Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatsblad 2007, 162AMvB

Besluit van 10 april 2007, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (verruiming definitie natuurterrein en regeling rangschikking aangrenzende onroerende zaken)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 december 2006, nr. TRCJZ/2006/3742, Directie Juridische Zaken, gedaan mede namens de Minister van Financiën;

Gelet op de artikelen 1, tweede, derde en vierde lid, en 2, tweede en derde lid, van de Natuurschoonwet 1928 en artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet;

De Raad van State gehoord (advies van 9 februari 2007, nr. W11.06.0545/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 maart 2007, nr. TRCJZ/2007/556, Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

    a. landgoed: landgoed als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928;

    b. houtopstanden: houtopstanden niet zijnde kweekgoed, kerstboomteelten, laagstamboomgaarden of snijgrienden;

    c. buitenplaats: onroerende zaak met daarop gelegen een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten minste één hectare waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is, indien dit complex, dan wel ten minste één van de onderdelen daarvan, een beschermd monument is dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;

    d. natuurterreinen:

    1°. heidevelden, hoogvenen, laagveenmoerassen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, slufters, schorren, gorzen, slikken, groene stranden, rietlanden, ruigten, struwelen, moerassen, vennen, poelen, beken, kleine rivieren, wielen, afgesloten rivierlopen, kreken, bronnen en sprengen, voor zover deze gronden niet in gebruik zijn als landbouwgrond;

    2°. kalkgraslanden, bloemrijke graslanden van het heuvelland, van het zand- en het veengebied, of van het rivieren- en zeekleigebied, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden van beekdalen, of van veen- en kleigebieden, natte matig voedselrijke graslanden, droge schraalgraslanden van de hogere gronden, droge kalkarme duingraslanden, droge kalkrijke duingraslanden en binnendijkse zilte graslanden, voor zover deze gronden slechts in gebruik zijn voor begrazing of als hooiland en begroeid zijn met voor deze graslanden kenmerkende vegetatietypen;

    e. Onze Ministers: Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën;

    f. economische eigendom: economische eigendom als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Natuurschoonwet 1928.

  • 2. In dit besluit wordt onder natuurterreinen mede verstaan landbouwgrond die voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

    a. de desbetreffende landbouwgrond wordt ingericht of anderszins genoegzaam geschikt gemaakt voor de ontwikkeling tot natuurterrein;

    b. die ontwikkeling tot natuurterrein geschiedt overeenkomstig een door Onze Ministers goedgekeurd natuurinrichtingsplan, waarin tevens de tijdsduur is bepaald waarbinnen die ontwikkeling in hoofdzaak zal worden voltooid;

    c. elk gebruik van de grond dat de ontwikkeling tot natuurterrein kan belemmeren, is blijkens een schriftelijke verklaring gestaakt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «tenminste» vervangen door: ten minste.

b. Onderdeel b komt te luiden:

b. terreinen en wateren behorende tot de onroerende zaak vormen een aaneengesloten gebied;.

c. Onderdeel c komt te luiden:

c. de oppervlakte van de onroerende zaak is voor ten minste 30 percent bezet met houtopstanden of natuurterreinen en.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Voor zover tot de onroerende zaak behorende terreinen, opstallen of wateren, of het soort gebruik dat daarvan wordt gemaakt, inbreuk maken op het natuurschoon, worden die terreinen, die opstallen en die wateren niet gerekend tot de als landgoed aan te merken onroerende zaak.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De terreinen en wateren behorende tot een onroerende zaak worden mede als een aaneengesloten gebied aangemerkt, indien:

    a. de terreinen en wateren gescheiden worden door:

    1°. onverharde wegen,

    2°. verharde wegen niet breder dan vijf meter,

    3°. waterlopen niet breder dan 25 meter, of

    4°. niet-geëlektrificeerde enkelsporen; of

    b. de terreinen en wateren gescheiden worden door een weg, dijk, spoorweg of waterloop, voor zover er een landschappelijke of functionele samenhang is tussen de terreinen en deze samenhang herkenbaar aanwezig is, of voor zover er een nauwe historische band bestaat tussen de terreinen.

C

Artikel 3 wordt vervangen door de volgende artikelen:

Artikel 3

  • 1. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een buitenplaats of een deel daarvan.

  • 2. Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een buitenplaats met een oppervlakte van minder dan vijf hectare of een deel daarvan.

  • 3. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een onroerende zaak met een oppervlakte van minder dan vijf hectare doch groter dan één hectare, indien:

    a. de onroerende zaak grenst aan een onroerende zaak die als landgoed is aangemerkt en de oppervlakte van beide onroerende zaken gezamenlijk ten minste vijf hectare bedraagt, of de onroerende zaak met één aangrenzende nog niet als landgoed aangemerkte onroerende zaak, gezamenlijk een oppervlakte van ten minste vijf hectare heeft; en

    b. tussen beide onroerende zaken een nauwe historische band bestaat.

  • 4. Artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing op een onroerende zaak met een oppervlakte van ten hoogste één hectare, indien:

    a. op de onroerende zaak een opstal is gelegen die vóór 1 januari 1940 is gebouwd en die na deze datum uiterlijk zijn karakter heeft behouden;

    b. de onroerende zaak grenst aan een onroerende zaak die als landgoed is aangemerkt en de oppervlakte van beide onroerende zaken gezamenlijk ten minste vijf hectare bedraagt; en

    c. een nauwe historische band bestaat tussen de opstal, bedoeld in onderdeel a, en de onroerende zaak die als landgoed is aangemerkt, bedoeld in onderdeel b.

  • 5. Opstallen, gelegen op onroerende zaken met een oppervlakte van minder dan vijf hectare die met toepassing van het derde of vierde lid als landgoed kunnen worden aangemerkt, maken slechts deel uit van het landgoed voor zover het betreft:

    a. beschermde monumenten die zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;

    b. opstallen voor het technisch beheer van het landgoed, ongeschikt voor verblijf, met een oppervlakte van ten hoogste 20 m2 en een nokhoogte van ten hoogste 3 meter; of,

    c. opstallen die vóór 1 januari 1940 zijn gebouwd en die na deze datum uiterlijk hun karakter hebben behouden, voor zover een nauwe historische band bestaat tussen de opstal en het landgoed.

  • 6. In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, kan een onroerende zaak, die nog niet voor ten minste 30 percent van de oppervlakte bestaat uit houtopstanden of natuurterreinen, als landgoed worden aangemerkt, indien, blijkens een beplantingsplan en blijkens het begin van de feitelijke uitvoering daarvan, het voornemen bestaat om de onroerende zaak in voldoende mate met houtopstanden te bezetten, mits de onroerende zaak naar het oordeel van Onze Ministers na afloop van de in artikel 3a, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 genoemde termijn aan alle voorwaarden voor aanmerking als landgoed zal voldoen.

