Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2007, 349Wet

Wet van 13 september 2007 tot wijzigingen van wetgevingstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen van wetstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten in verband met geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet geluidhinder wordt als volgt gewijzigd:

A0

In artikel 1 wordt in de omschrijving van het begrip «geluidsbelasting in dB» voor «geluidsbelasting in Lden» ingevoegd: op een geheel getal af te ronden.

A

Artikel 1b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en derde lid wordt «de gevel van basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs» telkens vervangen door: de gevel van onderwijsgebouwen.

2.  Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van artikel 1 wordt onder wijziging van een spoorweg in deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan de afzonderlijke omstandigheid die bestaat uit:

    a. een wijziging van de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beiden in het toekomstig maatgevende jaar van door Onze Minister te bepalen categorieën spoorvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten als gevolg waarvan de geluidemissie van de betreffende spoorgedeelten of de combinatie daarvan onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van de gemiddelde geluidemissie, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, van de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    b. een horizontale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan twee meter;

    c. een verticale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan één meter, dan wel

    d. het ter vervanging aanbrengen van een baanconstructie, die, bepaald met inachtneming van de door Onze Minister op grond van artikel 107 gestelde regels, niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie.

B

In de artikelen 52, 53, tweede lid, 62, eerste en tweede lid, 87f, derde lid, 88, eerste lid en tweede lid, onderdeel c, 100, derde lid, 106g, derde lid, 110h en 125, eerste lid, wordt «1 augustus 2006» telkens vervangen door: 1 januari 2007.

B1

In artikel 76, tweede lid, onderdeel b, vervalt «door gedeputeerde staten».

B2

In artikel 79 wordt «een besluit van de gemeenteraad, krachtens artikel 81» vervangen door: een besluit van burgemeester en wethouders, krachtens artikel 81.

C

Artikel 87b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel h vervalt «, voorzover de geluidsbelasting voor wijziging ten minste 48 dB bedraagt».

2. In onderdeel k wordt «geluidsbelasting vanwege een spoorweg» vervangen door: geluidsbelasting in dB(A) vanwege een spoorweg.

3. In onderdeel l wordt «een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven geluidsbelasting» vervangen door: de geluidsbelasting die op grond van deze afdeling en afdeling 2 van hoofdstuk VII als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt.

D

Artikel 87f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef na «vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen» ingevoegd «48 dB» en vervalt in onderdeel c «, de voor de wijziging of verbreding ter plaatse heersende geluidsbelasting, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft».

2. In het tweede lid wordt «dan 48 dB,» vervangen door «dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB,» en vervalt «, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft».

3. In het derde lid wordt «binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan» vervangen door «binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan die hoofdweg of», wordt «vanwege binnen het tracé» vervangen door «vanwege de hoofdweg of binnen het tracé» en vervalt «Voor de andere dan de hiervoor genoemde woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen worden aangepast bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen 48 dB.»

4. In het vierde lid vervalt «en met betrekking tot woningen in buitenstedelijk gebied de waarde 58 dB, onderscheidenlijk met betrekking tot woningen in stedelijk gebied de waarde 63 dB», en wordt in onderdeel 2° «artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid,» vervangen door «artikel 111a, eerste, derde of negende lid,» en vervalt «, in welke gevallen de waarde 68 dB niet te boven mag gaan».

5. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De krachtens het vierde lid vast te stellen waarde wordt niet hoger vastgesteld dan 58 dB bij een aanpassing van een weg in buitenstedelijk gebied en 63 dB bij een aanpassing van een weg in stedelijk gebied indien voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat. Voor andere dan de in de eerste volzin bedoelde woningen wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde voor woningen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens die volzinnen ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.

6. In het zesde lid wordt «aan het vierde lid» vervangen door: aan het vierde en vijfde lid.

7. Het achtste en negende lid komen te luiden:

  • 8. Het eerste tot en met zevende lid zijn mede van toepassing met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van andere geluidsgevoelige gebouwen, met dien verstande dat

    a. het vierde lid wordt gelezen als «Onze Ministers kunnen een hogere dan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat een verhoging 5 dB niet te boven mag gaan» en

    b. het vijfde lid wordt gelezen als: Indien voor het betrokken andere geluidsgevoelige gebouw eerder bij of krachtens deze wet een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld of indien de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan:

    1°. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2° in buitenstedelijk gebied,

    2°. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2° in stedelijk gebied, en

    3°. 53 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°.

