Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatsblad 2007, 344AMvB

Besluit van 19 september 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van landbouwproducten (Landbouwkwaliteitsbesluit 2007)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 juni 2007, Directie Juridische Zaken, no. TRCJZ/2007/1788;

Gelet op verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PbEG L 198), verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 173), verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 143), verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juni 2006 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 186), verordening (EG) nr. 557/2007 van de Commissie van 23 mei 2007 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 132), verordening (EEG) nr. 2200/96 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PbEG L 297), verordening (EG) nr. 1666/1999 van de Commissie van 28 juli 1999 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad betreffende de minimumkenmerken voor het in de handel brengen van bepaalde krenten- en rozijnenvariëteiten (PbEG L 197), verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PbEG L 47), verordening (EG) nr. 2257/1994 van de Commissie van 16 september 1994 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor bananen (PbEG L 245), verordening (EG) 2898/95 van de Commissie van 15 december 1995 houdende voorschriften inzake de controle op de naleving van de kwaliteitsnormen in de sector bananen (PbEG L 304) , verordening (EG) 1148/2001 van de Commissie van 12 juni 2001 betreffende de handelsnormcontroles voor verse groenten en fruit (PbEG L 156), verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93), verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93), verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG L 204), richtlijn nr. 1998/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PbEG L 226) en richtlijn nr. 1992/52/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derde landen is bestemd (PbEG L 179);

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 7 en 8 van de Landbouwkwaliteitswet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 2007, nr. W11.07.0161/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 september 2007, TRCJZ/2007/2718;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. wet: Landbouwkwaliteitswet;

    b. in de handel brengen: bedrijfsmatig ter beschikking of in voorraad houden, uitstallen of te koop aanbieden, verkopen, bezitten met het oog op de verkoop, alsmede tegen of zonder vergoeding aan derden beschikbaar stellen, leveren of overdragen;

    c. verordening (EEG) 1906/90 : verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 173);

    d. verordening (EEG) 1538/91: verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 143);

    e. verordening (EEG) 2092/91: verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PbEG L 198);

    f. verordening (EEG) 404/93: verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PbEG L 47);

    g. verordening (EG) 2257/94: verordening (EG) nr. 2257/94 van de Commissie van 16 september 1994 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor bananen (PbEG L 245);

    h. verordening (EG) 2898/95: verordening (EG) nr. 2898/95 van de Commissie van 15 december 1995 houdende voorschriften inzake de controle op de naleving van de kwaliteitsnormen in de sector bananen (PbEG L 304);

    i. verordening (EG) 2200/96: verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PbEG L 297);

    j. verordening (EG) 1666/99: verordening (EG) nr. 1666/1999 van de Commissie van 28 juli 1999 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad betreffende de minimumkenmerken voor het in de handel brengen van bepaalde krenten- en rozijnenvariëteiten (PbEG L 197);

    k. verordening (EG) 1760/2000: verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG L 204);

    l. verordening (EG) 1148/2001: verordening (EG) nr. 1148/2001 van de Commissie van 12 juni 2001 betreffende de handelsnormcontroles voor verse groenten en fruit (PbEG L 156);

    m. verordening (EG) 509/2006: verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93);

    n. verordening (EG) 510/2006: verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93);

    o. verordening (EG) 1028/2006: verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad van 19 juni 2006 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 186);

    p. verordening (EG) 557/2007: verordening (EG) nr. 557/2007 van de Commissie van 23 mei 2007 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 132);

    q. richtlijn 92/52/EEG: richtlijn nr. 1992/52/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derde landen is bestemd (PbEG L 179);

    r. richtlijn 98/56/EG: richtlijn nr. 1998/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PbEG L 226);

    s. biologische productiemethode: voortbrenging van plantaardige en dierlijke landbouwproducten en houden van dieren overeenkomstig de bij of krachtens de verordening (EEG) 2092/91 gestelde voorschriften;

    t. teeltmateriaal van bloembollen: teeltmateriaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van richtlijn 98/56/EG, van bloembollen;

    u. eieren: eieren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1028/2006;

    v. groenten en fruit: groenten en fruit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EG) 2200/96;

    w. bananen: bananen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van verordening (EEG) 404/93;

    x. krenten en rozijnen: krenten en rozijnen als bedoeld in de bijlage, onder 1, van verordening (EG) 1666/99;

    y. vlees van pluimvee: vlees van pluimvee als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1906/90;

    z. rundvlees: rundvlees als bedoeld in artikel 12 van verordening (EG) 1760/2000;

    aa. geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten: geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 510/2006 en in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 509/2006;

    bb. volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding: volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 92/52/EEG;

    cc. derde landen: gebied dat geen deel uitmaakt van het grondgebied van de Europese Unie of een gebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte niet van toepassing is;

    dd. Stichting KCB: Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau te ’s-Gravenhage;

    ee. Stichting Skal: Stichting Skal te Zwolle;

    ff. Stichting CPE: Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten te Barneveld;

    gg. Stichting COKZ: Stichting Controleorgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel te Leusden;

    hh. Stichting BKD: Stichting Bloembollenkeuringsdienst te Lisse.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op goederen die zijn aangebracht en aangegeven of op regelmatige wijze zijn aangebracht onder geleide van een document voor communautair douanevervoer en die nog niet zijn vrijgegeven voor een van de douaneregelingen als bedoeld in artikel 4, onder 16, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).

