Besluit van 19 december 2006 tot wijziging van enige fiscale Uitvoeringsbesluiten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 november 2006, nr. DB 2006-618 M;

Gelet op de artikel 38 van de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen, artikelen 18a, achtste lid, 18g, 34, 35, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de artikelen 9, tweede lid, onderdeel b, 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, 12, vierde lid, en 39 van de Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 36i, elfde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, de artikelen 66, eerste lid, 66a, eerste lid, en 70, eerste lid, van de Wet op de accijns, de artikelen 30, eerste lid, en 32, eerste lid, van de Wet verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, de artikelen 13a, vierde lid, 14, eerste lid, 14a, eerste en tweede lid, 15, eerste lid, 15a, eerste lid, 16aa en 20, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 30, vierde lid, en 73 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2006, no. W06.06.0508/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 18 december 2006, nr. DV 2006-869 M;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1a wordt in de eerste volzin de zinsnede «, zo mogelijk langs elektronische weg, gegevens» vervangen door «door de hierna aangewezen natuurlijke personen, rechtspersonen en instellingen de volgende gegevens» en vervalt de punt aan het slot. Voorts vervalt in de tweede volzin de zinsnede «De volgende gegevens worden daarbij verstrekt onder vermelding van het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens betrekking hebben».

B

Na artikel 1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1b. Gebruik sociaal-fiscaalnummer bij informatieverstrekking aan de Belastingdienst/Toeslagen

De verstrekking van gegevens en inlichtingen ingevolge artikel 38, eerste lid, van de wet aan de Belastingdienst/Toeslagen vindt plaats onder vermelding van het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens betrekking hebben en geschiedt zo mogelijk langs elektronische weg.

ARTIKEL II

Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, onderdeel h, wordt «rechtspersonen» vervangen door «lichamen». Voorts vervalt «, dan wel kortstondig krachtens een andere grond,».

B

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b, van de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet.

2. Na het tweede lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige, inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde-overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven, indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode.

C

In artikel 10aa, eerste en tweede lid, wordt «€ 9 566» vervangen door « € 9 819». Voorts wordt «€ 10 584» vervangen door: € 10 864.

D

Artikel 10ab wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet.

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «artikel 10a, tweede lid» vervangen door: artikel 10a, tweede of derde lid.

3. In het tweede lid wordt «de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006.

E

Artikel 10b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt in de eerste volzin «het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel». Voorts vervalt de tweede volzin.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel d, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid.

F

In artikel 10c, onderdeel c, wordt «artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a.

G

Artikel 10e vervalt.

H

Artikel 11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt «de Algemene nabestaandenwet» vervangen door: de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel t door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

u. uitkeringen ingevolge de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers.

I

Artikel 12a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien zulks door of namens de artiest of beroepssporter dan wel het gezelschap wordt aangegeven, wordt de inhoudingsplichtige die met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening niet beschikt over een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking, geacht te beschikken over:

    a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot het door de artiest of beroepssporter aangegeven bedrag met een maximum van € 136 per optreden of sportbeoefening;

    b. in het geval van een gezelschap: een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot het door het gezelschap aangegeven bedrag, met per optreden of sportbeoefening een maximum van € 136 vermenigvuldigd met het aantal leden van het gezelschap.

2. Het achtste lid vervalt onder vernummering van het negende lid tot achtste lid.

3. In het achtste lid (nieuw), onderdeel a, vervalt «, beroepssporter».

4. In het achtste lid (nieuw), onderdeel c, wordt «– de naam, adres, woonplaats en, indien deze in Nederland woont, het sociaal-fiscaalnummer van de artiest of beroepssporter» vervangen door: – de naam, adres, woonplaats van de artiest onderscheidenlijk beroepssporter en, indien de artiest in Nederland woont, het sociaal-fiscaalnummer van de artiest.

ARTIKEL III

Artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 komt te luiden:

Artikel 5

Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet omschreven lichaam dat werkzaam is op het gebied van de landbouw is van de belasting vrijgesteld mits:

a. zo winst wordt behaald, deze in het jaar niet meer bedraagt dan € 7500, dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 37 500, en

b. doel en feitelijke werkzaamheden bestaan in het exploiteren van bedrijfsmiddelen, het beschikbaar stellen van arbeidskrachten of het aankopen van landbouwbenodigdheden een en ander uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden.

ARTIKEL IV

Het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 vervalt.

B

In artikel 4, eerste lid, wordt «alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva» vervangen door: alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva die een functie vervullen in de onderneming.

C

In artikel 5, eerste lid, wordt «alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva» vervangen door: alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva die een functie vervullen in de onderneming.

D

Artikel 6a vervalt.

ARTIKEL V

Het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 12, tweede lid, onderdeel e, wordt «de Rijksdienst voor het Wegverkeer» vervangen door: de Dienst Wegverkeer (RDW).

B

In artikel 16, methode I, onderdeel g, onder 7°, wordt «artikel 3, eerste lid, onderdeel g» vervangen door: artikel 3, derde lid, onderdeel a.

C

In afdeling E wordt na artikel 24ba een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 24bb

  • 1. Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, worden tevens aangewezen de gevallen waarin sprake is van de levering aan een ondernemer van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en van bepaalde goederen en diensten, voorzover het betreft:

    a. de levering van resten en afval van ferro- en non-ferroproducten en oude materialen, halffabrikaten daaronder begrepen, die het resultaat zijn van het verwerken, vervaardigen of smelten van ferro- en non-ferrometalen of legeringen daarvan;

    b. de levering van ferro- en non-ferrohalffabrikaten en daarmee samenhangende verwerkingsdiensten;

    c. de levering van residuen en andere materialen voor hergebruik bestaande uit ferro- en non-ferrometalen, legeringen daarvan, slakken, assen, bladders en industriële residuen die metalen of legeringen daarvan bevatten, alsmede de diensten bestaande in het scheiden, snijden, fragmenteren en samenpersen van deze producten;

    d. de levering van en verwerkingsdiensten met betrekking tot afval van ferro- en non-ferroproducten alsmede snippers, schroot, resten en afval, en oud materiaal en materiaal voor hergebruik bestaande uit glasscherven en glas, papier en karton, lompen, beenderen, leder, kunstleder, perkament, huiden en vellen, pezen en zenen, bindgaren, touw en kabel, rubber en kunststof;

    e. de levering van de in dit lid genoemde materialen na bewerking in de vorm van reinigen, polijsten, scheiden, snijden, fragmenteren, samenpersen of gieten tot ingots;

    f. de levering van resten en afval dat ontstaat bij de bewerking van grondstoffen.

  • 2. Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

D

In de tweede volzin van de Algemene aantekening aan het slot van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wordt «een indicatiebesluit als bedoeld in dat onderdeel g, onder 2°» vervangen door: een in dat onderdeel g, onder 2°, bedoeld indicatiebesluit of besluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning.

ARTIKEL VI

Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8ac wordt vernummerd tot artikel 8ad.

B

Na artikel 8ab wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8ac

  • 1. Het tarief als bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel h, van de wet is van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die het aardgas aan hem levert, dat het aardgas uitsluitend wordt aangewend in een CNG-vulstation.

  • 2. De verbruiker dient overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde verklaring te handelen. Indien niet meer overeenkomstig de verklaring gehandeld wordt, meldt de verbruiker dat onmiddellijk aan degene die het aardgas levert.

ARTIKEL VII

Het Uitvoeringsbesluit accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 19 en 19a komen te luiden:

Artikel 19

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag of de invoer van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen, wordt verleend indien:

a. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip verklaart dat de aan hem te leveren minerale oliën worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;

c. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie aan boord van het schip.

Artikel 19a

Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag en invoer van andere accijnsgoederen dan de in artikel 19 bedoelde minerale oliën, die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren.

B

In artikel 20 wordt «voor halfzware olie gasolie uitsluitend verleend» vervangen door: voor halfzware olie en gasolie uitsluitend verleend.

C

Artikel 21a komt te luiden:

Artikel 21a

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag of de invoer van accijnsgoederen, andere dan voor de voortstuwing bestemde minerale olie, die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat wordt verleend indien:

a. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig verklaart dat de aan hem te leveren accijnsgoederen worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;

c. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

D

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

  • 1. Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen waarvoor op de voet van de artikelen 66 en 66a van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:

    a. degene die om teruggaaf verzoekt bij zijn verzoek een verklaring overlegt van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig dat de accijnsgoederen worden gebruikt voor het in de artikelen 66 en 66a van de wet bedoelde gebruik;

    b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door degene die de levering heeft verricht opgesteld bescheid;

    c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

    d. een exemplaar van de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie aan boord van het schip of bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 34, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes dagen.

F

In artikel 38, onderdeel b, wordt «communautaire goederen als bedoeld» vervangen door: communautaire accijnsgoederen als bedoeld.

G

In artikel 39, eerste lid, wordt «artikel 504, tweede lid» vervangen door: artikel 525, tweede lid, onderdeel b.

H

In artikel 42, onderdeel a, wordt «9e, 34, eerste lid» vervangen door: 9e, 19, 19a, 21a, 34, eerste lid.

ARTIKEL VIII

Het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 15 en 16 komen te luiden:

Artikel 15

Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren, wordt verleend indien:

a. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip verklaart dat de aan hem te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;

c. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie aan boord van het schip.

Artikel 16

Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat wordt verleend indien:

a. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig verklaart dat de aan hem te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;

c. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

B

Artikel 19 komt te luiden:

Artikel 19

Teruggaaf van belasting waarvoor op de voet van artikel 30 van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:

a. degene die om teruggaaf verzoekt bij zijn verzoek een verklaring overlegt van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig dat de goederen worden gebruikt voor het in artikel 30 van de wet bedoelde gebruik;

b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door degene die de levering heeft verricht opgesteld bescheid;

c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

d. een exemplaar van de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie aan boord van het schip of bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

C

Artikel 27, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van alcoholvrije dranken die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes dagen.

D

In artikel 30, eerste lid, wordt «artikel 504, tweede lid» vervangen door: artikel 525, tweede lid, onderdeel b.

E

In artikel 32, onderdeel a, wordt «11 en 27» vervangen door: 11, 15, 16 en 27.

ARTIKEL IX

Het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt «14» vervangen door: 13a, 14, 14a.