    Voor andere dan de in de eerste volzin bedoelde andere geluidsgevoelige gebouwen wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2°, en 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens die volzinnen ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.

  • 9. De in het eerste tot en met zevende lid gestelde regels zijn mede van toepassing met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, met dien verstande dat:

    a. in het eerste, tweede en derde lid in plaats van «48 dB» telkens wordt gelezen «indien het woonwagenstandplaatsen betreft 48 dB en in de overige gevallen 53 dB»,

    b. het vierde lid, onder 1° en 2°, niet van toepassing is, en

    c. in het vijfde lid in plaats van «58 dB bij een aanpassing van een weg in buitenstedelijk gebied en 63 dB bij een aanpassing van een weg in stedelijk gebied indien voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat» wordt gelezen «53 dB indien het woonwagenstandplaatsen betreft en 58 dB in de overige gevallen» en de tweede volzin van dat lid niet van toepassing is.

E

Artikel 87g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, de laagste van de volgende twee waarden, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde waarde» vervangen door: vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen:

a. 48 dB als de heersende waarde lager is dan of gelijk is aan 48 dB, en

b. de laagste van de volgende twee waarden als de heersende waarde hoger is dan 48 dB:

1°. de heersende waarde;

2°. de eerder vastgestelde waarde.

2. In het vierde lid vervalt in de aanhef «en de waarde 68 dB», wordt in onderdeel 2° «artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid,» vervangen door «artikel 111a, tweede of vierde lid,» en wordt aan het lid een zin toegevoegd, luidende als volgt: De krachtens dit lid vast te stellen waarde mag de waarde 68 dB niet te boven gaan.

3. In het zesde lid wordt na «deze wet» ingevoegd «of de Spoedwet wegverbreding» en wordt «hoger worden gesteld» vervangen door: hoger worden vastgesteld.

4. In het negende lid wordt «met dien verstande dat in het derde en vierde lid in plaats van «de waarde 68 dB» telkens wordt gelezen: met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2°, de waarde 68 dB, onderscheidenlijk met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°, de waarde 58 dB» vervangen door: met dien verstande dat:

a. in het derde en vierde lid in plaats van «de waarde 68 dB» telkens wordt gelezen «met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2°, de waarde 68 dB, onderscheidenlijk met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°, de waarde 58 dB», en

b. het vierde lid, onder 1° en 2°, niet van toepassing is.

F

Artikel 90, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Behoudens het derde lid stelt Onze Minister na ontvangst van zodanig programma voor de woningen waarop het betrekking heeft, als de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels een waarde van 48 dB vast. Onze Minister doet van zijn besluit mededeling aan burgemeester en wethouders en de wegbeheerder.

G

Artikel 100a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt het gestelde onder 3°.

2. In het eerste lid vervalt onderdeel c, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b, onder 2°, door een punt.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid mag de waarde ingeval eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu of de Interimwet stad- en milieubenadering een hogere waarde dan 68 dB is vastgesteld, niet hoger worden gesteld dan de eerder vastgestelde waarde.

H

In artikel 106, eerste lid, wordt in onderdeel k «geluidsbelasting vanwege een spoorweg» vervangen door: geluidsbelasting in dB(A) vanwege een spoorweg.

I

Artikel 106g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef voor «, indien» ingevoegd «48 dB» en vervalt in onderdeel b «, de voor de wijziging ter plaatse heersende geluidsbelasting, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft».

2. In het tweede lid wordt in de aanhef «48 dB,» vervangen door «48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB,» en vervalt «, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft».

3. In het derde lid vervalt de laatste volzin.

4. In het vierde lid vervalt «en met betrekking tot woningen in buitenstedelijk gebied de waarde 58 dB, onderscheidenlijk met betrekking tot woningen in stedelijk gebied de waarde 63 dB», wordt in onderdeel 2° «artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid,» vervangen door «artikel 111a, vijfde, zevende of negende lid,» en vervalt «, in welke gevallen de waarde 68 dB niet te boven mag gaan».

5. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De krachtens het vierde lid vast te stellen waarde wordt niet hoger vastgesteld dan 58 dB bij een aanpassing van een weg in buitenstedelijk gebied en 63 dB bij een aanpassing van een weg in stedelijk gebied, indien voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat. Voor andere dan de in de eerste volzin bedoelde woningen wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde voor woningen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens die volzinnen ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.

6. In het zesde lid wordt «vierde lid» vervangen door: vierde en vijfde lid.

7. Het achtste en negende lid komen te luiden:

  • 8. Het eerste tot en met zevende lid zijn mede van toepassing met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van andere geluidsgevoelige gebouwen, met dien verstande dat:

    a. het vierde lid wordt gelezen als «Onze Ministers kunnen een hogere dan de in het eerste, tweede of derde lid, bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat een verhoging 5 dB niet te boven mag gaan», en

    b. het vijfde lid wordt gelezen als: Indien voor het betrokken andere geluidsgevoelige gebouw eerder bij of krachtens deze wet een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld of indien de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan:

    1°. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2° in buitenstedelijk gebied,

    2°. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2° in stedelijk gebied, en

    3°. 53 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°.

    Voor andere dan de in de eerste volzin bedoelde andere geluidsgevoelige gebouwen wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 1° en 2°, en 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt de krachtens het vierde lid vast te stellen waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens die volzinnen ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.

  • 9. De in het eerste tot en met zevende lid gestelde regels zijn mede van toepassing met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, met dien verstande dat:

    a. in het eerste, tweede en derde lid in plaats van «48 dB» telkens wordt gelezen «indien het woonwagenstandplaatsen betreft 48 dB en in de overige gevallen 53 dB»;

    b. het in het vierde lid, onder 1° en 2°, gestelde niet van toepassing is, en

    c. in het vijfde lid in plaats van «58 dB bij een wijziging van een weg in buitenstedelijk gebied en 63 dB bij een wijziging van een weg in stedelijk gebied, indien voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat» wordt gelezen «53 dB indien het woonwagenstandplaatsen betreft en 58 dB in de overige gevallen» en de tweede volzin van dat lid niet van toepassing is.

J

Artikel 106h wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «vanwege binnen het tracé van die landelijke spoorweg gelegen wegen, de laagste van de volgende twee waarden, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 48 dB niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde waarde» vervangen door: vanwege binnen het tracé van die landelijke spoorweg gelegen wegen:

a. 48 dB als de heersende waarde lager is dan of gelijk is aan 48 dB en

b. de laagste van de volgende twee waarden als de heersende waarde hoger is dan 48 dB:

1°. de heersende waarde;

2°. de eerder vastgestelde waarde.

2. In het vierde lid wordt «5 dB en de waarde 68 dB» vervangen door «5 dB», wordt in onderdeel 2° «artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid,» vervangen door «artikel 111a, zesde of achtste lid,» en wordt aan het slot toegevoegd: De krachtens dit lid vast te stellen waarde mag 68 dB niet te boven gaan.

3. In het zesde lid wordt «gesteld» vervangen door: vastgesteld.

4. Het negende lid komt te luiden:

  • 9. De in het eerste tot en met vierde en zevende en achtste lid gestelde regels zijn mede van toepassing met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van andere geluidsgevoelige gebouwen, met dien verstande dat:

    a. in het derde en vierde lid in plaats van «de waarde 68 dB» telkens wordt gelezen: met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 106, eerste lid, onder e, 1° en 2°, de waarde 68 dB, onderscheidenlijk met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 106, eerste lid, onder e, 3°, de waarde 58 dB, en

    b. het in het vierde lid, onder 1° en 2°, gestelde niet van toepassing is.

K

In artikel 107 wordt «geregeld zijn in hoofdstuk VI» vervangen door: geregeld zijn in de hoofdstukken VI of VIIIA.

L

In artikel 110a, zevende lid, wordt «zone langs een industrieterrein» vervangen door: zone rond een industrieterrein.

L1

In artikel 110f worden na het tweede lid, onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing indien voor een woning, ander geluidgevoelig gebouw of geluidgevoelig terrein:

    a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en

    b. voor dezelfde woning, ander geluidsgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein, de geluidsbelasting, vanwege tenminste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

  • 4. Het eerste en tweede lid worden alleen toegepast ten aanzien van geluidsbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de geluidsbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

M

In artikel 111, derde lid, wordt «55 dB(A), met toepassing» vervangen door: 55 dB(A) en met toepassing.