Artikel 2

Bij het in de handel brengen van of het maken van reclame voor landbouwproducten wordt slechts verwezen naar de biologische productiemethode indien voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens verordening (EEG) 2092/91 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 3

Eieren worden slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan de artikelen 3 tot en met 6 van verordening (EG) 1028/2006 en de artikelen 2, 4, 5 tot en met 23 en 29 van verordening (EG) 557/2007 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 4

  • 1. Groenten en fruit worden slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan de artikelen 2, 3, 5, 6, 8 en 9 van verordening (EG) 2200/96 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

  • 2. Bananen worden slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan artikel 2 van verordening (EEG) 404/93 en artikel 1 en bijlage I van verordening (EG) 2257/94 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

  • 3. Krenten en rozijnen worden slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan artikel 1 van verordening (EG) 1666/99 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 5

Vlees van pluimvee wordt slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan de artikelen 3 tot en met 7 van verordening (EEG) 1906/90 en de artikelen 2 tot en met 14 van verordening (EEG) 1538/91 en de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 6

De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, alsmede de bescherming als gegarandeerde traditionele specialiteit van landbouwproducten en levensmiddelen geschiedt overeenkomstig de bepalingen van verordening (EG) 509/2006 en verordening (EG) 510/2006 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 7

Handelaren en organisaties als bedoeld in artikel 12 van verordening (EG) 1760/2000 die rundvlees etiketteren als bedoeld in artikel 11, tweede onderdeel, voldoen aan titel II, deel II van deze verordening en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 8

Volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding worden slechts uit Nederland uitgevoerd naar derde landen indien voldaan is aan artikel 3 van richtlijn 92/52/EEG en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 9

Teeltmateriaal van bloembollen wordt slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan de artikelen 3 tot en met 9 van richtlijn 98/56/EG en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 10

  • 1. Onze Minister kan nadere regels stellen voor zover dat voor een goede uitvoering van de onderwerpen van de in de artikelen 2 tot en met 7 genoemde Europese verordeningen en voor de in artikelen 8 en 9 genoemde Europese richtlijnen noodzakelijk is.

  • 2. De regels bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op:

    a. de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet bedoelde onderwerpen;

    b. de erkenning of certificering van onder die regeling vallende betrokkenen;

    c. de wijze van keuring van producten;

    d. het uitreiken, aanbrengen, vervaardigen, voorhanden en in voorraad hebben, alsmede het afleveren en gebruiken van bewijsstukken en merken;

    e. de nadere aanduiding van het begrip bloembollen, bedoeld in artikel 1, onder t.

  • 3. Onze Minister kan vrijstelling en, op aanvraag, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit besluit voor zover het belang van een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde Europese verordeningen en richtlijnen zich daartegen niet verzet.

  • 4. De wijze van keuring van producten, bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft onder meer betrekking op de voorwaarden waaronder betrokkenen door de controle-instellingen of door een controlerende instantie erkend kunnen worden voor het verrichten van de bij ministeriële regeling aan te duiden keuringsactiviteiten.

Artikel 11

De Stichting BKD is de instantie, bedoeld in de artikelen 12 en 13 van richtlijn 98/56/EG en belast met:

a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien van teeltmateriaal van bloembollen;

b. de keuring van teeltmateriaal van bloembollen;

c. de uitvoering van de registratie, bedoeld in artikel 6 van richtlijn 98/56/EG;

d. overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de in de aanhef bedoelde richtlijn.

Artikel 12

De Stichting COKZ is belast met: a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien vanvolledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derdelanden zijn bestemd;b. overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van richtlijn 92/52/EEG.

Artikel 13

De Stichting CPE is de instantie, bedoeld in artikel 8 van verordening (EG) 1906/90 enartikel 7, eerste lid, van verordening (EG) 1028/2006 en belast met:

a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien van eieren en ten aanzien van vlees van pluimvee;

b. de uitvoering van de erkenning en het verstrekken van de code, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1028/2006;

c. de uitvoering van de registratie van slachterijen die op grond van artikel 10, eerste lid, van verordening (EEG) 1538/91 het houderijsysteem bij de etikettering van de producten vermelden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EEG) 1538/91;

e. overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de in de aanhef bedoelde verordeningen.

