tot uitvoering van bepalingen in het Deel Gedragstoezicht financiële markten, hoofdstuk 5.2 – Regels voor toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten en voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt – van de Wet op het financieel toezicht (Wft, hierna: de wet). Dit betreft een geheel nieuw besluit. Het tweede deel betreft de wijziging van enkele bestaande besluiten op basis van de Wft ter implementatie van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen nr. 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145) (hierna: MiFID) en de richtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) (hierna: uitvoeringsrichtlijn MiFID).

2. Reacties marktpartijen op consultatie-besluit en nota van toelichting

Het concept-besluit is op 20 juli 2007 ter formele consultatie voorgelegd aan individuele marktpartijen, branche verenigingen en consumentenorganisaties. Ook is advies gevraagd aan de toezichthouders. Daarnaast is het concept-besluit op de website van het Ministerie van Financiën geplaatst waarbij een ieder is uitgenodigd tot het geven van een reactie.

Er zijn reacties ontvangen van de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP), Autoriteit Financiële Markten (AFM), AZL Vermogensbeheer B.V., Blue Sky Group B.V., Cordares, De Nederlandsche Bank (DNB), Dutch fund and asset management association (Dufas), European Energy Derivatives Exchange N.V. (Endex), Euronext, Eumedion, Interpolis Pensioen en Vermogensbeheer B.V., Mn Services N.V., Nederlands Instituut voor het Bank-, Verzekerings- en Effectenbedrijf (NIBE-SVV), Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), Raad van de Effectenbranche (REB) en Shell Asset Management Company B.V. Een aantal van bovengenoemde partijen heeft een gezamenlijke reactie ingediend.

De hoofdpunten van de ontvangen reacties worden hieronder besproken. De technische opmerkingen zijn grotendeels overgenomen. Verder is de nota van toelichting op het concept besluit op enkele punten aangevuld en naar aanleiding van de opmerkingen verduidelijkt.

Privé-transacties door insiders - persoonlijke transacties door relevante personen

Verschillende partijen hebben in hun consultatiereactie terecht aangeven dat er overlap bestaat tussen de bepalingen inzake privé-transacties door insiders in het Besluit marktmisbruik Wft (Bmm Wft) enerzijds en de bepalingen inzake persoonlijke transacties door relevante personen in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo Wft) anderzijds.

De artikelen 20 tot en met 29 van het Bmm Wft zijn op 1 januari 2007 in werking getreden ter vervanging van de effectentypische gedragsregels die tot die tijd waren opgenomen in de Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 van de AFM. Deze artikelen zijn niet gebaseerd op een richtlijn. De artikelen 35c tot en met 35f (in de consultatieversie artikelen 27a tot en met d) van het Bgfo strekken tot implementatie van de op het principe van totale harmonisatie gebaseerde artikelen 11 en 12 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Bij totale harmonisatie mag op geen enkele wijze worden afgeweken van de normen in een richtlijn. Dat wil zeggen dat er geen andere formulering van de normen mag worden gekozen, dat een gedeeltelijke overname van de bepalingen niet volstaat en dat er geen uitbreidingen van of toevoegingen aan de normen mogen worden gedaan. Bovendien moet nationale wet- en regelgeving die conflicteert met de betreffende normen worden ingetrokken.

Daarom zijn de artikelen 24 tot en met 29 van het Bmm Wft niet langer van toepassing op een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de Wft (dus inclusief de bankbeleggingsonderneming). Hiermee wordt een overlap voorkomen. De beleggingsonderneming moet namelijk aan de artikelen 35c tot en met 35f van het Bgfo voldoen, waar vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen inzake persoonlijke transacties.

Samenloop met de bestaande regels financiële bijsluiter, provisie en reclame

Diverse organisaties hebben gewezen op onduidelijkheid over de samenloop van de bestaande regels inzake de financiële bijsluiter, provisie en reclame met nieuwe regels op het gebied van informatie, reclame en provisie die ter implementatie van de MiFID in het Bgfo zijn opgenomen.

Er kan bij de genoemde onderwerpen inderdaad sprake zijn van samenloop voor zover de bestaande regels zich richten tot de bemiddelaar in deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling. Een beleggingsonderneming die beleggingsdiensten verleent met betrekking tot deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling kan immers ook aangemerkt worden als een bemiddelaar in een complex product, waarop de bestaande regels met betrekking tot de financiële bijsluiter, provisietransparantie en reclame van toepassing zijn. Per onderwerp is bekeken in hoeverre sprake is van samenloop en voor zover daarvan sprake is, wordt overlap weggenomen. In het besluit is een en ander verduidelijkt.

In de tekst van het besluit is rekening gehouden met de samenloop van de informatieverplichtingen die voorvloeien uit de MiFID en de verplichting om als bemiddelaar een financiële bijsluiter te verstrekken. In de artikelen 58c en 58e is bepaald dat voor de toepassing van deze artikelen – die de beleggingsonderneming verplichten om aan de cliënt informatie over de aard en de risico’s en kosten van financiële instrumenten te verstrekken – voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling een financiële bijsluiter als passende informatie wordt aangemerkt.

De overlap in de regels over provisie en de MiFID-provisieregels zal worden weggenomen door te bepalen dat voor zover beleggingsondernemingen beleggingsdiensten met betrekking tot deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling verlenen naast de MiFID-regels niet tevens de bestaande regels over provisie van toepassing zijn.

Wat betreft de reclame schrijft de MiFID voor dat de lidstaten aan beleggingsondernemingen enkele inhoudelijke eisen aan de presentatie van historische rendementen en de weergave van prognoses moet stellen. Deze regels zijn een uitwerking van de algemene norm uit de MiFID dat alle door beleggingsondernemingen verstrekte informatie, waaronder reclame, correct, duidelijk en niet-misleidend mag zijn. Dit betekent dat de lidstaten geen nadere regels mogen stellen met betrekking tot de inhoud van reclame-uitingen en dat de regels uit het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft van de AFM voor beleggingsondernemingen die betrekking hebben op de inhoud niet kunnen worden gehandhaafd. Regels met betrekking tot de vorm en het gebruik van een risico-indicator en waarschuwingszinnen in reclame-uitingen zoals nu in de bestaande regels opgenomen behoren echter niet tot het toepassingsbereik van de MiFID en kunnen daarom nationaal worden bepaald.

Gelijk speelveld handelsplatformen

De introductie van verschillende handelsplatformen is erop gericht de concurrentie te bevorderen. Enkele partijen benadrukken in de consultatie het belang van een gelijk speelveld tussen deze verschillende handelsplatformen, zodat ongeacht de gekozen vorm steeds voorwaarden worden gesteld waaronder eerlijke concurrentie daadwerkelijk plaats kan vinden.

Voorzover de MiFID nationale beleidsruimte geeft, is een gelijk speelveld bij het vormgeven van de regelgeving een belangrijk uitgangspunt, tussen de gereglementeerde markt, de multilaterale handelsfaciliteit (MTF) en systematische intere afhandeling enerzijds en tussen nieuwe toetreders en reeds bestaande platformen anderzijds, zowel voor de vergunningseisen als voor de doorlopende verplichtingen. Zo is bijvoorbeeld de reikwijdte van de transparantieverplichting voor en na de handel voor alle soorten handelsplatformen gelijk en zijn de regels voor nieuwe gereglementeerde markten niet strenger of soepeler dan voor bestaande gereglementeerde markten.

Overgangsmaatregelen

Diverse organisaties hebben verzocht om overgangsmaatregelen te treffen met betrekking tot het toestemmingsvereiste voor het gebruik van e-mail of internet voor de verstrekking van informatie aan bestaande cliënten. Dit verzoek van marktpartijen kan niet worden gehonoreerd aangezien MiFID geen juridische basis biedt voor het treffen van een overgangsmaatregel op dit punt. De mogelijkheid om overgangsmaatregelen te treffen is beperkt tot enkele specifieke situaties die de markttoegang betreffen. Het door MiFID gestelde toestemmingsvereiste voor gebruik van email en internet roept in de praktijk geen dusdanig zwaarwegende bezwaren op dat naleving ten aanzien van bestaande cliënten per 1 november 2007 niet zou kunnen worden verlangd. Coulance is op dit punt niet gepast. De coulancemaatregel is beperkt tot de «ken uw cliënt-» en «best-execution bepalingen» waarvan naleving per 1 november 2007 moeilijk kan worden afgedwongen.

Open normen

Diverse organisaties hebben verzocht om invulling van enkele open normen die in het conceptbesluit zijn opgenomen. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven. De betreffende normen zijn afkomstig uit de MiFID en bewust principle based geformuleerd. Dit betekent dat de MiFID beoogd heeft de verantwoordelijkheid voor de nadere invulling geheel bij de beleggingsonderneming zelf neer te leggen. Een nadere invulling in het conceptbesluit zou niet in overeenstemming zijn met het principle based karakter van de betreffende MiFID bepalingen. Een nationale invulling zou bovendien leiden tot een toename van de administratieve lasten en een verstoring van het gelijke speelveld ten opzichte van andere lidstaten. Marktpartijen zouden eventueel hun eigen interpretatie van de open norm kunnen voorleggen aan de AFM. Het is ook denkbaar dat de AFM – eventueel in overleg met andere Europese toezichthouders – richtsnoeren geeft om de sector meer duidelijkheid te bieden.

Zorgplichten bestaande cliënten

Enkele organisaties vroegen om een verduidelijking van de toepassing van de meer gedetailleerde ken-uw-client regels voor bestaande cliënten. In de nota van toelichting is opgenomen dat wanneer een beleggingsonderneming in verband met de huidige dienstverlening aan bestaande cliënten reeds over de benodigde redelijkerwijs relevante informatie beschikt, het enkele feit dat een nieuwe transactie ten behoeve van een cliënt wordt verricht niet automatisch maakt dat additionele (meer gedetailleerde) informatie moet worden opgevraagd. Wanneer een bestaande cliënt in deze omstandigheden vraagt om het verlenen van een andere beleggingsdienst (adviseren over financiële instrumenten of het beheren van een individueel vermogen) dan deze tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit heeft afgenomen of vraagt om het verlenen van een beleggingsdienst ten aanzien van een ander financieel instrument dan de financiële instrumenten in verband waarmee deze cliënt tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit transacties is aangegaan, dan dient de beleggingsonderneming te bezien of de informatie die zij al over de cliënt beschikbaar heeft voldoende is om vast te kunnen stellen dat zij de benodigde redelijkerwijs relevante informatie over de cliënt met betrekking tot diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid heeft ingewonnen om tot een adequaat advies of beheer van het individuele vermogen te kunnen komen. Op het moment dat de betreffende beleggingsonderneming tot de conclusie zou komen dat zij al over deze informatie beschikt, dan hoeft zij deze niet nogmaals op te vragen.

Client ID

Diverse organisaties hebben op het gebied van de administratieve lasten in de consultatie opgemerkt dat een Client ID verplichting mogelijk leidt tot hoge administratieve lasten. De mogelijkheid om tot vermelding van een Client ID te verplichten is besproken met de sector en de AFM. Omdat op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de voor- en nadelen van een dergelijke verplichting en invoering van een Client ID op korte termijn volgens de sector de kosten sterk zal doen toenemen is besloten vooralsnog niet tot het meezenden van een Client ID te verplichten.

Dat betekent echter niet dat het verplichten tot een Client ID ook op de langere termijn niet zinvol kan zijn. Om meer inzicht te krijgen in de voor- en nadelen van het verplicht meezenden van een Client ID op de langere termijn is met de sector en de AFM afgesproken om zo spoedig mogelijk na invoering van de MiFID voor zover mogelijk de kosten en baten daarvan in kaart te brengen. Naar verwachting zal deze exercitie begin 2008 worden afgerond. Daarna zal een definitieve beslissing worden genomen. Op korte termijn wordt dus geen verplicht Client ID ingevoerd.

3. Besluit gereglementeerde markten Wft

Het Besluit gereglementeerde markten Wft strekt tot uitvoering van bepalingen in het Deel Gedragstoezicht financiële markten, hoofdstuk 5.2 – Regels voor toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten en voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt – van de wet.

Paragraaf 2 heeft betrekking op de markttoegang voor marktexploitanten. De grondslagen in de artikelen 5:31, tweede lid, 5:32b, vierde lid, 5:32j, vijfde lid en 5:32k, vijfde lid, van de wet zijn op dit moment niet verder uitgewerkt. Indien dit wenselijk is, bijvoorbeeld wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van MiFID uitvoeringsmaatregelen vaststelt, kan een paragraaf worden ingevoegd met betrekking tot de doorlopende verplichtingen die gelden voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt.

Omdat de onderwerpen in het Deel Gedragstoezicht financiële markten per hoofdstuk een afgerond geheel vormen, is ieder onderwerp in een afzonderlijk besluit opgenomen. Bij de totstandkoming van de wet is, gelet op de aanstaande implementatie van de MiFID, hoofdstuk 5.2 van de wet buiten beschouwing gelaten. Dit besluit maakt de groep besluiten van het Deel Gedragstoezicht financiële markten compleet.

De regels voor toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten zijn niet opgenomen in het deel Markttoegang financiële ondernemingen of het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft, maar in hoofdstuk 5.2 van de wet en in dit besluit, omdat een marktexploitant geen financiële onderneming is.

Gereglementeerde markt

Gereglementeerde markten zijn multilaterale handelssystemen waarin koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten worden samengebracht, zodat overeenkomsten tot stand komen met betrekking tot deze financiële instrumenten, die volgens de regels en de systemen van de markten tot de handel zijn toegelaten.

Een marktexploitant heeft voor het houden van een gereglementeerde markt een vergunning nodig. Dit betreft geen Europees paspoort. Wel hebben deze marktexploitanten de bevoegdheid om passende voorzieningen in andere lidstaten te treffen, zodat hetzelfde resultaat gerealiseerd kan worden. Het is overigens mogelijk dat de marktexploitant eveneens een multilaterale handelsfaciliteit (hierna: MTF) exploiteert. Hij is dan naast marktexploitant tevens beleggingsonderneming. De MiFID kwalificeert in Bijlage I, Deel A, onderdeel 8, het exploiteren van een MTF als beleggingsactiviteit. Krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de MiFID is een rechtspersoon wiens gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig (…) uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten een beleggingsonderneming.

Kortom, een rechtspersoon wiens gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig uitoefenen van het exploiteren van een MTF is een beleggingsonderneming. Dus ook een marktexploitant die een MTF exploiteert is een beleggingsonderneming. Zie voor de vergunningverlening voor het verrichten van een beleggingsactiviteit artikel 2:99 van de wet en het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft.

Gegevens bij vergunningaanvraag

In artikel 5:27 van de wet zijn de voorwaarden voor de vergunning voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt opgenomen. In het tweede lid van dit artikel is de grondslag opgenomen om ingevolge algemene maatregel van bestuur te bepalen welke gegevens overgelegd moeten worden bij de vergunningaanvraag.

In dit besluit is bepaald welke gegevens dit zijn. Dit is hoofdzakelijk een codificatie van de gegevens die voorheen ook reeds werden opgevraagd.

Bij het opstellen van deze bepalingen is nauw aangesloten bij het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. De toegang tot de Nederlandse financiële markten is op deze wijze overzichtelijk en consistent vormgegeven.

4. Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft

In verband met de wijziging van de preventieve toets van beleggingsondernemingen (artikel 2:96 van de wet) in de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten, zijn de bepalingen met betrekking tot het verstekken van gegevens bij vergunningaanvraag aangepast.

5. Besluit prudentiële regels Wft

De regels omtrent het risicobeheer bij beleggingsondernemingen zijn aangepast. Onder meer is aangegeven wat de taak is van de onafhankelijke risicobeheerfunctie. Tevens zijn de taken van de interne controlefunctie en de compliancefunctie bij een bank nader uitgewerkt om zo het level playing field tussen banken en beleggingsondernemingen te bewaren.

In verband met de gewijzigde reikwijdte van het toezicht op beleggingsondernemingen in de MiFID ten opzichte van de richtlijn beleggingsdiensten en de dienovereenkomstige wijziging in de richtlijn kapitaaltoereikendheid zijn enkele bepalingen aangepast. De wijzigingen vloeien onder meer voort uit de nieuwe definities van «verlenen van een beleggingsdienst» en «verrichten van een beleggingsactiviteit» in artikel 1:1 van de wet.

6. Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: Bgfo) is op diverse onderdelen aangepast. Hierna worden enkele onderwerpen in algemene zin toegelicht.

Informatieverstrekking

Plaats van regeling

Voor de indeling van de bepalingen die op grond van de uitvoeringsrichtlijn MiFID voor de informatieverstrekking door beleggingsondernemingen van toepassing zijn, is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande indeling van Afdeling 8.1 van het Bgfo dat bepalingen over informatieverstrekking bevat voor alle financiële ondernemingen.

De voorwaarden die op grond van artikel 3 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID gelden voor de verstrekking van informatie via een duurzame drager of een website zijn opgenomen bij de inleidende bepalingen in paragraaf 8.1.1. van het Bgfo. Aangezien de MiFID voor beleggingsondernemingen afwijkende voorwaarden stelt aan het gebruik van een andere duurzame drager en een specifieke regeling kent voor informatieverstrekking middels een website is gekozen voor opname in een aparte bepaling.

Artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID heeft betrekking op zowel verplicht als onverplicht te verstrekken informatie door beleggingsondernemingen. Dit betekent dat paragraaf 8.1.3. van het Bgfo dat betrekking heeft op reclame-uitingen en andere onverplichte contractuele informatie, een te beperkte reikwijdte heeft voor opname van artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Ter implementatie van artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is om deze reden een nieuwe paragraaf 8.1.2a. met de titel Informatieverstrekking door beleggingsondernemingen ingevoegd. Deze nieuwe paragraaf is van toepassing op zowel onverplicht als verplicht te verstrekken informatie.

De artikelen 29 tot en met 34 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID hebben betrekking op verplicht te verstrekken precontractuele informatie. Aangezien in afdeling 8.1.4. van het Bgfo reeds regels zijn opgenomen over verplichte precontractuele informatie zijn de artikelen 29 tot en met 34 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID in paragraaf 8.1.4. geïmplementeerd. De informatiebepalingen die voor beleggingsondernemingen op grond van de artikelen 40, 41, 42 en 43 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID gelden gedurende de looptijd van de cliëntenovereenkomst zijn opgenomen in paragraaf 8.1.6. van het Bgfo.

Professionele en niet-professionele beleggers

De uitvoeringsrichtlijn MiFID houdt met betrekking tot de verstrekking van informatie aan de belegger rekening met de omstandigheid of de betrokken cliënt of potentiële cliënt een niet-professionele belegger dan wel een professionele belegger is. De niet-professionele belegger geniet op grond van de MiFID een uitgebreidere bescherming dan de professionele belegger. Het uitgangspunt van de MiFID is dat van een professionele belegger mag worden verwacht dat hij zelf voldoende informatie inwint om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Dit brengt met zich mee dat niet alle informatieverplichtingen van afdeling 8.1 van toepassing zijn ten aanzien van professionele beleggers. De reikwijdte van de informatieverplichtingen is om die reden bij ieder artikel duidelijk aangegeven.

Verhouding tot overige informatieverplichtingen

De informatieverplichtingen die voor beleggingsondernemingen ingevolge afdeling 8.1. gelden, zijn van toepassing indien sprake is van het verlenen van een beleggingsdienst. Dit roept de vraag op naar de verhouding ten opzichte van andere informatieverplichtingen die voor andere financiële diensten zoals het aanbieden, bemiddelen of het optreden als gevolmachtigde agent gelden. Hierbij kan met name gedacht worden aan de regels in zake de financiële bijsluiter en de provisietransparantie.

Financiële Bijsluiter en provisietransparantie

De wet hanteert als uitgangspunt dat voor financiële ondernemingen per soort activiteit regels worden gesteld en maakt in dat verband een duidelijk onderscheid tussen de activiteiten van aanbieders, bemiddelaars en beleggingsondernemingen. Onder aanbieden wordt op grond van artikel 1:1 van de wet verstaan: het doen van een voldoende bepaald voorstel om als wederpartij een overeenkomst met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt inzake een financieel product dat geen financieel instrument is aan te gaan. Het bemiddelen omvat alle werkzaamheden gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake een ander financieel product dan een financieel instrument, krediet of verzekering tussen een consument en een aanbieder. De activiteiten aanbieden en bemiddelen zijn op grond van de definitiebepaling in artikel 1:1 van de wet niet van toepassing op financiële instrumenten.

Het verlenen van beleggingsdiensten omvat op grond van artikel 1:1 van de wet in beginsel het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten, het beheren van een individueel vermogen en het adviseren over financiële instrumenten.

De verplichting om een financiële bijsluiter te verstrekken rust op grond van artikel 65, eerste lid, van het Bgfo enkel op de aanbieder of bemiddelaar van een complex product. De regels in zake provisietransparantie zijn op grond van artikel 58, eerste lid, van het Bgfo eveneens van toepassing op de aanbieder of bemiddelaar van een complex product. Hieruit volgt dat de informatieverplichtingen op grond van de financiële bijsluiter en de provisietransparantie in beginsel niet van toepassing zijn op een beleggingsonderneming.

Het is echter niet uitgesloten dat een beleggingsonderneming ook een financieel product of een complex product aanbiedt of in het kader van de totstandkoming van een overeenkomst bemiddelt. De beleggingsonderneming kwalificeert in die situatie tevens als aanbieder of bemiddelaar en zal in dat geval aan de informatiebepalingen voor het aanbieden van en bemiddelen in dergelijke producten moeten voldoen. Beleggingsondernemingen kunnen bovendien op grond van artikel 65, vierde lid, van het Bgfo, worden verplicht om een financiële bijsluiter op hun website beschikbaar te houden. De informatieverplichtingen in zake de financiële bijsluiter en de provisietransparantie zijn in deze gevallen wel van toepassing.

In de tekst van het besluit is rekening gehouden met de samenloop van de informatieverplichtingen die voorvloeien uit de MiFID en de verplichting om als bemiddelaar een financiële bijsluiter te verstrekken. In de artikelen 58c en 58e is bepaald dat voor de toepassing van die artikelen, dat de beleggingsonderneming verplicht aan de cliënt informatie over de aard en de risico’s en kosten van financiële instrumenten te verstrekken, voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling een financiële bijsluiter als passende informatie wordt aangemerkt.

De impact van de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID op de informatiebepalingen in de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen (hierna: NRgfo) van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) komt onder 9. aan de orde.

7. Gevolgen voor het bedrijfsleven van het besluit

In paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten is een totaaloverzicht weergegeven van de bedrijfseffecten die de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten en de lagere regelgeving ter implementatie van de uitvoeringsrichtlijn MiFID, waaronder ook begrepen dit besluit, naar verwachting met zich zullen brengen voor het bedrijfsleven. Deze bedrijfseffecten zijn in dat document uitgesplitst in administratieve lasten (lasten die gemaakt worden vanwege de naleving van door de overheid opgelegde informatieverplichtingen) en overige nalevingskosten. In dit besluit zijn geen andere normen opgenomen als die voortkomen uit de uitvoeringsrichtlijn MiFID en die destijds uitgangspunt waren bij het maken van de (minimum – maximum) kostenberekeningen. Evenmin is sprake van gewijzigde inzichten ten aanzien van de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de berekeningen in paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten. Er is daarom geen aanleiding tot het doen van een aanvulling of correctie op de eerder gemaakte berekeningen ten aanzien van de omvang van de administratieve lasten en de overige nalevingskosten als gevolg van de implementatie van de MiFID en de uitvoeringsmaatregelen MiFID in de Wft en onderliggende regelgeving.

8. Bepalingen van de uitvoeringsrichtlijn MiFID die niet tot wijziging van een Wft-besluit leiden

Artikel 2, tweede lid (duurzame drager)

De definitie van duurzame drager in artikel 2, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID stemt overeen met de definitie van duurzame drager die is opgenomen in artikel 1:1 van de wet. Artikel 2, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft om die reden geen omzetting.

Artikel 2, vijfde lid (groep)

De definitie van groep in artikel 2, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID komt materieel overeen met de definitie van groep die is opgenomen in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en wordt gebruikt in de Wft en de bijbehorende lagere regelgeving. Artikel 2, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft om die reden geen omzetting.

Artikel 2, zesde en negende lid (uitbesteding)

De definitie van het begrip uitbesteding opgenomen in artikel 2, zesde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft niet te worden omgezet aangezien in artikel 1:1 van de wet reeds een definitie van uitbesteden is opgenomen.

In artikel 2, negende lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt het begrip «hoogste leiding» gedefinieerd. Het begrip «hoogste leiding» valt samen met het begrip «personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen» zoals dat in de wet wordt gebruikt. Om deze reden is het niet noodzakelijk om het begrip «hoogste leiding» apart te definiëren in dit besluit.

Artikel 5, vierde lid (financiële verslaggeving)

Artikel 5, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat er gedragsregels en procedures dienen te zijn op het gebied van financiële verslaggeving zodat de toezichthouder op zijn verzoek zo spoedig mogelijk kan beschikken over financiële verslagen die een getrouw beeld geven van de financiële positie van de beleggingsonderneming en die aan alle toepasselijke standaarden en regels voor de financiële verslaggeving voldoen. Dit is verwerkt in de artikelen 1:74, 3:72 en 4:85 van de wet, de artikelen 130 tot en met 133 van het Besluit prudentiële regels Wft en artikel 163 van het Bgfo.

Artikel 3:72 van de wet bepaalt dat een beleggingsonderneming staten dient te verstrekken aan de Nederlandsche Bank (hierna: DNB) ten behoeve van de uitoefening van het prudentieel toezicht. De staten bevatten gegevens omtrent de financiële positie («prudentiële gegevens») van de beleggingsonderneming die niet reeds uit de jaarstukken kunnen worden afgeleid, maar die DNB nog wel nodig heeft om het prudentieel toezicht adequaat te kunnen uitoefenen. Op grond van artikel 131, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft kan DNB in individuele gevallen besluiten dat een beleggingsonderneming moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door DNB vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding mag niet hoger zijn dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de beleggingsonderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de beleggingsonderneming.