N

Artikel 111a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «in aanbouw zijnde of aanwezige woningen» ingevoegd: voor de eerste maal.

2. In het derde lid wordt na «geluidsgevoelige gebouwen» ingevoegd «voor de eerste maal» en komt de bepaling na «dat de geluidsbelasting bij gesloten ramen binnen:» te luiden:

a. leslokalen en theorielokalen van onderwijsgebouwen,

b. onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 2°,

c. onderzoeks-, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen, bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 3°, ten hoogste 28 dB bedraagt, onderscheidenlijk binnen:

a. theorievaklokalen van onderwijsgebouwen,

b. ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 2°, ten hoogste 33 dB bedraagt.

3. In het vijfde lid wordt na «aanwezige woningen» ingevoegd: voor de eerste maal.

4. In het zevende lid wordt na «geluidsgevoelige gebouwen» ingevoegd «voor de eerste maal» en komt de bepaling na «dat de geluidsbelasting bij gesloten ramen binnen:» te luiden:

a. leslokalen en theorielokalen van onderwijsgebouwen,

b. onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, bedoeld in artikel 106b, eerste lid, onder e, 2°,

c. onderzoeks-, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen, bedoeld in artikel 106b, eerste lid, onder e, 3°, ten hoogste 28 dB bedraagt, onderscheidenlijk binnen:

a. theorievaklokalen van onderwijsgebouwen,

b. ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen als bedoeld in artikel 106b, eerste lid, onder e, 2°, ten hoogste 33 dB bedraagt.

5. Na het achtste lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Indien met betrekking tot de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg op 1 maart 1986 hoger was dan 55 dB(A) en waarvoor met toepassing van artikel 87f, vierde, vijfde, zevende of achtste lid, of artikel 106g, vierde, vijfde, zevende of achtste lid, voor de eerste maal een hogere geluidsbelasting dan 48 dB, vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevels in afwijking van het eerste, derde, vijfde en zevende lid, maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting:

    a. binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 43 dB bedraagt,

    b. binnen de leslokalen en theorielokalen van onderwijsgebouwen, de onderzoeks- en behandelruimten van ziekenhuizen en verpleegtehuizen, bedoeld in 87b, eerste lid, onder e, 2°, en de onderzoeks, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen, bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder 3°, bij gesloten ramen ten hoogste 38 dB bedraagt, onderscheidenlijk

    c. binnen de theorievaklokalen van onderwijsgebouwen en de ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten voor ziekenhuizen en verpleeghuizen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, onder e, 2°, bij gesloten ramen ten hoogste 43 dB bedraagt.

  • 10. Ingeval voor de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen eerder een hogere waarde voor de geluidsbelasting is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevels in afwijking van het eerste, derde, vijfde, zevende en negende lid, maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, binnen de woning bij gesloten ramen na de aanpassing ten hoogste de waarde die voor de aanpassing van de weg ingevolge het bij of krachtens deze wet voor de onderscheiden situaties bepaalde, dan wel ingevolge het krachtens artikel 3 van de Woningwet bepaalde ten hoogste toelaatbaar was, bedraagt.

N1

In artikel 126a wordt «bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: bij ministeriële regeling.

O

In artikel 145, tweede lid, wordt «raadsbesluit» vervangen door: besluit overeenkomstig artikel 81.

ARTIKEL II

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het begrip «de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» en de daarbij behorende omschrijving in de alfabetische rangschikking van dat artikellid vervangen door: EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190);.

2. Het veertiende lid wordt vernummerd tot dertiende lid.

B

In artikel 7.10, tweede lid, derde volzin, vervalt «bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt,».

C

In artikel 7.35, vijfde lid, vervalt «krachtens artikel 7.2, 7.4 of 7.6».

D

In artikel 8.26a wordt »en ingevolge deze afdeling gegeven beschikking waarop artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is» vervangen door: Een ingevolge deze afdeling ambtshalve gegeven beschikking op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

D1

In de artikelen 10.1, vijfde lid, 10.7, tweede lid, onder d, 10.14, derde lid, 10.37, tweede lid, onder f, 10.56, tweede lid, 10.58, eerste en tweede lid, 10.59, 18.1a, tweede lid, 18.2b, 18.8, 20.1, derde lid, en 20.4, onder a, wordt «EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» telkens vervangen door: EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

D2

In artikel 10.56, eerste lid, wordt «artikel 27 van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» vervangen door: artikel 6 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

D3

In artikel 10.57 wordt «de titels II, VII en VIII van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» vervangen door: de titels II en VII van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

D4

In artikel 10.58, derde lid, wordt «artikel 36 van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» vervangen door: artikel 53 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

D5

Artikel 10.60 vervalt.