Artikel 14

De Stichting KCB is de controle-instantie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en belast met:

a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien van groenten en fruit, bananen en krenten en rozijnen;

b. het uitreiken van bewijsstukken, bedoeld in

1e artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1148/2001 voor elke voor de uitvoer bestemde partij of zending groenten en fruit indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 9 van verordening (EG) 2200/96;

2e artikel 6 van verordening (EG) 2200/96 voor elke ingevoerde partij of zending indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van verordening (EG) 2200/96;

3e artikel 8, tweede lid, van verordening (EG) 1148/2001 voor de industriële bestemming van producten indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in dat artikel;

c. de uitvoering van de registratie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van verordening (EG) 2898/95;

d. overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de onder b en c bedoelde verordeningen.

Artikel 15

De Stichting Skal is de instantie, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EEG) 2092/91 en belast met:

a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien de biologische productiemethoden en van productiemethoden die bij ministeriële regeling daaraan gelijkgesteld zijn;

b. uitvoering van de registratie, bedoeld in artikel 8 van verordening (EEG) 2092/91;

c. overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de in de aanhef bedoelde verordening.

Artikel 16

De Stichting COKZ, de Stichting CPE en de Stichting KCB zijn voor zover het producten betreft die reeds op grond van respectievelijk artikel 12, 13 of 14 onder de bevoegdheid van deze instellingen vallen, dan wel voor zover het producten betreft die bij ministeriële regeling zijn aangewezen, de instanties, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van verordening (EG) 510/2006 of artikel 14, eerste lid, van verordening (EG) 509/2006 en belast met:

a. het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien van geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en traditionele specialiteiten ;

b. de keuring van producten die een beschermde geografische aanduiding of oorsprongsbenaming dan wel een gegarandeerde traditionele specialiteit hebben ten einde te waarborgen dat deze producten aan de eisen van de desbetreffende productdossiers voldoen als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) 509/2006 dan wel artikel 11 van verordening (EG) 510/2006.

Artikel 17

Onze Minister is belast met:

a. de keuring van de producten waarop verordening (EG) 509/2006 en verordening (EG) 510/2006 betrekking hebben en die naar hun aard of ingevolge de voorschriften van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet onder de bevoegdheid van de controle-instellingen vallen als bedoeld in artikel 16;

b. de erkenning van de productspecificaties, bedoeld in artikel 16 van verordening (EG) 1760/2000.

Artikel 18

Bij ministeriële regeling kan ter uitvoering van dit besluit medewerking worden gevorderd van:

a. het bestuur van het Hoofdproductschap Akkerbouwproducten;

b. het bestuur van het Productschap voor Pluimvee en Eieren;

c. het bestuur van het Productschap voor Vee en Vlees;

d. het bestuur van het Productschap Tuinbouw; en

e. het bestuur van het Productschap Zuivel.

Artikel 19

  • 1. De volgende besluiten worden ingetrokken:

    a. Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode;

    b. Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen en snijbloemen;

    c. Landbouwkwaliteitsbesluit eieren;

    d. Landbouwkwaliteitsbesluit etikettering rundvlees;

    e. Landbouwkwaliteitsbesluit geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen;

    f. Landbouwkwaliteitsbesluit groenten en fruit;

    g. Landbouwkwaliteitsbesluit onbewerkt hout;

    h. Landbouwkwaliteitsbesluit pluimveevlees;

    i. Landbouwkwaliteitsbesluit zuigelingenvoeding.

  • 2. Het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten wordt ingetrokken met ingang van 1 augustus 2008.

Artikel 20

Dit besluit wordt aangehaald als: Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

Artikel 21

Het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van het laatste onderdeel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

«betrokkene»: degene als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet.

B

In de artikelen 1, 6, eerste lid, artikel 13, eerste en tweede lid, artikel 14, artikel 15, artikel 16, tweede lid, en artikel 17, eerste lid, onder c, wordt «aangeslotenen» dan wel «aangeslotene» telkens vervangen door: betrokkenen dan wel betrokkene.