B

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Bij wijziging van de tenaamstelling van de bestelauto blijft artikel 13a, derde lid, van de wet buiten toepassing indien:

a. het kenteken van een bestelauto waarvoor ingevolge artikel 13a van de wet vrijstelling van belasting is verleend, binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de bestelauto is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, op naam wordt gesteld van een ondernemer die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 13a, eerste en tweede lid, van de wet, en

b. in de administratie van de ondernemer op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld een verklaring is opgenomen waarin deze ondernemer en de in onderdeel a bedoelde ondernemer ten aanzien van de bestelauto verklaren, dat de in onderdeel a bedoelde ondernemer voor de toepassing van artikel 13a in de plaats treedt van de ondernemer op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld.

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de onderdelen a en b vervangen door:

a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de werknemer of zijn inwonende gezinsleden;

b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring te kennen heeft gegeven dat het motorrijtuig aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland; en.

2. Voor de punt aan het slot van het vierde lid wordt ingevoegd: bij voor bezwaar vatbare beschikking.

D

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De vrijstelling wordt slechts verleend indien:

    a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de in het eerste lid bedoelde Nederlands ingezetene of zijn inwonende gezinsleden; en

    b. het motorrijtuig blijkens een kilometerregistratie voor ten minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt; het zakelijk gebruik buiten Nederland wordt per kalenderjaar bepaald, waarbij de afstand die wordt overbrugd van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd buiten beschouwing blijft.

E

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s die zijn geregistreerd in het buitenland en die vanuit dat land voor een periode van ten hoogste twee weken in Nederland ter beschikking staan van een in Nederland wonende natuurlijke persoon en zijn inwonende gezinsleden, of van een in Nederland gevestigd lichaam.

  • 2. De vrijstelling wordt slechts verleend indien:

    a. de in het eerste lid bedoelde persoon en zijn inwonende gezinsleden, onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde lichaam, in Nederland met het motorrijtuig geen gebruik hebben, onderscheidenlijk heeft, gemaakt van de weg in de twaalf maanden voorafgaand aan de periode van terbeschikkingstelling in Nederland;

    b. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland, door middel van een elektronische melding;

    c. de in het eerste lid bedoelde persoon en zijn inwonende gezinsleden, onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde lichaam, in de twaalf maanden volgend op de aanvang van de periode van ten hoogste twee weken, bedoeld in het eerste lid, in Nederland met het motorrijtuig uitsluitend gebruik maken, onderscheidenlijk maakt, van de weg gedurende deze periode van ten hoogste twee weken.

  • 3. De vrijstelling kan mede worden verleend indien door aantoonbare overmacht niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, mits zo snel mogelijk na aanvang van het gebruik van de weg alsnog de elektronische melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt gedaan, onder opgave van de dag waarop het gebruik van de weg is aangevangen en de redenen waarom niet eerder een beroep op de vrijstelling kon worden gedaan.

  • 4. De vrijstelling wordt verleend aan de in het eerste lid bedoelde natuurlijke persoon onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde lichaam.

  • 5. Indien voor een motorrijtuig waarvoor een beroep op de vrijstelling is gedaan niet of niet langer wordt voldaan aan een in het eerste of tweede lid genoemde voorwaarde, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.

  • 6. Indien de in Nederland wonende natuurlijke persoon of een inwonend gezinslid van deze persoon, onderscheidenlijk het in Nederland gevestigde lichaam, met het motorrijtuig in Nederland gebruik blijft maken van de weg na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de verschuldigde belasting op aangifte voldaan uiterlijk op de laatste dag van deze periode van twee weken.

  • 7. Indien in andere situaties dan als bedoeld in het zesde lid, de in Nederland wonende natuurlijke persoon of een inwonend gezinslid van deze persoon, onderscheidenlijk het in Nederland gevestigde lichaam, opnieuw gebruik maakt met het motorrijtuig van de weg in Nederland in de vijftig weken volgend op de in het eerste lid bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de verschuldigde belasting door degene aan wie de vrijstelling is verleend op aangifte voldaan vóór de hernieuwde aanvang van het gebruik van de weg.

  • 8. Indien het beroep op de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elektronisch wordt ingetrokken vóór de dag waarop volgens het elektronische beroep op de vrijstelling het gebruik in Nederland van de weg aanvangt, geldt het beroep als niet gedaan.

F

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 2 en 3» vervangen door: de artikelen 2, 3 en 3a.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.

G

Na artikel 4 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:

    a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en op het moment van de beëindiging van de tenaamstelling van het kenteken in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, blijkens dit register niet wordt aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring;

    b. het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na beëindiging van de tenaamstelling van het kenteken in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet; en

    c. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

  • 2. De teruggaaf wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.

  • 3. Indien het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht met de kennelijke bedoeling dat binnen een periode van twaalf maanden het kenteken opnieuw te naam wordt gesteld als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de wet, dan wel met het motorrijtuig in Nederland opnieuw gebruik wordt gemaakt van de weg als bedoeld in artikel 1, zevende lid, van de wet, wordt het motorrijtuig voor de toepassing van dit artikel geacht niet buiten Nederland te zijn gebracht.

Artikel 4b

  • 1. De in artikel 14a, tweede lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien gedurende de periode van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland de opneming in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet niet was voorgeschreven, en:

    a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en blijkens de registratie in het buitenlandse kentekenregister niet wordt aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring;

    b. het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na het tijdstip waarop het motorrijtuig niet langer in Nederland feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam; en

    c. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede bescheiden waaruit blijkt vanaf welk tijdstip het motorrijtuig niet langer in Nederland feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam.

  • 2. Artikel 4a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL X

Het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant;.

B

De artikelen 15, 16 en 18 vervallen.

C

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geregistreerd in een niet in de bijlage bij dit besluit genoemd land en in Nederland feitelijk ter beschikking staan van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, wordt verleend indien het gebruik in Nederland van incidentele aard is.

D

In artikel 25 worden de onderdelen a en b vervangen door:

a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de werknemer of zijn inwonende gezinsleden;

b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring te kennen heeft gegeven dat het motorrijtuig door hem aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland; en.

E

In artikel 26 worden de onderdelen a en b vervangen door:

a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de Nederlands ingezetene of zijn inwonende gezinsleden; en

b. het motorrijtuig blijkens een kilometerregistratie voor ten minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt; het zakelijk gebruik buiten Nederland wordt per kalenderjaar bepaald, waarbij de afstand die wordt overbrugd van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd buiten beschouwing blijft; en.

F

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26a

  • 1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en in Nederland ten hoogste twee weken feitelijk ter beschikking staan van een houder die in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd, wordt verleend indien:

    a. het motorrijtuig vanuit het andere land in Nederland ter beschikking staat van de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn inwonende gezinsleden;

    b. de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn inwonende gezinsleden, met het motorrijtuig geen gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland in de twaalf maanden voorafgaand aan de periode van terbeschikkingstelling in Nederland;

    c. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland, door middel van een elektronische melding, en

    d. de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn inwonende gezinsleden, in de twaalf maanden volgend op de aanvang van de periode van ten hoogste twee weken, bedoeld in het eerste lid, in Nederland met het motorrijtuig uitsluitend gebruik maakt van de weg gedurende deze periode van ten hoogste twee weken.

  • 2. Ingeval voor het motorrijtuig een beroep wordt gedaan op de vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit mede als een beroep op de vrijstelling ingevolge het eerste lid, onderdeel c.

  • 3. De vrijstelling kan mede worden verleend indien door aantoonbare overmacht niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mits zo snel mogelijk na aanvang van het gebruik van de weg alsnog de elektronische melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gedaan, onder opgave van de dag waarop het gebruik van de weg is aangevangen en de redenen waarom niet eerder een beroep op de vrijstelling kon worden gedaan.

  • 4. Indien voor een motorrijtuig waarvoor een beroep op de vrijstelling is gedaan niet of niet langer wordt voldaan aan een in het eerste lid genoemde voorwaarde, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.

  • 5. Indien de houder of, indien van toepassing, een inwonend gezinslid van de houder, met het motorrijtuig in Nederland gebruik blijft maken van de weg na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de verschuldigde belasting op aangifte voldaan uiterlijk op de laatste dag van deze periode van twee weken.

  • 6. Indien in andere situaties dan als bedoeld in het vijfde lid, de houder of, indien van toepassing, een inwonend gezinslid van de houder, opnieuw gebruik maakt met het motorrijtuig van de weg in Nederland in de vijftig weken volgend op de in het eerste lid bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de verschuldigde belasting door degene aan wie de vrijstelling is verleend op aangifte voldaan vóór de hernieuwde aanvang van het gebruik van de weg.

  • 7. Indien het beroep op de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, daaronder begrepen een beroep op de vrijstelling als bedoeld in het tweede lid, elektronisch wordt ingetrokken vóór de dag waarop volgens het elektronische beroep op de vrijstelling het gebruik in Nederland van de weg aanvangt, geldt het beroep als niet gedaan.

G

Artikel 27 komt te luiden:

Artikel 27

  • 1. De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 11, 13, 14, 17, 19 tot en met 21, 23, 25 en 26, worden op verzoek verleend. De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, wordt voor vrachtauto’s en autobussen op verzoek verleend.

  • 2. Ingeval voor een motorrijtuig een verzoek wordt ingediend om vrijstelling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit verzoek mede als verzoek om toepassing van de vrijstelling ingevolge artikel 25 onderscheidenlijk artikel 26 van dit besluit.

  • 3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang van het tijdvak, onderscheidenlijk van het gebruik van de weg in Nederland met het motorrijtuig.

  • 4. Bij het verzoek worden de bescheiden die van belang zijn voor de toepassing van de vrijstelling overgelegd, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.

  • 5. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vrijstelling werkt, tenzij in de beschikking anders is bepaald, terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.

  • 6. Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling, of indien het motorrijtuig wordt afgestoten, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.

  • 7. Indien niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan, trekt de inspecteur de vrijstelling in bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 8. Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het zesde lid, vervalt de vrijstelling op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.

  • 9. Bij beëindiging van de vrijstelling wordt de belasting verschuldigd over het resterende gedeelte van het lopende tijdvak, met dien verstande dat voor motorrijtuigen die niet zijn geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, de belasting verschuldigd wordt vanaf de dag waarop de vrijstelling is beëindigd.

