Wet van 7 juni 2007 tot wijziging van de Politiewet 1993 en het Wetboek van Strafvordering in verband met de taken en bevoegdheden van de Koninklijke marechaussee en de bijstand aan de Koninklijke marechaussee

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke regeling inzake de opsporingsbevoegdheid van de Koninklijke marechaussee te verduidelijken, de bestrijding van mensensmokkel en identiteitsfraude als zelfstandige taak van de Koninklijke marechaussee in de wet op te nemen en bijstand door de politie aan de Koninklijke marechaussee mogelijk te maken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel h, een onderdeel ingevoegd, luidende:

g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid.

B

Het opschrift van hoofdstuk IX komt te luiden:

HOOFDSTUK IX. BIJSTAND AAN DE POLITIE

C

In artikel 59, tweede lid, wordt in de eerste volzin de zinsnede «In dat geval bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,.

D

Na artikel 60 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IXA. BIJSTAND AAN DE KONINKLIJKE MARECHAUSSEE

Artikel 60a

In bijzondere gevallen kan door politiekorpsen bijstand worden verleend aan de Koninklijke marechaussee, met inachtneming van de artikelen 60b tot en met 60d.

Artikel 60b
  • 1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen voor de handhaving van de openbare orde, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvrage van de burgemeester een verzoek daartoe aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 2. Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige opdrachten aan de betrokken korpsbeheerders en stelt Onze Ministers van Defensie en van Justitie daarvan in kennis.

  • 3. Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig is, treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige voorzieningen en stelt Onze Ministers van Defensie en van Justitie daarvan in kennis.

Artikel 60c
  • 1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvrage van de officier van justitie een verzoek daartoe aan het College van procureurs-generaal.

  • 2. Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt het College van procureurs-generaal aan de betrokken korpsbeheerders de nodige opdrachten en stelt Onze Ministers van Justitie, van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan in kennis.

  • 3. Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig is, brengt het College van procureurs-generaal de aanvrage van Onze Minister van Defensie om bijstand ter kennis van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de nodige voorzieningen treft en Onze Ministers van Defensie en van Justitie en het College van procureurs-generaal daarvan in kennis stelt.

Artikel 60d
  • 1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van regionale politiekorpsen bij de uitoefening van de taken die zij op grond van artikel 6, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie, dan verstrekt Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie en na overleg met het college van procureurs-generaal, aan de betrokken korpsbeheerders de nodige opdrachten.

  • 2. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van het Korps landelijke politiediensten bij de uitoefening van de taken die zij op grond van artikel 6, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie, dan treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op verzoek van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de nodige voorzieningen.

  • 3. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de korpschef van een regionaal politiekorps, onderscheidenlijk de korpschef van het Korps landelijke politiediensten, voorzover dat korps bijstand verleent aan de Koninklijke marechaussee als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid.

ARTIKEL II

Artikel 141, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering komt als volgt te luiden:

c. de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 17 maart 2005 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de invoering van een nieuw stelsel voor bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten (Kamerstukken II 2004/05, 30 041) tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan deze wet, wordt in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993 de zinsnede «bedoeld in het eerste lid, onder a en g» vervangen door: bedoeld in het eerste lid, onder a en h.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

's-Gravenhage, 7 juni 2007

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

De Minister van Defensie,

E. van Middelkoop

Uitgegeven de derde juli 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 557

Naar boven