Artikel 4:85 van de wet bevat de verplichting voor een beleggingsonderneming om jaarstukken (jaarrekening, jaarverslag en de overige gegevens) aan de AFM te verstrekken. De jaarstukken worden, wat de indeling en inhoud betreft, verstrekt in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden (artikel 163 van het Bgfo). Op grond van artikel 1:74 van de wet kunnen de toezichthouders altijd nadere inlichtingen vragen aan de beleggingsonderneming.

Artikel 9, eerste lid (verantwoordelijkheid van de hoogste leiding)

Artikel 9, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID waarin is bepaald dat de hoogste leiding en in voorkomend geval de toezichtfunctie (raad van commissarissen of raad van toezicht) verantwoordelijk is voor het naleven van de verplichtingen voortvloeiend uit de MiFID behoeft geen implementatie omdat de verantwoordelijkheid van de bestuurders voortvloeit uit de wet en de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen is geregeld in het BW. De Wft richt zich op de financiële onderneming en daarmee indirect op de bestuurders van die onderneming.

Artikel 10 (behandeling van klachten)

Artikel 10 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat een beleggingsonderneming effectieve en transparante procedures voor een redelijke en snelle behandeling van klachten van niet-profesionele cliënten dient vast te stellen, te implementeren en in stand te houden en gegevens dient bij te houden over elke klacht en de afhandeling van de klacht. Dit is verwerkt in de artikelen 39 tot en met 41 van het Bgfo.

Artikel 13 (uitbesteding)

Artikel 13 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is reeds verwerkt in het kader van de implementatie van artikel 13, vijfde lid, eerste alinea, van de MiFID. Artikel 13 bevat een nadere invulling van het begrip kritieke en belangrijke operationele taken opgenomen in artikel 13, vijfde lid, eerste alinea, van de MiFID. Dit begrip heeft dezelfde betekenis als het begrip uitbesteden in artikel 1:1 van de wet. De in artikel 13, tweede lid, genoemde werkzaamheden (juridisch) advies, opleiding van het personeel, factureringsdiensten, beveiliging en de aankoop van gestandaardiseerde diensten met inbegrip van markt- en koersinformatiediensten vallen niet onder de in artikel 1:1 van de wet genoemde wezenlijke ondersteunende bedrijfsprocessen.

Artikel 14 (uitbesteding)

Artikel 14, eerste lid, aanhef, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is reeds opgenomen in de artikelen 3:18, eerste lid, en 4:16, eerste lid, van de wet en behoeft om deze reden geen omzetting in een Wft-besluit. De beleggingsonderneming blijft verantwoordelijk voor de naleving van de regels die bij of krachtens de wet voor de beleggingsonderneming gelden1.

Artikel 14, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft geen implementatie. Dit artikel bevestigt dat de regels met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden van toepassing zijn indien de beleggingsonderneming werkzaamheden uitbesteedt aan een derde binnen de groep en dat de beleggingsonderneming ook in dit geval verantwoordelijk is voor de naleving van alle bepalingen inzake het uitbesteden van werkzaamheden. Deze verplichting is al in de artikelen 3:18, eerste lid en 4:16, eerste lid, van de wet opgenomen. De beleggingsonderneming dient er zorg voor te dragen dat de derde de ingevolge de wet met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende financiële onderneming van toepassing zijnde regels naleeft. Artikel 14, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID voegt aan deze verplichting niets toe. Het is de verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming om hieraan – mede indien sprake is van een uitbesteding binnen een groep – nadere invulling te geven en te beoordelen of bijvoorbeeld de zeggenschap voldoende is om aan haar verplichting op grond van artikel 3:18, eerste lid en artikel 4:16, eerste lid, van de wet te voldoen. De beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de naleving van haar verplichtingen en dient aan de gestelde uitbestedingsvoorwaarden te voldoen.

Artikel 14, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft geen omzetting. De beleggingsonderneming is op grond van artikel 1:74, tweede lid, van de wet juncto artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht om aan de AFM alle medewerking te verlenen bij de uitoefening van haar bevoegdheden.

Artikel 28 (cliënten categorisatie)

Artikel 28 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat beleggingsondernemingen cliënten moeten informeren over de categorie-indeling en hun rechten op een andere categorie-indeling. Deze bepaling is reeds opgenomen in de artikelen 4:18a tot en met 4:18d van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten en behoeft om die reden geen nadere omzetting.

Artikel 29, zesde lid (duurzame drager bij kennisgeving wijzigingen)

Artikel 29, zesde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is opgenomen in artikel 4:20, derde lid, onderdeel a, van de wet. Beleggingsondernemingen zijn gehouden om een cliënt tijdig kennis te geven van ingrijpende wijzigingen in de op grond van de artikelen 58b tot en met 58e verstrekte informatie. Dat deze kennisgeving dient te geschieden op een duurzame drager indien de desbetreffende informatie ook op een duurzame drager wordt gegeven, volgt uit artikel 4:20, derde lid, onderdeel a, van de wet en behoeft om die reden geen implementatie.

Artikel 35, vijfde lid (ken-uw-cliënt bij ontbreken van informatie)

Zie de artikelsgewijze toelichting op artikel X van dit besluit, dat strekt tot invoeging van een artikel 80a in het Bgfo.

Artikel 39 (cliëntovereenkomst)

Artikel 39 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is reeds geïmplementeerd in artikel 4:89, tweede lid, van de wet.

9. Impact MiFID en uitvoeringsrichtlijn MiFID op de nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (NRgfo)

Uitgangspunt bij de implementatie van de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID is dat indien onderwerpen uitputtend zijn geregeld in de richtlijnen, er geen plaats meer is voor aanvullende nationale regelgeving (totale harmonisatie), tenzij de richtlijn dit uitdrukkelijk bepaalt. Voor de meeste bepalingen uit de NRgfo die gericht zijn tot beleggingsondernemingen geldt dat zij onderwerpen betreffen die in de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID uitputtend zijn geregeld. Het grootste deel van de bepalingen uit de NRgfo die gericht zijn tot beleggingsondernemingen zullen daarom komen te vervallen. Dit is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij de bepalingen in dit besluit die de delegatiegrondslag voor nadere regeling laten vervallen. Er zijn echter ook bepalingen uit de NRgfo die onderwerpen regelen die niet of niet uitputtend zijn geregeld in de richtlijnen en nuttig zijn om te behouden. Bedoelde bepalingen zijn in het Bgfo opgenomen of, voorzover het technische en organisatorische bepalingen betreft, blijven in de NRgfo behouden.

Hieronder wordt per onderwerp aangegeven hoe enkele bepalingen uit de NRgfo behouden worden.

Informatieverstrekking

De bepalingen inzake informatieverstrekking uit de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID hebben in beginsel het karakter van totale harmonisatie. Dit betekent dat de MiFID voorziet in een uitputtende regeling van de meeste onderwerpen waarover de beleggingsonderneming informatie dient te verstrekken.

De NRgfo bevat een groot aantal informatieverplichtingen voor beleggingsondernemingen. Deze regels kunnen worden onderscheiden in de reclameregels op grond van artikel 6:3 en bijlage 10 van de NRgfo en de algemene informatieverplichtingen in artikel 6:4 en 6:9 van de NRgfo die de consument in staat moeten stellen om weloverwogen een beleggingsbeslissing te nemen.

De reclameregels opgenomen in bijlage 10 van de NRgfo kunnen gelet op artikel 19, tweede lid, van de MiFID en artikel 27, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID, niet langer integraal worden gehandhaafd. De MiFID voorziet voor reclame-uitingen van beleggingsondernemingen in een uitputtende regeling die in het besluit is opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat de artikelen 10.1 10.2, 10.3, 10.5 en 10.6 van bijlage 10 van de NRgfo dienen te worden geschrapt. Artikel 10.4 kan worden gehandhaafd omdat het enkel de vorm betreft waarin waarschuwingszinnen in een reclame-uiting moeten worden opgenomen. Nationale voorschriften die enkel de vorm van de reclame-uiting betreffen vallen buiten het toepassingsgebied van artikel 19, tweede lid, van de MiFID en artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Artikel 10.4 wordt beleidsmatig wenselijk geacht omdat daarmee is gewaarborgd dat de cliënt op uniforme en duidelijk herkenbare wijze door beleggingsondernemingen wordt gewaarschuwd. Artikel 6:3 van de NRgfo kan om die reden van toepassing blijven. De delegatiegrondslag opgenomen in artikel 56 van het Bgfo is gelet op het bovenstaande ingeperkt en heeft enkel tot doel om de AFM een grondslag te bieden voor het bepaalde in artikel 10.4.

Artikel 6:4 van de NRgfo bevatte een aantal informatieverplichtingen die beogen de cliënt in staat te stellen weloverwogen een beleggingsbeslissing te kunnen nemen. Dit onderwerp wordt in artikel 19 van de MiFID en de artikelen 3 en 27 tot en met 34 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID op uitputtende wijze gereguleerd. Dit betekent dat artikel 6:4 van de NRgfo en ook de delegatiebepaling in artikel 59 Bgfo niet langer kunnen worden gehandhaafd. De verplichting om informatie te verstrekken over de beleggingsonderneming, de beleggingsdiensten, financiële instrumenten en daaraan verbonden risico’s zijn in het besluit opgenomen.

Het bepaalde in artikel 6:9 van de NRgfo wordt uitputtend geregeld door artikel 19, derde lid, van de MiFID en de informatiebepalingen in de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Dit betekent dat artikel 6:9 om die reden niet langer kan worden gehandhaafd.

Vermogenscheiding

In de NRgfo is, op basis van artikel 165 van het Bgfo, geregeld hoe verschillende soorten beleggingsondernemingen uitvoering kunnen geven aan de verplichtingen op het gebied van vermogensscheiding (artikelen 6:14 tot en met 6:20). Naleving van de regels met betrekking tot vermogensscheiding moet voorkomen dat financiële instrumenten die toebehoren aan cliënten bij een faillissement van de beleggingsonderneming in de boedel vallen.

Artikel 16, tweede en derde lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID, draagt de lidstaten op om voor te schrijven welke maatregelen een beleggingsonderneming moet nemen indien aan bepaalde verplichtingen niet voldaan kan worden. Dit is in artikel 164, tweede lid, zo vertaald dat aan de AFM wordt opgedragen nader te regelen hoe verschillende soorten beleggingsondernemingen uitvoering kunnen geven aan de verplichtingen op het gebied van vermogensscheiding. De huidige bepalingen in de NRgfo op het gebied van vermogenscheiding zullen (voorlopig) gehandhaafd worden.

Deze bepalingen zijn noodzakelijk, omdat de uit de uitvoeringrichtlijn overgenomen bepalingen niet volledig de goederenrechtelijke bescherming van cliënten van beleggingsondernemingen in geval van faillissement regelen.

Belangenconflicten

Artikel 22 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID verplicht beleggingsonderneming om over beleid, procedures en maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten te beschikken. Aangezien dit een uitputtende regeling vormt, worden de artikelen 6:21 tot en met 6:24 van de NRgfo niet langer gehandhaafd.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2 en 3

De in de artikelen 2 en 3 bedoelde gegevens worden verstrekt bij de aanvraag van een vergunning voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt. Deze gegevens werden ook in het verleden reeds opgevraagd en zijn nodig om de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen. Deze bepalingen zijn opgenomen omwille van de rechtszekerheid en ter bevordering van de consistentie met de toegang tot de Nederlandse financiële markten voor financiële ondernemingen.

Artikel 2 is hoofdzakelijk gericht tot de marktexploitant. De onderdelen f en g zijn gericht tot de personen die het dagelijks beleid bepalen, respectievelijk de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken.

De gegevens inzake betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, zijn hier niet uitgewerkt. De AFM en DNB hebben een formulier ontwikkeld om de gegevensverstrekking door personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken te structureren. Dit formulier is beschikbaar op de website van beide toezichthouders. De betrouwbaarheid wordt op dezelfde wijze beoordeeld als bij (mede)beleidsbepalers van een financiële onderneming.

De gegevens inzake deskundigheid, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, zijn uitgewerkt in artikel 3. Indien tevens de betrouwbaarheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen wordt getoetst, kan voor zover het dezelfde gegevens betreft worden volstaan met het invullen van bovenstaand formulier.

De verwijzing naar «een toezichthouder» in artikel 3, tweede lid, is gelet op artikel 1:1 van de wet een verwijzing naar de AFM en DNB. Deze uitzondering geldt dus niet als de betrouwbaarheid van personen is vastgesteld door een buitenlandse toezichthoudende instantie. Uiteraard kan gebruik worden gemaakt van de informatie die van de buitenlandse toezichthoudende instantie is verkregen, maar de beslissing dat de betrouwbaarheid buiten twijfel staat wordt genomen door de AFM of DNB.

Artikel 4

Bij het opstellen van dit artikel is nauw aangesloten bij artikel 95 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

De marktexploitant mag de wijziging pas doorvoeren als de AFM daarmee heeft ingestemd. Het tweede lid bepaalt dat de AFM een besluit neemt binnen zes weken of, indien nadere gegevens zijn verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens. De AFM heeft twee weken na de melding de tijd om nadere gegevens te vragen. Het is mogelijk dat AFM aan een ander dan de marktexploitant om nadere gegevens vraagt, bijvoorbeeld aan de Landelijk Officier van Justitie of aan een buitenlandse toezichthouder. Het is voorstelbaar dat deze derde eerst na lange tijd de nadere gegevens verstrekt. Aangezien de marktexploitant geen invloed heeft op het tijdstip waarop deze derde de nadere gegevens verstrekt en dus ook niet op het tijdstip waarop de beslistermijn voor de AFM aanvangt, zou zonder nadere bepaling de situatie kunnen ontstaan waarin de marktexploitant buiten haar toedoen zeer lang op een besluit van de AFM moet wachten. Dat is ongewenst. Daarom is bepaald dat de AFM binnen dertien weken na de melding een besluit neemt of binnen een redelijke termijn.

Van een situatie als bedoeld in het derde lid kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een wijziging met een internationale component, zoals bij NYSE Euronext het geval zal zijn vanwege het geharmoniseerde rulebook en de afstemming binnen het College of Euronext Regulators of bij een door het College of Euronext Regulators verlangde consultatie van de voorgenomen wijziging.

§ 3 Wijziging andere besluiten

Artikel 5 Wijzigingen Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft

A

Het opschrift wordt gewijzigd in verband met de uitbreiding van de definitie van beleggingsonderneming en in de toevoeging van artikel 41 a.

B

De wijziging van artikel 41 is gebaseerd op artikel 2:99, derde lid van de wet. In verband met de nieuwe vergunningseis van artikel 2:99, eerste lid, onderdeel j van de wet zijn aan de bij de aanvraag van een vergunning te verstrekken gegevens aangevuld met gegevens met betrekking tot een MTF.

C

Het nieuwe artikel 41a is gebaseerd op artikel 2:97, achtste lid, en bepaalt welke gegevens een beleggingsonderneming bij aanmelding, bedoeld in artikel 2:97, vijfde lid, onderdeel b, van de wet verstrekt.

D

Het opschrift wordt gewijzigd in verband met de uitbreiding van de definitie van beleggingsonderneming.

Artikel 6 Wijzigingen Besluit prudentiële regels Wft

A

Het eerste lid, onderdeel a, van artikel 3 is vervallen in verband met artikel 1:18, onderdeel i, op grond waarvan de wet niet van toepassing is op het uitsluitend optreden als plaatselijke onderneming.

Het eerste lid, onderdeel b, is vervallen in verband met artikel 1:18, onderdeel h, waarin is opgenomen dat de wet niet van toepassing is op het verlenen van beleggingsdiensten en het verrichten van beleggingsactiviteiten voor zover het handelen voor eigen rekening betreft, met uitzondering van handelen voor eigen rekening door marketmakers of handelaren voor eigen rekening die frequent op een georganiseerde en systematische wijze buiten een gereglementeerde markt of MTF om optreden door een voor derde toegankelijk systeem aan te bieden om met hen transacties te sluiten.

De tekst van artikel 3 wordt nu gevormd door het voormalige tweede lid. De wijziging in de verwijzing naar de definitie van verlenen van een beleggingsdienst is een gevolg van de gewijzigde definitie in de richtlijn.

B

De formulering van artikel 17, vierde lid, eerste volzin, is aangepast om dit lid meer in overeenstemming te brengen met de formulering van artikel 8 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. In dat artikel wordt de term «interne controlefunctie» gebruikt. De bedoeling is overgenomen in artikel 17, vierde lid (zie ook artikel 31, zesde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft). Dit lid bepaalt dat de effectiviteit van de organisatie-inrichting en de procedures en maatregelen in een financiële onderneming op onafhankelijke wijze worden getoetst door een organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent. Met onafhankelijk wordt hier bedoeld onafhankelijk van het lijnmanagement en los van de controlemaatregelen die in de diverse bedrijfsprocessen zijn geïntegreerd. Kleinere financiële ondernemingen kunnen een dergelijke toetsing overlaten aan een onafhankelijke derde. Bij de onafhankelijke interne toetsing wordt rekening gehouden met veranderende interne en externe omstandigheden, nieuwe producten, diensten en ondersteunende processen. De financiële onderneming of bijkantoor draagt er zorg voor dat de organisatie-inrichting en de procedures en maatregelen zodanig worden bijgesteld dat de gesignaleerde tekortkomingen en gebreken worden opgeheven.

Voor zover de bedrijfsvoeringseisen van de MiFID neerkomen op de principle based opgeschreven eisen in het Besluit prudentiële regels Wft is er voor gekozen de bewoordingen van de MiFID over te nemen. Veelal gaan de bepalingen evenwel verder en in die gevallen is er voor gekozen die meer in detail verwoorde eisen van de MiFID alleen op te leggen aan de beleggingsondernemingen of bankbeleggingsondernemingen. De eisen van de MiFID zijn dan ook niet van toepassing verklaard op banken, clearinginstellingen en verzekeraars. Dat laat echter onverlet dat deze ondernemingen de principle based eisen zodanig kunnen invullen dat het niveau van de MiFID-eisen wordt bereikt.

C

In artikel 17, vierde lid, was ten aanzien van banken een onafhankelijke interne toetsing van de effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen voorgeschreven. Omdat banken naast de uitoefening van het bedrijf van bank vaak tevens bemiddelen in financiële instrumenten of individuele vermogens beheren (de zogenaamde bankbeleggingsondernemingen) is ervoor gekozen om net als bij beleggingsondernemingen ook de taken van het organisatieonderdeel dat de interne controlefunctie uitoefent, voor die banken te omschrijven. Deze algemene omschrijving is ontleend aan artikel 8 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In het controleplan wordt vastgelegd welke procedures en regels van de betrokken bank worden onderzocht en beoordeeld door het organisatieonderdeel dat de interne controlefunctie uitoefent. Op basis van de resultaten van het onderzoek doet het organisatieonderdeel aanbevelingen (aan de verantwoordelijke leiding) en wordt ook nagegaan of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven.

De interne toetsing is een continu proces, waarbij rekening wordt gehouden met veranderende interne en externe omstandigheden, nieuwe producten, diensten en ondersteunende processen. Ten minste jaarlijks dient het organisatieonderdeel te rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de betrokken bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank (leden van de raad van commissarissen of raad van toezicht). Vooral het melden van de genomen maatregelen bij gesignaleerde tekortkomingen is van belang.

D

In artikel 21 was reeds een onafhankelijke compliancefunctie voorgeschreven voor banken. Deze eis is nu iets anders verwoord, maar materieel is in de bestaande tekst geen wijziging aangebracht. Aangezien veel banken naast de uitoefening van het bedrijf van bank vaak tevens bemiddelen in financiële instrumenten of individuele vermogens beheren (de zogenaamde bankbeleggingsondernemingen) ligt het in de rede voor die banken de taken van het organisatieonderdeel dat op onafhankelijke wijze de compliancefunctie uitoefent, te omschrijven in de lijn van artikel 6 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Een organisatieonderdeel dat de onafhankelijke compliancefunctie uitoefent, is van belang om toezicht te houden op de naleving van wettelijke regels en interne regels, voorschriften en procedures. De onafhankelijkheid houdt onder meer in dat de personen die betrokken zijn bij het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent, niet betrokken mogen zijn bij het verlenen van diensten of activiteiten waarop zij toezicht houden. Bovendien dient de wijze waarop de beloning van de personen die bij het organisatieonderdeel zijn betrokken niet hun onafhankelijkheid in gevaar te brengen.

Het toezien op de naleving van deze regels, voorschriften en procedures houdt bijvoorbeeld in het beoordelen van nieuwe wetgeving en het toetsen of nieuwe producten en procedures in overeenstemming zijn met de regelgeving. Het organisatieonderdeel zal regelmatig de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne gedragsregels en procedures, die zijn vastgesteld om te bewerkstelligen dat een onderneming voldoet aan haar (wettelijke) verplichtingen, dienen te toetsen. Indien daarbij onvolkomenheden worden geconstateerd dient de bank maatregelen te nemen. De hier bedoelde bank dient vervolgens te evalueren of deze maatregelen effectief zijn geweest. Het organisatieonderdeel rapporteert jaarlijks aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank (de leden van de raad van commissarissen of raad van toezicht).

De wijze waarop aan het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent, wordt vormgegeven en de mate van onafhankelijkheid is afhankelijk van de aard en omvang van de hier bedoelde bank. Bij kleinere banken kan de invulling van de onafhankelijkheid van het organisatieonderdeel onevenredig zijn.

E

Artikel 22a is gebaseerd op artikel 3:17, tweede lid, onderdeel a, van de wet en dient ter omzetting van artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Werknemers van een bankbeleggingsonderneming dienen op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID over de nodige vakbekwaamheid, kennis en deskundigheid te beschikken om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen. De bewoordingen van de richtlijn zijn slechts ten dele overgenomen, omdat er geen verschil is tussen de begrippen «vakbekwaamheid» en «deskundigheid». Daarom is het begrip deskundigheid achterwege gelaten. De eisen van de richtlijn betekenen dat niet alleen klantmedewerkers maar ook medewerkers van zogenaamde back-offices vakbekwaam dienen te zijn. Er hoeft geen arbeidsrelatie te bestaan tussen de beleggingsonderneming en de medewerker. Deze organisatorische eis geldt ook indien medewerkers op basis van een uitzend- of detacheringsrelatie of een overeenkomst tot het verrichten van diensten voor de beleggingsonderneming diensten verrichten. Dit is verwoord in het artikel door de zinsnede «en andere personen die door een degelijke bank zijn belast met het verrichten van zodanige werkzaamheden».

Er gelden op grond van de MiFID geen specifieke vakbekwaamheidseisen, de invulling van deze eisen wordt overgelaten aan de beleggingsonderneming. Deze eis is een algemene organisatorische eis die tot de algemene aspecten van de bedrijfsvoering moet worden gerekend. Dit betekent dat DNB toezicht houdt op de naleving van deze eis door bankbeleggingsondernemingen indien zij beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten.

F

Door het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 zijn de leden van artikel 23 vernummerd. De verwijzingen in artikel 23, vierde en vijfde lid, zijn aangepast aan deze vernummering, dat was namelijk nog niet gebeurd.

In artikel 7 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID worden regels voorgeschreven omtrent het risicobeheer bij beleggingsondernemingen. Artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is verwerkt in artikel 23 van het Besluit prudentiële regels Wft en gebaseerd op artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet. In artikel 23, zesde lid, is geëxpliciteerd dat in principe de financiële onderneming een onafhankelijke risicobeheerfunctie heeft, hetgeen geen inhoudelijke wijziging betekent. De wijze waarop het onafhankelijk risicobeheer is vormgegeven zal echter afhankelijk zijn van de omvang en complexiteit van de financiële onderneming. Bij grotere en meer complexe financiële ondernemingen, is het gebruikelijk dat het risicobeheer wordt uitgevoerd door een onafhankelijke risicobeheerfunctie. De wijze waarop deze functie wordt vormgegeven en de mate van onafhankelijkheid is afhankelijk van de aard en omvang van de financiële onderneming. De onafhankelijke risicobeheerfunctie zal bij kleinere beleggingsondernemingen vaak door een van de bestuurders worden uitgevoerd. Bij kleinere beleggingsondernemingen kan de invulling van de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie onevenredig zijn.

G

Artikel 24b verwerkt artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en is gebaseerd op artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet. In artikel 24b is aangegeven waar het onafhankelijke risicobeheer van de bankbeleggingsonderneming controle op dient uit te oefenen. Naast de controle op de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de financiële onderneming vastgestelde procedures en maatregelen is het van belang inzicht te hebben in hoeverre de medewerkers deze procedures en maatregelen ook naleven. Indien naar aanleiding van tekortkomingen of gebreken maatregelen zijn genomen, dient het risicobeheer te bezien of die maatregelen ook het gewenste effect hebben gehad.

Het tweede lid verwerkt artikel 9, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Naast de jaarlijkse rapportage aan de dagelijks beleidsbepalers dient ook jaarlijks te worden gerapporteerd aan bijvoorbeeld de leden van de raad van commissarissen en raad van toezicht.

H

Artikel 48 verwerkt artikel 67 van de MiFID. Artikel 67 van de MiFID wijzigt allereerst de artikelen 2, punt 2, en 3, vierde lid, van de richtlijn kapitaaltoereikendheid. Dit vloeit voort uit de gewijzigde reikwijdte van het toezicht op beleggingsondernemingen in de MiFID ten opzichte van de richtlijn beleggingsdiensten, zoals onder meer verwerkt in de nieuwe definities van «verlenen van een beleggingsdienst» en «verrichten van een beleggingsactiviteit» in artikel 1:1 van de wet. De reikwijdte van de richtlijn kapitaaltoereikendheid wijzigt dienovereenkomstig. Dit is geïmplementeerd in artikel 48, eerste lid. Onderdeel h, onder 3°, betreffende het optreden als plaatselijke onderneming is komen te vervallen, omdat het optreden als plaatselijke onderneming in algemene zin is uitgezonderd in artikel 1:18, onderdeel i, van de wet.

