Besluit van 11 april 2007 tot wijziging van het Besluit beheer regionale
politiekorpsen in verband met het creëren van de mogelijkheid
tot samenwerking tussen politiekorpsen op onderdelen van de
recherchefunctie
Wij
Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 28 september 2006, no. 2006-0000312805,
CZW/WVOB;
Gelet op
artikel 45, eerste lid, van de Politiewet
1993;
De Raad
van State gehoord (advies van 20 oktober 2006,
no. W04.06.0423/I);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 april
2007, no. 2007-0000078770,
CZW/WVOB;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Besluit beheer
regionale politiekorpsen wordt als volgt
gewijzigd:
A
In artikel 4, derde
lid, wordt «Ieder regionaal politiekorps beschikt»
vervangen door: Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of
samen met andere politiekorpsen,.
B
Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:
1. Het regionale politiekorps
beschikt, zelfstandig of samen met andere politiekorpsen, over een
eenheid die is belast met het, ten behoeve van de recherchefunctie,
verwerken van gegevens die noodzakelijk zijn voor de opsporing van
misdrijven als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet
politieregisters.
C
In artikel 5b wordt na «voert»
ingevoegd: , zelfstandig of samen met andere
politiekorpsen,.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot’s-Gravenhage, 11
april 2007
Beatrix
De Minister van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter
Horst
Uitgegeven de eerste mei 2007
De Minister van
Justitie,
E.
M. H. Hirsch
Ballin
NOTA VAN TOELICHTING
Dit besluit wijzigt de artikelen 4, 5 en 5b van het
Besluit beheer regionale politiekorpsen. Met deze wijziging vervalt de
verplichting voor de afzonderlijke politiekorpsen om zelfstandig over
voorzieningen te beschikken op het gebied van tactische, technische,
financiële en digitale recherche en informatievoorziening
(artikel 4, derde lid). Daarnaast vervalt de verplichting om
zelfstandig over een criminele-inlichtingeneenheid (CIE) te beschikken
(artikel 5, eerste lid) en om zelfstandig bepaalde politieregisters te
voeren die worden aangelegd en bijgehouden bij de CIE (artikel 5b).
Deze functies mogen thans ook in samenwerking met andere korpsen worden
georganiseerd. Anders gezegd, de korpsen dienen nog steeds over de
desbetreffende voorzieningen te beschikken, doch zij kunnen deze ook
vorm geven in samenwerking met andere korpsen.
Aanleiding voor
dit wijzigingsbesluit is dat het bijhouden van vergaande specialisatie
binnen de recherchefunctie moeilijk – en kostbaar – kan
zijn, terwijl daar, met name in de kleinere regio’s, in de
praktijk relatief weinig gebruik van wordt gemaakt. Het kan daarom
efficiënter zijn om dergelijke specialistische functies te
ontwikkelen en te onderhouden ten behoeve van meerdere regio’s.
De functie wordt dan vaker benut. In een aantal politiekorpsen blijkt
behoefte te bestaan om de recherchefunctie gezamenlijk, ten dienste van
meerdere regio’s, vorm te geven. Aspecten van capaciteit,
beschikbaarheid, kwaliteitsverbetering en kostenbesparing spelen
daarbij een belangrijke rol.
Dit
wijzigingsbesluit volgt op de wijziging van het Besluit beheer
regionale politiekorpsen uit 1999 (Stb.1999, 501) waarbij specifieke
eisen zijn gesteld aan de inrichting van de recherchefunctie binnen de
regionale politiekorpsen. Het gaat dan onder andere om de genoemde
voorzieningen op het gebied van tactische, technische,
financiële en digitale recherche en informatievoorziening
alsmede om een criminele-inlichtingeneenheid.
De
politiekorpsen hebben de afgelopen jaren vooral invulling gegeven aan
de voorschriften door de genoemde recherchetaken in de reguliere
recherchefuncties op te nemen en daarbinnen te komen tot verdere
specialisatie. Met dit wijzigingsbesluit wordt, omdat een korps niet
meer zelfstandig hoeft te beschikken over de desbetreffende
voorzieningen, kostenbesparing, efficiëntiewinst en verdere
ontwikkeling van deze specialistische recherchevormen mogelijk gemaakt.
Een dergelijke mogelijkheid tot samenwerking tussen politiekorpsen op
het terrein van opsporing is overigens niet nieuw. In artikel 5, tweede
en derde lid, is een vergelijkbare bevoegdheid opgenomen voor de
inrichting van observatie- en
infiltratie-eenheden.
Desgevraagd heeft het
College van procureurs-generaal aangegeven in te stemmen met deze
wijziging van het Besluit beheer regionale politiekorpsen. Om het OM in
staat te stellen het gezag over de CIE uit te oefenen, is het College
het standpunt toegedaan dat samenvoeging van recherchedivisies door
regiokorpsen van politie uitsluitend binnen de grenzen van de
regioparketten dient te geschieden. Hoewel de regering dit standpunt
deelt, wordt dit niet in het besluit opgenomen. De regioparketten zijn
een feitelijke samenwerking tussen de arrondissementsparketten die niet
gebaseerd is op een wettelijke grondslag (Kamerstukken II, 2004-2005,
28 684, nr. 37). Verwijzing naar een dergelijke niet wettelijke
samenwerkingsvorm in regelgeving is ongebruikelijk. In de praktijk zal
de vorming van gezamenlijke recherchedivisies geschieden in samenspraak
tussen de regionale politiekorpsen en de betrokken
arrondissementsparketten. Om die reden ligt het ook niet in de lijn der
verwachting dat recherchedivisies gevormd zullen worden buiten de
grenzen van de regioparketten. Indien er toch voornemens zouden zijn
tot samenwerking buiten de regionale parketgrenzen, zullen hieromtrent
regels worden gesteld op grond van artikel 46 van de Politiewet 1993.
Dit artikel biedt een grondslag om bij ministeriële regeling
regels te geven over de samenwerking tussen
politiekorpsen.
Artikel 9 van het Besluit
beheer regionale politiekorpsen vervalt, omdat dit artikel in de
praktijk niet meer van toepassing is. In artikel 9 was tot dusver
geregeld dat ieder politiekorps politieambtenaren ter beschikking stelt
voor de bijzondere bijstandseenheid politie. Met de herziening van het
stelsel van speciale eenheden en het onderbrengen van de
langeafstandsprecisieschutters bij de Dienst Speciale Interventies, is
deze bijzondere bijstandseenheid opgeheven.
De Minister van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter
Horst
XHistnoot
Het advies
van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Tevens zal het advies met de
daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel
bij de Staatscourant van 12 juni 2007, nr.
110.