H

In artikel 28, eerste lid, vervalt de zinsnede: , alsmede voor voertuigen als bedoeld in artikel 55 van de wet.

ARTIKEL XI

Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 23, tweede lid, wordt toegevoegd: Tot de schulden die in verband staan met de bezittingen in het buitenland behoren ook de met die bezittingen in verband staande schulden die met inachtneming van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen van de partner van de belastingplichtige in aanmerking zijn genomen.

B

In artikel 39, tweede lid, onderdeel a, wordt «50% van het in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 eerstgenoemde percentage» vervangen door: 50% van het in de tabel in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 genoemde hoogste percentage.

ARTIKEL XII

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

  • 2. In afwijking van het eerste lid werken artikel II, onderdeel E, tweede lid, onderdeel F en onderdeel H, eerste lid, en artikel IV, onderdelen B en C, terug tot en met 1 januari 2006.

  • 3. In afwijking van het eerste lid werkt artikel II, onderdeel H, tweede lid, terug tot en met 1 oktober 2006.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treden artikel IX, onderdelen C en D, en artikel X, onderdelen D en E, in werking met ingang van 1 maart 2007.

  • 5. In afwijking van het eerste lid treden artikel IX, onderdelen E, F en G, en artikel X, onderdeel F, in werking met ingang van 1 februari 2007.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 19 december 2006

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In dit verzamelbesluit zijn de wijzigingen opgenomen in de uitvoeringsbesluiten op fiscaal terrein die het gevolg zijn van enkele fiscale en andere wetten die ingaan per 1 januari 2007. Het betreft het Belastingplan 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 30 804), de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 413), Werken aan Winst (Kamerstukken II 2005/06, 30 572) en de Omzetting teruggaafregeling bestelauto’s ondernemers in vrijstellingsregeling (Kamerstukken II 2005/06, 30 634). In de omzetbelasting wordt bovendien een regeling voor de sector oude materialen en afvalstoffen geformaliseerd in de vorm van een verleggingsregeling. Voorts zijn wijzigingen opgenomen die het resultaat zijn van het onderzoek naar fiscale vergunningen als onderdeel van het project Vereenvoudiging Vergunningen (Kamerstukken II 2005/06, 29 515, nr. 140). Verder worden enkele technische correcties aangebracht. Hierna worden de wijzigingen per uitvoeringsbesluit toegelicht.

Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

In artikel 1a van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is thans uitvoering gegeven aan de in artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) opgenomen bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wie aan de Belastingdienst/Toeslagen informatie dient te verstrekken die van belang is voor de uitvoering van de Awir. Daarnaast schrijft artikel 1a voor dat deze gegevensverstrekking plaatsvindt onder vermelding van het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens betrekking hebben. Dit laatste als uitwerking van de in artikel 38, vierde lid, van de Awir opgenomen delegatiebepaling.

Artikel 1a geeft geen regels over gegevensverstrekking door bestuursorganen. De verplichting tot gegevensverstrekking door bestuursorganen vloeit rechtstreeks voort uit artikel 38, eerste lid, van de Awir. Het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer is voor deze categorie gegevensverstrekkers in voorkomende gevallen via convenanten geregeld.

Besloten is om ook het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer door bestuursorganen te codificeren. Dit hangt onder meer samen met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel, houdende wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten met het oog op het verzwaren van het premieincassoregime en andere maatregelen om de werking van het met die wet en de Wet op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren. In dat wetsvoorstel is een wijziging van de Zorgverzekeringswet opgenomen, waarbij geregeld wordt dat het College zorgverzekeringen (CVZ) voor de uitvoering van onder meer de taken die het CVZ heeft ten aanzien van in het buitenland wonende verdragsgerechtigden het sociaal-fiscaalnummer gebruikt. Hieronder valt niet het gebruik in de communicatie van het CVZ met de Belastingdienst/Toeslagen. De Raad van State heeft in zijn advies, in navolging van het advies van het College bescherming persoonsgegevens, aangegeven dat de grondslag voor laatstgenoemd gebruik apart dient te worden geregeld. In navolging daarvan wordt voor alle inkomensafhankelijke regelingen die door de Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd een verplichting gecreëerd het sociaal-fiscaalnummer te gebruiken bij het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Awir. Dit geldt zowel voor bestuursorganen als voor de in artikel 1a van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen aangewezen natuurlijke personen, rechtspersonen en instellingen. Dit wordt geregeld in het nieuwe artikel 1b van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. In verband daarmee komt de verwijzing naar het sociaal-fiscaalnummer in artikel 1a te vervallen. Dit geldt eveneens voor de wijze waarop de gegevensverstrekking plaatsvindt (zo mogelijk langs elektronische weg). Artikel 1b geeft daarmee uitvoering aan zowel het eerste lid van artikel 38 van de Awir, voor zover het de wijze van gegevensverstrekking regelt, als aan het vierde lid van artikel 38 van de Awir, te weten het vermelden van het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben. Artikel 1a regelt uitsluitend nog de aanwijzing van natuurlijke personen, rechtspersonen en instellingen die verplicht zijn gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965

De aanpassingen in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 betreffen onder meer wijzigingen met betrekking tot de heffing van loonbelasting van artiesten en beroepssporters, die voornamelijk voortvloeien uit het Belastingplan 2007 en wijzigingen die samenhangen met het per 1 januari 2007 van toepassing worden van de Pensioenwet.

Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971

De aanpassing in het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 strekt ertoe overbodige, gedateerde regelgeving te laten vervallen. Het betreft het laten vervallen van een subjectieve vrijstelling voor lichamen die tot doel hebben het aankopen en verzamelen van eieren of het verbeteren van het landbouwpaard in Nederland.

Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer

In het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer worden vier verbeteringen aangebracht. Thans geldt voor toepassing van een vrijstelling van overdrachtsbelasting dat binnen een maand nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan een beroep op de van toepassing zijnde vrijstelling dient te worden gedaan. Termijnoverschrijding heeft in beginsel tot gevolg dat een beroep op een vrijstelling niet meer mogelijk is. De eerste wijziging waarbij de eis vervalt dat binnen een maand een beroep op de van toepassing zijnde vrijstelling moet worden gedaan, brengt onder meer mee dat – na afloop van de wettelijke bezwaartermijn bij aangiften overdrachtsbelasting – ambtshalve vermindering kan worden verleend van materieel teveel afgedragen overdrachtsbelasting. Voorts wordt een wijziging aangebracht in verband met de in de Wet werken aan winst (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9) opgenomen vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van cultuurgrond. Deze cultuurgrondvrijstelling vervangt een aantal bestaande specifieke vrijstellingen op landbouwgebied. Dit heeft tot gevolg dat de in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer gestelde nadere voorwaarden voor een beroep op de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel q (oud), van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet langer nodig zijn. Ten slotte wordt een tweetal technische correcties aangebracht in de artikelen 4 en 5, waarin de voorwaarden zijn gegeven voor toepassing van de vrijstelling bij inbreng van een onderneming in een vennootschap onder firma respectievelijk een NV of BV. Dit betreft een formalisering van een eerder beoogde wijziging die reeds bij besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, nr. 688, is aangekondigd en vooruitlopend daarop in de praktijk wordt toegepast.

Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968

Naast twee technische aanpassingen die in het artikelsgewijze gedeelte worden toegelicht, bevat het onderhavige besluit de invoering van een zogenoemde verleggingsregeling in de omzetbelasting voor de sector oude materialen en afvalstoffen. De regeling heeft betrekking op leveringen – aan ondernemers – van resten en afval en materiaal voor hergebruik tezamen met enkele producten die het resultaat zijn van de behandeling ervan, alsmede enkele behandelingen. Deze verleggingsregeling is mogelijk geworden door de vaststelling op 24 juli 2006 van de Richtlijn1 van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG2 wat betreft bepaalde maatregelen ter vereenvoudiging van de btw-heffing en ter bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking en tot intrekking van bepaalde derogatiebeschikkingen. Door de verleggingsregeling wordt de heffing van de omzetbelasting verlegd van de ondernemer die een belaste prestatie verricht naar de afnemer van die prestatie. Deze laatste kan – wanneer hij een belaste ondernemer is – de aldus verschuldigd geworden belasting in aftrek brengen op dezelfde aangifte waarin hij die belasting aangeeft, zodat per saldo over de desbetreffende prestaties geen omzetbelasting wordt geheven. De toepassing van de verleggingsregeling betekent een vereenvoudiging van de heffing en voorkomt dat de presterende ondernemer de belasting niet voldoet, terwijl de ondernemer die de prestatie afneemt deze wel aftrekt.

Voor de sector van de handel in oude materialen en afvalstoffen geldt tot op heden een andere (bijzondere) regeling op het gebied van de omzetbelasting en wel de regeling die is opgenomen in de ministeriële resolutie van 30 januari 1969, nr. D68/7703, in de praktijk beter bekend als de goedkeuringsregeling van «aanschrijving OB-BTW 73». Volgens deze goedkeuringsregeling kunnen inspecteurs aan ondernemers die oude materialen en afvalstoffen betrekken op verzoek van die ondernemers een vergunning verlenen om die goederen te betrekken zonder dat wegens de levering aan hen van die goederen omzetbelasting wordt voldaan. De achtergrond van deze regeling is dezelfde als die van de nieuwe verleggingsregeling: het vereenvoudigen van de heffing en het tegengaan van frauduleuze handelingen in de sector van de handel in oude materialen en afvalstoffen. De regeling van aanschrijving OB-BTW 73 zal worden ingetrokken met ingang van de datum van invoering van de hiervoor bedoelde verleggingsregeling.

Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

Het nieuwe artikel 8ac bevat de wijziging in het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag die verband houdt met het in het Belastingplan 2007 opgenomen vaste tarief in de energiebelasting voor aardgas dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation.