  • 7. Het in het vierde lid, onderdeel a, het vijfde lid, onderdeel c, en artikel 5, eerste lid, onderdeel d, genoemde jaartal wordt telkens na het verstrijken van een periode van tien jaren na inwerkingtreding van dit lid met tien jaren verhoogd.

Artikel 3a

De hoofdgerechtigde van een onroerende zaak die de onroerende zaak heeft bezwaard met het beperkt recht van erfpacht zonder de economische eigendom over te dragen wordt aangemerkt als de eigenaar van die onroerende zaak, indien die onroerende zaak een oppervlakte heeft van minder dan vijf hectaren.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «terreinen die op de onroerende zaak zijn gelegen» vervangen door: terreinen die tot de onroerende zaak behoren.

2. De onderdelen b tot en met g worden geletterd c tot en met h.

3. Na onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. voor intensieve veehouderij;.

4. In onderdeel c (nieuw) wordt «mijnbouw» vervangen door: winning van bodemmaterialen of mijnbouw.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «waarvan de eerste aanleg dateert van vóór 1850, welke nog herkenbaar aanwezig is» vervangen door: waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is.

2. In onderdeel g, onder 1°, wordt «tenminste» telkens vervangen door: ten minste.

3. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onder in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde houtopstanden worden mede begrepen houtopstanden die niet zijn gelegen op de onroerende zaak zelf maar daaraan direct grenzen.

F

Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «als inbreuk makend op het natuurschoon,» vervangen door: Als inbreuk makend op het natuurschoon,.

2. In de onderdelen a, b en c, wordt «tenminste» telkens vervangen door: ten minste.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Een verzoek aan Onze Ministers om een onroerende zaak aan te merken als een landgoed wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier en bevat ten minste:

    a. een overzicht van de als landgoed aan te merken kadastrale percelen, waarbij per perceel de (geschatte) oppervlakte wordt vermeld;

    b. een beschrijving van:

    1°. de vanuit het oogpunt van natuurschoon kenmerkende structuren en elementen van de onroerende zaak;

    2°. de hoedanigheid van de terreinen, de opstallen en het soort gebruik dat van die terreinen en van die opstallen wordt gemaakt; en

    3°. de historische ontwikkeling van de onroerende zaak.

  • 2. Bij het verzoek worden in ieder geval overgelegd:

    a. actuele uittreksels uit de kadastrale registratie en uit de kadastrale kaarten die op de onroerende zaak betrekking hebben;

    b. kleurenfoto’s van de opstallen;

    c. een topografische kaart van de onroerende zaak, waarop de in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, bedoelde gegevens zijn aangegeven;

    d. voor zover het betreft een aanvraag ten aanzien van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 3, eerste, tweede of vijfde lid, onderdeel a, een afschrift van de beschikking waarbij de onroerende zaak is aangewezen als beschermd monument.

    e. in geval een verzoek wordt gedaan om de onroerende zaak aan te merken als een landgoed met toepassing van artikel 3, derde of vierde lid, bewijsstukken waaruit de nauwe historische band als bedoeld in deze artikelleden en, indien van toepassing, artikel 3, vijfde lid, blijkt;

  • 3. In geval tot de onroerende zaak landbouwgrond als bedoeld in artikel 1, tweede lid, behoort, worden tevens bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1, tweede lid

  • 4. Een verzoek om een onroerende zaak als landgoed aan te merken met toepassing van artikel 3, derde lid, wordt ingediend tezamen met het verzoek van de eigenaar van de in dat lid bedoelde nog niet als landgoed aangemerkte aangrenzende onroerende zaak om die zaak als landgoed aan te merken. Bij de verzoeken wordt tevens een gezamenlijke verklaring van de eigenaren van de onroerende zaken gevoegd, waarin zij om toepassing van artikel 3, derde lid, verzoeken. Indien beide onroerende zaken ieder een oppervlakte van minder dan 5 hectare hebben en één van de gezamenlijk ingediende verzoeken wordt afgewezen, wordt ook het andere verzoek afgewezen.

  • 5. Bij een verzoek om een onroerende zaak als landgoed aan te merken met toepassing van artikel 3, zesde lid, worden tevens overgelegd:

    a. een beplantingsplan, waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld; en

    b. een duidelijke kaart of plattegrond, waarop de tot de onroerende zaak behorende percelen die geheel of gedeeltelijk met houtopstanden bezet zullen worden, zijn aangegeven, onder vermelding van de kadastrale nummers.

  • 6. Indien met betrekking tot een onroerende zaak regelen als bedoeld artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 inzake openstelling voor het publiek ter goedkeuring aan Onze Ministers worden voorgelegd, worden bij het verzoek tot goedkeuring op een afzonderlijke topografische kaart de wegen en paden die voor het publiek toegankelijk zijn, alsmede de plaatsaanduiding van de toegangsborden, aangegeven.

  • 7. De topografische kaart, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onderscheidenlijk het zesde lid, heeft een schaal van 1 : 10.000, met dien verstande dat voor een onroerende zaak kleiner dan vijf hectare de schaal 1 : 2500 bedraagt.

  • 8. Bij regeling van Onze Ministers kan worden afgeweken van het eerste en tweede lid ten aanzien van bij die regeling aangewezen categorieën van verzoeken.

H

Na artikel 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8

De voorwaarden, bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet, zijn:

a. ten minste 30 percent van de oppervlakte van het landgoed is bezet met houtopstanden; of

b. de oppervlakte van het landgoed is voor ten minste 20 percent met houtopstanden bezet waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij horende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 10 april 2007

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

De Staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager

Uitgegeven de tiende mei 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

1. Achtergrond van het besluit

Dit besluit strekt tot wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: Rangschikkingsbesluit). Het Rangschikkingsbesluit bevat nadere regels ter uitvoering van de Natuurschoonwet 1928.

De Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) voorziet in fiscale faciliteiten voor eigenaren van onroerende zaken die als landgoed in de zin van de NSW zijn aangemerkt. Het doel van de NSW is door middel van deze faciliteiten te stimuleren dat de eigenaren het landgoed instandhouden en zo een bijdrage leveren aan het natuurschoon. De fiscale faciliteiten hebben betrekking op het successierecht, het schenkingsrecht, het recht van overgang, de onroerende-zaakbelasting, de overdrachtsbelasting, de kapitaalsbelasting1, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Met betrekking tot de drie eerstgenoemde belastingen gelden extra voordelen indien het landgoed fiscaal is opengesteld. Voor de toepassing van die wetten wordt de economische waarde van deze landgoederen op nihil gesteld.

De NSW is de afgelopen jaren driemaal gewijzigd. Bij wet van 14 december 2000, tot wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 2000, 551) werden de mogelijkheden om oneigenlijk gebruik van de NSW tegen te gaan vergroot. Daarnaast werd, om het natuurbeheer fiscaal te stimuleren, het begrip «landgoed» in de NSW verruimd.

