Wet van 14 juni 2007 tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met wijzigingen in de inrichting van de Raad voor cultuur en met invoering van een gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking ten behoeve van cultuuruitingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op het specifiek cultuurbeleid te wijzigen met het oog op een duidelijker scheiding tussen advisering over instellingen en beleidsadvisering door de Raad voor cultuur, alsmede met het oog op de ontwikkeling van het cultuurbeleid, dat op hoofdlijnen betrekking heeft en waarbij de wijze van subsidieverstrekking geschiedt op basis van een gedifferentieerd systeem;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het specifiek cultuurbeleid wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2b vervalt.

B

Artikel 2c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De commissies, bedoeld in het eerste lid, kunnen in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges geheel of gedeeltelijk bestaan uit andere personen dan leden van de Raad.

2. In het derde lid wordt «gedeeltelijk» vervangen door: geheel of gedeeltelijk.

3. De tweede volzin van het derde lid vervalt.

C

Artikel 2d vervalt.

D

Het opschrift van hoofdstuk II komt te luiden: Wijziging hoofdlijnen cultuurbeleid.

E

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Onze Minister bericht ten minste een keer in de vier jaar beide kamers der Staten-Generaal over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.

  • 2. Bij wijziging van hoofdlijnen van het cultuurbeleid doet Onze Minister daarvan telkens mededeling aan beide kamers der Staten-Generaal.

F

Na artikel 4 worden drie nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling eenmaal per vier jaar regels vast voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende periode van vier kalenderjaren.

  • 2. De ministeriële regeling bevat in ieder geval:

    a. een omschrijving van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    b. de criteria die bij de subsidieverlening voor de onder a bedoelde activiteiten gehanteerd worden, en

    c. het financieel kader waarbinnen de subsidieverstrekking geschiedt.

  • 3. De ministeriële regeling heeft betrekking op activiteiten die voor vier jaar voor subsidieverstrekking in aanmerking komen.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen subsidie verstrekken voor minder dan vier jaar.

Artikel 4b

  • 1. Onze Minister kan instellingen of groepen van instellingen aanwijzen ten behoeve waarvan hij telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie verstrekt.

  • 2. De criteria op grond waarvan Onze Minister beoordeelt of een instelling of een groep van instellingen wordt aangewezen, zijn:

    a. de onderlinge samenhang binnen een groep van instellingen;

    b. de continuïteit van de activiteiten van een instelling of een groep van instellingen, of

    c. het specifieke belang van de activiteiten van een te subsidiëren instelling of een groep van instellingen voor de cultuur in Nederland.

  • 3. Een aanwijzing of de intrekking van een aanwijzing wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 4. Onze Minister kan een aanwijzing intrekken:

    a. indien een instelling of groep van instellingen niet meer voldoet aan een of meer van de in het tweede lid bedoelde criteria, of

    b. om bijzondere redenen.

Artikel 4c

  • 1. Onze Minister verstrekt aan een fonds telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister voor minder dan vier kalenderjaren subsidie verstrekken, indien zich omstandigheden voordoen die daartoe aanleiding geven.

G

Artikel 8, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Onverminderd de artikelen 4a tot en met 4c en 5, tweede en derde lid, kan bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid worden bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt voor perioden van ten hoogste vier jaren.

H

In artikel 11a wordt «indien gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders, dat de openbare bibliotheek bekostigt of in stand houdt daartoe hebben onderscheidenlijk heeft besloten» vervangen door: indien het college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders dat de openbare bibliotheek bekostigt of in stand houdt daartoe heeft besloten.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 14 juni 2007

Beatrix

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

Uitgegeven de tiende juli 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 847

Naar boven