De verwijzingen naar de genoemde definities zijn verwerkt in de onderdelen f tot en met k. Daarbij is de volgorde van de onderdelen aangepast om de inzichtelijkheid te verbeteren.

Onderdeel f was onderdeel g.

Onderdeel g was onderdeel h, onder 1°.

Onderdeel h was onderdeel h, onder 2° en 4°.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat als gevolg van de nieuwe definitie van «het verlenen van een beleggingsdienst» in artikel 1:1 van de Wft de aanbieders van beleggersgiro’s, al naar gelang hun activiteiten, zoals de richtlijn nu wordt geïnterpreteerd, vallen onder onderdeel a of b van die definitie. Dit betekent dat zij niet langer aan de nationale eis van 730.000 euro aanvangskapitaal behoeven te voldoen, maar 50.000 euro aanvangskapitaal behoeven.

Tevens voegt artikel 67 van de MiFID twee nieuwe leden toe aan artikel 3 van de richtlijn kapitaaltoereikendheid. Lid 4 bis bepaalt dat orderremisiers en beleggingsadviseurs die geen gelden of effecten van hun cliënten aanhouden, kunnen kiezen of zij een aanvangskapitaal van € 50.000 aanhouden of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of vergelijkbare waarborg afsluiten. Deze verzekering of waarborg dient het volledige grondgebied van de EU te bestrijken en een dekking van ten minste € 1 miljoen per schadegeval en ten minste € 1,5 miljoen per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk te hebben. Ook is het mogelijk om een aanvangskapitaal te combineren met een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of vergelijkbare waarborg, mits de dekking van de combinatie maar gelijkwaardig is. Dit is verwerkt in het nieuwe tweede lid van artikel 48.

Artikel 67, lid 4 ter, van de MiFID geeft een bijzondere voorziening voor orderremisiers en beleggingsadviseurs die uit hoofde van richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) (richtlijn verzekeringsbemiddeling) zijn ingeschreven in een register. Zij kunnen volstaan met een aanvangskapitaal, verzekering of combinatie daarvan ter dekking van de helft van de bedragen, genoemd in lid 4 bis, naast de op grond van laatstgenoemde richtlijn geëiste bedragen. Zij dienen te voldoen aan de voorschriften van artikel 4, derde lid, van de richtlijn verzekeringsbemiddeling. Lid 4 ter is geïmplementeerd in het nieuwe derde lid van artikel 48.

Inmiddels is de richtlijn kapitaaltoereikendheid bij gelegenheid van richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) (herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid) ingetrokken. De bepalingen met betrekking tot het aanvangskapitaal voor beleggingsondernemingen zijn als volgt zonder inhoudelijke wijzigingen overgenomen:

richtlijn kapitaaltoereikendheid

herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid

artikel 2, punt 2

artikel 3, eerste lid, onderdeel b

artikel 3, vierde lid

artikel 6

artikel 3, lid 4bis

artikel 7

artikel 3, lid 4ter

artikel 8

I en J

Deze wijzigingen vloeien voort uit de wijzigingen in artikel 48.

Artikel 7 Wijzigingen Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

A

1. financieel analist:

De definitie strekt tot implementatie van artikel 2, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

2. gelieerd instrument:

De definitie strekt tot implementatie van artikel 25, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

3. nauwe banden:

De definitie strekt tot implementatie van artikel 4, eerste lid, onderdeel 31 van de MiFID. Gezien het feit dat het begrip alleen in de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt gebruikt, is gekozen voor implementatie in het Bgfo. Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.

onderzoek op beleggingsgebied:

In artikel 5:53, vijfde lid, van de wet is aangegeven wat onder een beleggingsaanbeveling dient te worden verstaan. Een beleggingsaanbeveling is voor het publiek bestemde informatie waarbij expliciet of impliciet een beleggingsstrategie wordt aanbevolen of voorgesteld ten aanzien van één of meerdere financiële instrumenten of uitgevende instellingen van financiële instrumenten. De informatie kan zijn opgesteld of uitgebracht door een beleggingsonderneming maar ook bijvoorbeeld door onafhankelijke onderzoekbureaus of kredietinstellingen.

In de artikelen 5:64 van de wet en 15 tot en met 19 van het Besluit marktmisbruik Wft zijn eisen opgenomen waaraan iedereen zich dient te houden bij het uitbrengen van beleggingsaanbevelingen. Deze artikelen beogen misleiding van het publiek door beleggingsaanbevelingen tegen te gaan. De uitbrenger van de beleggingsaanbeveling dient dan te voldoen aan een aantal transparantie-eisen.

Beleggingsaanbevelingen maken vaak onderdeel uit van onderzoek op beleggingsgebied.

Artikel 24 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID geeft aan wat onder «onderzoek op beleggingsgebied» moet worden verstaan. De door een beleggingsonderneming gegeven aanbeveling omtrent de beleggingsstrategie dient objectief en onafhankelijk te zijn om als onderzoek op beleggingsgebied te kunnen worden aangemerkt. Het dient bovendien niet te gaan om het aanbevelen van een of meer specifieke financiële instrumenten door een beleggingsonderneming aan een cliënt waarvan het weinig waarschijnlijk is dat zij openbaar zullen worden gemaakt. De regels met betrekking tot het onderzoek op beleggingsgebied zijn gericht tot beleggingsondernemingen en hebben vooral betrekking op het voorkomen en beheersen van belangenconflicten.

Indien de verstrekte informatie bedoeld is voor het publiek maar niet valt onder de definitie van onderzoek op beleggingsgebied dan dient de informatie te worden aangemerkt als een reclame-uiting. Een beleggingsonderneming dient op grond van artikel 4:19, tweede lid, van de wet er voor zorg te dragen dat het commerciële oogmerk van de verstrekte of beschikbaar gestelde informatie als zodanig herkenbaar is. Bovendien dient richting de cliënt duidelijk te worden gemaakt dat het geen onafhankelijk onderzoek betreft. Dit advies is niet onderworpen aan de voorwaarden voor onafhankelijkheid van onderzoek op beleggingsgebied zoals opgenomen in de artikelen 35g en 35h. Tevens kan gewoon worden gehandeld vóór de verspreiding van de informatie (artikel 35h, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing).

4. persoonlijke transactie:

De definitie strekt tot implementatie van artikel 11 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Het element vergoeding uit artikel 11, onderdeel b, onder iii is niet in deze definitie opgenomen. In de definitie van het begrip provisie in de wet is dit element reeds opgenomen.

Onder «een persoon met wie een relevante persoon familiebanden heeft» als bedoeld onder 3°, wordt verstaan een echtgenoot of geregistreerde partner van de relevante persoon, kinderen of stiefkinderen ten laste van de relevante persoon of andere bloed- of aanverwanten van de relevante persoon, die op de datum van de desbetreffende persoonlijke transactie ten minste een jaar een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd met de relevante persoon. Gelet op het feit dat dit begrip maar een keer voorkomt in dit besluit, wordt geen aparte definitiebepaling opgenomen.

5. relevante persoon:

Door de nieuwe definitie van «relevante persoon» in onderdeel y van het besluit, komt de definitie van «provisie» te vervallen in het besluit. De definitie van provisie kan komen te vervallen, omdat het begrip in de wet is omschreven.

De definitie strekt tot implementatie van artikel 2, aanhef en derde lid, van de uitvoeringrichtlijn MiFID.

Er is voor gekozen de bepaling niet een op een uit de uitvoeringsrichtlijn MiFID over te nemen.

In de wet en de daarop gebaseerde regelingen wordt reeds gesproken van «een ieder die het dagelijks beleid bepaalt». In de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt gesproken van bestuurders, directeuren, vennoten en daarmee gelijk te stellen personen. Beide formuleringen omvatten materieel dezelfde groep personen. Om die reden is ervoor gekozen aan te sluiten bij de bestaande terminologie van de wet.

Met betrekking tot onderdeel 4° wordt nog opgemerkt dat in het geval van uitbesteding alleen personen die rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsactiviteiten of het verlenen van beleggingsdiensten, hetzij door de beleggingsonderneming zelf hetzij door de onderneming waaraan is uitbesteed, gekwalificeerd worden als relevante persoon. Dit om te voorkomen dat ook wanneer bijvoorbeeld diensten ten behoeve van personeelsadministratie door een beleggingsonderneming worden uitbesteed medewerkers van de onderneming waaraan is uitbesteed als relevante persoon worden aangemerkt. Hier is in beginsel geen aanleiding toe.

6. Wet:

De wijziging betreft een aanpassing van wetstechnische aard.

B en C

Gelet op de gewijzigde definitie van financiële dienstverlener worden de uitzonderingen opgenomen in artikel 5, vierde lid, en, 6 derde lid, van het besluit niet langer gehandhaafd. Voor beleggingsondernemingen geldt de norm van vakbekwaamheid van medewerkers die is opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Dit is een organisatorische eis die in tegenstelling tot de norm voor werknemers van financiële dienstverleners niet nader in het Bgfo wordt uitgewerkt. Beleggingsondernemingen dienen zelf aan artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID invulling te geven.

D

Aan artikel 23 zijn twee leden toegevoegd om de rol van de compliancefunctie bij de integere uitoefening van het bedrijf duidelijk vast te leggen. Vastgelegd is dat de beleggingsonderneming dient te beschikken over onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de compliancefunctie. Verder dienen de gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de compliancefunctie te worden bijgesteld.

E

Artikel 31 is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en verwerkt artikel 5, eerste lid, onderdelen a tot en met g en vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De bevoegdheid voor de AFM om voor beleggingsondernemingen regels te stellen met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering is vervallen omdat soortgelijke eisen zijn opgenomen in dit besluit. Artikel 6:2 en bijlage 9 van de NRgfo zijn daarom grotendeels overbodig geworden. Algemeen uitgangspunt bij de invulling van de bedrijfsvoering is dat wordt rekening gehouden met de aard, omvang, risico’s en complexiteit van het bedrijf en de werkzaamheden van de beleggingsonderneming.

De beleggingsonderneming beschikt over duidelijke besluitvormingsprocedures en een duidelijke en adequate organisatiestructuur (onderdeel a). Bovendien beschikt de beleggingsonderneming over een adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (onderdeel b).

De verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden dient alle niveaus en onderdelen van de beleggingsonderneming te omvatten. Ook binnen de raad van bestuur en de raad van commissarissen dient een duidelijke taakverdeling te bestaan. De rapportagelijnen moeten hiermee in overeenstemming zijn. De taakverdeling en de rapportagelijnen dienen op zodanige wijze te zijn vastgelegd en gecommuniceerd dat alle geledingen van de beleggingsonderneming een goed begrip hebben van hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, hun rol in de organisatie en het beheersingsproces en de manier waarop zij verantwoording afleggen.

In onderdeel d is opgenomen dat de beleggingsonderneming beschikt over een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie. Voor een adequaat systeem van communicatie is het van belang dat interne communicatiekanalen zodanig zijn opgezet dat alle relevante informatie tijdig aan de juiste personen en functies ter beschikking wordt gesteld. Verder is het van belang dat het bestuur en het lijnmanagement tijdig betrouwbare informatie ontvangen omtrent de voor hen relevante ondernemingsdoelstellingen en operationele processen.

In onderdeel e is artikel 5, onderdeel c, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID verwerkt. Een beleggingsonderneming dient te beschikken over adequate interne controleprocedures om te waarborgen dat beslissingen en procedures op alle niveaus van de beleggingsonderneming in acht worden genomen.

Artikel 5, eerste lid, tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is verwerkt in artikel 31, tweede lid. Uit het derde lid blijkt dat de besluitvormingsprocedures, organisatiestructuur, rapportagelijnen en de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden op een inzichtelijke wijze dienen te worden vastgelegd.

In het vijfde lid is opgenomen dat werknemers van een beleggingsonderneming over de nodige vakbekwaamheid, kennis en deskundigheid beschikken om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen. Dit betekent dat niet alleen klantmedewerkers maar ook medewerkers van zogenaamde back-offices deskundig dienen te zijn. Er hoeft geen arbeidsrelatie te bestaan tussen de beleggingsonderneming en de medewerker. De organisatorische eis geldt ook indien medewerkers op basis van een uitzend- of detacheringsrelatie of een overeenkomst tot het verrichten van diensten voor de beleggingsonderneming diensten verrichten. Er gelden op grond van de MiFID geen specifieke vakbekwaamheidseisen. De invulling van deze eisen wordt overgelaten aan de beleggingsonderneming.

Het zesde lid verwerkt artikel 5, vijfde lid, 8, aanhef, en 9, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en bepaalt dat de effectiviteit van de organisatie-inrichting en de procedures en maatregelen in een beleggingsonderneming onafhankelijk intern worden getoetst. De beleggingsonderneming dient daartoe over een organisatieonderdeel te beschikken die deze interne controlefunctie uitoefent. Met onafhankelijk wordt hier bedoeld onafhankelijk van het lijnmanagement en los van de controlemaatregelen die in de diverse bedrijfsprocessen zijn geïntegreerd. De invulling van deze verplichting hangt af van de aard, omvang, risico’s en complexiteit van het bedrijf en de werkzaamheden van de beleggingsonderneming. Bij de meeste ondernemingen ligt het voor de hand dat de onafhankelijke interne toetsing wordt uitgevoerd door een organisatieonderdeel dat de interne controlefunctie uitoefent. Het is voorstelbaar dat een interne controle functie gelet op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de onderneming en de werkzaamheden niet altijd passend en evenredig is. Kleinere beleggingsondernemingen kunnen een dergelijke toetsing overlaten aan een onafhankelijke derde. Onafhankelijke interne toetsing is een continu proces, waarbij rekening wordt gehouden met veranderende interne en externe omstandigheden, nieuwe producten, diensten en ondersteunende processen. De beleggingsonderneming draagt er zorg voor dat de organisatie-inrichting en de procedures en maatregelen zodanig worden bijgesteld dat de gesignaleerde tekortkomingen en gebreken worden opgeheven.

F

Artikel 31a is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en verwerkt de artikelen 8, onderdelen a tot en met d, en 9, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In het controleplan wordt vastgelegd welke procedures en regels van de beleggingsonderneming worden onderzocht en beoordeeld door de interne controlefunctie. Op basis van de resultaten van het onderzoek doet de interne controlefunctie aanbevelingen (aan de verantwoordelijke leiding) en wordt ook nagegaan of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven.

De interne toetsing is een continu proces, waarbij rekening wordt gehouden met veranderende interne en externe omstandigheden, nieuwe producten, diensten en ondersteunende processen. Ten minste jaarlijks dient de interne controlefunctie te rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming (de leden van de raad van commissarissen of raad van toezicht). Vooral het melden van de genomen maatregelen bij gesignaleerde tekortkomingen is van belang.

Artikel 31b is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en verwerkt artikel 5, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Een beleggingsonderneming dient ervoor te zorgen dat bij een onderbreking van haar systemen en procedures kritieke gegevens en bedrijfsfuncties beschermd zijn en haar beleggingsdiensten en activiteiten worden voortgezet. Wanneer dit niet mogelijk is, dient een beleggingsonderneming te zorgen dat de gegevens en bedrijfsfuncties zo spoedig mogelijk worden hersteld en haar beleggingsdiensten en activiteiten zo spoedig mogelijk worden hervat. Een financiële onderneming dient daartoe maatregelen te treffen respectievelijk procedures in te stellen. Gedacht kan worden aan back-up (veiligheidskopieën) en herstelmaatregelen en een calamiteitenplan dat regelmatig wordt geactualiseerd en op een goede werking wordt getest. Artikel 9.27 van de NRgfo vervalt.

Artikel 31c is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en verwerkt de artikelen 6 en 9, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Een organisatieonderdeel dat de onafhankelijke compliancefunctie uitoefent is van belang om toezicht te houden op de naleving van wettelijke regels en interne regels, voorschriften en procedures. Dit organisatieonderdeel dient onafhankelijk te zijn en dat houdt onder meer in dat de personen die betrokken zijn bij de compliancefunctie, niet betrokken mogen zijn bij het verlenen van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten waarop zij toezicht houden. Bovendien dient de wijze waarop de beloning van de personen die bij de compliancefunctie zijn betrokken niet hun onafhankelijkheid in gevaar te brengen.

Het toezien op de naleving van deze regels, voorschriften en procedures houdt bijvoorbeeld in het beoordelen van nieuwe wetgeving en het toetsen of nieuwe producten en procedures in overeenstemming zijn met de regelgeving. Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent zal regelmatig de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne gedragsregels en procedures, die zijn vastgesteld om te bewerkstelligen dat een onderneming voldoet aan haar (wettelijke) verplichtingen, dienen te toetsen. Indien daarbij onvolkomenheden worden geconstateerd dient de beleggingsonderneming maatregelen te nemen. De beleggingsonderneming dient vervolgens te evalueren of deze maatregelen effectief zijn geweest. Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent rapporteert jaarlijks aan de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming (leden van de raad van commissarissen of raad van toezicht).

De wijze waarop de compliancefunctie wordt vormgegeven en de mate van onafhankelijkheid is afhankelijk van de aard en omvang van de beleggingsonderneming. Bij kleinere beleggingsondernemingen kan de invulling van de onafhankelijkheid van de compliancefunctie onevenredig zijn. Wanneer de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie door een en dezelfde persoon worden vervuld, komt niet per definitie het onafhankelijk functioneren van elke functie afzonderlijk in het gedrang.

G

Artikel 35, eerste lid, (oud) van het Bgfo wordt vervangen. De bevoegdheid voor de AFM om op grond van artikel 35, eerste lid, regels te stellen voor beleggingsondernemingen met betrekking tot gedragsaspecten van de bedrijfsvoering is vervallen omdat soortgelijke eisen zijn opgenomen in het Bgfo.

Artikel 6:2 en bijlage 9 van de NRgfo zijn daarom grotendeels overbodig geworden. De bewaarplicht die in artikel 35, tweede lid, (oud) was geregeld, is nu grotendeels opgenomen in artikel 35, eerste en tweede lid, van het Bgfo.

Artikel 35, eerste lid, (nieuw) van het Bgfo dient ter omzetting van artikel 13, zesde lid, van de MiFID en is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet. Een beleggingsonderneming dient gegevens over alle door haar verleende beleggingsdiensten, nevendiensten, transacties en verrichte, beleggingsactiviteiten bij te houden. Deze gegevens moeten voldoende zijn om de toezichthouder in staat te stellen na te gaan of de voor beleggingsondernemingen op grond van MiFID en de uitvoeringsregels geldende eisen worden nageleefd en met name of de onderneming alle verplichtingen jegens haar cliënten of potentiële cliënten is nagekomen. De zinsnede «ingevolge de wet» duidt aan dat het de regels betreft die zowel op grond van de wet als de algemene maatregelen van bestuur voor beleggingsondernemingen gelden. Onder deze bepaling worden ook gegevens over de afwikkeling van transacties, zoals nu in artikel 9.17, eerste lid, van de NRgfo bepaald, begrepen.

De algemene norm in het eerste lid wordt onder andere nader uitgewerkt in de artikelen 7 en 8 van de uitvoeringsverordening MiFID. Deze artikelen bepalen welke gegevens de beleggingsonderneming moet bijhouden met betrekking tot van cliënten ontvangen orders, in het kader van individueel vermogensbeheer genomen handelsbeslissingen en de uitvoering van transacties. Deze bepalingen uit de uitvoeringsverordening MiFID worden niet omgezet in nationale regelgeving. Voor een nadere uitleg over de wijze waarop wordt omgegaan met de uitvoeringsverordening MiFID wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen deel van de toelichting bij het wetsvoorstel.

In het tweede lid is de bewaarplicht van artikel 51, eerste lid, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID verwerkt. De beleggingsonderneming dient alle gegevens die zij op grond van het eerste lid moet bijhouden – dat wil zeggen alle op grond van de MiFID en de uitvoeringsmaatregelen vereiste gegevens – voor een periode van ten minste vijf jaren te bewaren.

Artikel 51, eerste lid, tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is in het derde lid opgenomen. In aanvulling op de bewaarplicht van het tweede lid, dient de beleggingsonderneming op grond van het derde lid de gegevens over de rechten en plichten van de beleggingsonderneming en de cliënt in het kader van de cliëntovereenkomst en de overige voorwaarden waaronder de onderneming voor de cliënt diensten verricht, ten minste voor de duur van de relatie met de client te bewaren. Het betreft hier de gegevens en documenten die de beleggingsonderneming op grond van artikel 19, zevende lid, van de MiFID moet bijhouden. Dit betekent dat er, naast de verplichting opgenomen in artikel 4:89, eerste lid, van de wet om een dossier aan te leggen, een bewaarplicht geldt voor de gegevens over de rechten en plichten die de beleggingsonderneming en de cliënt zijn overeengekomen. De bewaarplicht geldt ten minste voor de duur van de relatie met de cliënt en geldt zowel voor professionele- als niet-professionele beleggers.

Van de mogelijkheden die artikel 51, eerste lid, derde en vierde alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bieden, wordt geen gebruik gemaakt. De bewaarplichten van het eerste en tweede lid zijn voor de AFM voldoende om toezicht te kunnen houden. De bewaarplicht is niet van toepassing indien de beleggingsonderneming niet langer over een vergunning beschikt.

In het vierde lid is artikel 51, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID opgenomen.

De beleggingsonderneming dient de gegevens op een duurzame drager te bewaren waarop informatie zo kan worden opgeslagen dat de AFM deze later kan raadplegen. Dit dient in zodanige vorm en op zodanige wijze te geschieden dat de AFM vlot toegang heeft tot de gegevens en elk belangrijk stadium van de verwerking van elke transactie kan reconstrueren. Daarnaast dienen alle correcties of andere wijzigingen, alsmede de inhoud van de gegevens alvorens dergelijke correcties of wijzigingen worden aangebracht, door de AFM eenvoudig achterhaald kunnen worden. In algemene zin geldt de aanvullende voorwaarde dat de gegevens niet anderszins gemanipuleerd of gewijzigd mogen kunnen worden.

In het vijfde lid wordt artikel 51, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID omgezet. De AFM dient een lijst op te stellen van gegevens die beleggingsondernemingen ten minste op grond van de MiFID en de uitvoeringsmaatregelen van de MiFID moeten bewaren. Op deze wijze wordt zekerheid verschaft welke gegevens de beleggingsonderneming precies moet bewaren. Deze opdracht omvat mede de taak van de AFM om de lijst te beheren en zonodig aan te passen.

Artikel 51, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID biedt een grondslag om beleggingsondernemingen te verplichten om telefoongesprekken of elektronische mededelingen die verband houden met orders van cliënten op te nemen of op te slaan. Gelet op het uitgangspunt om de administratieve lasten van de sector zo min mogelijk te verzwaren is besloten om geen wettelijke verplichting op te nemen.

H

Artikel 35a is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet en dient ter implementatie van artikel 22 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 35, eerste lid, onder d, van het besluit is vervallen. In dit onderdeel was bepaald dat de AFM ten aanzien van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 4:14 van de wet regels stelt met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering die betrekking hebben op het tegengaan van belangenconflicten tussen beleggingsonderneming en cliënten en tussen cliënten onderling.

Ter implementatie van de MiFID is er voor gekozen de regels ten aanzien van – onder andere – belangenconflicten niet langer op het niveau van een toezichthouderregeling, maar op dat van een algemene maatregel van bestuur te stellen.

Het eerste lid implementeert artikel 22, tweede lid, onder b, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Uit dit artikel volgt dat de beleggingsonderneming over te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het omgaan met belangenconflicten moet beschikken.

Het tweede lid strekt tot implementatie van artikel 22, derde lid, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Deze bepaling ziet er op dat relevante personen die bij verschillende bedrijfsactiviteiten zijn betrokken waarbij het risico bestaat op een belangenconflict, deze activiteiten in een mate van onafhankelijkheid moeten verrichten die evenredig is aan de omvang en activiteiten van de beleggingsonderneming en de groep waartoe zij behoort, en aan de grootte van het risico dat de belangen van de cliënt worden geschaad. De verschillende activiteiten zien zowel op de activiteiten die worden verricht in de afzonderlijke divisies van een beleggingsonderneming als op de activiteiten die een beleggingsonderneming binnen een groep verricht.

Het derde lid strekt tot implementatie van artikel 22, derde lid, tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De mate van onafhankelijkheid, zoals dat in het tweede lid wordt vereist, betekent dat voorkomen moet worden dat koersgevoelige of andere vertrouwelijke marktinformatie met betrekking tot een bepaalde activiteit van de beleggingsonderneming niet bekend wordt bij andere relevante personen van de beleggingsonderneming die betrokken zijn bij de uitoefening van andere activiteiten, waarvoor geldt dat die informatie voor de uitoefening van die andere activiteiten van belang zou kunnen zijn.

In onderdeel d van dit lid wordt in het kader van dit onderwerp onder ongepaste invloed verstaan, enige invloed die een persoon kan uitoefenen die leidt of mogelijk kan leiden tot een belangenconflict.

Het vierde lid strekt tot implementatie van artikel 22, derde lid, laatste alinea van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 35b is gebaseerd op artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet en dient ter implementatie van artikel 23 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

De artikelen 35c t/m 35f strekken tot implementatie van de artikelen 11 en 12 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De artikelen 11 en 12 uitvoeringsrichtlijn MiFID zijn een uitwerking van artikel 13, tweede lid, van de MiFID dat is geïmplementeerd in de artikelen 4:11, derde lid, en 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 6°, van de wet. Deze bepalingen vormen de grondslag voor de onderhavige bepalingen in het Bgfo.

Artikel 35c strekt tot implementatie van artikel 12, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt in de onderdelen b en c, van artikel 12, eerste lid, verwezen naar een aantal specifieke bepalingen in die richtlijn, te weten: artikel 12, eerste lid, onderdeel a, artikel 25, tweede lid, onderdelen a en b, en artikel 47, derde lid. In het onderhavige artikel is er omwille van de toegankelijkheid van de regeling voor gekozen niet specifiek naar de bepalingen te verwijzen maar te volstaan met de algemene zinsnede dat een dergelijk transactie in een financieel instrument «niet zou zijn toegestaan». Gezien de ruime reikwijdte van in het bijzonder artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID vormt de gekozen formulering geen uitbreiding van de totale reikwijdte van de bepaling.