Bij wet van 15 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten (belastingplan 2006) (Stb. 2005, 683) is een aantal onderdelen van bovengenoemde wet van 14 december 2000 met betrekking tot de NSW gewijzigd. Deze tweede wijziging houdt zowel een uitbreiding als een beperking in ten opzichte van de eerdere wijziging. De beperking ziet erop dat de gezamenlijke rangschikking van een klein perceel met een aangrenzend landgoed slechts mogelijk is wanneer er een aantoonbare nauwe historische band is van dat perceel met het aangrenzende landgoed. De uitbreiding houdt in dat de mogelijkheden voor het gebruik van erfpacht als beheersinstrument worden verruimd. Indien bij de uitgifte in erfpacht het economisch eigendom bij de bloot-eigenaar blijft, heeft deze uitgifte in erfpacht geen gevolgen voor de NSW-rangschikking.

Beide wijzigingen treden eerst in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip is afhankelijk van een met de wijziging van de NSW samenhangende aanpassing van het Rangschikkingsbesluit. Het Rangschikkingsbesluit bepaalt immers overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de gewijzigde NSW de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om als een landgoed in de zin van de NSW te kunnen worden aangemerkt en schrijft ter uitvoering van artikel 2, derde lid, van de gewijzigde NSW voor welke bescheiden naast een beschrijving van de karakteristieke verschijningsvorm van de onroerende zaak en de uittreksels uit het kadaster bij een verzoek om rangschikking dienen te worden overgelegd. Het onderhavige besluit voorziet in de aanpassing van het Rangschikkingsbesluit.

De derde wetswijziging is opgenomen in de Wet VPB-pakket 2006 (stb. 2005, 684) waarbij de kapitaalsbelasting wordt afgeschaft. Deze wetswijziging is niet van invloed op onderhavige wijziging van het Rangschikkingsbesluit.

Om voor de faciliteiten van de NSW, overeenkomstig de regels voor het Rangschikkingsbesluit, in aanmerking te komen, moet de eigenaar van de betrokken onroerende zaak op grond van artikel 2, eerste lid, van de NSW aan de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën verzoeken om deze zaak als «landgoed» in de zin van de NSW aan te merken.

Onder eigenaar wordt in de NSW verstaan (artikel 1, onderdeel b):

1. de persoon die het recht van eigendom heeft en de onroerende zaak niet heeft bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik of dat van erfpacht,

2. de vruchtgebruiker van de onroerende zaak, en

3. de erfpachter van de onroerende zaak. Wanneer de bloot-eigenaar de economische eigendom niet heeft overgedragen toen hij het beperkt recht van erfpacht of vruchtgebruik vestigde, blijft hij onder bepaalde voorwaarden eigenaar in de zin van de NSW. Wanneer op verzoek van de erfpachter of vruchtgebruiker een onroerende zaak wordt gerangschikt, kan de bloot-eigenaar «meeliften». Hij geniet de fiscale voordelen die verbonden zijn aan de rangschikking.

2. Inhoud van het besluit

Ter uitwerking van de wetswijzigingen is het Rangschikkingsbesluit op drie punten aangepast.

a. Houtopstanden of natuurterreinen

De eerste aanpassing betreft de uitbreiding van de mogelijkheden om een landgoed te doen rangschikken onder de NSW. Om voor rangschikking in aanmerking te kunnen komen, diende tot op heden de oppervlakte van een te rangschikken onroerende zaak voor ten minste 30 percent te zijn bezet met houtopstanden of wel te bestaan uit ten minste 20 percent houtopstanden in combinatie met ten minste 50 percent natuurterreinen. Dit hangt samen met de definitie van «landgoed» in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de NSW: een landgoed is een, in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak (…). Met de inwerkingtreding van de wet van 14 december 2000 wordt aan de definitie toegevoegd dat een landgoed ook met natuurterreinen bezet kan zijn.

Om uitwerking te geven aan deze wetswijziging wordt het criterium in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Rangschikkingsbesluit gewijzigd: een onroerende zaak kan worden gerangschikt onder de NSW als de oppervlakte ervan voor ten minste 30 percent is bezet met houtopstanden of natuurterreinen (artikel I, onderdeel B) . Ook landgoederen zonder houtopstand kunnen nu voor rangschikking in aanmerking komen, als tenminste 30 percent van de oppervlakte maar bestaat uit natuurterreinen.

In samenhang met deze verruiming van rangschikkingsmogelijkheden wordt ook de definitie van natuurterrein in artikel 1, onderdeel b, van het Rangschikkingsbesluit gewijzigd en uitgebreid (artikel I, onderdeel A). Deels betreft dit een verduidelijking van reeds gebruikte terreintypologieën, deels een uitbreiding met bepaalde typen graslandvegetaties.

Ingevolge artikel I, onderdeel H, werkt de hiervoor genoemde uitbreiding van de rangschikkingsmogelijkheden niet door naar de vrijstelling van Natuurschoonwet-landgoederen in de Gemeentewet. Vanwege het gewenste brede draagvlak van de onroerende-zaakbelastingen is het niet wenselijk dat de vrijstelling van onroerende zaken die deel uitmaken van een landgoed dat is aangewezen op de voet van de Natuurschoonwet 1928 wordt uitgebreid. Artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet bepaalt dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen de waarde van één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een landgoed, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen, buiten aanmerking worden gelaten. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de oppervlakte van de onroerende zaak met het in het Rangschikkingsbesluit genoemde percentage van bossen, natuurterreinen of andere houtopstanden bezet dient te zijn. Artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit bepaalt dat voor de toepassing van artikel 220d dit percentage ten minste 30 percent bos of andere houtopstanden, of 20 percent bos of andere houtopstanden en ten minste 50 percent natuurterreinen dient te zijn. Dit zijn de voorwaarden die vóór de inwerkingtreding van dit besluit golden.

b. Gezamenlijke rangschikking

De tweede aanpassing betreft de mogelijkheid om twee onroerende zaken gezamenlijk te doen rangschikken onder de NSW. Tot nu toe bestond ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de NSW in samenhang met artikel 1, tweede lid, van de NSW voor onroerende zaken die niet zelfstandig voldeden aan de voorwaarden voor rangschikking, de mogelijkheid om bij één beschikking te worden gerangschikt tezamen met een andere onroerende zaak, in het geval de onroerende zaken gezamenlijk wel voldeden aan de voorwaarden voor rangschikking. Dit had tot gevolg dat veel kleine percelen die zelf niet bijdroegen tot het natuurschoon toch de fiscale faciliteiten genoten die eigen zijn aan gerangschikte landgoederen.