Artikel 22

1. Het Besluit glastuinbouw wordt als volgt gewijzigd:

In Bijlage III, onder A, wordt de zinsnede «Het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode» vervangen door: Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

2. Het Besluit verhandeling teeltmateriaal wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, eerste lid, onder j, wordt de zinsnede «artikel 1, onder c, van het Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen en snijbloemen» vervangen door: artikel 1, onder t, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

3. Het Besluit aanwijzing Bloembollenkeuringsdienst wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, onder b, wordt de zinsnede «artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen (Stb. 1980, nr. 632)» vervangen door: artikel 1, onder t, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

4. Het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, eerste lid, onder f, wordt de zinsnede «het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode» vervangen door: het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 19 september 2007

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de zevenentwintigste september 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Inleiding

Op grond van de Landbouwkwaliteitswet kunnen regels worden gesteld die betrekking hebben op de oorsprong, de hoedanigheid, de sortering, de verzorging, de verpakking, de vorm, de aanduiding, de maat of het gewicht van producten die afkomstig zijn van de landbouw of visserij. Sinds ook op communautair niveau regelgeving bestaat met betrekking tot voedselkwaliteit, is de Landbouwkwaliteitswet steeds meer de basis geworden voor implementatie en uitvoering van EU-regelgeving. De communautaire regelgeving betreft in het bijzonder handels- en kwaliteitsnormen voor landbouwproducten en regelgeving omtrent de aanduiding van landbouwproducten en levensmiddelen, zoals producten afkomstig uit de biologische landbouw en producten met beschermde geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Op grond van de Landbouwkwaliteitswet waren bepaalde handelingen uitsluitend toegestaan aan diegenen die zich hadden aangesloten bij krachtens de Landbouwkwaliteitswet aangewezen private controle-instellingen, de zogenoemde aansluitplicht. Deze aansluitplicht is geschrapt met de recente wijziging van de Landbouwkwaliteitswet1. Voor de gelding van de communautaire voorschriften die krachtens de Landbouwkwaliteitswet worden uitgevoerd of geïmplementeerd heeft een aansluitplicht namelijk geen meerwaarde. Ten aanzien van sommige marktdeelnemers, zoals exporteurs en handelaren, wordt een aansluitplicht ingevolge jurisprudentie van het Europese Hof zelfs beschouwd als strijdig met het vrije verkeer van goederen. Derhalve is de aansluitplicht uit de Landbouwkwaliteitswet geschrapt. Verwezen zij naar het hetgeen hierover gemeld is in de memorie van toelichting bij bovengenoemd wetsvoorstel.2

Het vervallen van de aansluitplicht noodzaakt ook tot aanpassing van de onder de Landbouwkwaliteitswet hangende algemene maatregelen van bestuur. In dat kader is van de gelegenheid gebruik gemaakt om, gelet op het gemeenschappelijke karakter van de in artikel 19 van dit besluit genoemde besluiten die strekten tot uitvoering van de Landbouwkwaliteitswet, deze over de hele linie te vereenvoudigen, op te schonen en samen te voegen tot één besluit: het onderhavige Landbouwkwaliteitsbesluit 2007. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het streven de regeldruk te beperken. Ook de verschillende ministeriële regelingen zullen op een dergelijke manier geclusterd worden tot één ministeriële regeling. Dit betekent dat het totale inhoudelijke regelgevingscomplex van de wet zal bestaan uit een besluit en een ministeriële regeling.

Zoals reeds vermeld, ziet het regelgevingscomplex van de Landbouwkwaliteitswet voornamelijk op uitvoering van communautaire regelgeving. De wet biedt de kaders voor nadere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Omdat de communautaire regelgeving op het gebied van voedselkwaliteit zeer gedetailleerd kan zijn en regelmatig aan wijzigingen onderhevig is, voorziet dit besluit in een nadere uitwerking van de wet waarbij in de ministeriële regeling de gedetailleerde invulling wordt opgenomen. De terminologie en inrichting van dit besluit sluit zoveel mogelijk aan bij de terminologie en inrichting van de tien oude algemene maatregelen van bestuur.

Inhoud

De inhoudelijke normen zijn in dit besluit zelf opgenomen. Uit de artikelen 2 tot en met 9 van dit besluit volgt dat de verhandeling van landbouwproducten en het gebruiken van bepaalde aanduidingen slechts is toegestaan indien is voldaan aan de betreffende Europese verordeningen en richtlijnen en bij of krachtens dit besluit gestelde regels. De normen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

– de biologische productiemethode (artikel 2);

– het in de handel brengen van eieren (artikel 3);

– het in de handel brengen van groenten en fruit (artikel 4);

– het in de handel brengen van vlees van pluimvee (artikel 5);

– de bescherming van oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en gegarandeerde

– traditionele specialiteiten (artikel 6);

– de vrijwillige etikettering van rundvlees (artikel 7);

– de uitvoer van zuigelingenvoeding naar derde landen (artikel 8) en

– het in de handel brengen van teeltmateriaal van bloembollen (artikel 9).

In de artikelen 2 tot en met 9 wordt verwezen naar de relevante Europese verordeningen en richtlijnen. In deze verordeningen en richtlijnen worden regels gesteld ten aanzien van het in de handel brengen van landbouwproducten, de bescherming van aanduidingen, het afgeven van certificaten, het verlenen van erkenningen en de controles daarop. In de artikelsgewijze toelichting zal nader worden ingegaan op de verschillende Europese verordeningen en richtlijnen en de daarin voorgeschreven handelingen.