In artikel 35c, tweede lid, wordt bepaald dat een beleggingsonderneming ervoor dient te zorgen dat geen transactie wordt aangegaan die in strijd is met de artikelen 5:56 en 5:58 van de wet. De uitvoeringsrichtlijn MiFID spreekt van strijd met de richtlijn marktmisbruik. De richtlijn marktmisbruik is geïmplementeerd in de wet en de verbodsbepalingen in het bijzonder in de artikelen 5:56, 5:57 en 5:58 Wft. Omwille van de inzichtelijkheid van de regeling is ervoor gekozen te verwijzen naar de artikelen in de Wet en niet rechtstreeks naar de richtlijn marktmisbruik. Er is niet verwezen naar artikel 5:57 omdat in dat artikel verboden worden gesteld met betrekking tot het delen van vertrouwelijke informatie met derden of het aanzetten van een derde tot het uitvoeren van een transactie. Artikel 5:57 ziet dus niet op het uitvoeren van een transactie door de relevante persoon.

In artikel 35c, tweede lid, onderdeel b, wordt door het gebruik van «de in de aanhef bedoelde vertrouwelijke informatie» verwezen naar informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet of tot andere vertrouwelijke informatie over cliënten of transacties met of voor cliënten. Vertrouwelijke informatie is dus ruimer dan voorwetenschap.

Artikel 35d strekt tot implementatie van artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 35e strekt tot implementatie van artikel 12, tweede lid, onderdelen b en c, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Op grond van deze bepalingen dienen de beleggingsondernemingen er voor te zorgen dat ze persoonlijke transacties onderkennen en deze registreren. De wijze waarop een beleggingsonderneming de procedure om persoonlijke transacties te onderkennen inricht is in beginsel vrij. Uit de uitvoeringsrichtlijn MiFID volgt dat een meldingsplicht voor relevante personen in ieder geval een adequate procedure is.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de laatste zinsnede van artikel 35e, tweede lid, geen ex-ante goedkeuringsverplichting inhoudt. De registratie van de transactie en de goedkeuring of verbod van de transactie kan ook achteraf geschieden. Het vierde lid van artikel 35e is een uitwerking van de eerste volzin van overweging 17 van de uitvoeringsrichtlijn. De registratieverplichtingen voor de beleggingsonderneming en de onderneming waaraan is uitbesteed, gelden niet voor achtereenvolgende persoonlijke transacties wanneer vooraf door de relevante persoon instructies zijn gegeven die ongewijzigd van kracht blijven. In het geval van een dergelijke opeenvolging van persoonlijke transacties dient alleen de eerste transactie door de beleggingsonderneming te worden geregistreerd. De bepaling ziet op een situatie waarbij geen rechtstreekse invloed wordt uitgeoefend door de relevante persoon op de transacties die volgen, omdat de transacties geschieden volgens dezelfde vooraf gegeven instructies. Bij de eerste transactie bestaat een dergelijk direct verband tussen de instructie en de transactie wel, op basis hiervan dient de eerste transactie wel gemeld te worden. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de beperkingen van artikel 35c, evenals andere beperkingen bij of krachtens de wet en MiFID, wel op de achtereenvolgende transacties van toepassing zijn.

Artikel 35f strekt tot implementatie van artikel 12, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 35g

Indien een beleggingsonderneming beleggingsaanbevelingen uitbrengt, dient de beleggingsonderneming te voldoen aan de artikelen 5:64 van de wet en 15 tot en met 19 van het Besluit marktmisbruik Wft. Deze regels beogen vooral transparantie te bewerkstelligen met betrekking tot de identiteit van de opsteller en uitbrenger van de beleggingsaanbevelingen, te waarborgen dat de aanbeveling een juiste voorstelling van zaken geeft en dat informatie die afbreuk kan doen aan de objectiviteit van de beleggingsaanbeveling openbaar wordt gemaakt. Kortom, deze regels beogen de belegger te beschermen door te waarborgen dat een betrouwbare grondslag voor het nemen van beleggingsbeslissingen ontstaat doordat uit de informatie die bij het openbaar maken van de aanbeveling wordt verschaft, kan worden opgemaakt wat bijvoorbeeld de status of overtuigingskracht van deze aanbeveling is of welke belangen de uitbrenger van de aanbeveling heeft. Een belegger kan zo bepalen hoeveel waarde hij aan de beleggingsaanbeveling wil hechten.

Daarnaast dient een beleggingsonderneming bij beleggingsaanbevelingen voortvloeiend uit onderzoek rekening te houden met regels omtrent belangenconflicten. Naast de algemene regels over het voorkomen en beheersen van belangenconflicten in artikel 35a, dient een beleggingsonderneming te voldoen aan de specifieke voorschriften met betrekking tot het verrichten of laten verrichten en verspreiden van onderzoek op beleggingsgebied.

Het eerste lid van artikel 35g strekt tot implementatie van artikel 25, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en is gebaseerd op de artikelen 4:11, derde lid en 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet.

Financieel analisten die onderzoek op beleggingsgebied verrichten, worden met een groot aantal potentiële conflicten geconfronteerd die afbreuk kunnen doen aan de objectiviteit en onafhankelijkheid van het onderzoek. Zij kunnen worden beïnvloed door belangen van de beleggingsonderneming of van bepaalde groepen cliënten, die in strijd zijn met de belangen van degenen voor wie het onderzoek is bedoeld.

De beleggingsonderneming dient dan ook procedures en maatregelen te treffen om belangenconflicten te voorkomen die kunnen voortvloeien uit het verrichten en verspreiden van onderzoek op beleggingsgebied. De procedures en maatregelen dienen de objectiviteit en onafhankelijkheid van het door financieel analisten verricht onderzoek op beleggingsgebied te waarborgen. Ook bij een ingrijpende wijziging door de beleggingsonderneming van een door een derde verricht onderzoek op beleggingsgebied dienen belangenconflicten te worden voorkomen.

De door een beleggingsonderneming getroffen procedures en maatregelen om belangenconflicten te voorkomen, moeten ervoor zorgen dat financieel analisten voldoende afstand nemen van de belangen van degenen van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hun verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd zijn met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op beleggingsgebied zal worden verspreid. Tot degenen wier verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd kunnen zijn met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op beleggingsgebied wordt verspreid vallen ook medewerkers die actief zijn op het gebied van bedrijfsfinanciering, alsmede degenen die in naam van cliënten of de beleggingsonderneming verkopen of handelen. Onder de verspreiding van onderzoek op beleggingsgebied onder cliënten of het publiek valt niet de verspreiding uitsluitend onder personen binnen de groep waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt.

Zoals tevens aangegeven in § 8 van het algemeen deel van de nota van toelichting, wordt in het eerste lid het begrip «groep» gebruikt zoals gedefinieerd in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Het tweede lid strekt tot implementatie van artikel 25, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Indien een beleggingsonderneming het voornemen heeft een onderzoek op beleggingsgebied te verspreiden dat is verricht door een derde (die niet behoort tot de groep waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt), kan de AFM op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid. Indien de beleggingsonderneming aantoont dat aan de in dit artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan, is voldoende gewaarborgd dat belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 35h strekt tot implementatie van artikel 25, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en is gebaseerd op artikel 4:11, derde lid, en 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel b van de wet. Een beleggingsonderneming dient ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in dit artikel opgenomen voorwaarden. Het in onderdeel a bepaalde komt erop neer dat de bij het onderzoek betrokken financieel analisten of andere relevante personen transacties in financiële instrumenten waarop het onderzoek betrekking heeft, mogen verrichten op het moment dat de ontvangers van het onderzoek op beleggingsgebied een redelijke kans hebben gehad om naar de aanbevelingen van het onderzoek te handelen. Wat onder redelijke kans moet worden verstaan is afhankelijk van het financiële instrument waarop het onderzoek betrekking heeft, vandaar dat geen nadere invulling hieraan kan worden gegeven.

Financieel analisten en andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, mogen in principe geen met de gangbare aanbevelingen strijdige persoonlijke transacties of handelstransacties in financiële instrumenten verrichten waarop het onderzoek op beleggingsgebied betrekking heeft of daarmee gelieerde financiële instrumenten. In uitzonderingsgevallen en met instemming van de compliancefunctie is dit echter wel mogelijk (onderdeel b). Een uitzondering is het geval dat de financieel analist of een andere relevante persoon die betrokken is bij het onderzoek om persoonlijke, met financiële moeilijkheden verband houdende redenen gedwongen is een positie te liquideren.

Onder vergoeding in onderdeel c vallen geen kleine giften of kleine gunsten in natura van een lagere waarde dan gespecificeerd in het kader van het door de beleggingsonderneming gevoerde beleid met betrekking tot belangenconflicten.

Aan uitgevende instellingen mag op grond van onderdeel d niet de belofte worden gedaan dat ze een gunstige behandeling krijgen in het onderzoek. Uitgevende instellingen, relevante personen die geen financieel analist zijn, en andere personen mogen voor de verspreiding van het onderzoek op beleggingsgebied geen inzicht krijgen in het concept-onderzoek indien daarin een aanbeveling of richtprijs is opgenomen, behalve voor zover het een controle op de naleving van de juridische verplichtingen van de uitgevende instelling betreft.

I

Het eerste lid van artikel 38a is gebaseerd op artikel 4:16, tweede lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 13, vijfde lid, tweede volzin, van de MiFID. De uitbesteding van werkzaamheden aan een derde mag geen afbreuk doen aan de onafhankelijke interne toetsing van de beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 31, zesde lid. Het uitbesteden van werkzaamheden zou de kwaliteit van de interne controle kunnen belemmeren.

In het tweede lid is een reikwijdte bepaling opgenomen voor bankbeleggingsondernemingen. Deze ondernemingen dienen op grond van artikel 28 van het Besluit prudentiële regels Wft reeds aan het bepaalde in het eerste lid te voldoen.

Artikel 38b is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, onderdeel b, van de wet en dient ter omzetting van artikel 14, tweede, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming is op grond van het eerste lid verplicht om bij het aangaan, het beheer en het beëindigen van de uitbestedingsovereenkomst, de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid aan de dag te leggen. Dit is een afzonderlijke verplichting die op de beleggingsonderneming rust en die van toepassing is gedurende het gehele proces van uitbesteden.

Het eerste lid is niet van toepassing op een bankbeleggingsonderneming omdat een bank op grond van artikel 29 van het Besluit prudentiële regels Wft bij het aangaan van een overeenkomst voor het uitbesteden van werkzaamheden de nodige deskundigheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid moet betrachten. Deze norm geldt op grond van artikel 30 van het Besluit prudentiële regels Wft mede gedurende de looptijd van de overeenkomst. De bankbeleggingsonderneming is op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit prudentiële regels Wft gehouden om deskundigheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid te betrachten bij het beëindigen van de uitbestedingsovereenkomst.

Artikel 38c is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, onderdelen a en b, van de wet en dient ter omzetting van artikel 14, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Artikel 14, eerste lid, aanhef, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat de beleggingsonderneming in geval van het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde verantwoordelijk blijft voor het nakomen van de bij of krachtens de wet gestelde regels. Deze bepaling is reeds opgenomen in de artikelen 3:18, eerste lid, en 4:16, eerste lid, van de wet en behoeft geen implementatie.

In aanvulling op deze hoofdregel bepaalt artikel 14, eerste lid, in de onderdelen a, b, c, en d, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID dat de beleggingsonderneming aan een aantal voorwaarden moet voldoen.

Het uitbesteden mag op grond van het eerste lid, onderdeel a niet leiden tot het delegeren van de verantwoordelijkheid van de hoogste leiding. Het begrip «hoogste leiding» valt gelet op de definitie opgenomen in artikel 2, negende lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID samen met het begrip «personen die het dagelijks beleid bepalen» dat in de wet wordt gebruikt. Het uitbesteden van werkzaamheden mag er niet toe leiden dat de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen hun verantwoordelijkheid delegeren of afwentelen op de derde.

In onderdeel b is de voorwaarde opgenomen dat het uitbesteden de relatie en verplichtingen die de beleggingsonderneming jegens haar cliënten heeft niet mag wijzigen.

De uitbesteding mag op grond van onderdeel c niet leiden tot de ondermijning van de voorwaarden waaraan de beleggingsonderneming moet voldoen voor het verkrijgen en het behouden van haar vergunning. De initiële vergunningseisen opgenomen in artikel 2:99 van de wet alsmede de eisen die op grond van het lopend toezicht voor de beleggingsonderneming gelden mogen niet worden geschonden. Uit overweging 19 van de considerans van de uitvoeringsrichtlijn MiFID volgt dat een uitbesteding van een verregaande hoeveelheid werkzaamheden niet is toegestaan. Een dergelijke situatie wordt aangemerkt als een ondermijning van de voorwaarden voor vergunningverlening en de eisen van lopend toezicht. De beleggingsonderneming mag door de uitbesteding niet tot een brievenbusmaatschappij verworden.

In onderdeel d is bepaald dat het uitbesteden van werkzaamheden niet mag leiden tot opheffing of wijziging van voorschriften die de AFM op grond van artikel 1:102, tweede lid, van de wet aan een vergunning heeft verbonden.

Het uitbesteden kan een materiële wijziging van de voorwaarden voor de vergunningverlening behelzen die door de beleggingsonderneming moet worden gemeld aan de AFM.

Een bank die op grond van artikel 2:11 van de wet tevens een vergunning heeft voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten is op grond van het tweede lid uitgezonderd van het eerste lid, aanhef en onderdeel a. De norm uit het eerste lid, aanhef en onderdeel a, vloeit voor een bank voort uit artikel 27, tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft. Een bank mag op grond daarvan de verantwoordelijkheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen niet uitbesteden.

Artikel 38d is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 14, tweede lid, tweede alinea, en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Het eerste lid dient ter omzetting van artikel 14, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming is verplicht om het uitbesteden van de werkzaamheden in een schriftelijke overeenkomst vast te leggen. In de overeenkomst dienen de rechten en plichten van de beleggingsonderneming en de derde duidelijk te worden afgebakend.

In het tweede lid zijn de voorwaarden voor uitbesteding van artikel 14, tweede lid, tweede alinea, aanhef en onderdelen a tot en met k van de uitvoeringsrichtlijn MiFID opgenomen. De in artikel 14, tweede lid, onderdeel e, laatste zinsnede, opgenomen voorwaarde dat de beleggingsonderneming de aan de uitbesteding verbonden risico’s moet beheren en toezicht moet houden is niet overgenomen. Deze verplichting vloeit voor beleggingsondernemingen voort uit artikel 23 van het Besluit prudentiële regels Wft. Beleggingsondernemingen zijn op grond daarvan gehouden om beleid te voeren en procedures vast te stellen om de risico’s die met het uitbesteden van werkzaamheden samenhangen te analyseren en te beheren.

De beleggingsonderneming is verplicht om te garanderen dat het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde aan de genoemde voorwaarden voldoet. De beleggingsonderneming vormt het aanspreekpunt voor het toezicht. Zij dient alle nodige maatregelen te nemen om de naleving van de voorwaarden opgenomen in het tweede lid te waarborgen. Het opnemen van de genoemde voorwaarden in de uitbestedingsovereenkomst met de derde is één van de mogelijke maatregelen. Het sluiten van een dergelijke overeenkomst behoeft echter geen garantie te vormen dat de beleggingsonderneming de voorwaarden voor uitbesteding daadwerkelijk naleeft. Er zijn andere maatregelen denkbaar die de beleggingsonderneming kan en onder omstandigheden zal moeten nemen om naleving van de voorwaarden te effectueren. Men kan daarbij denken aan het geven van instructies aan de derde of het beëindigen van de overeenkomst.

De toezichthouder kan op grond van het tweede lid, onderdeel i, een onderzoek ter plaatse doen of laten doen bij de derde. In het derde lid is opgenomen dat de toezichthouder enkel gebruik maakt van deze bevoegdheid indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften. Hiermee wordt het proportionaliteitsbeginsel dat in acht dient te worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid vastgelegd.

De beleggingsonderneming en de derde dienen op grond van het tweede lid, onderdeel k, een noodplan vast te stellen, te implementeren en in stand te houden.

Bankbeleggingsondernemingen zijn op grond van het vierde lid uitgezonderd van de toepasselijkheid van een aantal voor het uitbesteden van werkzaamheden door beleggingsondernemingen geldende voorwaarden omdat deze normen voor hen reeds voortvloeien uit de artikelen 29, 30 en 31 van het Besluit prudentiële regels Wft.

Het eerste lid is niet van toepassing omdat artikel 31, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft bepaalt dat een bank de overeenkomst met de derde schriftelijk dient vast te leggen.

De verplichting die op grond van het tweede lid, onderdeel a op de bankbeleggingsonderneming rust, is reeds opgenomen in artikel 29 van het Besluit prudentiële regels Wft. De bankbeleggingsonderneming dient in zijn beleid en beoordeling van de derde rekening te houden met diens deskundigheid en capaciteit. Het tweede lid, onderdeel b, vloeit voor een bank voort uit artikel 30 van het Besluit prudentiële regels Wft. Een bank dient de uitvoering van de werkzaamheden door de derde te beoordelen en daarvoor over de nodige deskundigheid en procedures te beschikken. Het tweede lid, onderdeel d, vloeit voor een bank voort uit artikel 31, onderdeel b, van het Besluit prudentiële regels Wft. Een bank moet op grond van dit artikel te allen tijde aanwijzingen kunnen geven met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden door de derde. Dit komt overeen met het nemen van passende actie indien blijkt dat de derde de werkzaamheden niet volgens de regels uitvoert.

Het tweede lid onderdeel e geldt voor een bank reeds op grond van artikel 30 van het Besluit prudentiële regels Wft. Een bank dient over de deskundigheid te beschikken om de ontvangen informatie en de uitvoering van de werkzaamheden te kunnen beoordelen. Op grond van artikel 23 van het Besluit prudentiële regels Wft geldt dat kredietinstellingen de aan uitbesteding verbonden risico’s moeten beheren.

Het tweede lid, onderdeel g, is voor een bank opgenomen in artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit prudentiële regels Wft. Een bank dient een overeenkomst voor het uitbesteden van werkzaamheden te kunnen beëindigen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Artikel 38e is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 15 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Indien een beleggingsonderneming het beheren van individueel vermogen van niet-professionele beleggers uitbesteedt aan een derde in een staat die geen lidstaat is, stelt artikel 15, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID een aantal aanvullende voorwaarden waaraan de beleggingsonderneming moet voldoen. Deze voorwaarden gelden naast de algemene voorwaarden voor uitbesteden van artikel 14 van de uitvoeringsrichtlijn die in de artikelen 3:18, eerste lid, en 4:16, eerste lid, van de wet en de artikelen 38a tot en met 38c zijn opgenomen.

In het eerste lid is het bepaalde van artikel 15, eerste lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID verwerkt. De derde dient in het land van herkomst over een vergunning te beschikken voor de genoemde activiteit of in een register zijn ingeschreven alsmede onder prudentieel toezicht te staan. Op grond van onderdeel b dient er bovendien een samenwerkingsovereenkomst te bestaan tussen de AFM en de toezichthoudende instantie van de derde.

Het tweede lid verwerkt artikel 15, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Indien niet aan de voorwaarden van het eerste lid wordt voldaan, is de uitbesteding van het beheer van individueel vermogen van niet-professionele beleggers aan een derde in een staat die geen lidstaat is eerst mogelijk na voorafgaande kennisgeving van de overeenkomst aan de AFM. Uit overweging 21 van de considerans van de uitwerkingsrichtlijn blijkt dat de AFM na kennisgeving van de overeenkomst een redelijke termijn heeft om indien nodig in te grijpen en bezwaar te maken. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de beleggingsonderneming een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de verenigbaarheid van de overeenkomst met de voorwaarden en verplichtingen die op grond van de bij of krachtens de wet gestelde regels van toepassing zijn.

Artikel 15, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt omgezet in het derde lid. De AFM dient op grond van het derde lid beleidsregels vast te stellen met voorbeelden van uitbestedingen die onder het tweede lid vallen en waartegen de AFM geen of waarschijnlijk geen bezwaar zal maken. De AFM dient in de beleidsregels te motiveren waarom zij van mening is dat in deze gevallen geen afbreuk wordt gedaan aan het vermogen van de beleggingsonderneming om te voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van de algemene voorwaarden van artikel 14 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID die zijn opgenomen in de artikelen 3:18, eerste lid, artikel 4:16, eerste lid van de wet en de artikelen 38b en 38 c van het Bgfo. De AFM zal daarbij moeten uitleggen waarom uitbesteding in de genoemde gevallen een effectieve toegang tot alle informatie over de uitbestede dienst niet in de weg staat om haar toezichthoudende taken met betrekking tot de beleggingsonderneming uit te oefenen. Met deze beleidsregels wordt beoogd beleggingsondernemingen voldoende zekerheid te bieden en inzicht te geven in de toepassing van de regelgeving. Aangezien de AFM meer inzicht heeft in het toezicht en de samenwerking met toezichthoudende instanties in andere lidstaten, is er voor gekozen om de AFM een dergelijke beleidsregel te laten opstellen.

Artikel 15, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat artikel 15 de verplichtingen van de beleggingsonderneming om te voldoen aan artikel 14 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID onverlet laat. Dit is opgenomen in artikel 38 d, eerste lid. Uit de artikelen 38 b en 38 c vloeit ook duidelijk voort dat de daar opgenomen regels van toepassing zijn op elke vorm van uitbesteden. Dit betekent dat de beleggingsonderneming altijd aan de voorwaarden opgenomen in de artikelen 3:18, eerste lid, en 4:16, eerste lid, van de wet en de artikelen 38 b en 38c van dit besluit zal moeten voldoen.

Artikel 15, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is verwerkt in het vierde lid. De AFM dient een lijst te publiceren van toezichthoudende instanties met wie een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gesloten.

J

De in artikel 49 opgenomen wijziging beoogt artikel 49, derde lid, van het besluit aan te passen aan de gewijzigde reikwijdte van het begrip verlenen van beleggingsdiensten. De zinsnede «en het in het kader daarvan adviseren over financiële instrumenten» kan worden geschrapt. Het adviseren over financiële instrumenten wordt door MiFID aangemerkt als het verlenen van een beleggingsdienst.

K

Artikel 49a is gebaseerd op artikel 4:22, eerste lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 3 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID kennen een afwijkend regime voor de vorm waarin informatie door beleggingsondernemingen moet worden verstrekt. Met name wordt het gebruik van een duurzame drager en een website door beleggingsondernemingen apart geregeld en wordt door de MiFID geen taalregime voorgeschreven. Om deze redenen is ervoor gekozen om artikel 3 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID in een aparte bepaling in het Bgfo op te nemen en niet in artikel 49 van het Bgfo te implementeren. De uitzondering opgenomen in artikel 49, derde lid, van het besluit dient om die reden te worden gehandhaafd.

In dit artikel zijn de voorwaarden voor de verstrekking van informatie opgenomen die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen. Deze bepaling is voor zover informatie moet worden verstrekt van toepassing op cliënten waarmee de beleggingsonderneming zaken doet of zaken zal gaan doen. Dit vloeit voort uit de reikwijdte van artikel 4:19 tot en met 4:22 van de wet en de definitie van consument en cliënt opgenomen in artikel 1:1 van de wet.

Het eerste lid verwerkt artikel 3, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Op grond van het eerste lid dienen beleggingsondernemingen informatie op grond van afdeling 8.1 van het Bgfo en de artikelen 4:20, derde lid, 4:90b, derde en achtste lid, en artikel 4:90c, derde lid, van de wet schriftelijk – op papier – te verstrekken. Zij kunnen informatie alleen op een andere duurzame drager dan papier verstrekken indien dit in de context past van de relatie met de cliënt en de cliënt, wanneer deze voor de keuze wordt gesteld tussen informatie op papier of op de betreffende andere duurzame drager, hier uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Het gebruik van een andere duurzame drager is onder deze cumulatieve voorwaarden toegestaan. Voor de uitleg van het begrip toestemming wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4:90b, vierde en vijfde lid, van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten. Het begrip toestemming geeft aan dat de cliënt uitdrukkelijk zijn keuze voor een andere duurzame drager moet hebben gemaakt.

Artikel 3, tweede lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is opgenomen in het tweede lid. De beleggingsonderneming mag informatie die niet tot de cliënt persoonlijk is gericht, onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig de artikelen 29 tot en met 33 en 46, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID via een website aan de cliënten verstrekken. Deze mogelijkheid staat voor de beleggingsonderneming niet open zodra het informatie betreft die persoonlijk tot de cliënt is gericht. Wel kan gedacht worden aan algemene informatie over de onderneming en de algemene voorwaarden. De informatieverstrekking via de website moet wederom passen in de context waarin de beleggingsonderneming met de cliënt zaken doet of zaken gaat doen. De cliënt moet uitdrukkelijk vooraf instemmen met de verstrekking van informatie in deze vorm en elektronisch op de hoogte worden gebracht van het adres van de website en de plaats op de website waar toegang kan worden verkregen tot de informatie. De informatie moet bovendien actueel zijn en via de website onafgebroken toegankelijk blijven.

Artikel 3, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt geïmplementeerd in het derde lid. Informatieverstrekking via elektronische mededelingen – emailberichten en internet – wordt voor de toepassing van dit artikel geacht te passen in de context waarin de beleggingsonderneming met de cliënt zaken doet of zaken gaat doen, indien door de beleggingsonderneming bewezen is dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Dit wordt als bewezen aangemerkt indien de cliënt een e-mail adres aan de beleggingsonderneming opgeeft om zaken te kunnen doen. Het is niet noodzakelijk dat de cliënt uitdrukkelijk aan de beleggingsonderneming mede deelt dat zijn e-mailadres kan worden gebruikt om zaken te doen. Dit kan ook impliciet blijken uit de betrekkingen die de cliënt met de beleggingsonderneming heeft. De zinsnede «in ieder geval» biedt de beleggingsonderneming ruimte om met andere bewijzen aan te tonen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Voor de betekenis van het begrip duurzame drager wordt verwezen naar artikel 1:1 van de wet en artikel 49 van het Bgfo.