Dit systeem, dat oneigenlijk gebruik van de NSW in de hand werkte, wordt bij de wijziging van artikel 1, eerste en tweede lid, van de NSW met genoemde wet van 14 december 2000 verlaten. Voortaan moet iedere onroerende zaak afzonderlijk gerangschikt worden en ook afzonderlijk aan de eisen van een landgoed voldoen. Wel kan ingevolge het nieuwe artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van de NSW bij de oppervlakte van de onroerende zaak de oppervlakte van één aangrenzende onroerende zaak in aanmerking worden genomen. Het nieuwe artikel 3, derde lid, van het Rangschikkingsbesluit bepaalt dat een onroerende zaak die niet voldoet aan het in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Rangschikkingsbesluit neergelegde oppervlakte criterium voor een landgoed (ten minste vijf hectare) maar wel aan de overige eisen, zoals 30 percent natuur of houtopstanden, worden gerangschikt als deze tezamen met een aangrenzende onroerende zaak die als landgoed is of wordt aangemerkt wel aan dit oppervlaktecriterium voldoet (artikel I, onderdeel C). Bovendien moet er een nauwe historische band bestaan tussen de onroerende zaken die gezamenlijk rangschikken. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin oorspronkelijk gedurende een lange periode in het verleden de percelen aan één en dezelfde eigenaar toebehoorden of waarin verschillende eigenaren al jarenlang een gezamenlijk beheer ten aanzien van beide percelen voeren. De nauwe historische band kan onder meer blijken uit historische bronnen, akten, overeenkomsten, kadastrale uittreksels of wetenschappelijke literatuur. Ook wanneer opstallen op de betrokken percelen in een zelfde kenmerkende stijl zijn gebouwd of wanneer de tuinen gelijke historische tuinarchitectonische elementen vertonen kan dit een aanwijzing zijn dat er een historische samenhang is.

Voor onroerende zaken van minder dan één hectare met een opstal gebouwd vóór 1940 is in het nieuwe artikel 3, vierde lid, voorzien in een aparte uitzonderingsregeling (artikel I, onderdeel C). In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan.

c. Verruiming rangschikkingsmogelijkheden voor te ontwikkelen natuur

De derde wijziging betreft de in het nieuwe artikel 1, tweede lid, aangegeven verdere verruiming van de mogelijkheid tot rangschikking van natuurterreinen, namelijk die terreinen die aan de landbouw zijn onttrokken en zullen worden omgevormd tot terreinen met een hoofdfunctie natuur. Het was tot 1 januari 2007 in bepaalde omstandigheden mogelijk om subsidie voor een dergelijke omvorming aan te vragen op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (hierna: SN). Sinds 1 januari 2007 zijn vergelijkbare subsidieregelingen beschikbaar in het kader van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: WILG). Deze verruiming is gewenst om het draagvlak voor zowel deze subsidieregelingen als de NSW te vergroten en vanwege de extra impuls die hiervan uitgaat voor eigenaren om aan particulier natuurbeheer te doen.

3. Lasten en andere effecten van de wijziging van het Rangschikkingsbesluit

a. Administratieve lasten die rechtstreeks voortvloeien uit de wetswijzigingen

Uit de wet van 14 december 2000 tot wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 2000, 551) vloeit voort dat landgoederen die nu gezamenlijk worden gerangschikt, na de overgangsperiode niet langer worden gerangschikt tenzij er een nieuwe aanvraag is ingediend en die aanvraag is gehonoreerd.

Landgoedeigenaren, vooral natuurlijke personen en rechtspersonen die hoofdzakelijk de instandhouding van een of meer landgoederen ten doel hebben, en adviesbureaus worden geraakt door de verplichting opnieuw een aanvraag in te dienen.

Naar schatting maken er 2.400 onroerende zaken deel uit van een gezamenlijke rangschikking. Naar verwachting zal voor al deze onroerende zaken een nieuwe aanvraag worden ingediend, ook indien vooraf duidelijk is dat niet aan de nieuwe voorwaarden wordt voldaan. Het indienen van een nieuwe aanvraag is immers krachtens artikel VI, negende lid, van de wet van 14 december 2000 een voorwaarde om te voorkomen dat alsnog invordering plaatsvindt van belastingen en rechten die in de periode dat de onroerende zaak gerangschikt was minder zijn geheven door toepassing van de bepalingen van de oude NSW. De administratieve lasten bij een aanvraag in het kader van de NSW verschillen per onroerende zaak. De lasten zijn onder meer afhankelijk van de vraag hoeveel kadastrale percelen betrokken zijn en van de vraag of ook een beplantingsplan nodig is.

Het verzoek om een onroerende zaak aan te merken als landgoed wordt ingevolge het gewijzigde artikel 7 van het Rangschikkingsbesluit (artikel I, onderdeel G) ingediend met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier. Artikel 7, eerste en tweede lid, bepaalt welke informatie moet worden verschaft bij het indienen van een verzoek. Veel informatie die nodig is voor de beoordeling van een aanvraag om rangschikking van de onroerende zaken die deel uitmaken van een gezamenlijke rangschikking is reeds bekend bij Dienst Regelingen. Het is niet nodig dat deze informatie opnieuw wordt verstrekt. Daarom bepaalt artikel 7, achtste lid, dat bij regeling van Onze Ministers kan worden afgeweken van het eerste en tweede lid. Op basis van de ministeriële regeling zullen speciale formulieren worden ontwikkeld voor de beoordeling van die aanvragen. Hiermee kunnen de administratieve lasten beperkt worden. Naar verwachting is voor 45 percent van de 2400 onroerende zaken (zijnde 1080 onroerende zaken) op voorhand duidelijk dat niet aan de nieuwe criteria wordt voldaan. Op basis van een volgens de ministeriële regeling op te stellen formulier, zullen deze aanvragers naar schatting 1 uur nodig hebben om dit formulier in te vullen. Dit komt neer op 21.600 euro aan administratieve lasten voor deze categorie. Voor de overige onroerende zaken geldt dat de administratieve lasten ongeveer liggen tussen de 45 euro en 200 euro per aanvraag, in het totaal tussen 59.400 euro en 264.000 euro.

