Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2007, 262AMvB

Besluit van 9 juli 2007 tot wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van onze Minister van Financiën van 12 juni 2007, nr. FM 2007-01404 M;

Gelet op artikel 1:40, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord advies van 28 juni 2007 (nr. W06.07.0172/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 2 juli 2007, nr. FM 2007-01605 M;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit bekostiging financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «2:40» vervangen door «2:40, eerste lid» en wordt «of 2:96» vervangen door: 2:96 of 3:4, eerste lid,.

2. In onderdeel b wordt de zinsnede «3:5, vierde lid, of 3:7,vierde lid» vervangen door: 3:5, vierde lid, 3:6, vierde lid, 3:7, vierde lid.

3. In onderdeel c wordt na de zinsnede «van de wet» toegevoegd: of een mededeling als bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, van de wet.

B

In artikel 3, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, 3°, 8°, 9°» vervangen door: artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, 3°, 6°, 8°, 9°.

C

In artikel 5 wordt «financiële ondernemingen» vervangen door: financiële ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen.

D

In artikel 6, tweede lid wordt «financiële ondernemingen» vervangen door: financiële ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen.

E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt na «uitoefenen» toegevoegd: en ondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet en die het in de onderdelen a of b van dat lid bedoelde bedrijf uitoefenen.

2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «artikel 3:36» vervangen door: artikel 2:27, eerste lid,.

3. In het tweede lid wordt «ministeriele» vervangen door: ministeriële.

F

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «financiële ondernemingen» vervangen door: financiële ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen.

2. Onderdeel a komt te luiden:

a. clearinginstellingen en kredietinstellingen die het bedrijf van clearinginstelling uitoefenen;.

3. In onderdeel b vervallen de onderdelen 2°, 4° en 6°, onder vernummering van de onderdelen 3° en 5° tot onderdeel 2° onderscheidenlijk onderdeel 3°.

4. Onderdeel d komt te luiden:

d. verzekeraars, verdeeld in:

1°. schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, 2:47 onderscheidenlijk 2:48, eerste lid, van de wet;

2°. andere schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars dan bedoeld onder 1°:

3°. levensverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:27, eerste lid, of 2:47 van de wet;

4°. andere levensverzekeraars dan bedoeld onder 3°;

5. Onderdeel e komt te luiden:

e. beheerders die rechten van deelneming in een beleggingsinstelling aanbieden en beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder, verdeeld in:

1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling en beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder als bedoeld in artikel 2:65 van de wet;

2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling en beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder als bedoeld in de artikelen 2:71 en 2:72 van de wet, die zijn overgegaan tot het aanbieden van rechten van deelneming;

6. Onderdeel f komt te vervallen.

7. Onderdeel g komt te luiden:

g. beleggingsondernemingen, verdeeld in:

1°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 van de wet en die uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen;

2°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 van de wet en die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen;

3°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 van de wet en die uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen;

4°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 van de wet en die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen;

5°. financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:97, eerste lid, onderdeel b of c, of 2:98, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;

6°. beleggingsondernemingen die ingevolge artikelen 2:101 of 2:102 van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;

8. In onderdeel i, onder 1°, wordt «artikel 5:24» vervangen door: artikel 5:60, eerste lid, onderdeel a, onder vernummering van 1° tot 3° en onderdelen 2° en 3° tot onderdeel 1° onderscheidenlijk onderdeel 2°.

9. In onderdeel k wordt «artikel 1:15, tweede lid,» vervangen door: artikel 1:15.

10. Onderdeel l komt te luiden:

l. aanbieders van een financieel product, verdeeld in:

1°. aanbieders van krediet waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:60 van de wet;

2°. aanbieders van beleggingsobjecten;

G

Artikel 10, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het bedrag wordt op zodanige wijze gespecificeerd dat daaruit blijkt dat het overeenkomt met de door de toezichthouder voor de toepassing van artikel 1:76, eerste lid, van de wet, werkelijk gemaakte kosten.

H

In artikel 11, derde lid, wordt «financiële instelling» vervangen door: «financiële onderneming».

I

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de artikelen 2:55, 2:60, 2:75, 2:80, 2:86, 2:92 en 2:96» vervangen door: de artikelen 2:75, 2:80, 2:86 en 2:92.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Aan financiële ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, kan bij ministeriële regeling een korting worden verleend voor het elektronisch indienen van een aanvraag.