L

Artikel 49b verwerkt Bijlage II, afdeling II.2. van de MiFID en is gebaseerd op artikel 4:18c, vierde lid, van de wet. Deze bepaling is alleen van toepassing op beleggingsondernemingen. In aanvulling op artikel 4:18c van de wet schrijft dit artikel voor welke procedure moet worden gevolgd indien een cliënt, die door de beleggingsonderneming als niet-professionele belegger is gekwalificeerd, verzoekt om als professionele belegger te worden behandeld, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot specifieke beleggingsdiensten, financiële instrumenten of transacties. Na het verzoek van de belegger om als professionele belegger te worden behandeld, dient de beleggingsonderneming de cliënt schriftelijk te waarschuwen dat hij hierdoor bepaalde bescherming zal verliezen. Tevens waarschuwt de beleggingsonderneming de cliënt dat vorderingen van professionele beleggers niet in aanmerking komen voor voldoening op grond van het beleggerscompensatiestelsel. Verder zal de cliënt slechts afstand van die bescherming kunnen doen door schriftelijk, in een document dat losstaat van de cliëntenovereenkomst, te bevestigen dat hij zich bewust is van de gevolgen die aan het verlies van de bescherming zijn verbonden.

M

Artikel 51a is gebaseerd op artikel 4:19, vierde lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De algemene norm uit artikel 19, tweede lid, MiFID dat alle door beleggingsondernemingen verstrekte informatie correct, duidelijk en niet-misleidend mag zijn en die is opgenomen in artikel 4:19, tweede lid van de wet wordt nader uitgewerkt in artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Dit artikel bevat voorwaarden waaraan de informatie van de beleggingsonderneming moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als correct, duidelijk en niet misleidend en is mede van toepassing op reclame-uitingen. Artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID heeft zowel betrekking op verplicht te verstrekken informatie als op onverplicht door de beleggingsonderneming te verstrekken informatie. Aangezien paragraaf 8.1.3 van het Bgfo enkel betrekking heeft op onverplicht te verstrekken informatie is voor implementatie van artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID een nieuwe paragraaf 8.1.2a in het Bgfo opgenomen.

Het eerste lid, aanhef, dient ter omzetting van artikel 27, eerste lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Een beleggingsonderneming is verplicht ervoor zorg te dragen dat alle informatie, met inbegrip van reclame-uitingen, gericht aan (potentiële) niet-professionele beleggers voldoet aan de in dit artikel vermelde voorwaarden. Deze verplichtingen gelden ook in geval van verspreiding van informatie op zodanige wijze dat de informatie waarschijnlijk door (potentiële) niet-professionele beleggers kan worden ontvangen.

Dit artikel is niet van toepassing op informatieverstrekking aan professionele beleggers. Ten aanzien van professionele beleggers gelden minder stringente informatievereisten. Zij dienen in beginsel zelf te bepalen welke informatie voor een goed gefundeerde beslissing nodig is. Professionele beleggers kunnen wel de beleggingsonderneming verzoeken om de in dit artikel genoemde informatie te verstrekken. De beleggingsonderneming dient dergelijke verzoeken om aanvullende informatie te honoreren indien deze redelijk en evenredig zijn.

Artikel 27, tweede lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt omgezet in de onderdelen a tot en met d van het eerste lid. Artikel 27, derde lid tot en met achtste lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID zijn verwerkt in het tweede tot en met zevende lid van dit artikel.

De in dit artikel opgenomen voorwaarden waaraan informatie van beleggingsondernemingen aan (potentiële) cliënten moet voldoen, moeten op een passende en evenredige manier worden toegepast op mededelingen aan niet-professionele beleggers. Dit betekent dat bijvoorbeeld rekening mag worden gehouden met het communicatiemiddel en de informatie die met de mededeling wordt overgebracht. Het is met name niet passend om dergelijke voorwaarden toe te passen op reclame-uitingen die slechts bestaan uit de naam, logo of ander beeldmerk van de onderneming, een contactadres, of een verwijzing naar de door de onderneming verrichte beleggingsdiensten of naar haar vergoedingen en provisies.

Informatie is op grond van MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID misleidend indien deze neigt naar misleiding van de persoon tot wie de informatie is gericht of deze waarschijnlijk ontvangt. Het is daarbij niet relevant of de informatieverstrekker zelf de informatie misleidend acht of misleiding beoogt.

Ma

Een beleggingsonderneming die beleggingsdiensten of nevendiensten verleent met betrekking tot deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling kan tevens worden aangemerkt als een bemiddelaar in een complex product waarop de bestaande regels met betrekking tot reclame-uitingen over complexe producten van toepassing zijn. In het nieuwe tiende lid is bepaald dat de regels voor reclame-uitingen met betrekking tot complexe producten in dit geval niet van toepassing zijn. Voor beleggingsondernemingen gelden in beginsel uitsluitend de regels afkomstig uit de MiFID die zijn opgenomen in artikel 51a van het Bgfo. Wat betreft reclame-uitingen schrijft artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID voor dat de lidstaten aan beleggingsondernemingen enkele inhoudelijke eisen aan de presentatie van historische rendementen en de weergave van prognoses moeten stellen. Deze regels zijn een uitwerking van de algemene norm van artikel 19, tweede lid, van de MiFID dat alle door beleggingsondernemingen verstrekte informatie, waaronder reclame, correct, duidelijk en niet-misleidend mag zijn. Dit betekent dat de lidstaten geen nadere regels mogen stellen met betrekking tot de inhoud van reclame-uitingen en dat de regels uit het Bgfo en de NRgfo voor beleggingsondernemingen die betrekking hebben op de inhoud niet kunnen worden gehandhaafd. De regels met betrekking tot de vorm en het gebruik van een risico-indicator opgenomen in het eerste en tweede lid vallen buiten het toepassingsbereik van de MiFID en kunnen wel van toepassing blijven op beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen.

N

De grondslag zoals voorheen opgenomen in artikel 56 stelde de AFM in staat om in algemene zin nadere regels te stellen met betrekking tot reclame-uitingen van beleggingsondernemingen. Deze grondslag was gelet op artikel 19, tweede lid, van de MiFID en artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID te ruim geformuleerd. In artikel 19, tweede lid, van de MiFID en artikel 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt op uitputtende wijze geregeld dat een reclame-uiting correct, duidelijk en niet misleidend mag zijn. Dit betekent dat de lidstaten geen nadere regels mogen stellen met betrekking tot het correct, duidelijk en niet misleidend zijn van reclame-uitingen en dat de regels uit de NRgfo voor beleggingsondernemingen die daar op betrekking hebben niet kunnen worden gehandhaafd. De genoemde MiFID bepalingen staan echter niet in de weg aan het stellen van nationale voorschriften ten aanzien van de vorm van een reclame-uiting. Dit betekent dat de vormvoorschriften ten aanzien van de waarschuwingszinnen met betrekking tot verwachtingen en resultaten opgenomen in artikel 10.4 van bijlage 10 van de NRgfo – alsmede artikel 6:3 van de NRgfo – kunnen worden gehandhaafd. De wijziging van artikel 56 biedt de grondslag voor de genoemde bepalingen uit de NRgfo.

O

De ondertitel van het opschrift is aangevuld met een verwijzing naar artikel 4:22, eerste lid, van de wet dat de grondslag vormt voor artikel 58b en artikel 4:90b, tiende lid van de wet dat een grondslag vormt voor het nieuwe artikel 59.

P

Gelet op de omstandigheid dat het adviseren over financiële instrumenten door MiFID als het verlenen van een beleggingsdienst wordt gekwalificeerd, is de uitzondering opgenomen in artikel 57, derde lid komen te vervallen.

Pa

Een beleggingsonderneming die beleggingsdiensten of nevendiensten verleent met betrekking tot deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling kan tevens worden aangemerkt als een bemiddelaar in een complex product waarop de bestaande regels met betrekking tot provisietransparantie van toepassing zijn. In het vijfde lid is bepaald dat de voorgenomen regels over provisietransparantie inzake complexe producten in dit geval niet van toepassing zijn. Voor beleggingsondernemingen gelden uitsluitend de MiFID provisieregels die zijn opgenomen in artikel 168a van het Bgfo. Op deze wijze wordt samenloop tussen de provisieregels voor complexe producten en de provisieregels voor het verlenen van beleggingsdiensten en nevendiensten voorkomen.

Q

Artikel 58a is gebaseerd op artikel 4:20, eerste en tweede lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 29 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

De beleggingsonderneming is op grond van het eerste lid verplicht om, geruime tijd voordat de niet-professionele belegger aan een overeenkomst om een beleggings- of nevendienst af te nemen is gebonden, of indien dit eerder in de tijd ligt vóór het verlenen van deze diensten, informatie over een aantal onderwerpen te verstrekken.

Als aanknopingspunt is in de wet gekozen voor het moment van de aanvang van de beleggingsdienst. Voor een uitleg hieromtrent wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij artikel 4:20 van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten.

De beleggingsonderneming dient de informatie geruime tijd vóór de aanvang van het verlenen van de beleggings- of nevendienst te verstrekken. De lengte van de periode is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De beleggingsonderneming dient daarbij onder andere rekening te houden met de urgentie van de situatie en de tijd die de cliënt nodig heeft om de informatie te begrijpen voordat deze een beleggingsbeslissing neemt.

Het eerste lid geldt ten aanzien van niet-professionele beleggers en geldt ook in geval van verspreiding van informatie op zodanige wijze dat de informatie waarschijnlijk door (potentiële) niet-professionele beleggers kan worden ontvangen.

Het eerste lid onderdelen a en b dienen ter omzetting van artikel 29, eerste lid, aanhef en de onderdelen a en b. Artikel 29, tweede lid wordt verwerkt in het eerste lid, onderdeel c. Artikel 29, derde lid, wordt omgezet in artikel 58f, zesde lid. Artikel 29, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft hier geen omzetting omdat reeds uit artikel 49a van het Bgfo voortvloeit dat de in het eerste en tweede lid bedoelde informatie via een duurzame drager moet worden verstrekt.

Het tweede lid is gebaseerd op artikel 4:20, tweede lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 29, vijfde lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming mag onder omstandigheden in afwijking van het eerste lid de vereiste informatie aan niet-professionele beleggers verstrekken onmiddellijk na dat deze is gebonden aan een overeenkomst met betrekking tot het verlenen van beleggings- of nevendiensten. De op grond van het eerste lid, onderdeel c, te verstrekken informatie mag op grond van dezelfde omstandigheden onmiddellijk na het begin van de dienstverlening worden verstrekt.

Artikel 29, zesde en zevende lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeven geen omzetting in het besluit. Het zesde lid is omgezet in artikel 4:20, derde lid, onderdeel a, van de wet. Dat de kennisgeving moet worden gedaan op een duurzame drager, vloeit voort uit artikel 49a van het Bgfo. De verplichting in het zevende lid dat informatie in een reclame-uiting in overeenstemming dient te zijn met andere informatie die de beleggingsonderneming in het kader van het verlenen van beleggings- en nevendiensten aan cliënten verstrekt, vloeit reeds voort uit artikel 4:19, eerste lid, van de wet. Deze verplichting maakt geen onderscheid tussen reclame gericht op niet-professionele beleggers en professionele beleggers en is gericht op alle cliënten van de beleggingsonderneming.

De uitvoeringsrichtlijn MiFID stelt in beginsel alleen eisen aan reclame-uitingen in verband met artikel 19, tweede lid, van de MiFID. Op grond van artikel 29, achtste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID geldt er echter ook een informatieverplichting op grond van artikel 19, derde lid, van de MiFID die in artikel 58a, derde lid, van het Bgfo is opgenomen. Beleggingsondernemingen zijn op grond van dit lid gehouden om in het geval dat de reclame-uiting een aanbod of een uitnodiging tot een aanbod bevat tot het aangaan van een contract dat betrekking heeft op een financieel instrument of een beleggings- of nevendienst en tevens aangeeft hoe de cliënt hierop kan reageren (reactieformulier), tevens in de reclame-uiting de informatie van de artikelen 58b tot en met 58e op te nemen die voor het aanbod of de uitnodiging van belang is. De verplichting om deze informatie in de reclame-uiting op te nemen geldt op grond van het vierde lid niet indien voor een reactie in de reclame-uiting wordt verwezen naar een ander document of andere documenten die afzonderlijk of samen deze informatie bevatten. De beleggingsonderneming kan in een reclame-uiting met een verwijzing volstaan indien voor een reactie op het aanbod de informatie elders voor de niet-professionele belegger beschikbaar is.

Artikel 165b

1. Een beleggingsonderneming die gelden van een cliënt ontvangt stort deze gelden onmiddellijk op een of meer rekeningen bij:

a. een centrale bank;

b. een bank waaraan een vergunning als bedoeld in de herziene richtlijn banken is verleend;

c. een bank waaraan in een staat die geen lidstaat is vergunning is verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van bank;

d. een erkend geldmarktfonds.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van bank.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, wordt onder een erkend geldmarktfonds verstaan een erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 18, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten.

4. Indien de beleggingsonderneming gelden niet bij een centrale bank aanhoudt, past zij de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid toe bij de selectie, aanwijzing en periodieke beoordeling van de bank of het geldmarktfonds waar de gelden worden gestort, en van de regelingen voor het aanhouden van de gelden in kwestie. De beleggingsonderneming houdt in elk geval rekening met de deskundigheid en de marktreputatie van de bank of het geldmarktfonds om de rechten van cliënten te beschermen, evenals met alle op het aanhouden van gelden van cliënten betrekking hebbende wettelijke verplichtingen of marktpraktijken die de rechten van de cliënt nadelig kunnen beïnvloeden.

5. Een beleggingsonderneming die gelden wil aanhouden bij een erkend geldmarktfonds heeft een interne klachtenprocedure die er in voorziet dat cliënten daartegen bezwaar kunnen maken.

De beleggingsonderneming dient op grond van het eerste lid, onderdeel a, gegevens te verstrekken die cliënten nodig hebben voor een effectieve communicatie met de onderneming.

Op grond van het tweede lid dienen beleggingsondernemingen wanneer zij de dienst van vermogensbeheer verrichten, op basis van de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de soorten financiële instrumenten in de portefeuille van de cliënt, een geschikte evaluatie- en vergelijkingsmethode vast te stellen. Dit kan een benchmark zijn. In ieder geval moet de de belegger voor wie de dienst wordt verricht, in staat worden gesteld om met een vooraf afgesproken evaluatie- of vergelijkingsmethode de prestaties van de onderneming te beoordelen.

Het derde lid dient ter omzetting van artikel 30, derde lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID. Indien de beleggingsonderneming aan niet-professionele beleggers de beleggingsdienst individueel vermogensbeheer aanbiedt, dient zij naast de informatie van het eerste lid – voorzover van toepassing – aanvullende informatie te verstrekken. Op grond van het derde lid, onderdeel c, moet de beleggingsonderneming de niet-professionele belegger informeren over de vergelijkingsmethode die zij heeft vastgesteld. De considerans vermeldt in overweging 51 ten aanzien van onderdeel d het volgende. Wanneer een beleggingsonderneming informatie moet verstrekken over de soorten financiële instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille van de cliënt en over de soorten transacties die hiermee mogen worden verricht, dient in deze informatie afzonderlijk te worden aangegeven of de beleggingsonderneming gemachtigd wordt om te beleggen in financiële instrumenten die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, in derivaten en in niet-liquide of zeer volatiele instrumenten, dan wel om short sales of aankopen met geleende middelen, effectenfinancieringstransacties, of transacties die margebetalingen, het stellen van zekerheden of valutarisico´s meebrengen, te verrichten.

Artikel 58c is gebaseerd op artikel 4:20, eerste lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 31 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Dit artikel is van toepassing ten aanzien van niet-professionele beleggers. De verplichting van de beleggingsonderneming om een algemene beschrijving van de aard en risico´s van financiële instrumenten te verstrekken die gedetailleerd genoeg is om de professionele belegger in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen, is opgenomen in artikel 58f, eerste lid, van het Bgfo.

De beleggingsonderneming dient de informatie bedoeld in het eerste lid op grond van artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan een niet-professionele belegger te verstrekken.

Beleggingsondernemingen dienen op grond van het eerste lid aan niet-professionele beleggers een algemene beschrijving te verstrekken van de aard en risico’s van financiële instrumenten. Deze beschrijving moet een uitleg bevatten over de aard van het specifieke soort financiële instrument en over de daaraan verbonden risico’s die gedetailleerd genoeg is om de cliënt in staat te stellen met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

Het tweede lid dient ter omzetting van artikel 31, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beschrijving van de risico’s dient plaats te vinden voor zover die van belang is voor het soort instrument in kwestie en de status en het kennisniveau van de cliënt. De hefboomwerking genoemd in onderdeel a heeft alleen betrekking op een mogelijke hefboomwerking die het gevolg is van een (samenstelling van een) portefeuille in financiële instrumenten en niet op een hefboomwerking die ontstaat vanwege de financiering van een portefeuille met een krediet (beleggen met geleend geld).

Onder aanschaffingskosten wordt verstaan de prijs van het financiële instrument vermeerderd met de uitvoeringskosten (gedefinieerd in artikel 1:1 van de wet).

Artikel 31, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID biedt een grondslag om de bewoordingen of de inhoud van de in het kader van dit lid vereiste beschrijving van de risico’s vast te stellen. Hiervan wordt geen gebruik gemaakt.

Het derde lid implementeert artikel 31, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Indien de beleggingsonderneming informatie verstrekt over een financieel instrument dat aan het publiek wordt aangeboden en waarvoor overeenkomstig de richtlijn prospectus een prospectus is gepubliceerd, dient de beleggingsonderneming aan de niet-professionele belegger mee te delen waar het prospectus verkrijgbaar is. Uit overweging 52 van de considerans vloeit voort dat het verstrekken van een exemplaar van een prospectus niet mag worden gezien als de verstrekking van informatie uithoofde van de MiFID die betrekking heeft op de kwaliteit en inhoud van de informatie (artikelen 27 tot en met 34 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID). Het verstrekken van een prospectus volstaat echter wel om aan de verplichtingen uit hoofde van MiFID te voldoen, indien de beleggingsonderneming in het kader van de richtlijn prospectus zelf verantwoordelijk is voor de informatie die in het prospectus is opgenomen.

Het vierde lid implementeert artikel 31, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Op de beleggingsonderneming rust een aanvullende verplichting tot het verstrekken van informatie indien een financieel instrument uit twee of meer verschillende financiële instrumenten bestaat. In het vierde lid is het onderdeel «diensten» uit artikel 31, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID niet overgenomen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de uitvoeringsrichtlijn MiFID blijkt dat is bedoeld te regelen dat waar een financieel instrument een verhoogd risico met zich brengt, omdat deze is samengesteld uit elementen die een dusdanige wisselwerking hebben dat het risico van het samengestelde product groter is dan de optelsom van de risico's van de samenstellende financiele instrumenten, de risico's van zowel de elementen als van de risicoverhogende wisselwerking adequaat moeten worden beschreven. Aangezien een (beleggings)dienst geen element kan zijn van een financieel instrument en bovendien geen risicoverhogend effect kan hebben op een financieel instrument heeft de term «dienst» geen toegevoegde waarde. Om verwarring bij de uitleg van de norm te voorkomen is ervoor gekozen de term niet over te nemen.

Wanneer aangenomen mag worden dat de risico’s verbonden aan de combinatie van financiële instrumenten groter zijn dan de risico’s van elke component afzonderlijk, moet de beleggingsonderneming een adequate beschrijving van de verschillende componenten van het instrument en van de risicoverhogende wisselwerking daartussen verstrekken.

Artikel 31, vijfde lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt verwerkt in het vijfde lid. Indien een financieel instrument een garantie van een derde omvat, dient de beleggingsonderneming voldoende informatie te verstrekken over de bijzonderheden van de garantie en de derde die de garantie geeft. Met deze verplichting wordt beoogd dat de niet-professionele belegger zich een behoorlijk beeld kan vormen van de garantie en de reikwijdte daarvan.

Het zesde lid dient ter omzetting van artikel 34, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Uit de considerans volgt dat met de uitvoeringsrichtlijn MiFID niet is beoogd om de inhoud van het vereenvoudigd prospectus te reglementeren of om informatie toe te voegen. Bij de implementatie van de richtlijn beleggingsinstellingen is er voor gekozen de verplichtingen met betrekking tot het verkort prospectus voor beleggingsinstellingen met zetel in Nederland op te nemen in de bepalingen over de financiële bijsluiter. Daarom is nu bepaald dat een financiële bijsluiter voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling dat voldoet aan het ingevolge artikel 66 Bgfo bepaalde, voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet als passende informatie wordt aangemerkt.

Uit de considerans volgt dat met de uitvoeringsrichtlijn MiFID niet is beoogd om de inhoud van het vereenvoudigd prospectus te reglementeren of om informatie toe te voegen.

Artikel 58d is gebaseerd op artikel 4:20, eerste lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 32 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

De beleggingsonderneming dient de informatie die zij ingevolge dit artikel aan niet-professionele beleggers moet verstrekken op grond van artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst te verstrekken. In het geval dat de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger, zijn er voor een aantal gevallen specifieke informatieverplichtingen van toepassing. De niet-professionele belegger moet op grond van het eerste lid door de beleggingsonderneming worden geïnformeerd over de omstandigheid dat een derde de financiële instrumenten of gelden namens de beleggingsonderneming kan aanhouden. De beleggingsonderneming informeert de niet-professionele belegger over haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de derde alsmede over de gevolgen van een faillissement van de derde voor de niet-professionele belegger.

Indien een derde op grond van het toepasselijke recht financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger op een omnibusrekening mag aanhouden, dient de beleggingsonderneming hem op grond van het tweede lid daarvan op de hoogte te stellen. De beleggingsonderneming dient op een duidelijke wijze te waarschuwen voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

Het derde lid bepaalt dat indien het op grond van het toepasselijke recht niet mogelijk is om bij een derde aangehouden financiële instrumenten van een cliënt te onderscheiden van de financiële instrumenten die toebehoren aan de derde of de beleggingsonderneming, de beleggingsonderneming de niet-professionele belegger hierover moet informeren en duidelijk dient te waarschuwen voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

De beleggingsonderneming informeert de niet-professionele belegger op grond van het vierde lid wanneer de rekening met financiële instrumenten of gelden van de cliënt onderworpen is aan de wetgeving van een staat die geen lidstaat is. Zij wijst op de invloed die dat kan hebben op de rechten van de cliënt die aan de financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.

De niet-professionele belegger dient op grond van het vijfde lid op de hoogte te worden gesteld door de beleggingsonderneming van het bestaan en de voorwaarden van zekerheidsrechten of voorrechten die de beleggingsonderneming heeft of kan hebben op de financiële instrumenten of gelden van de cliënt alsmede van haar eventuele recht van verrekening op deze instrumenten of gelden. De beleggingsonderneming dient de cliënt tevens te informeren indien een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, voorrecht of recht van verrekening heeft.

Geruime tijd voordat een beleggingsonderneming effectenfinancieringstransacties aangaat met betrekking tot financiële instrumenten die zij namens een niet professionele belegger aanhoudt, of van dergelijke instrumenten anderszins voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt gebruik maakt, verstrekt de beleggingsonderneming op grond van het zesde lid aan de niet- professionele belegger duidelijke, volledige en accurate informatie op een duurzame drager over de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de beleggingsonderneming met betrekking tot het gebruik van deze financiële instrumenten, met inbegrip van de voorwaarden voor restitutie ervan, alsmede over de risico´s die eruit voortvloeien. Het begrip «effectenfinancieringstransactie» is gedefinieerd in artikel 2 van de uitvoeringsverordening MiFID.

Artikel 58e is gebaseerd op artikel 4:20, eerste lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 33 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Het eerste lid dient ter omzetting van artikel 33 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming dient aan de niet-professionele belegger informatie te verstrekken over de kosten en bijbehorende lasten voor het financiële instrument, het verlenen van de beleggingsdienst of nevendienst.

Onderdeel a dient ter omzetting van artikel 33, onderdeel a en artikel 33 laatste alinea. Op grond van onderdeel a zal de beleggingsonderneming informatie moeten verschaffen over de totale prijs die de belegger moet betalen. De totale prijs omvat mede alle vergoedingen, provisies, lasten en uitgaven en alle belastingen die via de beleggingsonderneming moeten worden betaald.

De bewoordingen «met inbegrip van alle bijbehorende vergoedingen, provisies, lasten, uitgaven en alle belastingen die via de beleggingsonderneming moeten worden betaald» zijn vervangen door de term «kosten». Uit de definitie van kosten in artikel 1 van het Bgfo volgt dat onder kosten alle bedragen dienen te worden verstaan die een financiële onderneming in rekening brengt of ten laste laat komen van een cliënt. Onder het begrip kosten worden ook bedragen begrepen die door afnemers aan financiële ondernemingen moeten worden afgedragen in verband met verschuldigde belastingen die via de financiële onderneming worden geïnd (zie ook de toelichting op artikel 77, eerste lid, onderdeel h, van het Bgfo2).

Indien geen exacte prijs kan worden gegeven, verstrekt de beleggingsonderneming informatie over de grondslag voor de berekening van de totale prijs, zodat de belegger de totale prijs kan berekenen. De beleggingsonderneming zal op grond van onderdeel b alle provisies die de beleggingsonderneming in rekening brengt in elk geval afzonderlijk moeten specificeren.

Indien een deel van de totale prijs moet worden betaald in een buitenlandse valuta, dient de beleggingsonderneming dit op grond van onderdeel c te vermelden met inbegrip van de toepasselijke omrekeningskoers en wisselkosten.