De bescheiden die overgelegd moeten worden bij de aanvraag zijn grotendeels dezelfde gebleven. Bij een verzoek om rangschikking met een reeds als landgoed aangemerkte onroerende zaak, hoeft niet langer een toestemmingsverklaring van de eigenaar van dat landgoed toegevoegd te worden. Wel dient, wanneer samen met een andere onroerende zaak wordt gerangschikt, de nauwe historische band te worden aangetoond. In veel gevallen zal het voldoende zijn om een kopie van een document (overeenkomst, kadastraal uittreksel, etc.) of foto’s waarop de kenmerkende stijl op beide onroerende zaken herkenbaar is toe te voegen. In andere gevallen is een uitgebreidere onderbouwing met meerdere documenten noodzakelijk. De lasten zullen tussen de 20 en 60 euro per aanvraag liggen.

b. Administratieve lasten die voortvloeien uit dit besluit

De verruiming van het begrip «landgoed» leidt per jaar naar verwachting tot circa 150 extra aanvragen voor eerste rangschikking en verzoeken om percelen aan een gerangschikt landgoed toe te voegen. Onder de huidige wet- en regelgeving worden per jaar gemiddeld 500 NSW-verzoeken ingediend. Hiervan hebben er ongeveer 150 (circa 30 percent) van de aanvragen betrekking op een eerste verzoek om rangschikking. Het resterende deel betreft meldingen van eigendomsoverdracht en de daarbij behorende verzoeken om voortgezette rangschikking als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de NSW (circa 25 percent), verzoeken om een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3, achtste lid, van de gewijzigde NSW (circa 5 percent) en overige mutaties, zoals wijziging in de openstelling, wijziging terreingebruik, perceelsvernummering en aanvullende rangschikkingen (circa 40 percent).

De administratieve lasten bij een aanvraag in het kader van de NSW verschillen per soort aanvraag. Hierna volgt een aantal voorbeelden van de kosten die – uitgaande van de huidige prijzen – verbonden zijn aan het indienen van een aanvraag. De administratieve lasten die verbonden zijn aan een geheel nieuwe NSW-aanvraag, uitgaande van een gemiddeld NSW-landgoed met 25 kadastrale percelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een beplantingsplan en waarbij om openstelling wordt verzocht, komen uit op € 380. Bij de berekening is onder meer rekening gehouden met het inkleuren van de topografische terreinkaart, de kosten voor het verkrijgen van uittreksel van het kadaster en het invullen van het model beplantingsplan. Een verzoek om voortzetting van NSW-rangschikking bij algehele eigendomsoverdracht komt uit op € 17. Aan een verzoek om een mutatie in de NSW-rangschikking zijn administratieve lasten verbonden van € 45. De kosten die een aanvrager moet maken bij het verzoek om toevoeging van 5 percelen zonder opstallen aan een bestaand opengesteld NSW-landgoed zonder beplantingsplan bedragen, inclusief het intekenen van de openstellingskaart en het maken van een terreinbeschrijving, € 90.

De wijzigingen van de NSW of het Rangschikkingsbesluit brengen geen (jaarlijks) terugkerende administratieve lasten met zich. Zolang er geen wijzigingen optreden, hoeven landgoedeigenaren geen handelingen te verrichten.

Om de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken wordt ernaar gestreefd om in 2007 via elektronische dienstverlening te werken.

c. Uitvoeringslasten

Voor uitvoerings- en handhavingsorganisaties geldt: er is éénmalig een grote extra werklast te verwachten van de nieuwe aanvragen ten gevolge van de wetswijziging.

De wijziging van het Rangschikkingsbesluit vereist meer kennis van natuur en natuurdoeltypen om te kunnen bepalen of een terrein natuurterrein is, of de betreffende landbouwgrond genoegzaam geschikt is gemaakt voor de ontwikkeling tot natuurterrein en of uitvoering van het natuurinrichtingsplan daadwerkelijk zal leiden tot het beoogde type natuurterrein.

Het is mogelijk dat er bezwaar- en beroepschriften behandeld moeten worden van eigenaren van landgoederen die niet meer voor rangschikking in aanmerking komen. Er is voorzien in een ruime overgangstermijn van twee jaar waarin eigenaren van nu gerangschikte landgoederen de nodige stappen kunnen ondernemen om ook onder het nieuwe regime opnieuw gerangschikt te kunnen worden. Naar verwachting zullen hierdoor minder bezwaar- en beroepschriften worden ingediend.

d. Overige effecten

Er zijn buiten de genoemde lasten geen substantiële financieel kwantificeerbare effecten te verwachten door de wijziging van het Rangschikkingsbesluit.

De betrokken bedrijven hebben voor het grootste deel geen commerciële aard en hebben specifiek tot doel het instandhouden van landgoederen. Er zijn echter ook commerciële (boeren-)bedrijven die (delen van) onroerende zaken rangschikken. Het gebeurt ook dat landgoedeigenaren om hun landgoed in stand te houden commerciële activiteiten ontwikkelen zoals het openen van een theehuis op hun landgoed.

Het overgangsregime zoals geformuleerd in de Wet van 14 december 2000 (Stb. 2000, 551) voorziet er in dat fiscale claims uit het verleden niet worden ingevorderd, mits de betrokkenen zich aan de regels houden en tijdig een verzoek tot rangschikking doen. Voor de toekomst zijn er voor onroerende zaken die niet opnieuw gerangschikt worden omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van het Rangschikkingsbesluit zoals dat luidt nadat het onderhavige besluit in werking is getreden, uiteraard geen fiscale faciliteiten meer. Dat zal onder andere leiden tot een hogere onroerende zaakbelasting. Ook kan het er voor ondernemingen die worden gedreven door een rechtspersoon toe leiden dat enerzijds de transparantie van de rechtspersoon voor de inkomstenbelasting verdwijnt en anderzijds de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting vervalt. Het netto resultaat is dan dat de onderneming onder de vennootschapsbelasting valt in plaats van onder de inkomstenbelasting. Of dat vóór- of nadelig is, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. Bij vererving is niet langer de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van successierecht van toepassing. De faciliteit voor bedrijfsopvolging in de successiewet is echter inmiddels zo ruim dat men daarmee soms beter af is dan met de faciliteit in de NSW, ook al omdat men dan als onderneming aan veel minder regels gebonden is dan onder de NSW.

Uiteraard heeft de wetswijziging wel financieel kwantificeerbare effecten. In de memorie van toelichting bij de wet van 14 december 2000 is aangegeven dat de budgettaire opbrengst van de maatregelen ter bestrijding van het oneigenlijk gebruik van de Natuurschoonwet 1928 naar verwachting ƒ 5 miljoen (€ 2,265) is. De budgettaire derving als gevolg van de verruiming van het begrip «landgoed» werd in 2000 geschat op ƒ 5 miljoen per jaar (€ 2,265 miljoen).

Wat betreft de effecten van deze wijziging voor het milieu kan worden opgemerkt dat de uitbreiding van de mogelijkheid om natuurterreinen te rangschikken ertoe bijdraagt dat meer van deze terreinen worden ontwikkeld en instandgehouden.