J

Artikel 13, derde lid, komt te vervallen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

's-Gravenhage, 9 juli 2007

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de zeventiende juli 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht (hierna: het Besluit) dat met ingang van 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij brief van 1 februari 2007 hebben de ministers van Financiën en Justitie de Kamer geïnformeerd over een experiment met zogenoemde vaste verandermomenten en redelijke invoeringstermijnen (Kamerstukken II 2006/07, 29 515, nr. 181). Voor de duur van dit experiment geldt als uitgangspunt dat wetgeving op terrein van de financiële markten – met effecten voor bedrijven en instellingen – nog maar op twee tijdstippen in een kalenderjaar, t.w. 1 januari met als terugvaloptie 1 juli, in werking kan treden. Indien sprake is van reparatiewetgeving kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Vanwege de dringende noodzaak om de in dit besluit opgenomen aanpassingen van het Kostenbesluit op korte termijn door te voeren, treedt dit besluit op een van de vaste verandermomenten afwijkend tijdstip in werking. Een belangrijk deel van de in dit besluit opgenomen wijzigingen is van technische aard. Deze wijzigingen worden hierna kort aangeduid. De wijzigingen worden per artikel nader toegelicht.

Gelet op het feit dat dit aanpassingsbesluit slechts strekt tot reparatie en het toevoegen van omissie en zodoende geen nieuw beleid met zich meebrengt, betekent dit dat het besluit geen effecten heeft zoals gedefinieerd in de Bedrijfseffectentoets. Het besluit veroorzaakt daarnaast ook geen extra nalevingkosten of administratieve lasten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

A

De wijziging van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit betreft in de eerste plaats het herstel van een onvolledige verwijzing. Voorts is in dat onderdeel een grondslag opgenomen voor het in rekening brengen van de kosten voor een aanvraag van de vrijwillige vergunning, bedoeld in artikel 3:4 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) . In onderdeel b van artikel 2, eerste lid, is door het opnemen van een verwijzing naar artikel 3:6, vierde lid, van de Wft een ontheffingsaanvraag toegevoegd alsmede een taalkundige onvolkomenheid gerepareerd. In artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit is een grondslag opgenomen voor het in rekening brengen van de met de reguliere verklaring van geen bezwaar vergelijkbare mededeling van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank (hierna: DNB) voor gekwalificeerde deelnemingen in een elektronischgeldinstelling als bedoeld in 3:108, vierde lid, van de Wft.

B

In artikel 3 van het Besluit is de mogelijkheid opgenomen een tarief in rekening te brengen voor het melden van aangesloten ondernemingen als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, van de Wft. Deze melding werd onder de Wet financiële dienstverlening al gefactureerd, maar door een verschrijving is de mogelijkheid om voor deze handeling een bedrag in rekening te brengen komen te vervallen.

C en D

Hier wordt de omissie hersteld dat uitsluitend kosten in rekening kunnen worden gebracht bij financiële ondernemingen. Uitgevende instellingen en pensioenfondsen vallen niet onder de in artikel 1:1 van de Wft opgenomen definitie van financiële onderneming. Dat dit een evidente omissie is blijkt onder meer uit artikel 8, eerste lid onderdelen i en j van het besluit waarin deze twee instellingen wel in categorieën worden onderverdeeld.

E

Artikel 7, eerste lid, van het Besluit is gewijzigd in verband met de in artikel I, onderdeel A, onder 1, van dit besluit opgenomen aanpassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a. Deze wijziging bewerkstelligt dat de houders van een vrijwillige vergunning als bedoeld in artikel 3:4 van de Wft , die voor de toepassing van de wet worden behandeld als houders van een bankvergunning, worden opgenomen als categorie voor het doorlopende toezicht. De wijziging van artikel 7, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, betreft het herstel van een onjuiste verwijzing respectievelijk een aanpassing van een taalkundige onvolkomenheid.

F

In artikel 8, eerste lid, aanhef, van het Besluit is de omissie hersteld dat uitsluitend kosten in rekening kunnen worden gebracht bij financiële ondernemingen. Uitgevende instellingen vallen niet onder de in artikel 1:1 van de Wft opgenomen definitie van financiële onderneming. Op bepaalde handelingen van dergelijke instellingen is echter wel toezicht ingevolge de Wft van toepassing en zij dienen voor de in verband daarmee gemaakte kosten in het Besluit te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor pensioenfondsen en de kosten gemaakt voor het effectentypische gedragstoezicht op pensioenfondsen.

