Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2006, 714AMvB

Besluit van 1 december 2006, houdende wijziging van het Besluit WWB 2007 in verband met inwerkingtreding van de regels inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 oktober 2006, Directie Werk en Bijstand, W&B/SFI/06/87853;

Gelet op artikel 69, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 9 november 2006, nr. W12.06.0464/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/91563;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. BESLUIT WWB 2007

Het Besluit WWB 2007 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, eerste lid, onderdeel e, wordt «bijstandsuitgaven» vervangen door: bijstandslasten.

B

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a Samenwerkingsverbanden

  • 1. Indien het college de uitvoering van de wet heeft overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de gemeentelijke bijstandslasten 2004 voor personen jonger dan 65 jaar als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de desbetreffende gemeente niet beschikbaar zijn, worden deze benaderd aan de hand van de volgende formule:

    GB (G) = V(G) / V(S) x TU(S)

    waarbij :

    a. GB(G) staat voor de gemeentelijke bijstandslasten 2004 voor personen jonger dan 65 jaar van gemeente G;

    b. V(G) staat voor het gemiddelde jaarvolume aan WWB-uitkeringen in gemeente G in 2004;

    c. V(S) staat voor het gemiddelde jaarvolume aan WWB-uitkeringen in 2004 in het samenwerkingsverband waar gemeente G in 2004 toe behoorde;

    d. TU(S) het totaal is van de historische uitgaven (of budgetten) in 2004 voor het openbaar lichaam.

  • 2. Bij het bepalen van het werkdeel 2003 als bedoeld in artikel 2 is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in het eerste lid in 2006 met inachtneming van artikel 3, eerste lid, het niet bestede werkdeel heeft toegevoegd aan het werkdeel voor het daaropvolgende kalenderjaar, wordt dit bedrag over de individuele gemeenten verdeeld aan de hand van de volgende formule:

    V(G) = B07(G) / B07(S) x V(S)

    waarbij:

    a. V(G) staat voor het vermogen of de schuld die gemeente G op grond van de meeneem- en voorschotregeling overhevelt van 2006 naar 2007;

    b. B07(G) het voorlopige budget Werkdeel is van gemeente G voor 2007;

    c. B07(S) het totaal is van de voorlopige budgetten Werkdeel 2007 voor alle gemeenten die in 2006 het samenwerkingsverband vormden;

    d. V(S) het totaal aan vermogen of schuld is dat de gemeenten in het samenwerkingsverband overhevelen van 2006 naar 2007.

  • 4. Indien het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in het eerste lid in 2006 met inachtneming van artikel 3, tweede lid, het meer bestede bedrag ten laste heeft gebracht van het werkdeel van het daaropvolgende kalenderjaar, wordt dit bedrag over de individuele gemeenten verdeeld aan de hand van de in het derde lid opgenomen formule.

C

In bijlage 1 wordt in de paragraaf «Toedeling declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen» in de tabel «Gewicht verdeelmodel (= a in artikel 2)» voor het jaar 2007 «67%» vervangen door: 33%.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van artikel I, onderdeel B.

  • 2. Artikel I, onderdeel B, treedt in werking op het tijdstip waarop de wet houdende regels inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking op grond van de Wet werk en bijstand (Stb. 2006, 712) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 1 december 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de achtentwintigste december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

In het onderhavige besluit tot wijziging van het Besluit WWB 2007 worden nadere regels gesteld voor de financiering van samenwerkingsverbanden naar aanleiding van de wet houdende regels inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking op grond van de Wet werk en bijstand.

Daarnaast wordt een technische omissie hersteld in het Besluit WWB 2007. In artikel 4, eerste lid, onderdeel e, wordt de term «bijstandsuitgaven» gebruikt, in plaats van bijstandslasten.

2. Financiering samenwerkingsverbanden

Met de wet houdende regels inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking op grond van de Wet werk en bijstand is geregeld dat de budgetverantwoordelijkheid van de individuele gemeenten bij de gemeenschappelijke uitvoering wordt gewaarborgd. In voornoemde wet wordt om deze reden geregeld dat ook in de situatie waarin sprake is van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) waaraan de uitvoering van de WWB volledig is overgedragen, het WWB-budget wordt verstrekt aan de individuele gemeenten. Gelet op artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand is dit ook van toepassing op de financiering van bijstand die is verleend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

Ook voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) wordt een en ander overeenkomstig geregeld. Met het voorstel van wet tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening in verband met een betere realisering van de met die wet beoogde doelen, zal in de Wet sociale werkvoorziening een overeenkomstige regeling worden opgenomen.

Samenwerking in Wgr-verband blijft mogelijk. Door het WWB-budget aan de gemeente te geven, dat zij desgewenst zelf kan inbrengen in het samenwerkingsverband, is gegarandeerd dat het college, de verantwoordelijke wethouder en de gemeenteraad betrokken zijn bij de uitvoering van de WWB en daarop invloed en controle blijven uitoefenen. Daarnaast krijgen gemeenten die (besluiten tot) samenwerken in de vorm van een openbaar lichaam zekerheid over de omvang van het budget. Immers, kleine gemeenten die gaan samenwerken in de vorm van een openbaar lichaam krijgen niet meer te maken met een overgang van een historisch bepaald budget naar het objectief verdeelmodel. Bijkomend voordeel van deze nieuwe wijze van financiering is dat de verdelende werking van het verdeelmodel verbeterd wordt. Dit blijkt uit analyses die zijn uitgevoerd in het kader van het onderhoudstraject voor de verdeelmodellen WWB.