Uitvoeringsbesluit accijns

Als onderdeel van het project Vereenvoudiging Vergunningen is bezien of er op basis van belastingregelgeving vergunningen worden vereist die overbodig zijn geworden en om die reden kunnen worden afgeschaft3. Dit onderzoek heeft onder meer tot de conclusie geleid dat de vergunning die noodzakelijk is voor het verkrijgen van de accijnsvrijstelling van artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns, de zogenoemde bunkervergunning, kan verdwijnen. Als gevolg van deze vrijstelling is geen accijns verschuldigd ter zake van de uitslag en invoer van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. De vrijstelling geldt niet voor minerale oliën die gebruikt worden door pleziervaartuigen of schepen die niet gebruikt worden om te varen. Gebleken is dat een vergunningstelsel niet langer nodig is voor een effectieve controle op de toepassing van de vorenbedoelde accijnsvrijstelling. De bunkerverklaring die wordt afgegeven op het moment van levering van de minerale oliën biedt in combinatie met administratieve en fysieke controles voldoende waarborgen voor een effectieve controle. Met dit besluit wordt om die reden het vereiste van een bunkervergunning ingetrokken.

Het vervallen van de bunkervergunning heeft ook gevolgen voor de toepassing van de accijnsvrijstelling van artikel 66a van de Wet op de accijns en de vrijstelling van artikel 30 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Deze artikelen bevatten vrijstellingen voor de uitslag en invoer van andere accijnsgoederen dan minerale oliën onderscheidenlijk van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren, en aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat. Ook voor de toepassing van deze vrijstellingen wordt op dit moment een bunkervergunning vereist. Het vereiste van een bunkervergunning voor de hier bedoelde gevallen wordt eveneens ingetrokken.

Voor de toepassing van de accijnsvrijstelling voor de uitslag en invoer van halfzware olie die wordt gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen van artikel 66, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns bestaat ook een vergunningstelsel, indien een eigenaar of exploitant van een luchtvaartuig zowel binnenlandse als buitenlandse vluchten verricht. Dit vergunningstelsel wordt niet ingetrokken. Reden hiervoor is het kleine aantal vergunningen dat op dit moment is verstrekt en het ontbreken van een systeem van bunkerverklaringen. Vervanging van dit vergunningstelsel door een systeem van bunkerverklaringen zou tot hogere administratieve lasten leiden. Het heeft daarom de voorkeur om voor de effectieve controle van de vrijstelling gebruik te blijven maken van een vergunningstelsel.

Met het verdwijnen van de bunkervergunning neemt het belang van de bunkerverklaring toe. Om die reden wordt het niet voldoen aan met betrekking tot de bunkerverklaring gestelde eisen strafbaar gesteld. In de dagelijkse praktijk zal de bunkerverklaring bijna altijd de vorm hebben van een bescheid opgemaakt door de leverancier van de olie. De huidige tekst van het Uitvoeringsbesluit accijns gaat er echter vanuit dat de bunkerverklaring wordt opgesteld door de schipper, de afnemer van de olie. De tekst van het Uitvoeringsbesluit accijns wordt om die reden aangepast, zodat deze beter aansluit bij de praktische gang van zaken. Vergelijkbare aanpassingen worden doorgevoerd voor de verplichtingen rondom de zogenoemde provianderingsverklaring, die wordt afgegeven bij de toepassing van de vrijstellingen van artikel 66a van de Wet op de accijns en artikel 30 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten.

Naast de wijzigingen als gevolg van het afschaffen van de bunkervergunning wordt het Uitvoeringsbesluit accijns op een viertal punten en het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten op een tweetal punten aangepast om onduidelijkheden weg te nemen en omissies te herstellen.

Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

In het Belastingplan 2007 is onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen een teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgenomen bij duurzame overbrenging naar het buitenland (hierna: export) van gebruikte motorrijtuigen waarvoor de belasting is geheven op of na 16 oktober 2006. Hiermee wordt overigens ten aanzien van een element van de heffing van BPM – in het bijzonder ten aanzien van de uitvoer van gebruikte voertuigen – een nadere verschuiving aangebracht in de geldende rechtsgrond van die belasting. Zoals is uiteengezet in de toelichting op het Belastingplan 2007, is de aanleiding daarvoor gelegen in Europese jurisprudentie.

De onderhavige teruggaaf betreft voertuigen die niet langer in Nederland worden gebruikt door een Nederlandse ingezetene, en die worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: EU-lidstaat of EER-staat) en daar ook geregistreerd zijn of worden. De nadere voorwaarden en beperkingen voor deze teruggaaf worden nu opgenomen in het Uitvoeringsbesluit BPM. Deze voorwaarden beogen zoveel mogelijk te verzekeren, dat de teruggaaf alleen wordt verleend bij duurzame overbrenging naar het andere land van voertuigen die in rijwaardige staat verkeren. De teruggaaf geldt dus niet bij export van sloopauto’s en wrakken. De voorwaarden gelden gelijkelijk voor in Nederland en in EU-lidstaten of EER-staten geregistreerde voertuigen. Zo wordt de teruggaaf niet verleend voor buitenlandse leaseauto’s die na enkele maanden gebruik in Nederland total loss worden verklaard. Inhoudelijk is er geen verschil tussen de teruggaafregeling voor in Nederland geregistreerde voertuigen en de teruggaafregeling voor in andere EU-lidstaten of EER-staten geregistreerde voertuigen, zij het dat soms een ander bewijsmiddel nodig is om aan te tonen dat sprake is van een duurzame overbrenging van het voertuig naar het buitenland zoals hiervoor geschetst. Voor niet in Nederland geregistreerde voertuigen geldt verder de aanvullende eis dat registratie in Nederland niet was voorgeschreven. Was dat wel het geval, dan zal het voertuig eerst geregistreerd moeten worden voordat de teruggaaf wordt verleend. Op dit moment geldt een dergelijke verplichting overigens alleen voor specifieke groepen, zoals auto’s waarmee taxivervoer of openbaar vervoer wordt verricht. In de voorlichting rond de nieuwe regeling zal ruim aandacht worden besteed aan de fiscale voorwaarden die aan deze regeling verbonden zijn. Ook de autobranche en brancheverenigingen van verhuurbedrijven in de buurlanden zullen worden geïnformeerd.

Naast de teruggaaf bij export wordt in het Uitvoeringsbesluit BPM een vrijstelling opgenomen voor motorrijtuigen die in het buitenland zijn geregistreerd en vanuit het andere land voor ten hoogste twee weken ter beschikking staan van een Nederlands ingezetene. Daarmee wordt de bestaande vrijstelling van twee dagen, die naar het oordeel van het Europese Hof ontoereikend is, verruimd tot twee weken. Anders dan de teruggaafregeling bij export geldt de verruiming van de vrijstelling mede voor voertuigen die zijn geregistreerd in derde landen. Weliswaar zou het mogelijk zijn ook op dit punt een onderscheid te maken tussen auto’s uit EU- en EER-staten enerzijds en auto’s uit derde landen anderzijds, maar het is gezien de handhavingsaspecten naar mijn oordeel niet wenselijk voor buitenlands gekentekende auto’s twee verschillende vrijstellingstermijnen naast elkaar te hanteren.

De vrijstelling vindt zijn basis in artikel 14 van de wet en is al aangekondigd bij de eerste nota van wijziging op het Belastingplan 2007. De voorwaarden in het besluit strekken ertoe te verzekeren, dat de vrijstelling beperkt blijft tot normale situaties van kortlopende terbeschikkingstelling, maar niet uitnodigt tot permanent gebruik in Nederland van een buitenlands gekentekende huurauto. Met het oog op de handhaving dient vooraf een beroep op de vrijstelling te worden gedaan. Daartoe zal overigens een eenvoudige elektronische procedure in het leven worden geroepen. Voor de toepassing van de vrijstelling is niet vereist dat de auto na twee weken door de gebruiker buiten Nederland wordt gebracht. Voldoende is dat de gebruiker en zijn inwonende gezinsleden de auto na de vrijstellingsperiode niet meer in Nederland gebruiken. De auto kan dus eventueel aan het einde van de twee weken ook worden ingeleverd bij een Nederlandse vestiging van een buitenlands verhuurbedrijf. Wanneer de huurder of een gezinslid uiteindelijk toch langer van de auto gebruik maakt in Nederland, vervalt de vrijstelling en wordt de belasting verschuldigd vanaf de eerste dag van de vrijstellingsperiode. Er is geen sprake van een heffingsvrije periode van twee weken. Keert de auto op een later tijdstip alsnog terug naar het buitenlandse verhuurbedrijf, dan kan een verzoek om teruggaaf van de belasting worden ingediend. In dat geval moet uiteraard wel aan de teruggaafvoorwaarden worden voldaan. Zo zal de auto daadwerkelijk naar het andere land overgebracht dienen te worden. Volledigheidshalve merk ik nog op dat de vrijstelling niet geldt voor buitenlands gekentekende auto’s die vanuit een Nederlandse vestiging van een verhuurbedrijf ter beschikking worden gesteld aan Nederlands ingezetenen. De vrijstelling geldt uitsluitend voor voertuigen die vanuit het andere land ter beschikking staan.

In het Uitvoeringsbesluit BPM worden verder de vrijstellingsvoorwaarden aangepast voor buitenlands gekentekende motorrijtuigen van in het buitenland gevestigde bedrijven, die in Nederland worden gebruikt door een in Nederland wonende zelfstandige. Anders dan voor werknemers met een buitenlandse bedrijfsauto geldt de vrijstelling voor zelfstandigen tot nu toe uitsluitend voor het woon-werkverkeer tussen de in Nederland gelegen woning en het bedrijf in het buitenland. Verder gebruik in Nederland en gebruik door inwonende gezinsleden is uitgesloten. De Europese Commissie heeft op dit punt een infractieprocedure gestart tegen Nederland wegens mogelijke strijd met het EG-recht. Met voorliggende wijziging verdwijnen de meer beperkende gebruiksvoorwaarden voor zelfstandigen. De vrijstelling wordt voortaan voor zelfstandigen verleend, indien het voertuig voor ten minste 50% zakelijk in het buitenland wordt gebruikt. Het woon–werkverkeer blijft daarbij geheel buiten beschouwing, omdat anders de vrijstelling zou afhangen van de per individu verschillende afstand tussen woning en werkplaats. Met deze wijziging wordt de vrijstelling voor zelfstandigen meer in lijn gebracht met de vrijstelling voor werknemers. Voor zelfstandigen wordt daarbij wel de eis gesteld, dat de mate van zakelijk gebruik buiten Nederland kan worden aangetoond met een kilometerregistratie. Voor werknemers die gezien hun positie geen invloed hebben op de plaats waar het voertuig wordt geregistreerd of de mate waarin de auto wordt ingezet voor zakelijk gebruik buiten Nederland, kan worden volstaan met een verklaring van de werkgever dat de auto door hem aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland. De tot nu toe voor werknemers geldende eis dat het buitenlandse bedrijf verklaart dat de auto ook privé mag worden gebruikt wordt niet overgenomen voor zelfstandigen en geschrapt voor werknemers. Deze eis voegt vanuit fiscaal oogpunt weinig toe, en zou voor zelfstandigen inhoudloos zijn. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt nog enkele redactionele aanpassingen aan te brengen in de formulering van de werknemersvrijstelling.