De wijziging van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bewerkstelligt dat niet alleen clearingstellingen maar ook kredietinstellingen die tevens het bedrijf van clearinginstelling uitoefenen de daarmee verband houdende toezichtkosten betalen.

In de onderdelen d, e en f van artikel 8, eerste lid, zijn enkele (sub)onderdelen vervallen waarin verwezen werd naar categorieën en instellingen waarop de stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) al geruime tijd geen toezicht houdt of waaraan geen kosten in rekening worden gebracht. Deze subonderdelen zijn overgenomen uit de voorheen geldende systematiek waarop de heffingen voor de invoering van de Wet financieel toezicht gebaseerd waren.

De wijziging van artikel 8, eerste lid, onderdeel e, betreft een aanpassing van het besluit op het punt van beheerders van beleggingsinstellingen. Wat betreft de kosten wordt een dergelijke beheerder gelijkgesteld met een beleggingsmaatschappij zonder beheerder. De huidige subonderdelen 1 en 2 van artikel 8, eerste lid, onderdeel g, zijn samengevoegd om het onderscheid tussen deze twee typen instellingen weg te nemen. De huidige subonderdelen 3 en 6 van artikel 8, eerste lid, onderdeel g, zijn geschrapt. Deze subonderdelen zagen op instellingen die ontheven zijn van toezicht en op instellingen die gevestigd zijn in door de Minister van Financiën aangewezen landen waar het toezicht adequaat bevonden is. De AFM houdt zeer beperkt en uitsluitend op basis van incidenten toezicht bij deze categorieën van instellingen en brengt bij die instellingen geen kosten voor het toezicht in rekening.

Voorts zijn de huidige subonderdelen 4 en 5 van artikel 8, eerste lid, onderdeel g, samengevoegd omdat de AFM voor de heffingen geen onderscheid maakt naar instellingen met en zonder bijkantoor en instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (ICBE’s).

Het zevende lid heeft betrekking op de artikelen over de heffing op beleggingsondernemingen. Met deze wijziging is de terminologie uit de Wft overgenomen, die niet geheel eenduidig was overgenomen in het Besluit. Zo is de term: «beleggingsdiensten verrichten» vervangen door de wettelijke term: «beleggingsdiensten verlenen». Tevens is in afwijking van de Regeling bekostiging financieel toezicht1 aangeknoopt bij de vergunning van de instellingen en niet uitsluitend het land van vestiging. Met deze aanpassing is het mogelijk om instellingen die niet onder het Europees Paspoort regime vallen en wel in Nederland beleggingsdiensten verrichten en dus vergunninghouder zijn een heffing op te leggen. De oude regeling liet het niet toe onderscheid te maken tussen Europees paspoort houders en buitenlandse vergunninghouders.

In het vijfde en zesde subonderdeel is door de verwijzing naar de artikelen 2:97 en 2:98 van de Wft te verfijnen voorkomen dat ook verzekeraars die beleggingsdiensten verlenen in dezelfde subcategorie vallen als kredietinstellingen die beleggingsdiensten verlenen. Subonderdeel 9 is geschrapt aangezien de AFM uitsluitend repressief toezicht houdt op instellingen die vrijgesteld zijn. Aan deze instellingen wordt geen heffing opgelegd.

In artikel 8, eerste lid, onderdeel i, is geregeld dat aan uitgevende instellingen waarop de zogenoemde insiders trading regeling van toepassing is een heffing kan worden opgelegd. In het huidige Besluit was op dit punt een foutieve verwijzing opgenomen. Deze fout is thans hersteld. Voorts is in onderdeel k van artikel 8, eerste lid, een verwijzing aangepast.

Het gewijzigde onderdeel l van artikel 8, eerste lid, beperkt de mogelijkheid om kosten door te berekenen aan aanbieders van krediet tot alleen die instellingen die een vergunning hebben voor het aanbieden van krediet. Het tweede, derde, vierde en vijfde subonderdeel waren overbodig. Het Besluit bevat regels die voorheen waren opgenomen in de Regeling bekostiging financieel toezicht en de Regeling toezichtskosten financiële dienstverlening. In beide regelingen was een definitie van aanbieders van verzekeringen opgenomen. Abusievelijk zijn beide definities opgenomen in het Besluit. Deze doublure is met deze wijziging verwijderd. Voorts zijn de categorieën geschrapt waarvoor de AFM geen kosten doorberekent.