Dit besluit strekt uitsluitend tot uitvoering van Europese regelgeving. De daaruit voortvloeiende inhoudelijke normen zijn in dit besluit vastgelegd. Dit betekent dat de in artikel 10 genoemde nadere regels slechts betrekking hebben op gedetailleerde uitvoeringsbepalingen voor zover die voor een goede uitvoering van de Europese regelgeving noodzakelijk zijn. Deze reikwijdte van de nadere regels is vastgelegd in artikel 10.

De controle-instellingen

In de aanwijzing van de controle-instellingen is geen wijziging aangebracht. Dit is tot uitdrukking gebracht in de artikelen 11 tot en met 16 waar de volgende controle-instellingen zijn aangewezen voor de aldaar genoemde terreinen: de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB), de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ), de Stichting Skal, de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE) en de Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD). De bevoegdheden van de controle-instellingen zijn eveneens vastgelegd in de artikelen 11 tot en met 16. De bevoegdheden zijn afhankelijk van de desbetreffende Europese verordening of richtlijn. Het betreft de volgende bevoegdheden: het toezicht op de naleving en andere handelingen zoals de keuring en het uitreiken van bewijsstukken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet. Door voornoemde wijziging van de Landbouwkwaliteitswet is de aansluitplicht vervallen. Dat betekent dat het toezicht op de naleving en andere handelingen van de controle-instellingen formeel niet meer alleen op aangeslotenen gericht zijn maar in het algemeen op de bedrijven die onder de werking van dit besluit vallen. In de memorie van toelichting is daar bij bovenbedoeld wetsvoorstel uitvoerig op ingegaan.3 Bij de daadwerkelijke uitvoering van de controle zal als uitgangspunt worden aangehouden dat ondernemers in een bepaalde sector zo veel mogelijk te maken krijgen met één controlerende overheidsinstantie. Dit betekent in de praktijk dat indien in een bepaalde controleschakel, zoals in de detailhandel of de retail reeds een gezaghebbende overheidsinstantie actief is, er in beginsel geen aanleiding is voor aanvullende controles van de in het onderhavige besluit bedoelde controle-instellingen. De controle-instellingen zullen in de praktijk dan ook adequate werkafspraken maken. Zo zal in deze context sprake zijn van een samenwerkingsprotocol tussen het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) en de VWA. Deze beoogde praktijk sluit ook rechtstreeks aan bij de lijnen van het staande kabinetsbeleid inzake «Eenduidig toezicht»4.

Administratieve lasten

Het vervallen van de aansluitplicht leidt tot een beperkte reductie van de administratieve lasten, zoals ook reeds is toegelicht in de memorie van toelichting behorende bij het voorstel tot wijziging van de Landbouwkwaliteitswet. Bij het opstellen van dit besluit en de ministeriële regeling is gekeken naar andere mogelijkheden voor het verminderen van administratieve lasten, naast de vermindering van regelgeving. Dit is gebeurd in nauw overleg met het bedrijfsleven en de controle-instellingen. Omdat het besluit en de ministeriële regeling uitsluitend strekken tot uitvoering van Europese regelgeving zijn de mogelijkheden om hier winst te behalen beperkt. De winst is met name gelegen in het feit dat een aantal ontheffingen die individueel worden verleend worden vervangen door algemene vrijstellingen. Dit is nader gekwantificeerd in de toelichting bij de ministeriële regeling.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In het eerste lid van artikel 1 zijn de in dit besluit gebruikte begrippen gedefinieerd. Zo zijn de verschillende Europese verordeningen en richtlijnen gedefinieerd, de verschillende landbouwproducten en aanduidingen, en de controle-instellingen. De definitie van «in de handel brengen» (sub b) is gebaseerd op artikel 2, derde lid, van richtlijn nr. 1998/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PbEG L 226). Artikel 1, aanhef, onder 7, van verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEG L 173) bevat een vergelijkbare definitie. Kern van deze definitie is dat deze betrekking heeft op bedrijfsmatige activiteiten; de begripsbepaling ziet derhalve niet op het overdragen of leveren van producten tussen particulieren. Ingevolge het tweede lid is op producten die weliswaar in Nederland zijn binnengebracht maar nog officieel door de douane moeten worden vrijgegeven voor een van de douaneregelingen, het bepaalde bij of krachtens dit besluit niet van toepassing.

Artikel 2

Dit artikel bevat de basis voor de uitvoering van verordening (EEG) 2092/92. In deze verordening worden regels vastgesteld met betrekking tot de biologische productiemethode. De verordening legt vast wat de biologische productiemethode inhoudt en aan welke voorwaarden voldaan moet worden voordat de aanduiding biologisch kan worden gebruikt bij het in de handel brengen van of het maken van reclame voor landbouwproducten. Deze verordening verplicht alle marktdeelnemers, met name producenten, bereiders en importeurs zich te onderwerpen aan een daartoe opgezet controle-systeem.