Op grond van onderdeel d zal de beleggingsonderneming de mogelijkheid moeten vermelden dat transacties die verband houden met het financiële instrument of de beleggingsdienst nog andere kosten, waaronder belastingen, voor de niet-professionele belegger kunnen meebrengen die niet via de beleggingsonderneming worden betaald of door haar worden opgelegd.

De beleggingsonderneming dient ten slotte op grond van onderdeel e de niet-professionele belegger te informeren over de regelingen van betaling of andere prestaties.

Uit overweging 53 van de considerans volgt dat de te verstrekken informatie over de kosten en bijbehorende lasten ook nadere gegevens moet bevatten over de regelingen voor betaling of uitvoering van de overeenkomst voor de verrichting van beleggingsdiensten en over alle andere overeenkomsten die betrekking hebben op een financieel instrument dat wordt aangeboden. In dit verband zijn betalingsregelingen gewoonlijk van belang wanneer een contract inzake een financieel instrument wordt beëindigd middels afwikkeling in contanten. Uitvoeringsregelingen zijn gewoonlijk van belang wanneer bij beëindiging van het contract inzake een financieel instrument aandelen, obligaties, een warrant, edelmetaal of een ander instrument of een andere grondstof moeten worden geleverd.

Het tweede lid dient ter omzetting van artikel 34, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Uit de considerans volgt dat met de uitvoeringsrichtlijn MiFID niet is beoogd om de inhoud van het vereenvoudigd prospectus te reglementeren of om informatie toe te voegen. Bij de implementatie van de richtlijn beleggingsinstellingen is er voor gekozen de verplichtingen met betrekking tot het verkort prospectus voor beleggingsinstellingen met zetel in Nederland op te nemen in de bepalingen over de financiële bijsluiter. Daarom is nu bepaald dat een financiële bijsluiter voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling dat voldoet aan het ingevolge artikel 66 Bgfo bepaalde, voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet als passende informatie wordt aangemerkt.

Uit overweging 55 van de considerans van de uitvoeringsrichtlijn MiFID vloeit voort dat beleggingsondernemingen die rechten van deelneming in icbe´s distribueren, hun cliënten wel aanvullende informatie moeten verstrekken over alle andere kosten en bijbehorende lasten van de door hen verleende beleggingsdiensten in verband met rechten van deelneming in icbe´s.

Artikel 58f is gebaseerd op artikel 4:20, eerste lid, van de wet en dient ter omzetting van artikel 29, derde lid, artikel 31, eerste, tweede en vierde lid alsmede artikel 32, vierde en vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en heeft betrekking op de informatieverstrekking aan professionele beleggers.

De beleggingsonderneming moet op grond van het eerste lid de professionele belegger een algemene beschrijving verstrekken van de aard en de risico’s van de financiële instrumenten zodat hij in staat wordt gesteld om goed geïnformeerd een beleggingsbeslissing te nemen. De beleggingsonderneming mag op grond van artikel 31, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bij de invulling van de informatieverplichting rekening houden met de omstandigheid dat zij te maken heeft met een professionele belegger. Uit overweging 44 van de considerans van de uitvoeringsrichtlijn MiFID volgt dat ten aanzien van professionele beleggers minder strenge informatievoorschriften gelden.

Het tweede lid implementeert artikel 31, tweede en vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID met betrekking tot de informatieverstrekking ten aanzien van professionele beleggers. Uit artikel 31, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID vloeit voort dat de beschrijving van de risico’s dient plaats te vinden voor zover dit van belang is voor het soort instrument in kwestie en de status en kennisniveau van de professionele belegger. De uitvoeringsrichtlijn MiFID houdt met betrekking tot de verstrekking van informatie rekening met de vraag of de betrokken cliënt een niet-professionele belegger of een professionele belegger is.

Artikel 32, vijfde en zesde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID zijn – voor zover het professionele beleggers – betreft verwerkt in het derde en vierde lid.

Het vijfde lid dient ter omzetting van artikel 29, derde lid en artikel 31, eerste lid van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De informatie bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid dient voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan professionele beleggers te worden versterkt.

In het zesde lid is het bepaalde in artikel 34, eerste lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID van overeenkomstige toepassing verklaard.

R

Artikel 59 (oud) bevatte een grondslag voor de AFM om nadere regels te stellen voor de precontractuele informatieverstrekking door beleggingsondernemingen. De AFM had op basis van deze delegatiebepaling nadere regels gesteld in artikel 6:4 van de NRgfo. Artikel 6:4 NRgfo kan gelet op het geharmoniseerde karakter van MiFID worden geschrapt. Dit betekent dat ook de grondslag van artikel 59 (oud) kan komen te vervallen.

Artikel 59 (nieuw) dient ter implementatie van artikel 46, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De grondslag voor dit artikel kan worden gevonden in artikel 4:90b, tiende lid, van de wet. In artikel 46, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt de term «de dienst» gebruikt. Bedoeld wordt de dienst van het uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten voor rekening van cliënten. De norm in dit artikel ziet alleen op dienstverlening voor niet professionele beleggers. De wijze waarop de voorgeschreven informatie moet worden verstrekt (artikel 46, tweede lid, laatste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID) wordt geregeld in artikel 49a van het Bgfo. Dat wil zeggen dat de informatie ofwel op een duurzame drager (eerste lid) of via een website die niet als duurzame drager kwalificeert moet worden verstrekt. Overigens volgt uit artikel 4:90c, derde lid, van de wet dat de cliënt door een beleggingsonderneming eveneens voldoende moet worden geïnformeerd over het beleid dat zij voert in de selectie van derden bij wie zij orders met betrekking tot financiële instrumenten plaatst ter uitvoering van beslissingen in verband met het beheren van een individueel vermogen of aan wie zij orders van cliënten ter uitvoering doorgeeft. Deze informatieverplichting wordt echter niet uitgewerkt in de uitvoeringsrichtlijn MiFID en kent daarom ook in het Bgfo geen uitwerking.

S

Artikel 40 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt geïmplementeerd in artikel 69 van het Bgfo. De grondslag voor deze bepaling kan worden gevonden in artikel 19, achtste lid, van de MiFID en artikel 4:20, derde en vierde lid, van de wet.

Eerste en tweede lid

Het eerste lid dient ter implementatie van artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Het tweede lid dient ter implementatie van artikel 40, eerste lid, aanhef, onderdeel b, en de alinea na onderdeel b, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In de toelichting op artikel 4:90a, eerste lid, van de wet is uitgelegd dat een beleggingsonderneming die een individueel vermogen beheert en in dat kader uitvoering geeft aan beslissingen om namens haar cliënt handelstransacties te verrichten met betrekking tot het vermogen van de cliënt in principe ook orders voor rekening van cliënten uitvoert. Artikel 40 van de MiFID heeft geen betrekking op orders die in het kader van het beheer van een individueel vermogen zijn uitgevoerd (zie artikel 40, aanhef en eerste lid). Voor het uitvoeren van orders in het kader van het beheer van een individueel vermogen gelden immers specifieke rapportageverplichtingen die zijn neergelegd in de artikelen 41 en 42 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Deze artikelen zijn geïmplementeerd in de artikelen 70 en 71. Daarom is in het eerste lid opgenomen dat de norm alleen geldt voor andere orders dan orders die voortkomen uit handelsbeslissingen die worden genomen door een beleggingsonderneming in het kader van het beheer van een individueel vermogen van een cliënt. De wijze waarop de voorgeschreven informatie moet worden verstrekt (artikel 46, tweede lid, laatste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID) wordt geregeld in artikel 49a van het Bgfo. Dat wil zeggen dat de informatie ofwel op een duurzame drager (eerste lid) of via een website die niet als duurzame drager kwalificeert moet worden verstrekt.

In het eerste lid is het algemene beginsel vastgelegd dat onmiddellijk na de uitvoering van een order voor een cliënt de belangrijkste informatie over de uitvoering van die order moet worden verstrekt aan die cliënt. Deze verplichting geldt voor de uitvoering van orders voor alle cliënten, dat wil zeggen zowel voor professionele beleggers als voor niet-professionele beleggers.

In het tweede lid wordt vervolgens aangegeven dat wanneer orders worden uitgevoerd voor niet- professionele beleggers de term onmiddellijk moet worden ingevuld als: onverwijld, maar uiterlijk op de eerste werkdag na de uitvoering van een order, of, indien een beleggingsonderneming een bevestiging ontvangt van een derde, uiterlijk de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van deze derde, voorzover deze derde de cliënt niet reeds onmiddellijk in kennis heeft gesteld. Bovendien wordt in het tweede lid in verband met de rapportage van orders voor niet-professionele beleggers de term «belangrijkste informatie» uitgelegd als een kennisgeving. In het zesde lid wordt vervolgens uitgewerkt welke informatie de kennisgeving moet bevatten. Het tweede lid werkt de verplichting van het eerste lid dus uit voorzover orders worden uitgevoerd voor niet-professionele beleggers. Dit betekent dat indien een beleggingsonderneming met betrekking tot de uitvoering van een order voor een niet-professionele belegger voldoet aan het tweede (en eventueel vierde) lid, zij tevens voldoet aan het bepaalde in het eerste lid.

De termen «onmiddellijk» en «belangrijkste informatie» worden in de uitvoeringsrichtlijn MiFID niet verder uitgewerkt. Marktpartijen dienen zelf te bepalen wat de belangrijkste informatie is met betrekking tot het uitvoeren van een order. Wel kan worden opgemerkt dat de informatie zo snel mogelijk na uitvoering van de order aan de cliënt dient te worden verstrekt zodat hij de uitvoering van de order door de beleggingsonderneming kan controleren.

Derde lid

Het derde lid dient ter implementatie van artikel 40, eerste lid, laatste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. In dit lid is vastgelegd dat bij de uitvoering van orders die betrekking hebben op obligaties die aangewend worden ter financiering van een door een cliënt aangegaan hypothecair krediet de periode waarbinnen de cliënt dient te worden geïnformeerd over de uitvoering van de order een andere is dan de termijnen genoemd in het eerste en tweede lid. De voorgeschreven informatie dient bij de mededeling van het bedrag van de hypothecaire lening te worden verstrekt, doch uiterlijk een maand na uitvoering van de order.

Vierde lid

Het vierde lid dient ter implementatie van artikel 40, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De bepaling is alleen relevant voor een situatie waarin een beleggingsonderneming periodiek orders met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling uitvoert voor een niet-professionele belegger. In die situatie kan de betreffende beleggingsonderneming onverwijld na uitvoering van de order de cliënt kennis geven van de uitvoering van de order conform het tweede lid of de beleggingsonderneming kan de informatie ten minste éénmaal per zes maanden verstrekken aan de niet-professionele belegger.

Vijfde lid

Het vijfde lid dient ter implementatie van artikel 40, tweede lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Indien een cliënt daarom verzoekt dient een beleggingsonderneming informatie te verschaffen waaruit deze kan opmaken wat de status is van zijn order. De uitvoeringsrichtlijn MiFID geeft geen nadere invulling aan deze informatieverplichting. Het wordt uitdrukkelijk primair aan marktpartijen gelaten om invulling te geven aan deze norm.

Zesde lid

Het zesde lid dient ter implementatie van artikel 40, vierde lid, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, dient de informatie te bevatten die in dit lid wordt genoemd. De bewoordingen «voor zover van toepassing» geven aan dat het kan zijn dat de genoemde informatie voor bepaalde orders niet beschikbaar is. In dat geval is er geen verplichting tot het opnemen van die informatie in de kennisgeving.

In tabel 1 van bijlage 1 bij de uitvoeringsverordening MiFID wordt een nadere omschrijving van de in het zesde lid genoemde informatie gegeven. De melder bedoeld in onderdeel a kan de beleggingsonderneming zijn die de order heeft uitgevoerd, maar kan ook een derde zijn die namens de beleggingsonderneming kennisgeving doet van de uitvoering van een order. In overweging 64 bij de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt aangegeven dat bij soort order (onderdeel e) kan worden gedacht aan een marktorder of limietorder of enigerlei ander specifiek ordertype (stoporder bijvoorbeeld). Met de aard van de order (onderdeel i) wordt ingevolge overweging 65 bedoeld een order om in te schrijven op effecten of om een optie uit te oefenen of een soortgelijke order van een cliënt. Onder instrumentidentificatie (onderdeel g) valt het soort financieel instrument waarop de order betrekking heeft. Informatie over het soort financieel instrument omvat voor zover van toepassing tevens de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Bijvoorbeeld in het geval dat de aard van het financieel instrument een open positie met zich brengt in verband waarmee mogelijk zekerheden door de cliënt dienen te worden gesteld.

De aankoop of verkoop (onderdeel h) geeft aan of de transactie een aan- of verkoop was vanuit het oogpunt van de beleggingsonderneming die de melding verricht of indien het om een melding aan een cliënt gaat, vanuit het oogpunt van de cliënt.

Onder totale vergoeding (onderdeel l) wordt verstaan de prijs van het financieel instrument en de uitvoeringskosten. Onder totale kosten (onderdeel m) vallen de bedragen die de beleggingsonderneming in rekening brengt of ten laste laat komen van een cliënt (zie de definitie van kosten in artikel 1, onderdeel s).

In onderdeel n wordt met beleggingsrekeninggegevens bedoeld gegevens over een rekening waarop financiële instrumenten van cliënten worden aangehouden.

Zevende lid

Het zevende lid dient ter implementatie van artikel 40, vierde lid, laatste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Achtste lid

Het achtste lid dient ter implementatie van artikel 40, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

T

Artikel 70 is gebaseerd op artikel 19, achtste lid, van de MiFID en artikel 4:20, derde en vierde lid, van de wet en dient ter implementatie van artikel 41 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Dit artikel schrijft rapportageverplichtingen voor met betrekking tot uitgevoerde orders in het kader van het beheer van een individueel vermogen. De wijze waarop de voorgeschreven informatie moet worden verstrekt (artikel 46, tweede lid, laatste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID) wordt geregeld in artikel 49a van het Bgfo. Dat wil zeggen dat de informatie ofwel op een duurzame drager (eerste lid) of via een website die niet als duurzame drager kwalificeert moet worden verstrekt.

In het tweede lid is opgenomen welke gegevens het overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten dient te bevatten. In onderdeel b wordt onder beleggingsrekening verstaan een rekening waarop financiële instrumenten van cliënten worden aangehouden.

De hefboomwerking genoemd in onderdeel c heeft alleen betrekking op een mogelijke hefboomwerking die het gevolg is van een (samenstelling van een) portefeuille in financiële instrumenten waarover het vermogensbeheer wordt gevoerd. In deze context ziet de term hefboomwerking dus bijvoorbeeld niet op een hefboomwerking die ontstaat vanwege de financiering van een portefeuille met een krediet (beleggen met geleend geld).

In onderdeel c zijn de termen vergoedingen en lasten vervangen door de term kosten, vanwege de definitie van kosten in artikel 1 van het Bgfo.

Bij «corporate actions» (onderdeel g) dient te worden gedacht aan handelingen door de vennootschap die invloed kunnen hebben op de waarde van de aandelen (bijvoorbeeld de uitgifte van nieuwe aandelen). Aan niet-professionele beleggers dient eenmaal per zes maanden een overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten te worden verstrekt, behalve in bepaalde gevallen (zie het vierde lid). Een beleggingsonderneming dient haar niet-professionele beleggers erop te wijzen dat ze kunnen verzoeken om een kwartaaloverzicht van de vermogensbeheeractiviteiten.

Een cliënt (zowel een professionele als niet-professionele belegger) kan ook verzoeken om informatie per uitgevoerde transactie. De beleggingsonderneming verstrekt dan onmiddellijk na uitvoering van de transactie de belangrijkste informatie over de uitgevoerde transactie. In een dergelijk geval dient de beleggingsonderneming de niet-professionele belegger een bevestiging van de transactie te sturen waarin de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid, is opgenomen. Tenzij de derde onmiddellijk na het uitvoeren van de transactie een bevestiging die dezelfde informatie bevat aan de cliënt zendt.

Indien een niet-professionele belegger verzoekt om informatie per uitgevoerde transactie te ontvangen dan dient de beleggingsonderneming tevens jaarlijks een overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten te verstrekken. Indien de niet-professionele belegger informatie per transactie wenst te ontvangen over transacties in effecten als bedoeld in onderdeel c van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet of in financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1, verstrekt de beleggingsonderneming tevens eenmaal per zes maanden aan de cliënt een overzicht.

U

Artikel 71 (oud) bevatte een grondslag voor de AFM voor het stellen van regels met betrekking tot het verstrekken van informatie gedurende de looptijd van een overeenkomst in zake het verlenen van beleggingsdiensten. De AFM heeft op basis van deze grondslag nadere regels gesteld in artikel 6:9 van de NRgfo. Aangezien het betreffende onderwerp uitputtend is geregeld door artikel 19, derde lid, van de MiFID en de informatiebepalingen in de uitvoeringsrichtlijn MiFID is besloten om de delegatiegrondslag van artikel 71 niet langer te handhaven. Artikel 6:9 van de NRgfo is als gevolg van de uitputtende regeling in de MiFID komen te vervallen.

Artikel 71(nieuw) dient ter implementatie van artikel 42 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De grondslag voor deze bepaling is te vinden in artikel 19, achtste lid, van de MiFID en artikel 4:20, derde en vierde lid van de wet. Indien een beleggingsonderneming in het kader van een individueel vermogen voor een niet-professionele belegger transacties verricht of een beleggingsrekening (een rekening waarop financiële instrumenten van cliënten worden aangehouden) beheert waarbij sprake is van een ongedekte open positie, moet de beleggingsonderneming eventuele (zolang de positie niet wordt gesloten, niet gerealiseerde) verliezen die een van te voren tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen drempel overschrijden, melden. Dit dient te geschieden uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop de drempel wordt overschreden of wanneer de drempel op een dag die geen werkdag is wordt overschreden, aan het einde van de eerstvolgende werkdag. De bewoordingen «die een van te voren tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen drempel overschrijden» geven aan dat de verplichting alleen relevant is voorzover een beleggingsonderneming en een cliënt een drempel zijn overeengekomen.

V

Artikel 71a dient ter implementatie van artikel 43 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De grondslag voor deze bepaling is te vinden in artikel 19, achtste lid, van de MiFID en artikel 4:20, derde en vierde lid, van de wet.

Een beleggingsonderneming zendt een cliënt voor wie zij financiële instrumenten of gelden aanhoudt tenminste eenmaal per jaar een portefeuilleoverzicht, tenzij de informatie onderdeel uitmaakt van een ander periodiek overzicht (bijvoorbeeld een overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten). In het portefeuilleoverzicht is naast informatie over de financiële instrumenten of gelden die de beleggingsonderneming voor de cliënt aanhoudt tevens opgenomen of er sprake is geweest van aanwending van de effecten voor effectenfinancieringstransacties. Onder een effectenfinancieringstransactie wordt volgens de uitvoeringsverordening MiFID verstaan een opgenomen of verstrekte lening van aandelen of andere financiële instrumenten, een repo of omgekeerde repo dan wel een kooptransactie met wederverkoop of een verkooptransactie met wederinkoop.

Indien de effecten inderdaad zijn aangewend voor financieringstransacties dient de cliënt te worden geïnformeerd over de vergoeding daarvan.

W

Artikel 76 (oud) bevat een reikwijdte bepaling voor beleggingsadviseurs. Aangezien het adviseren over financiële instrumenten door de MiFID wordt aangemerkt als een beleggingsdienst, valt deze activiteit niet langer onder de regels voor financiële diensten. Dit betekent dat de bestaande uitzondering opgenomen in artikel 76 van het Bgfo voor financiële dienstverleners die beleggingsadvies verlenen kan worden geschrapt.

X

Artikel 80a is gebaseerd op artikel 4:23, derde lid, onderdelen a en b, van de wet en dient ter omzetting van artikel 35, eerste tot en met vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Het artikel is van toepassing wanneer een beleggingsonderneming adviseert over financiële instrumenten of een individueel vermogen van een cliënt beheert. Een beleggingsonderneming dient op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de wet, bij het verlenen van beleggingsadvies en het beheren van een individueel vermogen de nodige informatie in te winnen over de cliënt om de cliënt de voor hem geschikte transactie te kunnen aanbevelen. In het kader van het beheer van een individueel vermogen komt deze aanbeveling tot uitdrukking in een beslissing in verband met het beheer van het individuele vermogen door een beleggingsonderneming.

In het eerste lid is artikel 35, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID verwerkt. De beleggingsonderneming moet voor de beoordeling van de geschiktheid van een transactie voor een cliënt de gegevens over die cliënt opvragen die redelijkerwijs nodig zijn om te kunnen beoordelen of de transactie waarop haar voorgenomen aanbeveling betrekking heeft voldoet aan de criteria genoemd in de onderdelen a tot en met c.

De bewoordingen «gelet op de aard en reikwijdte van de verrichte dienst» uit de aanhef van artikel 35, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeven geen omzetting. Dit omdat in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet al is vastgelegd dat indien een financiële onderneming een cliënt adviseert of zijn vermogen beheert deze informatie over de cliënt moet inwinnen «voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies of het beheren van het individuele vermogen».

De transactie waar het advies op ziet of de transactie die in het kader van het beheer van individueel vermogen wordt aangegaan dient te voldoen aan de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de cliënt dient de beleggingsrisico’s financieel te kunnen dragen. De transactie moet bovendien van dien aard zijn dat de cliënt de nodige kennis en ervaring heeft om de risico’s van de transactie te kunnen begrijpen. Indien een transactie wordt verricht in het kader van het beheer van een individueel vermogen dan dient de cliënt wiens vermogen het betreft over de kennis en ervaring te beschikken die nodig is om te begrijpen welke risico’s verbonden zijn aan het beheer van zijn portefeuille.

Artikel 35, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt omgezet in het tweede lid. Dit lid bepaalt dat de informatie over de beleggingsdoelstelling van een cliënt gegevens dient te bevatten over de duur van de periode waarin de cliënt de belegging wenst aan te houden, de risicobereidheid van de cliënt en zijn beleggingsdoelstelling. Het element «risicoprofiel» is niet overgenomen uit artikel 35, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID, omdat de gegevens die deel uit zouden kunnen maken van zo een profiel al worden verkregen bij het opvragen van informatie over de risicobereidheid en de beleggingsdoelstelling van de cliënt. Indien het begrip risicoprofiel ruimer zou moeten worden uitgelegd en ook het opvragen van gegevens over het vermogen van een cliënt om de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel te kunnen dragen zou inhouden, dan is de beleggingsonderneming al tot het opvragen van deze informatie gehouden op grond van het eerste lid, onderdeel b.

Het derde lid dient ter omzetting van artikel 35, derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De informatie over de financiële situatie van de cliënt, zoals bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, dient, voor zover van toepassing, gegevens te bevatten over de bron en omvang van diens periodieke inkomsten, zijn vermogen (bestaande uit liquide middelen, beleggingen of onroerend goed) en financiële verplichtingen.

Het element «voorzover van toepassing» is niet overgenomen uit artikel 35, derde en vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID in het tweede en derde lid van dit artikel. In de Franse taalversie van de uitvoeringsrichtlijn MiFID ontbreken de bewoordingen. Uit de Duitse en Engelse taalversie van de uitvoeringsrichtlijn MiFID blijkt dat met deze bewoordingen is bedoeld nogmaals de notie vast te leggen dat alleen die informatie dient te worden ingewonnen die redelijkerwijs relevant is voor het advies of het beheren van het individuele vermogen. Dit uitgangspunt volgt reeds uit artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet en het eerste lid van dit artikel en behoeft niet te worden herhaald.

Artikel 35, tweede lid, tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt omgezet in het vierde lid. Indien beleggingsadvies wordt gegeven aan een professionele belegger, mag de beleggingsonderneming ervan uitgaan dat de cliënt in overeenstemming met zijn beleggingsdoelstellingen alle daarmee samenhangende beleggingsrisico’s zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, financieel kan dragen.

Het vijfde lid dient ter omzetting van artikel 35, tweede lid, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Indien de beleggingsdienst wordt verleend aan een professionele belegger, mag de beleggingsonderneming ervan uitgaan dat deze voor de transacties en diensten waarvoor hij als professionele belegger wordt aangemerkt, over de nodige kennis en ervaring als bedoeld in het eerste lid onderdeel c beschikt.

Artikel 35, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID behoeft geen omzetting, omdat deze bepaling reeds voortvloeit uit de systematiek van artikel 4:23, eerste en tweede lid, van de wet. Volgens artikel 4:23, eerste en tweede lid, van de wet mag een financiële onderneming een cliënt alleen beleggingsadvies geven of diens vermogen beheren, indien deze informatie inwint betreffende de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de cliënt, voorzover deze informatie redelijkerwijs relevant is voor het verlenen van het gevraagde advies of voor het beheer. De financiële onderneming is vervolgens gehouden haar advies of de wijze van het beheer van het individuele vermogen mede te baseren op die informatie.

Zoals is toegelicht in de vierde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wft3 komt het voorschrift dat de financiële onderneming zich dient te verdiepen in de cliënt voort uit artikel 32 van de Wet financiële dienstverlening (mede ter implementatie van artikel 12, derde lid, van de richtlijn verzekeringsbemiddeling), uit artikelen 24, onderdeel b, en 35, onderdeel b, van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (implementatie van artikel 11, eerste lid, van de richtlijn beleggingsdiensten) en artikel 28, eerste lid, van de Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002. In artikel 12, derde lid, van de richtlijn verzekeringsbemiddeling, omgezet in artikel 32 van de Wfd, zijn bewoordingen «door de klant verstrekte informatie» gebruikt. In artikel 24, onderdeel b, en 35, onderdeel b, Bte 1995 wordt gesproken over «in het belang van haar cliënten kennis nemen van […] voor zover dit redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van haar diensten» en artikel 28 van de Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 is toegelicht met de bewoordingen dat de beleggingsonderneming «kennis moet nemen van» of zich moet «vergewissen van« bepaalde informatie.

Hieruit volgt dat indien een beleggingsonderneming niet beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant is voor het verlenen van deze diensten, de genoemde diensten niet op de door artikel 4:23, eerste lid, van de wet voorgeschreven wijze kunnen worden verleend en daarom moet afzien van het verstrekken van een advies of het beheren van het vermogen van de cliënt.