Ten slotte wordt in het Uitvoeringsbesluit BPM een bepaling opgenomen in verband met de omzetting van de teruggaafregeling voor bestelauto’s van ondernemers in een vrijstelling. In verband met deze omzetting vervalt de bestaande doorschuifregeling via de autohandel, opgenomen in de ministeriële regeling. In plaats daarvan wordt nu ingevolge het vierde lid van de in artikel 13a van de wet opgenomen vrijstellingsregeling een bredere doorschuifregeling opgenomen in het uitvoeringsbesluit.

Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994

Als onderdeel van het project Vereenvoudiging Vergunningen is ook voor de motorrijtuigenbelasting bezien of er vergunningen worden geëist die overbodig zijn geworden en om die reden kunnen worden afgeschaft of vereenvoudigd. Op een aantal punten bleek dit het geval te zijn. Het Uitvoeringsbesluit MRB wordt nu op die punten aangepast. Allereerst wordt de verzoekprocedure omgezet in een uit de wet voortvloeiende vrijstelling in situaties waarbij vanuit handhavingsperspectief een toetsing vooraf niet noodzakelijk is en weinig toevoegt. Dit betreft de vrijstelling voor personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen ouder dan 25 jaar, de vrijstelling voor keuringsritten van motorrijtuigen waarvoor het kenteken is geschorst en de vrijstelling voor buitenlands gekentekende motorrijtuigen van een in het buitenland wonende houder. Voor vrijstellingen waarvoor wel een verzoek nodig blijft, wordt de procedure vereenvoudigd in die zin, dat bij het vrijstellingsverzoek geen verklaring meer hoeft te worden overgelegd dat de houder indien hij niet meer voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, de inspecteur daarvan op de hoogte zal stellen. In plaats daarvan wordt voor dergelijke situaties een verplichting tot het informeren van de inspecteur in het uitvoeringsbesluit opgenomen. Voor twee vergunningen kan het verzoek geheel achterwege blijven, indien voor het motorrijtuig een verzoek is ingediend om een vergelijkbare vrijstelling van BPM. Dit betreft de vrijstellingen voor buitenlandse bedrijfsauto’s van in Nederland wonende werknemers, respectievelijk in Nederland wonende zelfstandigen.

Verder vervallen in het Uitvoeringsbesluit MRB drie artikelen waarin de voorwaarden voor enkele vrijstellingen worden uitgewerkt die ingevolge het Belastingplan 2007 zijn komen te vervallen. Dit betreft de vrijstellingen voor motorrijtuigen van bibliotheken, schooltandartsen, keuringsdiensten en voertuigen voor het vervoer van dode dieren.

In het Uitvoeringsbesluit MRB worden ten slotte twee wijzigingen aangebracht overeenkomstig twee hiervoor toegelichte wijzigingen in het Uitvoeringsbesluit BPM. Dit zijn de verruiming van de voorwaarden voor de vrijstelling voor vanuit het buitenland ter beschikking gestelde auto’s, en de verruiming van de voorwaarden voor buitenlandse bedrijfsauto’s van in Nederland wonende zelfstandigen. Voor een toelichting op deze wijzigingen verwijs ik naar de toelichting over deze onderwerpen bij de wijziging van het Uitvoeringsbesluit BPM.

Besluit voorkoming dubbele belasting 2001

De aanpassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 ziet op de verwijzing naar het algemene vennootschapsbelastingtarief in de regeling voor de verrekening van buitenlandse belasting bij zogenoemde passieve vaste inrichtingen in het buitenland. Deze verwijzing wordt – redactioneel – aangepast aan de gewijzigde vormgeving van artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op basis van de Wet werken aan winst, zonder dat hiermee een inhoudelijke wijziging is beoogd. Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt om een verduidelijking aan te brengen in de voorkoming van dubbele belasting in box 3 van de inkomstenbelasting.

EU-aspecten

De invoering van de verleggingsregeling in de omzetbelasting voor de sector oude materialen en afvalstoffen is mogelijk geworden door de vaststelling op 24 juli 2006 van de Richtlijn4 van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG5 wat betreft bepaalde maatregelen ter vereenvoudiging van de btw-heffing en ter bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking en tot intrekking van bepaalde derogatiebeschikkingen (hierna: de derogatierichtlijn). De derogatierichtlijn geeft de lidstaten de bevoegdheid om in specifieke gevallen de afnemer van de prestatie aan te wijzen als de tot voldoening van de omzetbelasting gehouden persoon. Aldus worden de lidstaten geholpen in bepaalde sectoren en bij bepaalde handelingen de regelgeving te vereenvoudigen en belastingfraude en -ontwijking te voorkomen. Er zij op gewezen dat het hier om een facultatieve verleggingsregeling gaat. De lidstaten zijn niet verplicht de in de derogatierichtlijn opgenomen maatregelen in te voeren. Zij hebben hierin de nodige speelruimte, zowel met betrekking tot de invoering van de verleggingsregeling als met betrekking tot het toepassingsbereik van de regeling. Wat betreft het toepassingsbereik is gekozen voor toepassing voor alle prestaties waarvoor de Richtlijn zulks mogelijk maakt. Voor alle prestaties wordt daarmee een vereenvoudiging van de heffing bereikt en wordt voorkomen dat de presterende ondernemer de belasting niet voldoet, terwijl de ondernemer die de prestatie afneemt, deze wel aftrekt.

De accijnsvrijstellingen voor minerale oliën uit de Wet op de accijns zijn gebaseerd op Europese regelgeving6. Nederland kan echter zelf de regels vaststellen omtrent de wijze van uitvoering van de vrijstellingen. Het is niet verplicht om daarvoor een vergunningstelsel te gebruiken. Het staat Nederland dus vrij om de bunkervergunning af te schaffen.

In het Uitvoeringsbesluit BPM wordt een ongelijkheid tussen werknemers en zelfstandigen weggenomen die onderwerp is van een infractieprocedure tegen Nederland wegens mogelijke strijd met het EG-recht. Het gaat om een aanpassing van de vrijstellingsvoorwaarden voor buitenlands gekentekende motorrijtuigen van in het buitenland gevestigde bedrijven, die in Nederland worden gebruikt door een in Nederland wonende zelfstandige. Anders dan voor werknemers met een buitenlandse bedrijfsauto gold de vrijstelling voor zelfstandigen tot nu toe uitsluitend voor het woon-werkverkeer tussen de in Nederland gelegen woning en het bedrijf in het buitenland. Verder gebruik in Nederland en gebruik door inwonende gezinsleden was uitgesloten. Deze beperkende voorwaarden voor zelfstandigen zijn nu vervallen.

Budgettaire aspecten, administratieve lasten en uitvoeringskosten

Aan de wijzigingen in de uitvoeringsbesluiten zijn geen budgettaire gevolgen verbonden.

De effecten op de administratieve lasten zijn al vermeld in de toelichtingen op de wetswijzigingen die in de inleiding zijn aangehaald. Ook over de effecten van de wijzigingen in vergunningsstelsels is eerder gerapporteerd. Met betrekking tot de verleggingsregeling in de omzetbelasting voor de sector oude materialen en afvalstoffen kan worden opgemerkt dat deze geen effect zal hebben voor de administratieve lasten bedrijfsleven. Deze regeling komt qua effect vrijwel overeen met de huidige regeling. Met betrekking tot de overige wijzigingen zijn er eveneens geen effecten op de administratieve lasten van het bedrijfsleven of de administratieve lasten van burgers.

De uitvoeringskosten van de Belastingdienst wijzigen niet door de wijzigingen in de uitvoeringsbesluiten.

Artikelsgewijs

Artikel II, onderdeel A (artikel 1 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Deze wijzigingen vloeien voort uit het Belastingplan 2007. In het Belastingplan 2007 wordt onder meer geregeld dat de heffing van loonbelasting van artiesten en beroepssporters ter zake van een optreden of sportbeoefening «krachtens andere grond» komt te vervallen. Tevens wordt in het Belastingplan 2007 in de in artikel 5b, eerste lid, van de Wet LB 1964 opgenomen definitie van het begrip «gezelschap» de term «rechtspersonen» vervangen door de term «lichamen». De hiervoor genoemde wijzigingen worden doorgetrokken naar artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel II, onderdeel B (artikel 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) kunnen in een pensioenregeling dienstjaren die ontstaan ten gevolge van waarde-overdracht van pensioenkapitaal in het kader van het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking, in aanmerking worden genomen als dienstjaren dan wel als diensttijd. In verband met de inwerkingtreding van de Pensioenwet per 1 januari 2007, welke de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) vervangt, wordt in dit besluit de huidige verwijzing in onderdeel f naar de desbetreffende waarde-overdrachtbepalingen uit de PSW vervangen door een verwijzing naar de desbetreffende waarde-overdrachtbepalingen uit de Pensioenwet.

In aanvulling op de gewijzigde formulering van artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, is een nieuwe bepaling nodig voor het in aanmerking nemen van de perioden waarin een directeur-grootaandeelhouder (dga) in het kader van een vorige dienstbetrekking onder de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) dan wel de Pensioenwet (PW) viel. Omdat een dga in zijn hoedanigheid als dga (behoudens overgangsrecht) niet onder de PW valt, biedt artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, voor hem niet meer de mogelijkheid om rekening te houden met de bij de vorige inhoudingsplichtige doorgebrachte dienstjaren. Een waarde-overdracht van pensioen waarop de PW van toepassing is naar een pensioenregeling van een dga, is (in de situatie dat die pensioenregeling niet op grond van het overgangsrecht onder de PW valt) op grond van de artikelen 70 tot en met 91 PW namelijk niet mogelijk. Het toegevoegde derde lid voorkomt dat deze omstandigheid de facto tot een beperking van de huidige fiscale mogelijkheden leidt. Met de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een (uit het ontbreken van de mogelijkheid van waarde-overdracht van pensioenkapitaal voortvloeiend) pensioentekort wordt bewerkstelligd dat in de nieuwe dienstbetrekking rekening wordt gehouden met de in de vorige dienstbetrekking(en) opgebouwde aanspraken. Een inhoudelijke wijziging is met de nieuwe formulering niet beoogd.