Artikel 3

Dit artikel bevat de basis voor de uitvoering van twee Europese verordeningen inzake het in de handel brengen van eieren. Dit is in de eerste plaats de recentelijk vastgestelde verordening (EG) 1028/2006, die verordening (EEG) 1907/90 inzake handelsnormen eieren vervangt, en de uitvoeringsverordening (EG) 557/2007. Eieren mogen binnen de Europese Unie slechts verhandeld worden wanneer zij voldoen aan de bepalingen van deze verordeningen. De verordeningen leggen verplichtingen op aan pakstations, producenten van en handelaren in eieren. De verplichtingen voor pakstations hebben met name betrekking op de indeling van eieren in kwaliteits- en gewichtsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de presentatie en het merken van eieren. De verplichtingen voor producenten betreffen met name de vermelding van gegevens bij de verzendingen van eieren naar de pakstations. Verder zijn in de verordeningen onder meer voorschriften opgenomen ten aanzien van het verlenen van erkenningen aan pakstations voor het sorteren van eieren.

Artikel 4

Dit artikel bevat de basis voor de uitvoering van een viertal EU-verordeningen inzake handelsnormen voor groenten en fruit. In het eerste lid wordt verwezen naar de artikelen 2, 3, 5, 6, 8 en 9 van verordening (EG) 2200/96. Deze artikelen bevatten de voorwaarden voor kwaliteit waaraan groenten en fruit moeten voldoen als deze in de handel worden gebracht. Voor bananen zijn door de Europese Commissie specifieke kwaliteitsvoorschriften vastgesteld in verordening (EG) 2257/94. Deze verordening is gebaseerd op verordening (EEG) 404/93 inzake de marktordening voor bananen. Artikel 4, tweede lid, van onderhavig besluit geeft hier uitvoering aan. In het derde lid wordt verwezen naar verordening (EG) 1666/99. Deze verordening bevat specifieke kwaliteitsvoorschriften voor krenten en rozijnen. De kwaliteitsvoorschriften hebben onder meer betrekking op indeling in klassen, aanduidingen, versheid, presentatie en vorm.

Artikel 5

Dit artikel bevat de basis voor de uitvoering van twee Europese verordeningen inzake het in de handel brengen van vlees van pluimvee. Dit is de verordening (EEG) 1906/90 inzake handelsnormen pluimveevlees en verordening (EEG) 1538/91 die de uitvoeringsbepalingen bevat. Vlees van pluimvee mag binnen de Europese Unie slechts verhandeld worden wanneer dit voldoet aan de bepalingen van deze verordeningen. De verordeningen leggen verplichtingen op voornamelijk aan slachterijen en uitsnijderijen. De verplichtingen hebben met name betrekking op indeling in gewichts- en kwaliteitsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de aanbiedingsvorm en op het merken van bepaalde soorten vlees van pluimvee. Ook wordt een maximumpercentage watergehalte vastgelegd.

Artikel 6

Dit artikel bevat de basis voor de uitvoering van verordening (EG) 510/2006 inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen en verordening (EG) 509/2006 inzake de bescherming van traditionele specialiteiten. Verordening (EG) 510/2006 beoogt de communautaire bescherming van benamingen van landbouwproducten en levensmiddelen waarvoor een verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische oorsprong. Verordening (EG) 509/2006 beoogt de communautaire bescherming van benamingen van landbouwproducten en levensmiddelen die zich door hun specifieke eigenschappen duidelijk van andere, soortgelijke, producten onderscheiden. In deze verordeningen zijn de procedures vastgelegd voor de bescherming van deze benamingen. Organisaties kunnen een registratieaanvraag met een productdossier indienen bij de lidstaat. De Commissie keurt uiteindelijk de aanvraag goed of af, en publiceert deze. Door de lidstaat aangewezen autoriteiten zien toe op de naleving van het productdossier.

Artikel 7

Dit artikel verwijst naar een specifiek onderdeel van verordening (EG) 1760/2000, namelijk titel II, deel II, waarin de vrijwillige etikettering van rundvlees wordt geregeld. Op basis daarvan dienen lidstaten een facultatief systeem in het leven te roepen waarin handelaren en organisaties daarvan kunnen vragen om erkenning van de door hen opgestelde productspecificaties voor rundvlees. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om benamingen als «scharrelrundvlees».