4. Maatschappelijke organisaties

Over onderhavig besluit heeft overleg plaatsgevonden met de Stichting tot behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen (hierna: PHB) en de Federatie Particulier Grondbezit (hierna: FPG). De positie van de erfpachter was in dit overleg het belangrijkste onderwerp van gesprek. Dit overleg lag aan de basis van de in paragraaf 1 van deze Nota van toelichting genoemde wijziging van de NSW bij de wet van 15 december 2005. De PHB en FPG vinden het belangrijk dat erfpacht als beheersinstrument kan worden gebruikt om een landgoed in stand te houden. De bloot-eigenaar zou volgens de PHB en FPG altijd de fiscale voordelen moeten blijven genieten als hij een deel van zijn landgoed in erfpacht heeft uitgegeven om het landgoed in stand te kunnen houden – onafhankelijk van de vraag of het in erfpacht uitgegeven deel voldoet aan de eisen voor rangschikking. Om een balans te vinden tussen het creëren van voldoende mogelijkheden om financiële middelen te generen voor de instandhouding van het landgoed enerzijds en het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de NSW anderzijds, voorziet het nieuwe artikel 3, derde en vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit, in navolging van de wijzigingswet van 15 december 2005, in de mogelijkheid tot rangschikking van een landgoed dat niet zelfstandig voldoet aan het oppervlaktecriterium, indien er een nauwe historische band bestaat tussen dat kleine landgoed en een ander aangrenzend landgoed. Voor onroerende zaken kleiner dan 1 hectare geldt bovendien dat de oppervlakte niet voor ten minste 30 percent moet bestaan uit houtopstanden of natuurterreinen als er een nauwe historische band aanwezig is. Daarnaast heeft ingevolge het nieuwe artikel 3a uitgifte in erfpacht van een deel van een landgoed kleiner dan 5 hectare geen gevolgen voor de rangschikking, wanneer de hoofdgerechtigde (bloot-eigenaar) het economisch eigendom niet overdraagt (artikel I, onderdeel C). Dit uiteraard onder de voorwaarde dat het in erfpacht uitgegeven deel in gebruik en karakter niet dusdanig verandert dat het landgoed als geheel niet meer voldoet aan de rangschikkingscriteria. Hiermee kan erfpacht worden gebruikt om middelen te generen voor de instandhouding van het landgoed en is tevens verzekerd dat de fiscale faciliteiten enkel ter beschikking staan aan de persoon die de bijdrage aan het natuurschoon levert.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

In de definitie van houtopstanden van artikel 1, onderdeel b, van het Rangschikkingsbesluit komt het vereiste dat sinds de aanplant ten minste twee jaren zijn verlopen te vervallen. Met de termijn van twee jaren werd aangesloten bij de Regeling bijdragen bos- en landschapsbouw. Deze regeling is vervallen. In praktijk is geconstateerd dat het 2-jaarsvereiste geen toegevoegde waarde heeft. Immers, een landgoed dient in veel gevallen minimaal 25 jaar instandgehouden te worden, anders komen ingevolge de artikelen 8a en 9c van de NSW de fiscale voordelen te vervallen. Er zal zich dus altijd jarenoude houtopstand ontwikkelen op landgoederen. Bovendien is geconstateerd dat zich problemen voordeden bij de samenloop van de NSW en de SN. Wie zowel voorlopige rangschikking op grond van artikel 3, zesde lid, Rangschikkingsbesluit (nieuw) als een subsidie op grond van de SN aangevraagd had, was gehouden binnen één jaar na de ingangsdatum tot rangschikking houtopstanden in te planten. Maar, omdat men gehouden is aan de plantseizoenen, is er, als de houtopstanden niet de eerste keer aanslaan nauwelijks tot geen mogelijkheid om binnen een termijn van drie jaar van de voorlopige rangschikking de onroerende zaak met reeds 2 jaar ingeplante houtopstanden te hebben bezet.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat binnen de NSW voldoende waarborgen zijn ingebouwd op grond waarvan een aanvrager verplicht is om de betreffende houtopstand tot ontwikkeling te laten komen en in stand te houden, is er voldoende reden waarom voormelde 2-jaarsvereiste kan vervallen.

In de definitie van «buitenplaats» in artikel 1, onderdeel c, zijn de omschrijvingen die voorheen in verschillende artikelen waren opgenomen (artikel 1, onderdelen c en d en artikel 3, eerste lid) samengenomen. Materieel is de soort buitenplaats die voor rangschikking in aanmerking komt echter niet gewijzigd.

De definitie van «natuurterreinen» in artikel 1, onderdeel d, is gewijzigd en op een aantal punten uitgebreid. In de toepassingspraktijk is gebleken dat de voorheen geldende begripsomschrijving met name ten aanzien van wateren en bepaalde typen natte natuurterreinen te veel tot onduidelijkheden en tot verschillen in interpretatie leidde. De nieuwe omschrijving sluit daarom nu meer aan bij het Handboek Natuurdoeltypen in Nederland van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (Wageningen, 2001).

Voorts is aan de begripsomschrijving van natuurterreinen een tweede onderdeel toegevoegd. Hierin is bepaald dat bepaalde typen graslanden onder de definitie van natuurterreinen worden begrepen. Er zijn twee redenen om deze graslanden in een apart onderdeel op te nemen.

Ten eerste wordt hiermee voorkomen dat ook cultuurgrasland onder de definitie van natuurterreinen valt. Bij de natuurgraslanden gaat het om karakteristieke Nederlandse vegetatietypen waarvan de kenmerken ondermeer zijn opgenomen in het Handboek Natuurdoeltypen in Nederland. De natuurdoeltypen zijn de verschillende typen ecosystemen die in Nederland, in het bijzonder binnen de Ecologische Hoofdstructuur, gerealiseerd worden.

Een tweede reden om deze graslanden in een apart onderdeel op te nemen is dat aan het beheer van deze graslanden specifieke eisen worden gesteld. Voor het bereiken of behouden van dergelijke graslanden met hun kenmerkende vegetaties zijn begrazing en de oogst van hooi van oudsher gekende vormen van beheer. Tegen die achtergrond past de voorwaarde in het eerste onderdeel van de begripsomschrijving, namelijk dat de gronden niet in gebruik zijn als landbouwgrond, niet in het tweede onderdeel.