E

Het in titel 12.1 opgenomen artikel 12.11 wordt vernummerd tot artikel 12.10.

F

In artikel 19.1b wordt «waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is» vervangen door «op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is» en «afdeling 3.5 of artikel 3:44 of 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht» door: afdeling 3.4 of artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht.

ARTIKEL III

De Wet bodembescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 53, derde lid, vervalt.

B

In artikel 63a, eerste lid, vervalt «21,».

C

Artikel 75a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «76 tot en met 86» vervangen door: 76 tot en met 83.

2. In het tweede lid wordt «artikel 76, eerste lid,» vervangen door: artikel 76.

D

In artikel 89 wordt «54, 75, 79 en 81» vervangen door: 54 en 75.

E

In artikel 91, tweede lid, vervalt de zin na de puntkomma, onder vervanging van de puntkomma door een punt.

F

Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «72, 77, eerste lid, of 81a, tweede lid, onder a» vervangen door: of 72.

2. In het tweede lid wordt «72, 77, eerste lid, en 81a, tweede lid, onder a» vervangen door: of 72.

ARTIKEL IV

In artikel 6, derde lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek wordt «de mogelijkheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c» vervangen door: de mogelijkheden, bedoeld in het tweede lid.

ARTIKEL V

In artikel 13a, vierde lid, van de Huisvestingswet wordt «een richtlijn als bedoeld in artikel 61» vervangen door: een beleidsregel als bedoeld in artikel 61.

ARTIKEL VI

De Woningwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel k vervalt.

2. De onderdelen l tot en met s worden geletterd k tot en met r.

B

In artikel 8, zesde lid, wordt «46, achtste lid» vervangen door: 46, tiende lid.

C

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «het in gebruik geven van dat gebouw,» ingevoegd «open erf of terrein,» en wordt na «naar hun keuze het gebouw» en na «het gebruik van het gebouw» telkens ingevoegd: , open erf of terrein.

2. In het tweede lid wordt in onderdeel a na «het gebouw» ingevoegd «, open erf of terrein» en wordt in onderdeel b «het gebouw, al dan niet met het bijbehorende erf,» vervangen door: het gebouw, open erf of terrein.

3. In het vierde lid wordt na «het gebouw» ingevoegd: , open erf of terrein.

4. In het vijfde lid wordt na «het in gebruik geven van een gebouw» en na «met betrekking tot dat gebouw» telkens ingevoegd: , open erf of terrein.

D

In artikel 43, eerste lid, onderdeel a, wordt na «artikel 13,» ingevoegd «13a of 14, eerste lid,» en wordt na «een last onder dwangsom» ingevoegd: gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV.

E

In artikel 45, vijfde lid, onderdeel b, wordt na «inmiddels is verlengd» een komma ingevoegd.

F

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag binnen vier weken nadat zij de vrijstelling hebben verleend.

  • 5. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, indien die afdeling ook van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent het verzoek om vrijstelling. In de gevallen bedoeld in de eerste volzin:

    a. wordt op hetzelfde tijdstip als bij de voorbereiding van de beslissing omtrent het verzoek om vrijstelling toepassing gegeven aan artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

    b. kunnen in afwijking van artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzen naar voren worden gebracht door een ieder, en

    c. beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht binnen vier weken nadat is beslist omtrent het verzoek om vrijstelling.

2. Onder vernummering van het zesde tot en met negende lid tot achtste tot en met elfde lid worden na het vijfde lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 6. Indien burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste, vierde of vijfde lid gestelde termijn, is de vergunning van rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 7. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om vrijstelling als bedoeld in het derde lid, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning en die omtrent het verzoek om vrijstelling als één besluit aangemerkt.

G

Artikel 49 vervalt.