Artikelen 8 en 9

Zoals aangegeven in het algemeen deel van de toelichting worden op basis van deze artikelen richtlijn 92/52/EEG en richtlijn 98/56/EG, voorzover het gaat om teeltmateriaal van bloembollen, geïmplementeerd. Deze artikelen bevatten de kernbepalingen. Meer gedetailleerde uitvoeringsbepalingen worden opgenomen in de onderliggende ministeriële regeling. Op basis van richtlijn 92/25/EEG dragen lidstaten ervoor zorg dat volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding slechts naar derde landen uitgevoerd kunnen worden indien zij in overeenstemming zijn met een aantal inhoudelijke eisen uit richtlijn 91/321/EEG, die inmiddels is vervangen door richtlijn 2006/141/EG van de Commissie van 22 december 2006 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en tot wijziging van richtlijn 1999/21/EG (PbEU L 401). Deze richtlijn bevat voorschriften voor de samenstelling van zuigelingenvoeding uit oogpunt van volksgezondheid. Laatstgenoemde richtlijn is geïmplementeerd in de Warenwetregeling zuigelingenvoeding 2007. In richtlijn 98/56/EG worden regels gesteld ten aanzien van de kwaliteit van teeltmateriaal van siergewassen. Deze richtlijn wordt voor zover het gaat om teeltmateriaal van siergewassen anders dan bloembollen, geïmplementeerd op basis van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005, in het Besluit verhandeling teeltmateriaal en de Regeling verhandeling teelmateriaal. Voor zover het gaat om teeltmateriaal van bloembollen wordt de richtlijn geïmplementeerd op basis van de Landbouwkwaliteitswet, voorheen in het Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen en snijbloemen. Genoemde richtlijn bevat met name normen ten aanzien van de kwaliteit van het teeltmateriaal en schadelijke organismen (artikelen 3 tot en met 5), vereisten waaraan leveranciers van teeltmateriaal moeten voldoen (artikelen 6 en 7) en vereisten van etikettering (artikelen 8 en 9).

Artikel 10

Zoals aangegeven in het algemeen deel van de toelichting kan het nodig zijn dat de Minister voor de uitvoering van de Europese verordeningen en richtlijnen nadere regels stelt. Dit is bijvoorbeeld nodig als het gaat om het regelen van meer specifieke bevoegdheden van controle-instellingen die nodig zijn voor de uitvoering bijvoorbeeld het verlenen van ontheffingen, of het regelen van bepaalde verplichtingen voor bedrijven bijvoorbeeld het aanleveren van gegevens. Het gaat hier uitsluitend om regels ter uitvoering van Europese regels, en niet om nadere normering of aanvullende regels.

Op basis van het derde lid kan de Minister vrijstellingen of ontheffingen verlenen. Dit betreft in de praktijk met name vrijstellingen en ontheffingen die mogelijk zijn op basis van de desbetreffende Europese verordening of richtlijn. Met name op basis van verordening (EEG) 2092/91 en richtlijn 92/52/EEG bestaan deze mogelijkheden.

Artikelen 11 tot en met 16

In de artikelen 11 tot en met 16 worden de controle-instellingen en controle-instanties aangewezen en wordt beschreven met welke taken deze instellingen belast zijn. Per instelling kunnen deze taken verschillen, gelet op de verschillende eisen die de Europese verordeningen en de richtlijnen stellen ten aanzien van de verschillende producten. De taken van de instellingen vloeien voort uit de verordeningen en de richtlijnen. De taken kunnen onder meer bestaan uit het verrichten van keuringen, bedrijfscontroles en registratie van betrokkenen die producten in de handel brengen. Daarnaast kunnen de instellingen belast worden met overige uitvoeringshandelingen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de Europese regelgeving. Het gaat met name om de volgende handelingen: het afgeven van bewijsstukken en merken, certificering of erkenning waar de Europese regelgeving daartoe noodzaakt.

Artikel 11

De Stichting BKD is belast met het toezicht op de naleving van hetgeen in richtlijn 98/56/EG ten aanzien van het in de handel brengen van teeltmateriaal van bloembollen is bepaald. De Stichting BKD voert in dat kader onder meer monsterkeuringen uit op teeltmateriaal van bloembollen als bedoeld in de artikelen 12 en 14 van de richtlijn. Verder wordt de stichting belast met het uitvoeren van de registratie, bedoeld in artikel 6 van genoemde richtlijn.

Artikel 12

Op basis van dit artikel is de Stichting COKZ belast met het toezicht op de naleving van richtlijn 92/52/EEG inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derde landen is bestemd.

Artikel 13

Op basis van dit artikel wordt de Stichting CPE belast met bevoegdheden die uit de Europese verordeningen inzake handelsnormen voor eieren en vlees van pluimvee voortvloeien. In dat kader wordt de Stichting CPE belast met het toezicht op de naleving, de uitvoering van registratie of erkenning bedoeld in de desbetreffende verordeningen.