Historisch aandeel bepalen

Voor gemeenten in samenwerkingsverbanden die zich in een jaar (vóór 2007) gezamenlijk hebben verantwoord voor de WWB, de IOAW, de IOAZ en het Bbz (2004), zijn alleen de uitgaven voor het gehele samenwerkingsverband bekend, de uitgaven van de individuele gemeenten niet. Deze gegevens zijn echter noodzakelijk om de budgetten voor deze gemeenten te kunnen berekenen. Voor gemeenten die in 2003 een gezamenlijk budget W-deel ontvingen is geen gemeentelijk W-deel 2003 bekend. Dit gegeven is nodig om het budget W-deel te kunnen berekenen.

Om voor deze gemeenten de historische uitgaven over de jaren waarvoor deze gegevens niet beschikbaar zijn toch te kunnen bepalen, zullen de historische uitgaven benaderd worden door gebruik te maken van volumerealisaties. De uitgaven van het samenwerkingsverband in jaar t worden verdeeld over de gemeenten in het samenwerkingsverband, op basis van het aandeel per gemeente in het totale volume van het samenwerkingsverband, conform de formule in artikel 8a van het Besluit WWB 2007.

Ter verduidelijking wordt hieronder een voorbeeld gegeven:

Samenwerkingsverband 1 bestaat uit de gemeenten A, B en C.

De totale uitgaven aan de WWB in 2004 voor het gehele samenwerkingsverband bedroegen € 40 mln.

Het totale WWB-volume in 2004 voor het gehele samenwerkingsverband was 10.000.

De volume-verdeling per gemeente was in 2004:

Gemeente A: 5.000

Gemeente B: 2.000

Gemeente C: 3.000

Dit betekent dat het volume in gemeente A 50% van het totale volume van het samenwerkingverband omvatte, zodoende wordt 50% van de WWB-lasten toegerekend aan gemeente A (is € 20 mln). Gemeente B krijgt dan 20% toegerekend (is € 8 mln), en gemeente C 30% (is € 12 mln).

Om het gemeentelijk W-deel 2003 te bepalen wordt dezelfde berekeningswijze gehanteerd als bij de uitgaven. Het W-deel 2003 wordt dan ook benaderd door gebruik te maken van volumerealisaties.

Deze berekeningswijze wordt gehanteerd zolang het historisch aandeel is gebaseerd op de uitgaven in 2006 of eerder. Daarna zijn voor alle gemeenten weer gegevens over uitgaven beschikbaar op gemeenteniveau.

Als bron voor de volumecijfers zal gebruik gemaakt worden van CBS-cijfers over het gemiddelde jaarvolume, uit hetzelfde jaar als gebruikt wordt voor de uitgaven. Voor de voorlopige budgetten 2007 zullen de volumes 2004 als basis dienen bij het I-deel en het W-deel.

Samenwerkingsverbanden kunnen in het kader van de meeneemregeling budget uit het W-deel hebben doorgeschoven naar een volgend jaar, of uitgaven hebben gedaan ten laste van het volgende jaar. Zo kan er een vermogen of schuld zijn opgebouwd. Gemeenten kunnen in het kader van de meeneemregeling 75% van het W-budget meenemen naar het volgende jaar of voorfinancieren uit het volgende jaar. Overschotten van meer dan 75% moeten worden terugbetaald. Om dit voor de individuele gemeenten vanaf 2007 te kunnen bepalen, moet bekend zijn welke schuld of vermogen deze individuele gemeenten opgebouwd hebben. Daartoe zal een eventueel vermogen of schuld bij een samenwerkingsverband, worden toebedeeld aan de gemeenten via een verdeelsleutel naar rato van het toegekende budget per gemeente, conform de formule in bijlage 1 van het Besluit WWB 2007.

Ter verduidelijking wordt hieronder een voorbeeld gegeven:

Samenwerkingsverband 1 bestaat uit de gemeenten A, B en C.

Samenwerkingsverband 1 heeft eind 2006 een totaal vermogen uit het W-deel opgebouwd van € 2 mln.

Per 1-1-2007 krijgen de gemeenten A, B en C het volgende budget W-deel toegekend door SZW:

Gemeente A: 5.000

Gemeente B: 2.000

Gemeente C: 3.000

Totaal: 10.000

Het opgebouwde vermogen wordt dan op de volgende wijze over de gemeenten verdeeld:

Gemeente A: 5.000/10.000 * € 2 mln = € 1 mln

Gemeente B: 2.000/10.000 * € 2 mln = € 0,4 mln

Gemeente C: 3.000/10.000 * € 2 mln = € 0,6 mln

De wijziging in de tabel in bijlage 1 in de paragraaf «Toedeling declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen» in de tabel «Gewicht verdeelmodel (= a in artikel 2)» voor het jaar 2007, waarbij 67% wordt vervangen door 33%, is een correctie. Het percentage dat in het Besluit WWB 2007 vermeld stond was foutief.

Ten slotte kan over de inwerkingtreding het volgende worden opgemerkt. Het onderhavige besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van artikel I, onderdeel B. De inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, is gekoppeld aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet houdende regels inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking op grond van de Wet werk en bijstand (Stb. 2006, 712).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.