H

In de artikelen 52, derde, vierde en vijfde lid, 53, vijfde en zevende lid, 54, vijfde lid, en 55, zesde lid, wordt «Artikel 46, vijfde lid» telkens vervangen door: Artikel 46, zesde lid, tweede volzin.

I

Artikel 56a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid, onderdeel c, vervalt «49, eerste lid,».

2. In het vijfde lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d.

3. In het achtste lid wordt «Artikel 46, vijfde lid» vervangen door: Artikel 46, zesde lid, tweede volzin.

J

Artikel 105a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden een tweede tot en met vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, is een overtreding.

  • 3. Met de opsporing van het bij het eerste lid strafbaar gestelde feit zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de door de burgemeester aangewezen ambtenaren, belast met de in artikel 100a, eerste lid, bedoelde taak.

  • 4. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

  • 5. Bij het opsporen van het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, hebben de in het derde lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

ARTIKEL VII

Vervallen.

ARTIKEL VIII

Artikel IV van de wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG L 197) (milieu-effectrapportage plannen; Stb. 336) vervalt.

ARTIKEL IX

In artikel V, onderdelen 1, 5 en 6, van de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350) wordt «1 augustus 2006» telkens vervangen door: 1 januari 2007.

ARTIKEL IXA

In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het Waddenfonds wordt na «artikel 2, tweede lid, onderdeel c,» ingevoegd: gedurende de looptijd van het fonds.

ARTIKEL X

Indien de onderdelen A, B en C van artikel III van het bij koninklijke boodschap van 21 oktober 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valetta (Wet op de archeologische monumentenzorg) (29 259) na tot wet te zijn verheven op of na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in werking treden, komen de onderdelen A, B en C van artikel III van die wet te luiden:

A

In de artikelen 2.17, tweede lid, onder a, 2.18, 2.19, tweede en vierde lid, en artikel 2.23 wordt «Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij» vervangen door: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

B

1. In artikel 4.1 wordt «Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken» vervangen door: Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2. In artikel 4.2, derde en vierde lid, wordt «Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij» vervangen door: Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

C

Artikel 4.9, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt aan het slot het woord «en».

2. Aan het slot van onderdeel b wordt na de komma toegevoegd: en.

3. Na onderdeel b wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

c. de archeologische attentiegebieden, die zijn aangewezen op grond van artikel 44 van de Monumentenwet 1998.

ARTIKEL XA

Indien artikel I, onderdeel O, van het bij koninklijke boodschap van 20 juni 2006 ingediende voorstel van wet tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) en de overheveling van de bepalingen van de Wet milieugevaarlijke stoffen naar de Wet milieubeheer, alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (Uitvoeringswet EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH)) (30 600) na tot wet te zijn verheven later in werking treedt dan artikel II, onderdeel D1, van dit voorstel van wet nadat dit tot wet is verheven, wordt in artikel I, onderdeel O, van dat voorstel van wet «EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen» vervangen door: EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

ARTIKEL XB

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2006 ingediende voorstel van wet houdende regels in verband met de inwerkingtreding van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) (30 608) tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

a. In subonderdeel 1 wordt «l» vervangen door «k» en wordt «m» vervangen door: l.

b. In subonderdeel 2, onder h, vervalt: en tweede.

2. Onderdeel C komt te luiden:

C

In artikel 117 wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. De Dienst is aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim, vertraging of andere onregelmatigheid van de Dienst, door hem begaan bij het beheren van de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, dan wel bij het verlenen van inzage in de gegevens uit die voorziening. De Dienst is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het door de Dienst verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden en inhoudelijk onjuist blijken te zijn, of uit het niet tijdig ontvangen of kunnen verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden door handelen of nalaten van die derden.

B

Artikel 8b komt te luiden:

Artikel 8b

In artikel 16, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster wordt «onderdelen a, b, d, e, h, i en j» vervangen door «onderdelen a, b, d, e, h, i, j en k» en wordt «onderdelen c, f, h, i en j» vervangen door: onderdelen c, f, i, j en k.

C

In artikel 12, onderdeel I, subonderdeel 2, onder b, wordt «dat bestuursorgaan» vervangen door: het bestuursorgaan.

ARTIKEL XI

  • 1. Artikel I van deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007.

  • 2. De artikelen II tot en met XB van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

's-Gravenhage, 13 september 2007

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Uitgegeven de tweede oktober 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 848