Artikel 14

Op basis van dit artikel wordt de Stichting KCB belast met het toezicht op de naleving van de Europese handelsnormen voor groenten en fruit, bananen en krenten en rozijnen. In dat kader wordt de Stichting ook belast met het uitreiken van bewijsstukken en registratie, voorzover dat in de desbetreffende Europese verordeningen is voorgeschreven.

Artikel 15

Op basis van dit artikel is de Stichting Skal belast met het toezicht op de naleving en met keuring in het kader van verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode. In artikel 15, aanhef onder a en b, is de Stichting Skal tevens belast met het toezicht op de naleving en de keuring van producten die bij ministeriële regeling gelijkgesteld zijn aan producten waarop deze verordening betrekking heeft. Het betreft in dit geval producten waarvoor in de verordening (nog) geen voorschriften zijn opgenomen maar waarvoor de verordening uitdrukkelijk ruimte biedt om vooruitlopend op communautaire regelgeving nationale regelgeving op te stellen. In de landbouwkwaliteitsregelgeving is op verzoek van de sector in één geval gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Zo is het mogelijk gemaakt om jonge leghennen op biologische wijze op te fokken zodat deze vanaf het moment dat zij legrijp zijn ook biologische eieren leggen. Zonder deze voorziening zouden biologische legpluimveehouders een wachttijd van zes weken moeten aanhouden alvorens de eieren als biologische eieren mochten worden verhandeld. Deze mogelijkheid zal ook in de vernieuwde landbouwkwaliteitsregelgeving blijven bestaan.

Artikel 16

Op basis van dit artikel zijn de Stichtingen COKZ, KCB en CPE belast met toezicht op de naleving van de Europese verordeningen inzake geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten voor zover het producten betreft die onder de bevoegdheid van deze instellingen vallen dan wel producten die bij ministeriële regeling zijn aangewezen. In dat kader voeren zij keuringen uit van producten en stellen zij vast of deze producten aan de eisen voldoen die in de desbetreffende productdossiers zijn vastgelegd (verificatie).

Artikel 17

Op basis van dit artikel is het mogelijk dat de VWA wordt aangewezen in het kader van de keuring van producten met een geografische aanduiding of oorsprongsbenaming of gegarandeerde traditionele specialiteiten die naar hun aard niet onder de bevoegdheid van de private controle-instellingen vallen. De Minister kan de VWA daartoe mandateren. Daarnaast is de Minister belast met de erkenning van de productspecificaties, onder b, voor de vrijwillige etikettering van rundvlees op basis van artikel 16 van verordening (EG) 1760/2000. Deze erkenning werd eerder in medebewind uitgevoerd door het Productschap Vee en Vlees op basis van het Landbouwkwaliteitsbesluit etikettering rundvlees. In de praktijk bleek daar geen behoefte meer aan te bestaan bij het Productschap. Op basis van dit artikel kan de Minister de VWA belasten met het verlenen van deze erkenning.

Artikel 18

Onderhavig artikel behelst een grondslag voor medebewind door de productschappen die actief zijn op de terreinen waarop het regelgevingcomplex van de Landbouwkwaliteitswet ziet. Ook in het «oude» stelsel van de Landbouwkwaliteitswet was een medebewindsbepaling opgenomen en op grond daarvan vervullen de betrokken productschappen ook daadwerkelijk een aantal taken.

Artikel 19

Zoals reeds gezegd vervangt dit besluit de bestaande besluiten in het regelgevingscomplex van de Landbouwkwaliteitswet met betrekking tot de verhandeling van producten. In dat verband kunnen de besluiten genoemd in artikel 19 vervallen. Het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten blijft in stand tot 1 augustus 2008. Dit besluit biedt de basis voor de tijdelijke regelingen Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006 en Landbouwkwaliteitsregeling boter. Na het vervallen van deze regelingen kan ook het genoemde besluit komen te vervallen.

Artikelen 21 en 22

Op basis van dit artikel worden enkele verwijzingen in andere besluiten geactualiseerd. Het betreft verwijzingen naar besluiten die op basis van artikel 19 worden ingetrokken.

Artikel 23

Dit besluit in samenhang met de Landbouwkwaliteitswet is opgebouwd uit een aantal verschillende onderdelen die niet noodzakelijkerwijs met elkaar samenhangen. Het is niet uit te sluiten dat het wenselijk is om verschillende bepalingen op een verschillend tijdstip in werking te kunnen laten treden om bijvoorbeeld organisatorische redenen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 oktober 2007, nr. 195.

XNoot
1

Wet van 11 mei 2007, houdende wijziging van de Landbouwkwaliteitswet in verband met onder meer het vervallen van de aansluitplicht (Stb. 2007, 220).

XNoot
2

Kamerstukken II, 2006-2007, 30 852.

XNoot
3

Kamerstukken II, 2006-2007, 30 852, nr. 2.

XNoot
4

Kamerstukken II, 2006-2007, 27 831, nr. 21.