Besluit van 25 april 2007 tot wijziging van het Besluit beheer
sociale-huursector en het besluit van 21 april 2005 tot wijziging van
het Besluit huurprijzen woonruimte en het Besluit beheer
sociale-huursector (aanpassingen als gevolg van het huurbeleid vanaf 1
juli 2005) (Stb. 220) (huurbeleid gekoppeld aan de
inflatie)
Wij Beatrix, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 28 maart 2007, nr.
DJZ2007027618, Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Gelet op
artikel 70c, tweede lid, van de
Woningwet;
De
Raad van State gehoord (advies van 5 april 2007, nr.
W08.07.0080/IV);
Gezien
het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie
van 23 april 2007, nr. DJZ2007034857, Directie Juridische Zaken,
Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
In artikel 15a, tweede lid, van het
Besluit beheer
sociale-huursector vervalt onderdeel a onder lettering van de
onderdelen b tot en met e als a tot en met d.
Artikel II
Artikel IV van het besluit van 21 april 2005 tot
wijziging van het Besluit huurprijzen
woonruimte en het Besluit beheer
sociale-huursector (aanpassingen als gevolg van het huurbeleid
vanaf 1 juli 2005) (Stb. 220) komt te luiden:
ARTIKEL IV
Met ingang van 1 juli 2007 vervalt in artikel
15a, eerste lid, van het Besluit beheer
sociale-huursector: en vermeerderd met 0,8
procent.
Artikel III
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot’s-Gravenhage, 25
april 2007
Beatrix
De Minister voor
Wonen, Wijken en
Integratie,
C.
P. Vogelaar
Uitgegeven de zevenentwintigste april 2007
De Minister van
Justitie,
E.
M. H. Hirsch
Ballin
NOTA VAN TOELICHTING
Algemeen
Huurprijsbeleid vanaf
1 juli 2005
De toenmalige Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft in 2004 en
2005 haar beleidsvoorstellen voor het huurbeleid vanaf 1 juli 2005 in
vier aan de Tweede Kamer gerichte brieven verwoord (Kamerstukken II
2003/04, 27 926, nrs. 14, 25, 26 en 27). In de aan de Tweede
Kamer gerichte brief van 19 november 2004 zijn de beleidsvoornemens
uitvoerig beschreven (Kamerstukken II 2004/05, 27 926,
nr. 39). In de aan de Tweede Kamer gerichte brief van 4 februari
2005 (Kamerstukken II 2004/2005, 27 926, nr. 43) zijn
deze beleidsvoornemens aangevuld. Een van de beleidslijnen betrof het
creëren van geleidelijk meer ruimte voor differentiatie van de
jaarlijkse huurprijsstijging gekoppeld aan het tempo van de
investeringen. Het besluit van 21 april 2005 tot wijziging
van het Besluit huurprijzen woonruimte en het Besluit beheer
sociale-huursector (aanpassingen als gevolg van het huurbeleid vanaf 1
juli 2005) (Stb. 220) legde de beleidslijnen wat betreft de
voornemens op het gebied van de jaarlijkse huurverhogingen per 1 juli
2005 vast. Voor een nadere toelichting op deze beleidslijnen kan nog
worden verwezen naar de nota van toelichting bij voormeld
wijzigingsbesluit.
De maximale huurprijsnorm, bedoeld in
artikel 15a van het Besluit beheer sociale-huursector (hierna: BBSH),
voor sociale verhuurders werd met een oplopende reeks voor een drietal
jaren vastgelegd. Sociale verhuurders konden de huurprijzen slechts
beperkt laten stijgen. Dit hield concreet in dat de gemiddelde
huurprijs van de woningen van sociale verhuurders op 1 juli 2005 niet
hoger mocht zijn dan de gemiddelde huurprijs van die woningen op 30
juni 2005, vermeerderd met het inflatiepercentage, bedoeld in artikel
1, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte (het
inflatiepercentage van het voorafgaande kalenderjaar), en vermeerderd
met 0,4%; op 1 juli 2006 mocht de gemiddelde huurprijs niet hoger zijn
dan de gemiddelde huurprijs van die woningen op 30 juni 2006,
vermeerderd met het inflatiepercentage van het voorafgaande
kalenderjaar, en vermeerderd met 0,8% (1,7% + 0,8% = 2,5%). Voor 1 juli
2007 was de maximale huurprijsnorm vastgesteld op 1,2% boven
inflatie.
Huurprijsbeleid
vanaf 1 juli 2007
In het coalitieakkoord is
het huurbeleid gekoppeld aan de inflatie. Als gevolg daarvan is er voor
gekozen om voor het tijdvak van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 de
maximale huurprijsnorm eveneens aan het inflatieniveau te koppelen, te
weten 1,1%.
Nu de maximale huurprijsnorm voor dit tijdvak
gelijk is gesteld aan het maximale huurverhogingspercentage, is
compensatie van huurverhogingen onder de maximale huurprijsnorm met
huurverhogingen boven die norm nu niet mogelijk. Conform het
coalitieakkoord wordt binnenkort gestart met de onderhandelingen met de
sociale verhuurders, onder andere over hun bijdrage aan de
betaalbaarheid. De huurprijsparameters voor de overige tijdvakken
gedurende deze kabinetsperiode zullen met inachtneming van de
resultaten van deze onderhandelingen worden vastgesteld.
Administratieve lasten
De in dit besluit opgenomen wijziging leidt niet tot een
toename van de administratieve lasten voor de burgers (huurders) en
zelfs tot enige vermindering van de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven (verhuurders).
Financiële effecten voor de
begroting
Deze wijziging heeft geen effect
op de VROM-begroting.
Artikelsgewijs
Artikelen I en II
Aangezien het coalitieakkoord een huurbeleid gekoppeld aan de
inflatie voorstaat, wordt met de wijziging van artikel IV van het
besluit van 21 april 2005 tot wijziging van het Besluit
huurprijzen woonruimte en het Besluit beheer sociale-huursector
(aanpassingen als gevolg van het huurbeleid vanaf 1 juli 2005) (Stb.
220) het percentage waarmee de gemiddelde huurprijs van de sociale
verhuurders op 1 juli 2007 mag stijgen ten opzichte van de gemiddelde
huurprijs op 30 juni 2007 op inflatieniveau vastgesteld. Voorts is
hierdoor ook artikel 15a, tweede lid, onderdeel a, van het BBSH
vervallen.
De
Minister voor Wonen,
Wijken en Integratie,
C.
P. Vogelaar
XHistnoot
Het advies van de Raad van
State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid
j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat
het zonder meer instemmend
luidt.