Het nieuwe tweede lid betreft de voorwaarden waaronder landbouwgronden die aan de landbouw zijn onttrokken ten behoeve van natuurontwikkeling, kunnen worden gerangschikt. Voorwaarde voor het kunnen rangschikken is dat alle fysieke randvoorwaarden op orde zijn om de betreffende landbouwgrond tot natuurterrein te ontwikkelen. Onder omstandigheden kan dit het braak laten liggen van het terrein zijn zolang daarvoor geen braakligsubsidie op grond van Europese regelgeving wordt genoten. Een dergelijke subsidie wordt immers alleen toegekend wanneer het gaat om landbouwgrond. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan de situatie waarin subsidie is aangevraagd voor het omvormen van landbouwgrond naar natuurterrein en voorwaarde voor verlening van die subsidie is dat nog geen begin is gemaakt met de functieverandering. Het uitzetten van paaltjes blijft een geëigend middel om het begin van de feitelijke uitvoering aan te tonen in andere gevallen. Daarnaast zal die ontwikkeling dienen plaats te vinden overeenkomstig een plan, waarbij ook de tijdsduur wordt geduid. Vaak zal voor de ontwikkeling van landbouwgrond tot natuurterrein ook subsidie worden verleend op grond van de SN of – na 1 januari 2007 – een regeling in het kader van de WILG. Een voorwaarde voor die subsidies is dat tussen de grondeigenaar en de Staat respectievelijke gedeputeerde staten een overeenkomst wordt gesloten bij welke overeenkomst een zogenoemde kwalitatieve verplichting wordt gevestigd ten gunste van de Staat respectievelijk gedeputeerde staten waarmede wordt gewaarborgd dat de desbetreffende gronden de functie van natuur blijvend zullen behouden. Het bepaalde in het tweede lid voorziet in een overeenkomstige garantie dat de ontwikkeling tot natuurterrein niet wordt belemmerd.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, is gewijzigd in die zin dat voortaan niet alleen onroerende zaken met 30 percent houtopstanden, maar ook onroerende zaken met 30 percent natuurterreinen of een combinatie van houtopstanden en natuurterreinen als landgoed kunnen worden gerangschikt. In paragraaf 2.a van deze nota van toelichting is op de achtergrond van deze wijziging ingegaan.

In artikel 2, tweede lid, is niet langer sprake van «met houtopstanden bezette terreinen». Een landgoed hoeft immers geheel niet meer bezet te zijn met houtopstanden. Er is geen reden onderscheid te maken tussen terreinen met houtopstanden, natuurterreinen en overige. In geen enkel geval mag het terrein, opstal of water of het gebruik dat daarvan gemaakt wordt inbreuk maken op het natuurschoon wil het onderdeel aangemerkt worden als landgoed. Deze onderdelen blijven buiten de rangschikking.

In artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, wordt een nadere invulling gegeven van de oude formulering «een weg, dijk, spoorweg of waterloop die elk naar aard, verschijningsvorm of gebruik dat daarvan gemaakt wordt, geen inbreuk maakt op het natuurschoon». Aan deze precisering bestond behoefte bij de uitvoering. Voorts blijkt uit de nieuwe criteria beter waarom een onroerende zaak die samengesteld is uit verschillende delen in bepaalde gevallen toch als aaneengesloten geheel gezien kan worden.

Artikel I, onderdeel C

Het eerste en tweede lid van het nieuwe artikel 3 brengen met zich dat ook delen van een buitenplaats kunnen worden gerangschikt. Net zoals voorheen kan een buitenplaats kleiner dan 5 hectare worden gerangschikt, zonder dat voldaan is aan de eis dat de oppervlakte voor ten minste 30 percent bezet is met houtopstanden of natuurterreinen. Deze uitzondering was ingegeven door de overweging dat dit gelet op de betrekkelijk geringe oppervlakte van een historisch park of een historische tuin, een te stringente voorwaarde is. Dit geldt niet voor grotere buitenplaatsen. Een buitenplaats van ten minste 5 hectare of een deel daarvan kan derhalve alleen gerangschikt worden indien deze wel aan de eis van minimaal 30 percent houtopstanden of natuurterreinen voldoet.

Het derde, vierde en vijfde lid van het nieuwe artikel 3 betreffen de gezamenlijke rangschikking.

Voor een toelichting op het derde lid wordt verwezen naar paragraaf 2.b van deze nota van toelichting.

Het vierde lid betreft onroerende zaken kleiner dan één hectare. Als een dergelijke onroerende zaak grenst aan een gerangschikt landgoed en samen met dat landgoed een oppervlakte heeft van ten minste vijf hectare, komt de onroerende zaak kleiner dan één hectare voor rangschikking in aanmerking als daarop een opstal is gelegen die vóór 1 januari 1940 is gebouwd en die na de genoemde datum uiterlijk zijn karakter heeft behouden, mits er een historische verbondenheid bestaat met het gerangschikte landgoed. Er kan niet gezegd worden dat een onroerende zaak uiterlijk zijn karakter behouden heeft als er vernieuwingen zijn aangebracht in een andere architectonische stijl dan de stijl van de opstal van vóór 1940. De onroerende zaak hoeft niet te voldoen aan de eis van 30 percent houtopstanden of natuurterreinen. Deze bepaling is opgenomen met name vanuit de wens om oude boerderijen en andere oude opstallen die van oorsprong deel uitmaken van een gerangschikt landgoed, maar die in erfpacht zijn uitgegeven in stand te houden vanwege de cultuurhistorische waarde daarvan. Vandaar dat ook de eis wordt gesteld dat er een nauwe historische band met het landgoed moet zijn.

In het vijfde lid is een aanvullende voorwaarde opgenomen voor onroerende zaken kleiner dan vijf hectare, die worden gerangschikt op grond van het derde of vierde lid. De bebouwing van deze onroerende zaken wordt niet gerangschikt – ook niet indien zij geen inbreuk maken op het natuurschoon. Hierop bestaat een uitzondering. De volgende soorten opstallen kunnen wel gerangschikt worden:

1. beschermde monumenten die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988,

2. opstallen die vóór 1 januari 1940 zijn gebouwd en die na de genoemde datum uiterlijk hun karakter hebben behouden, en

3. opstallen voor de opslag van werktuigen, die ongeschikt zijn voor verblijf.

Opstallen die niet aan deze eisen voldoen op kleine landgoederen hebben onvoldoende cultuurhistorische waarde en dragen onvoldoende bij aan het natuurschoon om te rechtvaardigen dat eigenaren fiscale faciliteiten genieten met betrekking tot deze opstallen.

Op grond van het zevende lid wordt het jaartal «1940» in het vierde en vijfde lid alsmede in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, om de tien jaar met tien jaar verhoogd. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat na verloop van tijd ook opstallen die na 1 januari 1940 zijn gebouwd, voor rangschikking met toepassing van het derde of vierde lid in aanmerking komen. Dit houdt in dat tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit krachtens het derde en vierde lid opstallen kunnen worden gerangschikt die gebouwd zijn vóór 1 januari 1950, twintig jaar na de inwerkintreding opstallen van vóór 1 januari 1960 enzovoort.

In artikel 3a wordt een uitwerking gegeven van artikel 1, derde lid, van de Natuurschoonwet 1928. Die bepaling van de wet houdt kort gezegd in dat, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, de uitgifte in erfpacht van een deel van een landgoed geen gevolgen heeft voor de rangschikking indien het economische belang van de zaak bij de bloot-eigenaar blijft. In feite wordt deze erfpacht dan behandeld op dezelfde voet als bijvoorbeeld het verhuren van de zaak.