Verder wordt een nieuw vierde lid toegevoegd aan artikel 10a. Het betreft een overheveling van de bepaling in het huidige artikel 10b, derde lid, voor zover die bepaling ziet op de mogelijkheid van ongewijzigde pensioenopbouw bij het aanvaarden van een deeltijdfunctie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. In artikel 10b van het UBLB 1965 zijn op grond van artikel 18g, tweede lid, van de wet regels gesteld met betrekking tot het pensioengevende loon. Het in deeltijd vervullen van een dienstbetrekking leidt echter niet tot een verlaging van het pensioengevende loon, maar tot een vermindering van de dienstjaren dan wel diensttijd. Het aantal dienstjaren waarin in deeltijd wordt gewerkt, dient daartoe met de deeltijdfactor te worden herrekend (uitgaande van een voltijdloon). Een uitzondering daarop vormt de hiervoor bedoelde overstap naar een deeltijdfunctie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.

Met deze wijziging is aldus geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar wordt een inconsequentie in de systematiek van het uitvoeringsbesluit gecorrigeerd. In dit kader zal bij gelegenheid ook de delegatiebepaling in artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet worden aangepast. Voor zover die bepaling ziet op het aanvaarden van een deeltijdfunctie, is deze namelijk overbodig. Immers, de bepaling inzake deeltijdfuncties vindt zijn grondslag in het eerste lid van artikel 18g van de wet.

Artikel II, onderdeel C (artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De bedragen in artikel 10aa van het UBLB 1965 worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de ontwikkeling van de hoogte van de AOW. De nieuwe bedragen zijn berekend door de bedragen van 2006 te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het in het 2007 geldende AOW-bedrag en het in 2006 geldende AOW-bedrag.

Artikel II, onderdeel D (artikel 10ab Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Artikel 10ab, eerste lid, onderdeel b, van het UBLB 1965 geeft de mogelijkheid om als deelnemingsjaren ten behoeve van het 40-deelnemingsjarenpensioen in aanmerking te nemen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige, indien ter zake van het in die periode opgebouwde ouderdomspensioen waarde-overdracht van het pensioenkapitaal heeft plaatsgevonden conform de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de PSW. Het gaat hierbij uitsluitend om de feitelijk bij die andere inhoudingsplichtige doorgebrachte perioden. Met de onderhavige wijziging wordt artikel 10ab, eerste lid, onderdeel b, aangepast aan de vervanging van de PSW door de Pensioenwet. Hierbij is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Op grond van artikel 10ab, eerste lid, onderdeel c, kunnen tevens als deelnemingsjaren in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige, indien ter zake van die perioden met toepassing van artikel 10a, tweede lid, inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden. Met de aanpassing van dit onderdeel van artikel 10ab wordt deze mogelijkheid uitgebreid met de situatie dat de inkoop ter zake van die perioden heeft plaatsgevonden met toepassing van het in onderdeel B toegelichte artikel 10a, derde lid. Hiermee wordt bereikt dat de fiscale positie van de dga met betrekking tot het in aanmerking nemen van deelnemingsjaren doorgebracht bij andere inhoudingsplichtigen niet wijzigt. De verwijzing naar de in artikel 10a, derde lid, bedoelde inkoop komt in zoverre namelijk in de plaats van de verwijzing naar de in artikel 10ab, eerste lid, onderdeel b, bedoelde waarde-overdracht, die zoals hiervoor is toegelicht, niet meer van toepassing is op de dga.

Het tweede lid van artikel 10ab ziet op als deelnemingsjaren in aanmerking te nemen dienstjaren ten gevolge van waarde-overdrachten van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de PSW die voor 1 januari 2005 hebben plaatsgevonden. Omdat de PSW per 1 januari 2007 vervalt, wordt in de tekst van het tweede lid van artikel 10ab tot uitdrukking gebracht dat het gaat om de bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2006.

Artikel II, onderdeel E (artikel 10b Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De wijziging in het derde lid houdt verband met de overheveling naar artikel 10a van het UBLB 1965 van het deel van deze bepaling dat ziet op het aanvaarden van een deeltijdfunctie. Deze wijziging is toegelicht bij onderdeel B.

Voorts wordt aan artikel 10b een vierde lid toegevoegd. Deze wijziging geeft uitvoering aan het amendement op de Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen van de leden Koomen en Depla van 22 november 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 30 330, nr. 7), inhoudende dat een verlaging van het loon niet verplicht tot een lagere pensioenopbouw voor zover deze loonsverlaging het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De desbetreffende delegatiebepaling is met ingang van 1 januari 2006 opgenomen in artikel 18g, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964. In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen (Kamerstukken II 2005/06, 30 330, nr. 6, blz. 9) is reeds goedgekeurd, dat in 2006 een loonsverlaging in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid niet hoeft te leiden tot een verlaging van het pensioengevende loon. In verband daarmee wordt aan de thans opgenomen wijziging terugwerkende kracht gegeven tot en met 1 januari 2006.

Artikel II, onderdeel F (artikel 10c Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De wijziging in dit onderdeel hangt samen met de per 1 januari 2006 gewijzigde nummering van een aantal leden van artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet. Als gevolg van die vernummering klopte de in artikel 10c, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 opgenomen verwijzing niet meer. Met de aanpassing van genoemd artikel 10c is derhalve geen inhoudelijke wijziging beoogd. Omdat de vernummering in de Algemene Ouderdomswet per 1 januari 2006 heeft plaatsgevonden, wordt aan de wijziging van genoemd artikel 10c terugwerkende kracht gegeven tot en met die datum.

Artikel II, onderdeel G (artikel 10e Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Het huidige artikel 10e geeft uitwerking aan de bepaling in artikel 19e van de wet dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter zake van de instelling van een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen. Omdat deze adviescommissie ingevolge het Belastingplan 2007 wordt opgeheven, kunnen deze regels komen te vervallen.

Artikel II, onderdeel H (artikel 11 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Op grond van artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting bij algemene maatregel van bestuur onder meer regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die termijnen van lijfrenten of andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen genieten. Deze regels zijn opgenomen in artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Op grond daarvan wordt de loonbelasting onder meer mede geheven van natuurlijke personen die uitkeringen genieten ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In de desbetreffende bepaling (artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965) had met ingang van 1 januari 2006 ook de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen moeten worden genoemd. Door een omissie is deze wijziging nog niet aangebracht, hetgeen nu wordt hersteld. Dit is overigens alleen van belang voor degenen die vrijwillig voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn verzekerd. Bij een verplichte verzekering vloeien de uitkeringen voort uit een in een (vroegere) dienstbetrekking opgekomen aanspraak, waarop krachtens artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 de zogenoemde omkeerregel van toepassing is, zodat die uitkeringen op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 al tot het loon behoren.

Beoogd is dat met ingang van 1 januari 2007 een permanente tegemoetkoming bovenop de gewone uitkering in de Algemene nabestaandenwet («kopje op de Anw») wordt opgenomen. Vooruitlopend hierop is op 1 oktober 2006 de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers (Regeling van 29 juni 2006, Stcrt. 2006, 129) in werking getreden. De regeling vervalt zodra de tegemoetkoming (blijvend) in de Anw wordt opgenomen; ergo hoogstwaarschijnlijk op 1 januari 2007. Op grond van deze tijdelijke regeling krijgen Anw-ers een kopje op de uitkering van € 9,66 per maand (in oktober wordt € 96,60 uitbetaald voor de eerste tien maanden van 2006). Het kopje is net als de Anw-uitkering belastbaar voor de inkomstenbelasting. Om zeker te stellen dat deze uitbetaling eveneens in de loonbelasting kan worden betrokken, wordt de regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2006 vermeld in artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 overeenkomstig de aankondiging in de toelichting bij de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers.

Artikel II, onderdeel I (artikel 12a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

In dit onderdeel wordt het initiatief voor de toepassing van de kleine vergoedingsregeling (hierna: KVR) bij de artiest neergelegd, dat wil zeggen dat de KVR alleen kan worden toegepast als de artiest expliciet goedkeuring verleent.

Op grond van de KVR, die alleen kan worden toegepast als geen gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde kostenvergoedingsbeschikking, kan een vast bedrag voor basiskosten van de brutogage worden afgetrokken (nu € 136). Onder de huidige regeling mag de inhoudingsplichtige dit zonder expliciete goedkeuring van de artiest, beroepssporter of gezelschap toepassen. Als de artiest, beroepssporter of gezelschap niet wil dat de KVR (tot het maximale bedrag) wordt toegepast, moet hij aan de inhoudingsplichtige melden dat hij de KVR geheel of gedeeltelijk niet wil toepassen. Deze procedure wordt door de kleine freelance beroepsmusici en -artiesten niet praktisch geacht. Indien zij om welke reden dan ook niet hebben gemeld dat zij de KVR niet willen laten toepassen, maar het bedrag van de bij de inkomstenbelasting in aftrek te brengen kosten lager is dan het bij de KVR in aanmerkingen genomen bedrag, treedt in de inkomstenbelasting een inhaaleffect op, omdat het bedrag van de KVR wel in de inkomstenbelasting als brutoinkomen dient te worden opgegeven. Bovendien hebben de artiesten er met het oog op de opbouw van uitkeringsrechten in het algemeen belang bij dat hun volledige gage tot de grondslag voor de premies werknemersverzekeringen wordt gerekend. Gelet op het vorenstaande is het van belang dat de artiest zelf kan kiezen of en zo ja tot welk bedrag de KVR wordt toegepast. Om die reden wordt de regeling zodanig aangepast, dat het initiatief voor de toepassing van de KVR bij de artiest wordt gelegd. Hoewel de bovengenoemde argumenten in beginsel niet opgaan voor buitenlandse artiesten, beroepssporters en gezelschappen is er met het oog op de eenvoud voor gekozen om geen uitzondering te maken voor die groep en ook bij die groep de KVR alleen te laten toepassen indien zij daar zelf om verzoeken.