Artikel 35, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat wanneer een beleggingsonderneming bij het adviseren over financiële instrumenten of het beheren van een individueel vermogen niet de op grond van artikel 19, vierde lid, van de MiFID vereiste informatie opvraagt, zij geen beleggingsdiensten of financiële instrumenten mag aanbevelen. In de Engelse taalversie van de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt echter de term «obtain» gehanteerd. In de Franse taalversie wordt gesproken over «obtenir». Beide termen kunnen worden vertaald als «(ver)krijgen». In de door haar openbaar gemaakte vragen en antwoorden in verband met de implementatie van de MiFID brengt de Europese Commissie4 het voorschrift uitdrukkelijk in verband met de situatie dat een cliënt weigert de gevraagde informatie te verstrekken aan een beleggingsonderneming. Zij verwijst dus naar omstandigheden waarin de voorgeschreven informatie is opgevraagd, maar niet verkregen door een beleggingsonderneming. Om deze redenen wordt voor de interpretatie van artikel 35, vijfde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bij de Engelse taalversie aangesloten. Het gegeven dat een beleggingsonderneming de voorgeschreven informatie niet heeft verkregen of niet op andere wijze over de informatie kan beschikken heeft tot gevolg dat deze geen beleggingsdiensten of financiële instrumenten mag aanbevelen. Het antwoord van de Europese Commissie5 op de vraag of dit ook consequenties heeft voor het beheer van een individueel vermogen ondersteunt de interpretatie dat de bewoordingen «niet mag aanbevelen» zowel betrekking hebben op de dienst beleggingsadvies als op het beheer van een individueel vermogen. Dat wil zeggen dat een beleggingsonderneming bij het ontbreken van gegevens die redelijkerwijs relevant zijn voor de voorgenomen dienstverlening geen advies over financiële instrumenten kan geven of het individueel vermogen niet kan beheren. In het laatste geval zal de beleggingsonderneming niet kunnen komen tot beslissingen in verband met het beheren van een individueel vermogen en dus ook niet tot het (doen) uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten ter uitvoering van deze beslissingen. Een bestaande beheersovereenkomst zal weliswaar niet hoeven worden te beëindigd, maar dus niet langer kunnen leiden tot de gevraagde dienstverlening. Overigens zal een beleggingsonderneming voor zijn bestaande cliënten doorgaans reeds over alle voor een beleggingsadvies of vermogensbeheer benodigde redelijkerwijs relevante informatie beschikken, aangezien de verplichting om deze informatie in te winnen voor de implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten reeds in de wet was opgenomen, namelijk in artikel 4:90 (oud), eerste lid, van de wet. Artikel 4:90 is door de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten geïntegreerd in 4:23 van de wet. Er vanuit gaande dat een beleggingsonderneming in verband met de huidige dienstverlening aan bestaande cliënten reeds over de benodigde redelijkerwijs relevante informatie beschikt, maakt het enkele feit dat een nieuwe transactie ten behoeve van een cliënt wordt verricht niet automatisch dat additionele (meer gedetailleerde) informatie moet worden opgevraagd. Wanneer een bestaande cliënt in deze omstandigheden vraagt om het verlenen van een andere beleggingsdienst (adviseren over financiële instrumenten of het beheren van een individueel vermogen) dan deze tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit heeft afgenomen of vraagt om het verlenen van een beleggingsdienst ten aanzien van een ander financieel instrument dan de financiële instrumenten in verband waarmee deze cliënt tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit transacties is aangegaan, dan dient de beleggingsonderneming te bezien of de informatie die zij al over de cliënt beschikbaar heeft voldoende is om vast te kunnen stellen dat hij de benodigde redelijkerwijs relevante informatie over de cliënt met betrekking tot diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid heeft ingewonnen om tot een adequaat advies of beheer van het individuele vermogen te kunnen komen. Op het moment dat de betreffende beleggingsonderneming tot de conclusie zou komen dat zij al over deze informatie beschikt, dan hoeft zij deze niet nogmaals op te vragen.

Een beleggingsonderneming zal van geval tot geval moeten afwegen of zij over die informatie beschikt die in redelijkheid nodig is om de geschiktheid van een transactie in een financieel instrument voor een cliënt – in termen van aansluiten bij diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid – te kunnen beoordelen. Het is lastig voor te stellen dat de geschiktheid van een transactie voor een cliënt zonder enige informatie over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid kan worden beoordeeld. In de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID is niet uitdrukkelijk geregeld tot in welke detail informatie over deze onderwerpen bekend moet zijn bij de beleggingsonderneming, opdat de beleggingsonderneming rekening kan houden met deze informatie bij het doen van aanbevelingen aan de cliënt.

Niet uitgesloten is dat in het kader van de geschiktheidtoets deelinformatie over een bepaald element van het klantprofiel kan ontbreken (wanneer een cliënt niet over de opgevraagde informatie beschikt, maar ook wanneer een cliënt een beleggingsonderneming deze informatie bewust onthoudt), mits de beleggingsonderneming redelijkerwijs tot het oordeel kan komen dat deze deelinformatie niet relevant was voor de beoordeling van de geschiktheid waardoor de beleggingsdienst adviseren of vermogensbeheer kan worden verleend. Zo is voorstelbaar dat een cliënt die uitgebreid heeft toegelicht dat hij vermogensbeheer wenst in verband met een bepaald kapitaal, een behoudende beleggingsdoelstelling heeft, dat hij de kennis en ervaring in huis heeft om te begrijpen welke risico’s verbonden zijn aan de voorgenomen dienst, weigert inzicht te geven in diens investeringen in onroerend goed. In dat geval is het lastig voorstelbaar dat het ontbreken van informatie over zijn investeringen in onroerend goed de beleggingsonderneming ervan zou moeten weerhouden het vermogen van deze cliënt te beheren. Het ontbreken van informatie over de opleiding en het beroep of, voor zover relevant, het vroegere beroep van de cliënt, zal in het kader van de geschiktheidtoets naar verwachting ook niet snel kunnen leiden tot een oordeel dat de beleggingsonderneming niet beschikte over redelijkerwijs relevante informatie om de geschiktheid van een beleggingsdienst of financieel instrument te kunnen beoordelen.

Voor de volledigheid moet hier nog worden opgemerkt dat de passenheidtoets die in verband met het verlenen van andere beleggingsdiensten dan het adviseren over financiële instrumenten of het beheren van een individueel vermogen dient te worden uitgevoerd geen nuancering kent in de zin dat alleen informatie over kennis en ervaring van de cliënt zou moeten worden opgevraagd, voor zover dit redelijkerwijs relevant zou zijn voor haar dienstverlening. Bij het verlenen van diensten waarvoor een passenheidtoets relevant is dient in alle omstandigheden informatie over kennis en ervaring van de cliënt te worden ingewonnen. Bij artikel 80c is toegelicht dat deze informatie wat de hoeveelheid betreft evenredig kan zijn aan het soort cliënt, de aard en omvang van de beleggingsdienst en het beoogde soort financiële instrument, de complexiteit ervan en de daarmee samenhangende risico’s.

Artikel 80b is gebaseerd op artikel 4:24, vijfde lid, van de wet en dient ter implementatie van artikel 36 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Een beleggingsonderneming die geen beleggingsadvies verleent of individueel vermogen beheert, dient op grond van artikel 4:24, eerste lid, van de wet, bij de cliënt informatie in te winnen zodat zij kan beoordelen of de betrokken beleggingsdienst of het financieel instrument passend is voor de cliënt. Artikel 36 uitvoeringsrichtlijn MiFID werkt deze verplichting verder uit.

Het eerste en tweede lid dienen ter implementatie van respectievelijk artikel 36, eerste en tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming dient bij de beoordeling van de passendheid vast te stellen of de cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt om te begrijpen welke risico’s aan het betrokken financiële instrument of de betrokken beleggingsdienst verbonden zijn. Daarbij mag de beleggingsonderneming in het geval van een professionele cliënt ervan uitgaan dat deze over de nodige kennis en ervaring beschikt om de risico’s die verbonden zijn aan de beleggingsdienst of het financiële instrument te begrijpen.

Uit artikel 4:24, tweede en zesde lid, van de wet volgt reeds dat indien de beleggingsonderneming uit de verkregen informatie over de kennis en ervaring van de cliënt met de beleggingsdienst of het financiële instrument concludeert dat deze niet passend is of zijn voor de cliënt, de beleggingsonderneming de cliënt moet waarschuwen en dat deze waarschuwing middels een gestandaardiseerde mededeling kan geschieden. In die omstandigheden hoeft een beleggingsonderneming de cliënt niet te weigeren de gevraagde beleggingsdienst te verrichten.

In het derde lid is overweging 59 van de considerans van de uitvoeringsrichtlijn MiFID opgenomen. Deze overweging biedt een overgangsregime voor bestaande cliënten die vóór de toepassing van MiFID een reeks handelstransacties in bepaalde financiële instrumenten hebben verricht of het verlenen van een bepaald soort beleggingsdienst hebben ervaren. Ten aanzien van deze bestaande cliënten mag de beleggingsonderneming, voor wat de passendheid betreft, na 1 november 2007 aannemen dat zij over de nodige kennis en ervaring beschikken om de risico’s die zijn verbonden aan de betreffende financiële instrumenten of beleggingsdiensten te begrijpen. Dat wil zeggen dat wanneer deze cliënt na het tijdstip van inwerkingtreding van MiFID wederom gebruik wil maken van deze beleggingsdienst of wederom transacties wenst te verrichten in verband met deze financiële instrumenten, de kennis en ervaring van die cliënt in verband met die voorgenomen transacties niet afzonderlijk opnieuw hoeft te worden getoetst.

Artikel 80c is gebaseerd op de artikelen 4:23, derde lid, onderdelen a en b, en 4:24, vijfde lid van de wet en dient ter implementatie van artikel 37 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In het eerste lid wordt artikel 37, eerste lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID omgezet. De informatie over de ervaring en kennis van de cliënt op beleggingsgebied die de beleggingsonderneming op grond van de artikelen 4:23, eerste lid, voorzover deze redelijkerwijs relevant is voor een advies over financiële instrumenten of het beheer van een individueel vermogen, en 4:24, eerste lid, moet inwinnen dient een evenredige hoeveelheid gegevens te bevatten. De informatie dient gegevens te bevatten over het soort beleggingsdienst, transactie en financiële instrument waarmee de cliënt vertrouwd is. Daarnaast moeten gegevens over de aard, het volume en de frequentie van de transacties van de cliënt in financiële instrumenten en de periode waarover deze zijn verricht alsmede de opleiding en het (voor zover relevant vroegere) beroep van de cliënt worden opgevraagd. Deze gegevens kunnen evenredig zijn aan het soort cliënt, de aard en omvang van de te verrichten beleggingsdienst, het beoogde soort financiële instrument, de complexiteit ervan en de eruit voortvloeiende risico’s. Dit betekent dat de beleggingsonderneming van geval tot geval moet beoordelen of zij voldoende informatie over de kennis en ervaring van de cliënt op beleggingsgebied beschikt om zijn begrip van een beleggingsdienst of financieel instrument te kunnen beoordelen.

In onderdeel c is het voorschrift vastgelegd dat ook de opleiding of het beroep of, voor zover relevant, het vroegere beroep van de cliënt dient te worden opgevraagd in het kader van de toetsing van zijn kennis en ervaring. De opleiding of het (voormalige) beroep van de cliënt kan voor de beleggingsonderneming een indicatie zijn van het aanwezig zijn van kennis en ervaring op beleggingsgebied bij de cliënt. Dit zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer een element van de door de cliënt genoten opleiding het verwerven van kennis over de handel in beleggingsproducten was of wanneer een cliënt in de uitoefening van een beroep handelt of heeft gehandeld in beleggingsproducten. Uit de informatie die een beleggingsonderneming dient op te vragen vanwege de onderdelen a en b heeft de beleggingsonderneming het niveau van kennis en ervaring van een cliënt mogelijk reeds opgemaakt. Het niet hebben gevolgd van een opleiding op beleggingsgebied of het werkzaam zijn (geweest) op het gebied van beleggingen doet dan aan de geconstateerde kennis en ervaring niets af.

Het tweede en derde lid dienen ter omzetting van artikel 37, tweede en derde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De beleggingsonderneming mag de cliënt er niet toe aanzetten om de op grond van de artikelen 4:23, eerste lid, onderdeel a, en 4:24, eerste lid, van de wet benodigde informatie niet te verstrekken. Daarnaast mag de beleggingsonderneming in beginsel af gaan op de informatie die door de cliënt wordt verstrekt. Dit leidt uitzondering indien de beleggingsonderneming weet of zou moeten weten dat de door de cliënt verstrekte informatie duidelijk gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is. De term «duidelijk» is niet overgenomen in het derde lid. Bij het stellen van de norm dat een beleggingsonderneming weet of zou moeten weten dat de door de cliënt verstrekte informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is wordt er immers al van uit gegaan dat het voor de beleggingsonderneming duidelijk is of zou moeten zijn dat de betreffende informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is.

Artikel 80d is gebaseerd op artikel 4:24, vierde lid, onderdeel e, van de wet en dient ter implementatie van artikel 38 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Vanwege het opnemen van deze verplichting in het Bgfo kan artikel 38 van de Vrijstellingsregeling Wft komen te vervallen.

De beleggingsonderneming dient op grond van artikel 4:24, eerste lid, van de wet in beginsel informatie in te winnen en de passendheid van het aangeboden financiële instrument of de beleggingsdienst te beoordelen. Op grond van artikel 19, zesde lid, van de MiFID geldt een uitzondering die in artikel 4:24, vierde lid, van de wet is opgenomen. De verplichting tot het inwinnen van informatie en het beoordelen van de passendheid geldt niet indien de beleggingonderneming op initiatief van de cliënt orders uitvoert of orders ontvangt dan wel doorgeeft in verband met niet complexe financiële instrumenten. Artikel 38 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt onder welke voorwaarden een financieel instrument dat niet is genoemd onder artikel 19, zesde lid, eerste streepje, van de MiFID, eveneens als niet-complex kan worden aangemerkt. Het financiële instrument dient niet te vallen onder onderdeel c van de definitie van effecten in artikel 1:1 van de wet en dient ook niet te begrijpen te zijn onder de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet. Bovendien dient zich regelmatig een gelegenheid voor te doen om het financiële instrument te gelde te kunnen maken. Daarnaast dient het financiële instrument geen andere verplichtingen met zich te brengen dan de betaling van de aanschaffingskosten (de prijs van het financiële instrument vermeerderd met de uitvoeringskosten) en dient er voldoende informatie over de kenmerken van het financiële instrument beschikbaar te zijn. Afhankelijk van de precieze kenmerken van het instrument kunnen bijvoorbeeld rechten van deelneming in beleggingsinstellingen (rechten van deelneming in zogenaamde nationale beleggingsinstellingen, waaronder ook begrepen rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met zetel in een door de minister van Financiën aangewezen staat waar toezicht op beleggingsinstellingen wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen) die niet kwalificeren als rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten als niet complex financieel instrument kwalificeren.

Y

Na artikel 80d wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd.

Z

Artikel 84 (oud) komt te vervallen. De norm dat de AFM regels dient te stellen die ertoe strekken dat een beleggingsonderneming handelt in het belang van haar cliënten kan niet worden gecontinueerd, omdat de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID vanwege het uitgangspunt van totale harmonisatie geen andere uitwerking van de gestelde normen toelaten. Daarmee komt ook de grondslag voor artikel 6:11, de verplichting dat beleggingsondernemingen in het belang van hun cliënten moeten handelen en 6:13, de verplichting die strekt tot een snelle en efficiënte uitvoering van een order tegen de beste prijs, van de NRgfo te vervallen.

Artikel 6:12, eerste lid, van de NRgfo, het verbod op churning, komt weliswaar te vervallen in de nadere regeling, maar wordt in verband met het normstellende karakter van overweging 57 bij de uitvoeringsrichtlijn MiFID opgenomen in artikel 84 (nieuw) Bgfo en is gebaseerd op artikel 4:25, eerste lid, van de wet. Het verbod op churning komt voort uit de algemene verplichting die rust op een beleggingsonderneming om zich bij het verlenen van beleggingsdiensten op een eerlijke, billijke professionele wijze in te zetten voor de belangen van haar cliënten (artikel 4:90, eerste lid, van de wet). Dat wil zeggen dat een beleggingsonderneming vanwege de algemene zorgplicht die op haar rust gehouden is zich te onthouden van het uitvoeren van transacties voor rekening van cliënten met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beleggingsonderneming. Dit behoudens er sprake is van transacties waarvoor de cliënt op eigen initiatief uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven. Overweging 57 bij de uitvoeringsrichtlijn MiFID zegt hierover dat een reeks transacties die ieder afzonderlijk beschouwd geschikt zijn voor een cliënt, ongeschikt kunnen zijn, als de aanbeveling of de handelsbeslissingen op elkaar volgen in een frequentie die niet in het belang van de cliënt is. Bij vermogensbeheer kan een transactie ook ongeschikt zijn als deze resulteert in een ongeschikte portefeuille. De norm die gesteld is in artikel 6:12, tweede lid, van de NRgfo en stelt dat een beleggingsonderneming zich in het belang van de cliënt dient te onthouden van het in rekening brengen van onevenredig hoge commissies of andere vergoedingen komt niet terug in de MiFID en komt daarom wel te vervallen in het NRgfo. Dit neemt niet weg dat een beleggingsonderneming vanwege de zorgplicht die zij jegens haar cliënten heeft dient af te zien van onevenredig hoge commissies of vergoedingen.

AA

Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt gewijzigd in verband met de nieuwe defintie van het begrip «beleggingsonderneming».

BB

Opschrift van paragraaf 14.1. wordt gewijzigd in verband met de nieuwe defintie van het begrip «beleggingsonderneming».

CC

Artikel 164 dient ter implementatie van artikel 47 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Het ziet op algemene beginselen die gelden voor de verwerking van orders van cliënten. De grondslag voor dit artikel kan gevonden worden in artikel 4:90, tweede lid, van de wet (artikel 19, eerste lid, van de MiFID) en artikel 4:90d, vierde lid, van de wet (artikel 22, eerste lid, van de MiFID).

Artikel 164 (oud) komt te vervallen en daarmee ook de grondslag voor artikel 6:10 van de NRgfo. Beide bepalingen zien op de verplichting voor beleggingsondernemingen om gegevens over verrichte transacties in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering aan een markt in financiële instrumenten te rapporteren aan de AFM. Een soortgelijke verplichting is opgenomen in artikel 4:90e van de wet ter implementatie van artikel 25, tweede tot en met zesde lid, van de MiFID.

DD

Artikel 164a over de samenvoeging en toewijzing van orders dient ter implementatie van artikel 48 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De grondslag kan gevonden worden in artikel 4:90, tweede lid, van de wet (artikel 19, eerste lid, van de MiFID) en artikel 4:90d, vierde lid, van de wet (artikel 22, eerste lid, van de MiFID).

Artikel 164b dient ter implementatie van artikel 49 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID en ziet op de samenvoeging en toewijzing van transacties voor eigen rekening. De grondslag kan gevonden worden in artikel 4:90, tweede lid, van de wet (artikel 19, eerste lid, van de MiFID) en artikel 4:90d, vierde lid, van de wet (artikel 22, eerste lid van de MiFID).

EE en FF

Artikel 4:87, derde lid, van de wet is de grondslag voor het bij amvb stellen van nadere regels met betrekking tot de bescherming van de rechten van cliënten op financiële instrumenten en gelden die een beleggingsonderneming onder zich houdt.

In de NRgfo is, op basis van artikel 165 van het Bgfo, geregeld hoe verschillende soorten beleggingsondernemingen in de zin van de wet uitvoering kunnen geven aan de verplichtingen op het gebied van vermogensscheiding (artikelen 6:14 tot en met 6:20 en daarmee verband houdend de artikel 6:1 en artikel 9:26 van Bijlage 9 ). Naleving van de regels met betrekking tot vermogensscheiding moet voorkomen dat financiële instrumenten die toebehoren aan cliënten bij een faillissement van de beleggingsonderneming in de boedel vallen.

De artikelen 165 tot en met 165c dienen ter implementatie van de artikelen 16 tot en met 19 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. In artikel 165 wordt artikel 16 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID geïmplementeerd. Artikel 16, tweede en derde lid, draagt de lidstaten op om voor te schrijven welke maatregelen een beleggingsonderneming moet nemen indien aan bepaalde verplichtingen niet voldaan kan worden. Dit is in artikel 165, tweede lid, zo vertaald dat aan de AFM wordt opgedragen nader te regelen hoe verschillende soorten beleggingsondernemingen in de zin van de Wft uitvoering kunnen geven aan de verplichtingen op het gebied van vermogensscheiding. De huidige bepalingen in de Nadere regeling op het gebied van vermogenscheiding, zoals hiervoor genoemd, zullen gehandhaafd worden.

Deze bepalingen zijn noodzakelijk, omdat de uit de uitvoeringrichtlijn overgenomen bepalingen niet volledig de goederenrechtelijke bescherming van cliënten van beleggingsondernemingen in geval van faillissement regelen. De bepalingen schrijven met name organisatorische en administratieve maatregelen voor. In de Nadere Regeling wordt nader bepaald hoe een beleggingsonderneming aan het vereiste van vermogenscheiding kan voldoen. Voor wat betreft de financiële instrumenten kan dit onder meer door het gebruik van een zgn. beleggersgiro, door het bewaren van de financiële instrumenten overeenkomstig de Wet giraal effectenverkeer of het onderbrengen van de financiële instrumenten in een apart bewaarbedrijf.

Omdat deze regels in verband met een voorgenomen wetswijzing zullen worden herzien zijn deze bepalingen niet overgenomen in het Bgfo, maar worden ze – voorlopig – gehandhaafd op het niveau van de toezichthouder.

Op dit moment wordt een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet giraal effectenverkeer voorbereid. Deze wijziging zal onder meer zoveel mogelijk het gebruik van aparte bewaarbedrijven voor de goederenrechtelijke bescherming overbodig maken. Als deze wijziging wordt doorgevoerd zal de Nadere regeling herzien moeten worden en overwogen worden deze bepalingen in het Bgfo op te nemen.

Een herziening is noodzakelijk, omdat de noodzaak van aparte bewaarbedrijven door de voorgestelde wijziging van de Wge vervalt.

Met een in artikel 165c genoemde omnibusrekening wordt bedoeld een rekening waarop financiële instrumenten voor rekening van verschillende personen kunnen worden aangehouden.

Artikel 165d dient ter implementatie van artikel 20 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Een hier bedoeld rapport dient meer te bevatten dan een aantekening dat regels omtrent vermogensscheiding bij de beleggingsonderneming aanwezig zijn. Uit het rapport dient te blijken dat de beleggingsonderneming in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 165 tot en met 165 c.

De uitvoeringsrichtlijn MiFID introduceert hiermee een nieuwe verplichting voor de beleggingsonderneming.

Voor inwerkingtreding van de MiFID bestond voor de accountant in het kader van de Richtlijn voor Accountantscontrole nr. 250 al wel de plicht om bij de controle van de jaarrekening algemeen inzicht te verwerven in het stelsel van wet- en regelgeving. Hieronder valt, naast de wet- en regelgeving die direct van belang is voor het opstellen van de jaarrekening, ook wet- en regelgeving die een wettelijk kader voor het handelen van de huishouding schept en de voorwaarden bevat die bepalend zijn voor de wijze waarop de huishouding haar activiteiten uitoefent.

Dit betekent dat de accountant in het kader van het opstellen van de jaarrekening ingevolge de Richtlijn voor Accountantscontrole nr. 250 reeds de plicht heeft gesignaleerde onregelmatigheden in wet- en regelgeving bij de controle van de jaarrekening aan de AFM te melden. Hieronder vallen dus tevens wet- en regelgeving ten aanzien van vermogensscheiding. Deze meldingsplicht vloeit voort uit artikel 4:27, eerste lid, van de wet.

Deze nieuwe verplichting van de beleggingsonderneming betekent voor de accountant dat hij naast de bestaande controle een verslag uitbrengt waarin expliciet de deugdelijkheid wordt getoetst van de maatregelen die de beleggingsonderneming ingevolge de artikelen 165 tot en met 165 c heeft getroffen.

GG

Artikel 167 is gebaseerd op artikel 4:88, derde lid, van de wet en dient ter implementatie van artikel 21 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 167 bepaalde voorheen dat de AFM regels kan stellen met betrekking tot het in artikel 4:88, eerste lid, van de wet bedoelde beleid. In plaats daarvan zijn regels over dit onderwerp, ter uitvoering van de uitvoeringsrichtlijn MiFID, thans in dit artikel en in artikel 167a en in artikel 167b opgenomen.

Artikel 21 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bevat een opsomming van een aantal situaties die kunnen leiden tot belangenconflicten waardoor belangen van een cliënt kunnen worden geschaad. Een beleggingsonderneming dient bij het verlenen van beleggings- of nevendiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten over beleid te beschikken dat gericht is op het signaleren van dergelijke situaties.

HH

Artikel 167a is gebaseerd op artikel 4:88, derde lid, van de wet en dient ter implementatie van artikel 22 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Het eerste lid strekt tot implementatie van artikel 22, eerste lid, eerste alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Overweging 25 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID bepaalt dat belangenconflicten alleen mogen worden gereglementeerd wanneer een beleggingsonderneming een beleggings- of nevendienst verricht. De status van de cliënt voor wie de dienst wordt verricht is in dit verband niet van belang. Met de status van de cliënt wordt bedoeld of deze is geclassificeerd als een niet-professionele belegger, een professionele belegger of een in aanmerking komende tegenpartij.

Het tweede lid van het artikel strekt tot implementatie van artikel 22, eerst lid, tweede alinea, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Dit lid ziet op het geval dat een beleggingsonderneming deel uitmaakt van een groep. Overweging 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID stelt hierover dat beleggingsondernemingen zich ten doel moeten stellen de belangenconflicten die zich in de afzonderlijke divisies en bij de activiteit van hun groep voordoen, in het kader van een alomvattend beleid inzake belangenconflicten te onderkennen en te beheren.