G

Met de wijziging van artikel 10 van het Besluit is verduidelijkt dat het hier gaat om kosten die in rekening kunnen worden gebracht in verband met het aanstellen van een stille curator ingevolge artikel 1:76 van de Wet.

H

In artikel 11, derde lid, van het Besluit werd abusievelijk het begrip «financiële instelling» gebruikt in plaats van het begrip «financiële onderneming». Deze fout is thans hersteld.

I

De wijziging van artikel 12 van het Besluit ziet op het stelsel van zelftoezicht waarbij bepaalde financiële dienstverleners zoals tussenpersonen zich kunnen aansluiten. Dit stelsel van zelftoezicht heeft als doel de toezichtstaak van de AFM te verlichten en daarmee de kosten van het toezicht te beperken. De instellingen genoemd in de artikelen 2:55, 2:60 en 2:96 van de Wft vallen niet onder dit regime. Het betreft beleggingsondernemingen, aanbieders van krediet en aanbieders van beleggingsobjecten. De Stichting financiële dienstverlening vervult geen rol ten aanzien van de in die artikelen genoemde instellingen. In het derde lid wordt bepaald dat in de vaststellingsregeling een korting kan worden opgenomen voor het elektronisch indienen van de aanvraag aangezien dit het proces bij de toezichthouder vergemakkelijkt.

J

Artikel 13, derde lid, van het Besluit regelt dat een financiële onderneming die in meerdere categorieën valt ook voor elk van deze categorieën een heffing kan worden opgelegd. Dit is een overbodige bepaling aangezien dit een logisch gevolg is van het kostenbesluit.

Artikel II

Ingevolge het bepaalde in artikel II werkt dit (wijziging)besluit terug tot en met 1 januari 2007. Het Besluit regelt de financiering van de AFM en DNB en vormt daarmee het wettelijk kader voor het opleggen van de heffingen verband houden met het financieel toezicht aan de sector. Wijzigingen in een lopend heffingsjaar kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de grondslag van de heffingen. Voor een aantal wijzigingen is het uit het oogpunt van de continuïteit van de financiering van de toezichthouders van belang dat deze terugwerken tot 1 januari 2007. Voor een aantal categorieën, zoals uitgevende instellingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wft, bestond nog geen grondslag om een heffing op te leggen voor het doorlopend toezicht over de periode gelegen tussen 1 januari 2007 en het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Het toezicht op deze instellingen heeft in 2007 uiteraard wel plaatsgevonden met alle daaraan verbonden kosten van dien. Omdat ook in voorgaande jaren dit toezicht heeft plaatsgevonden kan niet worden gesteld dat de rechtszekerheid wordt aangetast. Dat blijkt onder meer uit artikel 8, eerste lid, onderdelen i en j, van het Besluit waarin deze instelling wel in categorieën worden onderverdeeld. Het toezicht en het daarmee verband houdende kostenverhaal bestonden immers al gedurende meerdere jaren en in de feitelijke materiele positie is dan ook niets gewijzigd. Het toezicht wordt gecontinueerd onder de Wft en zodoende wordt net als voorheen een heffing opgelegd teneinde dit toezicht te kunnen financieren. Het feit dat er een heffing wordt opgelegd kan derhalve niet onvoorzien worden genoemd. Het ontbreken van de grondslag is een duidelijke omissie die een herstel met terugwerkende kracht vereist. Het niet verlenen van terugwerkende kracht zou de heffingssystematiek en ook de eerlijke concurrentie in Nederland ernstig verstoren, tenslotte zijn de kosten reeds gemaakt. Ten aanzien van de grondslagen voor de eenmalige verrichtingen zijn geen van de eventueel nieuw vast te stellen tarieven met terugwerkende kracht vastgesteld. Met andere woorden: wat betreft deze aanvragen zal niet alsnog een factuur worden verzonden. De overige wijzigingen waaraan terugwerkende kracht is toegekend zijn alle van technische aard en herstel van duidelijke verschrijvingen en brengen geen verandering met zich mee in de rechtspositie van de onder toezicht staande ondernemingen.

De Minister van Financiën,

W. J. Bos


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

XNoot
1

Stcrt. 2003, 249, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 20 december 2005, Stcrt. 2005, 250.