Artikel III (artikel 5 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971)

Artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vormt de wettelijke basis voor artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Dit artikel van het Uitvoeringsbesluit heeft betrekking op vrijgestelde lichamen die werkzaam zijn op het gebied van de landbouw. Het huidige onderdeel b heeft betrekking op eierverzamelaars en het huidige onderdeel c heeft betrekking op het verbeteren van het landbouwpaard in Nederland (paarden werkzaam op het land). De onderdelen b en c van het onderhavige artikel zijn dermate gedateerd dat zij hun betekenis hebben verloren. Deze onderdelen komen te vervallen. De overige tekst van artikel 5 is redactioneel gewijzigd om de bepaling beter leesbaar te maken. Hiermee wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 3 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer)

Het vervallen artikel 3 hield in dat de vrijstellingen van artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer slechts van toepassing waren indien de verkrijger van de onroerende zaken binnen een maand na de verkrijging aangifte deed en in het aangiftebiljet (of indien de aangifte werd gedaan door registratie van een notariële akte in die akte of in de voetverklaring) een beroep op de vrijstelling werd gedaan onder opgaaf van de voor de toepassing van de vrijstelling van belang zijnde gegevens. Een strikte uitleg en toepassing van deze bepaling hield in dat er voor de overdrachtsbelasting slechts een beperkte ruimte was voor ambtshalve teruggaaf in gevallen waarin buiten de aangiftetermijn een beroep werd gedaan op de vrijstelling. De verplichtingen tot het tijdig doen van aangifte en het verstrekken van de van belang zijnde gegevens vloeien reeds voort uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de daarop gebaseerde regelingen. In artikel 21a, eerste lid, vijfde volzin, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is bepaald dat voor zover in de akte niet alle gegevens voorkomen waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van overdrachtsbelasting, deze moeten worden opgenomen in een verklaring onder de akte. Deze bepaling houdt onder meer in dat in de akte, of in een verklaring onder de akte, een beroep op de vrijstelling moet worden gedaan onder opgaaf van de voor de toepassing van de voor de vrijstelling van belang zijnde gegevens. Artikel 3 is in dat opzicht overbodig geworden. De wijziging heeft voorts tot gevolg dat voor de overdrachtsbelasting in gevallen waarin materieel teveel belasting is afgedragen, net als bij andere belastingmiddelen, ook na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn ambtshalve teruggaaf kan worden verleend op de voet van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het beleid zoals neergelegd in het beleidsbesluit Voorschriften inzake het ambtshalve verlenen van verminderingen en teruggaven (besluit van 25 maart 1991, nr. DB*91/735, zoals gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M) is op een dergelijke situatie van toepassing. De wijziging is in het bijzonder van belang voor het notariaat en heeft de instemming van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.

Artikel IV, onderdelen B en C (artikel 4, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer)

Artikel 4, eerste lid, bevat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling bij inbreng van een onderneming in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Artikel 5, eerste lid, bevat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling bij de omzetting van een niet in de vorm van een NV of BV gedreven onderneming in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming. Het betreft de vrijstellingen die zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel e van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De eis in genoemde eerste leden dat daarbij alle activa en passiva van de onderneming moeten worden ingebracht in de nieuwe onderneming, wordt vervangen door de eis dat die activa en passiva moeten worden ingebracht die een functie vervullen in de onderneming. Dit betekent dat vermogensbestanddelen die vanwege een wijziging in de aanwending geen functie (meer) vervullen, niet behoeven te worden ingebracht. Voor alle duidelijkheid wordt hierbij opgemerkt dat inbreng van activa en passiva die wel tot het ondernemingsvermogen behoren maar die geen functie (meer) vervullen in de onderneming niet in de weg staat aan toepassing van de vrijstelling. Deze minder stringente voorwaarde was reeds beoogd toen bij Besluit van 15 december 2005 (Stb. 2005, nr. 688) de voorwaarden voor de inbreng zijn versoepeld. Dit is toen achterwege gebleven vanwege een misstelling en hersteld bij beleidsbesluit van 21 december 2005 (CPP2005/2645M). De nu aangebrachte correctie formaliseert het vorenbedoelde herstel.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 6a Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer)

In artikel 6a waren de nadere voorwaarden opgenomen voor toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij verbetering van de landbouwstructuur (artikel 15, eerste lid, onderdeel q (oud) van de Wet op belastingen van rechtsverkeer). Na het vervangen van onderdeel q (oud) op grond van de Wet werken aan winst (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9) door een algehele cultuurgrondvrijstelling, zijn de voor onderdeel q (oud) gestelde voorwaarden niet langer nodig.

Artikel V, onderdeel A (artikel 12 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968)

Dit onderdeel strekt ertoe een redactionele wijziging door te voeren. In artikel 12, tweede lid, onderdeel e, wordt de benaming van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW in het maatschappelijk verkeer) aangepast aan de officiële benaming van deze dienst in de Wegenverkeerswet (Dienst Wegverkeer).

Artikel V, onderdeel B (artikel 16 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968)

De wijziging in artikel 16, methode I, onderdeel g, onder 7°, heeft geen materiële betekenis. Het betreft hier een aanpassing van een verwijzing die noodzakelijk is geworden door de wijziging van artikel 3 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ingevolge artikel VIII, onderdeel B, van het Belastingplan 2007.

Artikel V, onderdeel C (Artikel 24bb (nieuw) Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968)

Het nieuwe artikel 24bb bevat een nieuwe verleggingsregeling in de omzetbelasting, te weten een verleggingsregeling voor een aantal in het eerste lid gespecificeerde prestaties in de sector oude materialen en afvalstoffen. In overeenstemming met de ratio van de regeling geldt de verlegging alleen voor prestaties aan ondernemers.

Het tweede lid verklaart artikel 24, zesde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing. Op grond van het zesde lid moet op de uit te reiken factuur worden vermeld: omzetbelasting verlegd. Op basis van het achtste lid is er in artikel 25a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in voorzien dat het ingevolge de verleggingsregeling door de afnemer van de prestatie verschuldigde bedrag niet van invloed is op de hoogte van de vermindering van belasting die kleine ondernemers kunnen krijgen op de voet van artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (kleine-ondernemersregeling).

Artikel V, onderdeel D (bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968)

De tweede volzin7 van de Algemene aantekening in bijlage B voorkomt dat «thuiszorg» waarvoor géén indicatiebesluit is verleend als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) – en waarvoor dus ingevolge dat artikel geen BTW-vrijstelling geldt – tóch de vrijstelling deelachtig zou worden (namelijk via de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB en van het daarop gebaseerde artikel 7 van c.q. bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968). Met de term «indicatiebesluit» wordt daarbij gedoeld op een indicatiebesluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Nu in het Belastingplan 2007 een aanpassing heeft plaatsgevonden van genoemd onderdeel g, onder 2°, aan de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), dient de verwijzing in onderhavige tweede volzin dienovereenkomstig te worden aangepast. De redactie van de tweede volzin stelt buiten twijfel dat deze volzin niet alleen doelt op een indicatiebesluit op grond van de AWBZ, maar ook op een (indicatie)besluit ingevolge de Wmo.

Artikel VI, onderdelen A en B (artikel 8ac (nieuw) Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag)

In het nieuwe artikel 8ac is geregeld dat het tarief voor CNG-vulstations alleen van toepassing is als het aardgas uitsluitend wordt aangewend in een CNG-vulstation. De verbruiker dient te verklaren, dat dit het geval is. Indien achteraf blijkt dat de verbruiker het aardgas niet uitsluitend in een CNG-vulstation heeft aangewend en dat niet heeft gemeld aan de leverancier, kan de belasting die als gevolg daarvan te weinig geheven is op grond van artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden nageheven bij de verbruiker.

Artikel VII, onderdeel A (artikelen 19 en 19a Uitvoeringsbesluit accijns)

Artikel 19 bevat de verplichtingen, waaraan moeten worden voldaan, indien een beroep wordt gedaan op de accijnsvrijstelling van artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns. Dit is een accijnsvrijstelling voor de uitslag en invoer van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. Centrale rol bij de toepassing van de vrijstelling speelt de bunkerverklaring. Door middel van de bunkerverklaring wordt verklaard dat de olie zal worden gebruikt voor het vrijgestelde doel en niet voor andere (niet vrijgestelde) doeleinden.

De bunkerverklaring wordt afgegeven door de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip. Deze ondertekent de verklaring. Voor de bunkerverklaring wordt gebruik gemaakt van een bescheid dat door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, in het geval van uitslag, wordt opgesteld. In het geval van invoer wordt gebruik gemaakt van een bescheid dat wordt opgesteld door degene die de levering van de minerale olie verricht. Dit betekent concreet dat de vergunninghouder/leverancier een bescheid opstelt dat door ondertekening gaat gelden als bunkerverklaring. Hierdoor wordt aangesloten bij de praktijk en krijgt de vergunninghouder/leverancier een duidelijke rol bij een juiste opstelling van de bunkerverklaring. Dit zal zorgen voor meer eenvormigheid en daardoor betere controleerbaarheid zonder dat een standaardformulier zal worden voorgeschreven. Wel zal in de Uitvoeringsregeling accijns worden bepaald welke gegevens in de bunkerverklaring zullen moeten worden opgenomen.

De bunkerverklaring wordt in tweevoud opgesteld. Een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder, in het geval van uitslag, en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, in het geval van invoer. Deze laatste hoeft niet dezelfde persoon te zijn als de leverancier van de minerale olie. Het andere exemplaar van de bunkerverklaring wordt bewaard aan boord van het schip.

Artikel 19a zorgt ervoor dat de verplichtingen uit artikel 19 van overeenkomstige toepassing zijn indien er een beroep wordt gedaan op de accijnsvrijstelling van artikel 66a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns. Dit is een accijnsvrijstelling voor de uitslag en invoer van andere accijnsgoederen dan minerale oliën die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 20 Uitvoeringsbesluit accijns)

In de wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen (Besluit van 24 december 1992, Stb. 712) heeft een aanpassing van artikel 20 plaatsgevonden waarbij het woordje «en» is weggevallen. Deze omissie wordt met deze wijziging hersteld.