Het derde lid strekt tot implementatie van artikel 22, tweede lid, onder a, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. De omstandigheden die moeten worden omschreven, moeten betrekking hebben op gevallen waarin er een conflict bestaat tussen enerzijds de belangen van de beleggingsonderneming of bepaalde personen die verbonden zijn met de beleggingsonderneming of de groep waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt, en anderzijds de plicht van de beleggingsonderneming jegens de cliënt, dan wel tussen de belangen van twee of meer van haar cliënten jegens wie de beleggingsonderneming een plicht heeft.

Uit overweging 24 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID volgt dat de omstandigheden die moeten worden behandeld als omstandigheden die een belangenconflict doen ontstaan, betrekking moeten hebben op gevallen waarin er een conflict bestaat tussen enerzijds de belangen van de beleggingsonderneming of relevante personen die verbonden zijn met de beleggingsonderneming of de groep waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt, en anderzijds de plicht van de beleggingsonderneming jegens de cliënt, dan wel tussen de belangen van twee of meer van haar cliënten jegens wie de beleggingsonderneming een plicht heeft. Het feit dat een beleggingsonderneming een voordeel kan behalen zonder dat daar een mogelijk nadeel voor een cliënt tegenover staat, of dat een cliënt jegens wie de beleggingsonderneming een plicht heeft, een voordeel kan behalen zonder dat daar een verlies voor een van haar andere cliënten tegenover staat, is op zich niet voldoende.

Overweging 26 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID geeft aan dat een beleggingsonderneming, teneinde te voldoen aan haar verplichting om een beleid inzake belangenconflicten vast te stellen dat de omstandigheden omschrijft die een belangenconflict vormen of kunnen doen ontstaan, bijzondere aandacht moet besteden aan onderzoek op beleggingsgebied en de verlening van beleggingsadvies, handel voor eigen rekening, vermogensbeheer en activiteiten op het gebied van bedrijfsfinanciering, met inbegrip van het overnemen of verkopen bij een aanbieding van effecten en de advisering over fusies en overnamen.

Het vierde lid strekt tot implementatie van artikel 22, tweede lid, onder b, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Hierin wordt bepaald dat het vastgestelde beleid inzake belangenconflicten de te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het beheer van een belangenconflict moet vermelden.

Artikel 167b is gebaseerd op artikel 4:88, derde lid, van de wet en dient ter implementatie van artikel 22, vierde lid, van de uitvoeringsrichtlijn MiFID. Hierin is bepaald dat bekendmaking aan cliënten overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de MiFID plaatsvindt op een duurzame drager en afhankelijk van de aard van de cliënt, voldoende bijzonderheden bevat om deze cliënt in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen ten aanzien van de beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten in verband waarmee het belangenconflict rijst.

Artikel 18, van de MiFID is geïmplementeerd in artikel 4:88 van de wet. Artikel 4:88, tweede lid, van de wet bepaalt dat ingeval een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn, de beleggingsonderneming ervoor zorgt dat haar cliënten op billijke wijze worden behandeld. In dat geval stelt een beleggingsonderneming – alvorens over te gaan tot het doen van zaken – haar cliënten op de hoogte van het belangenconflict.

Deze bepaling schrijft voor op welke wijze een dergelijke mededeling dient te geschieden.

Uit overweging 27 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID volgt dat, hoewel belangenconflicten die mogelijkerwijs een risico met zich brengen dat de belangen van de cliënt worden geschaad, openbaar moeten worden gemaakt een overmatige nadruk op openbaarmaking zonder voldoende aandacht voor de wijze waarop de conflicten het best kunnen worden beheerd, niet is toegestaan.

II

Artikel 168a Bgfo strekt tot implementatie van artikel 26 uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Artikel 26 uitvoeringsrichtlijn MiFID werkt artikel 19 lid 1 MiFID nader uit. Deze laatste bepaling is omgezet in artikel 4:90 eerste lid van de wet. Het tweede lid van artikel 4:90 van de wet verstrekt vervolgens de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent onder meer het verschaffen of ontvangen van een provisie bij het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.

Hoofdstuk 14 van het Bgfo bevat regels ter uitvoering van bepalingen uit afdeling 4.3.7 van de wet, waar artikel 4:90 onder valt. Deze afdeling en bijgevolg hoofdstuk 14 heeft enkel betrekking op beleggingsondernemingen. Zodoende is artikel 26 uitvoeringsrichtlijn MiFID in dit hoofdstuk geïmplementeerd.

In de uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt gesproken over «de verrichting van een beleggings- of nevendienst ten behoeve van een cliënt». Deze zinsnede is echter in het besluit gewijzigd in «het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst» vanwege de aansluiting bij de definitie van het verlenen van beleggingsdiensten waaruit volgt dat beleggingsdiensten enkel ten behoeve van een cliënt kunnen worden verleend. De gebezigde term dienst in de volgende leden refereert naar beleggings- en nevendienst. Verder wordt in dit artikel slechts het begrip provisie gebezigd, alwaar de uitvoeringsrichtlijn spreekt over vergoeding, provisie als niet-geldelijke voordeel, vanwege het feit dat provisie eveneens vergoedingen en niet-geldelijke voordelen omvat.

Eerste lid

Het eerste lid vult 4:90, eerste lid, van de wet nader in, en dan met name het vereiste dat een beleggingsonderneming zich op loyale, billijke en professionele wijze inzet bij het verlenen van beleggingsdiensten en nevendiensten. Andere bepalingen in het Bgfo kleden deze verplichting uit de wet verder in. Vervolgens wordt hierop een uitzondering gemaakt voor vergoedingen die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de betreffende dienst of dit mogelijk maken. Vergoedingen heeft enkel betrekking op een geldelijke betaling. Er kan dan gedacht worden aan bewaarloon, afwikkelings- en beursvergoedingen, wettelijke heffingen of juridische kosten. De beleggingsonderneming blijft evenwel onderhevig aan de verplichting van artikel 4:90, eerste lid, van de wet om zich op loyale, billijke en professionele wijze in te zetten voor de belangen van haar cliënt.

In de uitvoeringsrichtlijn MiFID is deze uitzondering opgenomen in artikel 26, onderdeel c tezamen met de andere uitzonderingsgronden. Bij de implementatie is gekozen om deze uitzonderingen te splitsen aangezien de onderhavige uitzondering bewerkstelligt dat bepaalde provisies toegestaan zijn, terwijl de andere twee uitzonderingsgronden betrekking hebben op de rechtsbetrekking waarin de provisie wordt verschaft. Daarnaast zijn de zojuist genoemde voorbeelden van noodzakelijke vergoedingen niet in de wettekst opgenomen, aangezien het geen limitatieve opsomming betreft.

Tweede lid

In dit lid zijn de onderdelen a en b van artikel 26 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID geïmplementeerd. Het staat de verschaffing van een provisie toe indien dit tussen de beleggingsonderneming en haar cliënt geschiedt; ofwel de beleggingsonderneming geeft de provisie door aan de cliënt, ofwel de cliënt verstrekt de provisie zelf en is er zodoende van op de hoogte. Juist in de verhouding beleggingsonderneming en derde is het van belang om waarborgen te bieden voor een loyale, billijke en professionele inzet van de beleggingsonderneming voor de cliënt vanwege eventuele al dan niet financiële prikkels die voornoemde inzet kunnen doorkruisen. Dergelijke provisies dienen openbaar te worden gemaakt, mogen geen afbreuk doen aan voornoemde inzet van de beleggingsonderneming, en dienen bovendien ten goede te komen aan de kwaliteit van de te verrichten dienst aan de cliënt. Ingeval van beleggingsadvies wordt geacht aan het laatste te zijn voldaan indien het advies niet door de provisie wordt beïnvloed.

Derde lid

Dit lid strekt ter implementatie van de laatste alinea van artikel 26 uitvoeringsrichtlijn MiFID. Het biedt beleggingsondernemingen de mogelijkheid om de transparantieverplichting van het derde lid in samengevatte vorm te verstrekken. Essentiële voorwaarden mogen hierin echter niet ontbreken, opdat de cliënt nog altijd een goed inzicht wordt geboden in de provisiebepalingen die van invloed zouden kunnen zijn op de verhouding tussen de derde en de beleggingsonderneming. De uitvoeringsrichtlijn stelt bovendien het vereiste dat een beleggingsonderneming desgevraagd nadere bijzonderheden dient te verstrekken aan de cliënt, en deze verplichting vervolgens ook nakomt. Het is hiertoe noodzakelijk dat de cliënt op de hoogte wordt gesteld door de beleggingsonderneming van de mogelijkheid om te kunnen verzoeken om nadere informatie, zodat deze norm eveneens is opgenomen in het derde lid.

Vierde lid

Ingeval een persoon handelt namens de cliënt of de derde, dan geldt het bepaalde van het tweede lid onder respectievelijk 1 en 2, met als verschil dat voor de cliënt, onderscheidenlijk derde, deze persoon dient te worden gelezen. In artikel 26 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID is deze derde meegenomen bij de betreffende uitzonderingsbepalingen. Dit maakte de norm echter dermate ingewikkeld dat besloten is om dit middels een apart lid te reguleren.

Artikel 8 Wijziging Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft

Met de implementatie van de MiFID is de reikwijdte van de verplichting voor beleggingsondernemingen om deel te nemen aan het beleggerscompensatiestelsel opgenomen in artikel 3:258, eerste lid, onderdeel b, van de wet. De wijziging van artikel 8, eerste lid, onderdeel b beoogt de reikwijdte van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft daarmee in overeenstemming te brengen.

In het tweede lid worden beleggingsondernemingen die enkel beleggingsactiviteiten verrichten in de zin van artikel 1:1 van de wet uitgesloten van het beleggerscompensatiestelsel. In het tweede lid zijn bovendien financiële ondernemingen die adviseren over financiële instrumenten uitgezonderd van verplichte deelname aan het beleggerscompensatiestelsel. De genoemde beleggingsondernemingen houden uit hoofde van hun activiteiten en dienstverlening geen financiële instrumenten voor cliënten en kunnen om die reden buiten het toepassingsbereik van het beleggerscompensatiestelsel vallen.

Artikel 9 Wijziging Besluit marktmisbruik Wft

De artikelen 20 tot met 29 van het Besluit marktmisbruik Wft zijn op 1 januari 2007 in werking getreden ter vervanging van de effectentypische gedragsregels die tot die tijd waren opgenomen in de Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 van de AFM. Deze artikelen zijn niet gebaseerd op een richtlijn. De artikelen 35c tot en met 35f van het Bgfo strekken tot implementatie van de op het principe van totale harmonisatie gebaseerde artikelen 11 en 12 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Bij totale harmonisatie mag op geen enkele wijze worden afgeweken van de normen in een richtlijn. Dat wil zeggen dat er geen andere formulering van de normen mag worden gekozen, dat een gedeeltelijke overname van de bepalingen niet volstaat en dat er geen uitbreidingen van of toevoegingen aan de normen mogen worden gedaan. Bovendien moet nationale wet- en regelgeving die conflicteert met de betreffende normen worden ingetrokken.

Daarom zijn de artikelen 24 tot en met 29 van het Besluit marktmisbruik Wft niet langer van toepassing op een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de Wft. Deze moet namelijk aan de artikelen 35c tot en met 35f van het Bgfo voldoen, waar vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen inzake persoonlijke transacties.

Artikel 10 Wijzigingen Besluit boetes Wft

Artikel 1:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) geeft de toezichthouders (de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank) de bevoegdheid om ter zake van overtreding van het ingevolge de Wft bepaalde een bestuurlijke boete op te leggen. Artikel 1:81, eerste lid, van de Wft bepaalt dat het bedrag van de bestuurlijke boete bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. Het Besluit boetes Wft is aangepast ingevolge de implementatie van de MiFID. Ten gevolge van de MiFID zijn beboetbare bepalingen ingevoegd in het Besluit boetes Wft. Deze bepalingen zijn afkomstig uit nieuwe of gewijzigde bepalingen in de Wet op het financieel toezicht, het Besluit Prudentiële regels Wft, het Besluit gedragstoezicht financiële markten Wft, het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en de uitvoeringsverordening MiFID. Bij de beboetbaarstelling van de bepalingen is geen wijziging beoogd wat betreft het systeem van oplegging en de hoogte van de boete.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele omissies te herstellen. Ook voor de bepalingen die worden toegevoegd als herstel van omissies geldt dat geen inhoudelijke wijzigingen worden beoogd.

Artikel 11 Wijziging Besluit bekostiging financieel toezicht

De in dit besluit opgenomen wijziging van artikel 8, eerste lid, onderdelen g en h, van het Besluit bekostiging financieel toezicht houdt verband met de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten. Die wet strekt tot wijziging van de Wft en tot implementatie van de MiFID en de uitvoeringsrichtlijn MiFID.

In de artikelen 7 en 8 zijn de verschillende categorieën van onder toezicht staande financiële ondernemingen bepaald waaraan de kosten, bedoeld in artikel 5 van het besluit, worden toegerekend. Bij de categorie-indeling wordt onderscheid gemaakt naar de uitvoering van werkzaamheden door DNB en de AFM. In artikel 8 zijn de categorieën van financiële ondernemingen opgenomen ten behoeve waarvan de AFM werkzaamheden uitvoert.

Bij de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten wordt onder meer de in artikel 1:1 van de Wft opgenomen definitie van «verlenen van beleggingsdiensten» gewijzigd. Voorts wordt in artikel 1:1 een definitie van «verrichten van een beleggingsactiviteit» opgenomen. In verband met deze wijzigingen van de Wft wordt het aantal in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, opgenomen categorieën van onder toezicht staande beleggingsondernemingen uitgebreid en heringedeeld. Hierbij wordt aangesloten bij de in vorenbedoelde definities opgenomen indeling van beleggingsdiensten respectievelijk beleggingsactiviteiten. Omdat het zeer uiteenlopende activiteiten betreft zullen de werkzaamheden van de toezichthouders bij beleggingsondernemingen verschillen al naar gelang de beleggingsactiviteit(en) en/of beleggingsdiensten die een beleggingsonderneming verricht.

Artikel 8, eerste lid, onderdeel h, wordt gewijzigd omdat de definitie van «markt in financiële instrumenten» in de Wft komt te vervallen. In het gewijzigde onderdeel h is aangesloten bij het in artikel 1:1 van de Wft opgenomen (nieuwe) begrip marktexploitant: degene die een gereglementeerde markt exploiteert of beheert. Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdeel h, zijn vier categorieën van gereglementeerde markten onderscheiden: een gereglementeerde markt uit Nederland waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wft, een gereglementeerde markt uit Nederland waarvoor een ontheffing is verleend als bedoeld in het derde lid van artikel 5:26, een gereglementeerde markt uit een andere lidstaat van de Europese Unie en ten slotte een gereglementeerde markt van buiten de Europese Unie.

Voor een marktexploitant die tevens een beleggingsonderneming is, omdat hij een MTF exploiteert, kunnen de toezichtskosten op basis van artikel 17 worden gematigd, aangezien voorwaarden die al getoetst zijn in het kader van de vergunningverlening voor het exploiteren van een MTF uiteraard niet opnieuw worden getoetst.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele aanpassingen van technische aard door te voeren.

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Bijlage

Transponeringstabel richtlijn 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) naar het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Artikelen

Geïmplementeerd in de artikelen

Artikel 1

Behoeft geen implementatie

Artikel 2

Artikel 1 van het Bgfo

Artikel 2, eerste lid

Definitie is niet nodig

Artikel 2, tweede lid

Artikel 1:1 van de wet

Artikel 2, derde lid

Artikel 1 van het Bgfo

Artikel 2, vierde lid

Artikel 1 van het Bgfo

Artikel 2, vijfde lid

Artikel 2:24b BW

Artikel 2, zesde lid

Artikel 1:1 van de wet

Artikel 2, zevende lid

Artikel 1 van het Bgfo en artikelsgewijze toelichting

Artikel 2, achtste lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 2, negende lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 3, eerste lid

Artikel 49a, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 3, tweede lid

Artikel 49a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 3, derde lid

Artikel 49a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 4

Behoeft geen implementatie

Artikel 5, eerste lid

Artikel 31 van het Bgfo; artikel 22a van het Bpr1

Artikel 5, tweede lid

Artikel 31b van het Bgfo

Artikel 5, derde lid

Artikel 31b van het Bgfo

Artikel 5, vierde lid

Artikelen 3:72 en 4:84, van de wet

Artikel 5, vijfde lid

Artikel 31, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 6

Artikel 31c van het Bgfo; artikel 21 van het Bpr

Artikel 7

Artikelen 23 en 24b van het Bpr

Artikel 8

Artikel 31a van het Bgfo; artikelen 17, vierde lid, en 17a van het Bpr

Artikel 9

Artikel 24b, tweede lid, van het Bpr; artikel 31, 31a en 31c van het Bgfo

Artikel 10

Artikelen 39 tot en met 41 van het Bgfo

Artikel 11

Artikel 1 van het Bgfo

Artikel 12, eerste lid, aanhef

Artikel 35c, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 12, eerste lid, onderdelen a tot en met f

Artikel 35c, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 12, tweede lid, onderdeel a

Artikel 35d van het Bgfo

Artikel 12, tweede lid, onderdeel b, eerste alinea

Artikel 35e, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 12, tweede lid, onderdeel b, tweede alinea

Artikel 35e, derde lid, van het Bgfo

Artikel 12, tweede lid, onderdeel c

Artikel 35e, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 12, derde lid

Artikel 35f van het Bgfo

Artikel 13, eerste lid

Artikel 1:1 van de wet

Artikel 13, tweede lid

Artikel 1:1 van de wet

Artikel 14, eerste lid, aanhef

Artikel 3:18, eerste lid en 4:16, eerste lid, van de wet

Artikel 14, eerste lid, onderdelen a–d

Artikel 38c, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 14, tweede lid, eerste alinea

Artikel 38b, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 14, tweede lid, tweede alinea

Artikel 38 d, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 14, derde lid

Artikel 38 d, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 14, vierde lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 14, vijfde lid

Artikel 1:74, tweede lid, van de wet

Artikel 15, eerste lid

Artikel 38e, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 15, tweede lid

Artikel 38e, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 15, derde lid

Artikel 38e, derde lid, van het Bgfo

Artikel 15, vierde lid

Artikel 38b, eerste lid, artikel 38c, eerste lid, artikel 38d, eerste, tweede en derde lid, artikel 38f van het Bgfo

Artikel 15, vijfde lid

Artikel 38 d, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 16

Artikel 165 van het Bgfo

Artikel 17

Artikel 165a van het Bgfo

Artikel 18

Artikel 165b van het Bgfo

Artikel 19

Artikel 165c van het Bgfo

Artikel 20

Artikel 165d van het Bgfo

Artikel 21

Artikel 167 van het Bgfo

Artikel 22, eerste lid, eerste alinea

Artikel 167a, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 22, eerst lid, tweede alinea

Artikel 167a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 22, tweede lid, onderdeel a

Artikel 167a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 22, tweede lid, onderdeel b

Artikel 35a, eerste lid, en artikel 167a, vierde lid,

van het Bgfo

Artikel 22, derde lid, eerste alinea

Artikel 35a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 22, derde lid, tweede alinea

Artikel 35a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 22, derde lid, laatste alinea

Artikel 35a, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 22, vierde lid

Artikel 167b van het Bgfo

Artikel 23

Artikel 35b van het Bgfo

Artikel 24

Artikel 1 van het Bgfo

Artikel 25, eerste lid

Artikel 35g van het Bgfo

Artikel 25, tweede lid

Artikel 35h van het Bgfo

Artikel 26

Artikel 168a van het Bgfo

Artikel 27, eerste lid

Artikel 51a, eerste lid, aanhef, van het Bgfo

Artikel 27, tweede lid

Artikel 51a, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het Bgfo

Artikel 27, derde lid

Artikel 51a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 27, vierde lid

Artikel 51a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 27, vijfde lid

Artikel 51a, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 27, zesde lid

Artikel 51a, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 27, zevende lid

Artikel 51a, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 27, achtste lid

Artikel 51a, zevende lid, van het Bgfo

Artikel 28, eerste lid

Artikel 4:18a, eerste lid, van de wet

Artikel 28, tweede lid

Artikel 4:18a, tweede lid, van de wet

Artikel 28, derde lid, onderdeel a

Artikel 4:18b, derde en vierde lid, van de wet

Artikel 28, derde lid, onderdeel b

Artikel 4:18d, eerste lid, van de wet

Artikel 29, eerste lid

Artikel 58a, eerste lid, onderdelen a en b, van het Bgfo

Artikel 29, tweede lid

Artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, van het Bgfo

Artikel 29, derde lid

Artikel 58f, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 29, vierde lid

Artikel 49a van het Bgfo

Artikel 29, vijfde lid

Artikel 58a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 29, zesde lid

Artikel 4:20, derde lid, onderdeel a, van de wet en artikel 49a Bgfo

Artikel 29, zevende lid

Artikel 4:19, eerste lid, van de wet

Artikel 29, achtste lid, eerste alinea

Artikel 58a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 29, achtste lid, tweede alinea

Artikel 58a, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 30, eerste lid

Artikel 58b, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 30, tweede lid

Artikel 58b, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 30, derde lid

Artikel 58b, derde lid, van het Bgfo

Artikel 31, eerste lid

Artikel 58c, eerstelid en 58f, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 31, tweede lid

Artikel 58c, derde lid en 58f, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 31, derde lid

Artikel 58c, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 31, vierde lid

Artikel 58c, vijfde lid en 58f, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 31, vijfde lid

Artikel 58c, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 32, eerste lid

Behoeft geen implementatie (volgt uit artikel 58d, eerste tot en met zesde lid)

Artikel 32, tweede lid

Artikel 58d, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 32, derde lid

Artikel 58d, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 32, vierde lid

Artikel 58d, derde lid, van het Bgfo

Artikel 32, vijfde lid

Artikel 58d, vierde lid en 58f, derde lid, van het Bgfo

Artikel 32, zesde lid

Artikel 58d, vijfde lid en 58f, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 32, zevende lid

Artikel 58d, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 33

Artikel 58e, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 34, eerste lid

Artikel 58c, zesde lid, 58f, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 34, tweede lid

Artikel 58e, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 35, eerste lid

Artikel 80a, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 35, tweede lid, eerste alinea

Artikel 80a, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 35, tweede lid, tweede alinea

Artikel 80a, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 35, derde lid

Artikel 80a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 35, vierde lid

Artikel 80a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 35, vijfde lid

Artikel 4:23, eerste en tweede lid, van de wet

Artikel 36, eerste alinea

Artikel 80b, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 36, tweede alinea

Artikel 80b, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 37, eerste lid

Artikel 80c, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 37, tweede lid

Artikel 80c, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 37, derde lid

Artikel 80c, derde lid, van het Bgfo

Artikel 38

Artikel 80d van het Bgfo

Artikel 39

Artikel 4:89, tweede lid, van de wet

Artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a

Artikel 69, eerste lid van het Bgfo

Artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b en de alinea na onderdeel b

Artikel 69, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 40, eerste lid, laatste alinea

Artikel 69, derde lid, van het Bgfo

Artikel 40, tweede lid

Artikel 69, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 40, derde lid

Artikel 69, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 40, vierde lid, eerste alinea

Artikel 69, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 40, vierde lid, tweede alinea

Artikel 69, zevende lid, van het Bgfo

Artikel 41, eerste lid

Artikel 70, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 41, tweede lid

Artikel 70, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 41, derde lid, aanhef

Artikel 70, derde lid, van het Bgfo

Artikel 41, derde lid, onderdelen a tot en met c en derde alinea

Artikel 70, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 41, derde lid, tweede alinea

Artikel 70, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 41, vierde lid, eerste alinea

Artikel 70, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 41, vierde lid, tweede en derde alinea

Artikel 70, zesde lid, van het Bgfo

Artikel 42

Artikel 71, eerste en tweede lid, van het Bgfo

Artikel 43, eerste lid, eerste alinea

Artikel 71a, eerste lid, van het Bgfo

Artikel 43, eerste lid, tweede alinea

Artikel 71a, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 43, tweede lid, eerste alinea

Artikel 71a, derde lid, van het Bgfo

Artikel 43, tweede lid, tweede alinea

Artikel 71a, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 43, derde lid

Artikel 71a, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 44

Artikel 4:90a, tweede tot en met vijfde lid, van de wet

Artikel 45

Artikel 4:90c van de wet

Artikel 46, eerste lid

Artikel 4:90b, zevende lid, van de wet

Artikel 46, tweede lid

Artikel 59 van het Bgfo

Artikel 47

Artikel 164 van het Bgfo

Artikel 48

Artikel 164a van het Bgfo

Artikel 49

Artikel 164b van het Bgfo

Artikel 50

Artikel 4:18b, derde lid, van de wet

Artikel 51, eerste lid, eerste alinea

Artikel 35, tweede lid, van het Bgfo

Artikel 51, eerste lid, tweede alinea

Artikel 35, derde lid, van het Bgfo

Artikel 51, eerste lid, derde alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 51, eerste lid, vierde alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 51, tweede lid

Artikel 35, vierde lid, van het Bgfo

Artikel 51, derde lid

Artikel 35, vijfde lid, van het Bgfo

Artikel 51, vierde lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 51, vijfde lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 52

Artikel 1:1 van de wet

Artikel 53

Behoeft geen implementatie

Artikel 54

Behoeft geen implementatie

Artikel 55

Behoeft geen implementatie

1 Besluit prudentiële regels Wft.


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Kamerstukken II 2004/05, 29 708, nr.10, blz. 245; Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, blz. 506.

XNoot
2

Staatsblad 2006, 520, p. 236.

XNoot
3

Kamerstukken II 2005/06, 29 708. nr. 19, p. 512 (4e Nota van Wijziging Wft)

XNoot
4

http://ec.europa.eu/internal_market/securities/docs/isd/questions/questions_en.pdf

XNoot
5

http://ec.europa.eu/internal_market/securities/docs/isd/questions/questions_en.pdf