De bedoeling van deze bepaling is om de mogelijkheden voor het gebruik van erfpacht als beheersinstrument te verruimen, door de uitgifte in erfpacht van kleine delen van het landgoed mogelijk te maken, zonder dat dit leidt tot een onttrekking. Gelet op dit doel kan deze mogelijkheid beperkt blijven tot percelen kleiner dan vijf hectare, die gezien hun oppervlakte over het algemeen niet zelfstandig voor rangschikking in aanmerking zouden komen.

Artikel I, onderdeel D

Aan de in artikel 4, tweede lid, genoemde omstandigheden die als inbreuk makend op het natuurschoon worden beschouwd, is toegevoegd het gebruik van de onroerende zaak voor intensieve veehouderij. Tot nu toe werd het in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, genoemde gebruik voor industriële doeleinden zo uitgelegd dat intensieve veehouderij daaronder mede was begrepen. Het expliciet opnemen van de intensieve veehouderij stelt deze uitleg buiten twijfel.

Introductie van het begrip «winning van bodemmaterialen» naast mijnbouw betekent dat ook de winning van zand, grind en dergelijke wordt beschouwd als inbreuk op het natuurschoon.

Artikel I, onderdeel E

Aan artikel 5 is een nieuw lid toegevoegd, op grond waarvan aan de voorschriften betreffende de omzoming van landbouwgronden met houtopstanden wordt voldaan als de houtopstanden zijn gelegen naast een pad of veld dat geen onderdeel uitmaakt van de onroerende zaak, maar dat direct eraan grenst. Één en ander zal worden toegepast overeenkomstig de algemene beleidslijnen die worden gehanteerd ten aanzien van het kunnen rangschikken van omzoming.

Artikel I, onderdeel G

De reeds genoemde verplichting om een aanvraag voor gezamenlijke rangschikking gezamenlijk in te dienen is in het vierde lid van artikel 7 van het Rangschikkingsbesluit toegevoegd. Zoals in paragraaf 1 van deze toelichting is aangegeven is het op grond van de wet van 14 december 2000 niet mogelijk dat twee eigenaren één gezamenlijke aanvraag indienen. Elke onroerende zaak dient zelfstandig te rangschikken. Voorts zijn in het huidige eerste en tweede lid enkele ondergeschikte wijzigingen aangebracht die de uitvoering van de regeling vereenvoudigen.

In het nieuwe derde lid wordt voorgeschreven dat bij verzoeken om een onroerende zaak als landgoed aan te merken waarbij landbouwgrond die op grond van artikel 1, tweede lid, kan worden aangemerkt als natuurterreinen extra documenten bij het verzoek gevoegd dienen te worden die bewijzen dat aan de voorwaarden genoemd in dat artikel is voldaan. Dit naar analogie van het vijfde lid dat net als het oude artikel 7, tweede lid, bepaalt dat een beplantingsplan en een kaart moeten worden overgelegd wanneer verzocht wordt een onroerende zaak te rangschikking die nog niet uit voldoende houtopstanden bestaat maar waarvoor wel het voornemen bestaat deze in voldoende mate met houtopstanden te bezetten. Bewijsstukken waaruit blijkt dat de desbetreffende landbouwgrond wordt ingericht of anderszins genoegzaam geschikt wordt gemaakt voor de ontwikkeling tot natuurterrein kunnen zijn de subsidiebeschikking of de subsidieaanvraag onder de SN, of een document waarin de aanvrager beschrijft welke maatregelen hij heeft genomen om de landbouwgrond geschikt te maken voor de ontwikkeling tot natuurterrein en aantoont dat deze maatregelen effectief zijn. Daarnaast moeten worden overgelegd een natuurinrichtingsplan en de verklaring, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c.

Het zesde lid bevat de eis die voorheen in het derde lid van artikel 7 van het Rangschikkingsbesluit stond, dat op de topografische kaart wordt aangegeven waar de toegankelijke wegen en paden liggen wanneer het een verzoek met betrekking tot een opengesteld landgoed betreft. Hieraan is de eis toegevoegd dat de plaatsaanduiding van de toegangsborden moet worden aangegeven zodat gemakkelijker beoordeeld kan worden of aan voorwaarden voor openstelling is voldaan. In het nieuwe zevende lid is bepaald dat bij een aanvraag tot rangschikking van een onroerende zaak kleiner dan vijf hectare een kaart met een schaal van 1:2500 moet worden bijgevoegd in plaats van een kaart met schaal 1:10.000. Gebleken is dat bij kleine percelen de op de kaart aan te brengen structuren en elementen, alsmede de wandelpaden, niet goed aan te brengen zijn op een kaart met schaal 1:10.000.

Artikel I, onderdeel H

Met de uitbreiding van het begrip landgoederen in de NSW, wordt bereikt dat meer landgoederen in aanmerking komen voor fiscale faciliteiten. Deze verruiming krijgt geen doorwerking naar de verplichte vrijstelling voor onroerende-zaakbelastingen op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. Het is niet wenselijk dat door deze wijziging van de NSW het belastinggebied van gemeenten wordt beperkt. Bovendien kunnen gemeenten zelfstandig afwegen of zij in het kader van de hiervoor genoemde beleidsdoelstelling een facultatieve vrijstelling voor deze categorie landgoederen wensen op te nemen.

Met deze bepaling wordt beoogd dat dezelfde eisen op het gebied van het percentage houtopstanden en natuur blijven gelden voor de vrijstelling op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet als voorheen.

Deze bepaling vloeit voort uit de wetswijziging van 14 december 2000.

Artikel II

In artikel II is geregeld dat dit Besluit in werking zal treden op een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Deze datum zal gelijk zijn aan de datum van inwerkingtreding van de nog niet in werking getreden wijzigingen van de Natuurschoonwet 1928 bij de Wet van 14 december 2000.

In artikel VI van de Wet van 14 december 2000 is tevens het overgangsrecht geregeld met betrekking tot de gezamenlijk gerangschikte landgoederen oude stijl.

Er is geregeld dat op een bij koninklijk besluit te bepalen datum deze gezamenlijke rangschikkingen van rechtswege zullen vervallen. Het voornemen bestaat om dit tijdstip te bepalen op twee jaar na inwerkingtreding van de wijzigingen van de Natuurschoonwet 1928 en het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. In deze twee jaar kunnen de eigenaren van de gezamenlijk gerangschikte onroerende zaken oude stijl een aanvraag indienen voor individuele rangschikking op grond van de gewijzigde Natuurschoonwet 1928, overeenkomstig hetgeen in artikel 3, derde of vierde lid, van het gewijzigde Rangschikkingsbesluit is bepaald.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Deze belasting is vervallen met ingang van 1 januari 2006, maar in de omstandigheden genoemd in artikel 9c van de NSW kan alsnog kapitaalsbelasting over een periode vóór 1 januari 2006 verschuldigd zijn.