Artikel VII, onderdeel C (artikel 21a Uitvoeringsbesluit accijns)

Artikel 21a bevat de verplichtingen voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 66a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns. Dit is een vrijstelling voor de uitslag en invoer van andere accijnsgoederen dan minerale oliën die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat. De verplichtingen komen grotendeels overeen met de in artikel 19 genoemde verplichtingen. In vergelijking met artikel 19 wordt niet vereist dat er een exemplaar van de verklaring aan boord van het luchtvaartuig wordt bewaard. Het is voldoende dat dit bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig wordt bewaard.

Artikel VII, onderdeel D (artikel 25 Uitvoeringsbesluit accijns)

Het is mogelijk dat veraccijnsde goederen worden gebruikt voor doeleinden, waarvoor een accijnsvrijstelling geldt op grond van artikel 66 of 66a van de Wet op de accijns. In dat geval bieden artikel 70, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet op de accijns de mogelijkheid tot het verkrijgen van een teruggaaf van de betaalde accijns. Het eerste lid van artikel 25 bevat de verplichtingen, waaraan moet worden voldaan bij de toepassing van deze teruggaafregeling. Deze verplichtingen komen grotendeels overeen met de in artikel 19 en 21a genoemde verplichtingen. Het tweede lid van artikel 25 zorgt ervoor dat de verplichtingen die artikel 20 stelt in het geval van levering van bepaalde minerale oliën ook gelden bij een verzoek tot teruggaaf.

Artikel VII, onderdeel E (artikel 34, tweede lid, Uitvoeringsbesluit accijns)

Artikel 34, tweede lid, wordt aangepast om te verduidelijken dat de termijn die wordt gesteld omtrent de ouderdom van het bescheid alleen geldt voor bescheiden die worden gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd.

Artikel VII, onderdeel F (artikel 38, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit accijns)

Artikel 38, onderdeel b, wordt aangepast om te verduidelijken dat het artikel alleen betrekking heeft op accijnsgoederen.

Artikel VII, onderdeel G (artikel 39, eerste lid, Uitvoeringsbesluit accijns)

Het artikel van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, waarnaar artikel 39, eerste lid, verwijst, is gewijzigd. Om die reden wordt de verwijzing aangepast.

Artikel VII, onderdeel H (artikel 42, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit accijns)

Via opname in de opsomming van artikel 42, onderdeel a, wordt het nalaten te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 19, 19a en 21a strafbaar gesteld. Hierbij geldt dat degene aan wie de verplichting is opgelegd, strafbaar is indien hij deze verplichting niet nakomt. Dit betekent dat als er een verplichting wordt opgelegd aan de eigenaar of exploitant van het schip en deze de verplichting niet nakomt, alleen hij strafbaar zal zijn en bijvoorbeeld niet de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats.

Artikel VIII, onderdeel A (artikelen 15 en 16 Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Artikel 15 bevat de verplichtingen voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Dit is een vrijstelling voor de uitslag en invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over binnenwateren. De verplichtingen komen grotendeels overeen met de in artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit accijns genoemde verplichtingen.

Artikel 16 bevat de verplichtingen voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Dit is een vrijstelling voor de uitslag en invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat. De verplichtingen komen grotendeels overeen met de in artikel 21a van het Uitvoeringsbesluit accijns genoemde verplichtingen.

Artikel VIII, onderdeel B (artikel 19 Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het is mogelijk dat belaste alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden gebruikt voor doeleinden, waarvoor een vrijstelling geldt op grond van artikel 30 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. In dat geval biedt artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten de mogelijkheid tot het verkrijgen van een teruggaaf van de betaalde belasting. Artikel 19 bevat de verplichtingen, waaraan moet worden voldaan bij de toepassing van deze teruggaafregeling. Deze verplichtingen komen grotendeels overeen met de in artikel 19 en 21a van het Uitvoeringsbesluit accijns genoemde verplichtingen.

Artikel VIII, onderdeel C (artikel 27, tweede lid, Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Ingevolge artikel 27, tweede lid, dient bij het vervoer van alcoholvrije dranken die al zijn uitgeslagen een bescheid aanwezig te zijn aan de hand waarvan de herkomst kan worden aangetoond. Deze regel strekt ertoe het mogelijk te maken na te gaan of alcoholvrije dranken, die zich bevinden buiten een inrichting, op regelmatige wijze in de heffing zijn betrokken. Het tweede lid bepaalt dat het bescheid niet ouder mag zijn dan twee dagen indien sprake is van vervoer over de weg en vijf dagen indien sprake is van vervoer op andere wijze. Artikel 27, tweede lid, wordt aangepast om te verduidelijken dat de termijn die wordt gesteld omtrent de ouderdom van het bescheid alleen geldt voor bescheiden die worden gebruikt om de herkomst aan te tonen van alcoholvrije dranken die worden vervoerd. Daarnaast wordt in navolging van het overeenkomstige artikel 34, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns de termijn in alle gevallen verruimd tot zes dagen. Uit het oogpunt van controle bestaan hiertegen geen bezwaren.

Artikel VIII, onderdeel D (artikel 30, eerste lid, Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het artikel van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, waarnaar artikel 30, eerste lid, verwijst, is gewijzigd. Om die reden wordt de verwijzing aangepast.

Artikel VIII, onderdeel E (artikel 32, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Via opname in de opsomming van artikel 32, onderdeel a, wordt het nalaten te voldoen aan de verplichtingen van artikelen 15 en 16 strafbaar gesteld. Zie verder de toelichting op onderdeel H van artikel VII.

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In artikel 13a, vierde lid, van de Wet BPM, met betrekking tot de vrijstelling voor bestelauto’s van ondernemers, en in artikel 14a, eerste en tweede lid, van de Wet BPM, met betrekking tot de teruggaafregelingen bij export, zijn delegatiebepalingen opgenomen. In dit besluit wordt aan deze bepalingen invulling gegeven. De artikelen 13a en 14a worden daarom toegevoegd aan de opsomming in artikel 1.

Artikel IX, onderdeel B (artikel 1a Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In een nieuw artikel 13a van de Wet BPM wordt de teruggaafregeling voor bestelauto’s van ondernemers omgezet in een vrijstelling. De verzoekvrije doorschuifregeling, waarbij geen BPM verschuldigd wordt indien een bestelauto via de autohandel wordt doorverkocht aan een andere ondernemer die aan de voorwaarden voldoet, wordt nu opgenomen in een nieuw artikel 1a van het Uitvoeringsbesluit. Daarbij wordt de voorheen in artikel 8b van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 opgenomen faciliteit bij verkoop aan erkende autohandelaren verbreed tot alle gevallen van doorschuiven tussen ondernemers.

Artikel IX, onderdelen C en D (artikelen 2 en 3 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De artikelen 2 en 3 worden zodanig gewijzigd dat de gebruiksvoorwaarden voor de vrijstelling voor zelfstandigen en leidinggevenden in lijn komen met de vrijstellingsvoorwaarden voor werknemers van buitenlandse bedrijven. Voor werknemers (artikel 2 Uitvoeringsbesluit) wordt daarbij de eis opgenomen dat de werkgever verklaart dat de auto door hem aan de werknemer ter beschikking is gesteld en hoofdzakelijk bestemd is voor zakelijk gebruik buiten Nederland. De werkgever hoeft niet langer te verklaren dat hij er in toestemt dat het voertuig mede voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt. Voor zelfstandigen (artikel 3 Uitvoeringsbesluit) geldt de voorwaarde dat het voertuig blijkens een kilometerregistratie voor ten minste 50% zakelijk in het buitenland wordt gebruikt. Het woonwerkverkeer blijft daarbij geheel buiten beschouwing. Als aanvullende eis geldt dat het voertuig in Nederland uitsluitend door de in artikel 2, eerste lid, dan wel artikel 3, eerste lid, bedoelde persoon en zijn inwonende gezinsleden wordt gebruikt. Deze gebruiksvoorwaarden zijn niet anders dan de gebruiksvoorwaarden zoals die nu al gelden voor werknemers. Om uitvoeringstechnische redenen treedt de wijziging van de artikelen 2 en 3 in werking met ingang van 1 maart 2007.

Artikel IX, onderdelen E en F (artikelen 3a en 4 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit geeft uitvoering aan de in het Belastingplan 2007 aangekondigde versoepeling van de vrijstelling van BPM bij kortstondig gebruik van een voertuig met buitenlands kenteken. De vrijstelling wordt verleend voor auto’s die vanuit een ander land ten hoogste twee weken in Nederland ter beschikking staan van een inwoner van Nederland. Iemand die van de vrijstelling gebruik wil maken moet vooraf elektronisch een beroep op de vrijstelling doen. Zoals reeds toegezegd bij de eerste nota van wijziging bij het Belastingplan 2007 kan de vrijstelling ook worden toegepast in de situatie dat de feitelijke gebruiker door aantoonbare overmacht niet tijdig een beroep op de vrijstelling heeft kunnen doen. Voorwaarde is dan wel dat zo snel mogelijk na de aanvang van het gebruik in Nederland alsnog een beroep op de vrijstelling wordt gedaan. Voor wat betreft de uitvoering daarvan verwijs ik naar de memorie van toelichting bij het Belastingplan 20078 en naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 20079. Binnen een jaar kan iemand voor een bepaald motorrijtuig éénmaal van de regeling gebruik maken. Voorwaarde is dat het motorrijtuig zowel in de twaalf maanden vóór de aanvang van de periode van twee weken als in de twaalf maanden daarna verder niet in Nederland is respectievelijk wordt gebruikt door dezelfde Nederlands ingezetene of, indien van toepassing, zijn inwonende gezinsleden. De vrijstelling wordt verleend aan degene aan wie het voertuig ter beschikking staat en geldt mede voor zijn inwonende gezinsleden. De inspecteur moet meteen op de hoogte worden gesteld bij wijziging van de omstandigheden. Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend of een inwonend gezinslid na die periode in Nederland gebruik blijft maken van de auto, moet de belasting vóór het verstrijken van de periode van twee weken op aangifte worden voldaan. Indien op een later tijdstip in het jaar na de vrijgestelde periode opnieuw met het motorrijtuig gebruik van de weg in Nederland wordt gemaakt door dezelfde Nederlands ingezetene of zijn inwonende gezinsleden, moet de belasting op aangifte worden voldaan voordat opnieuw met het voertuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland. In beide situaties vervalt de vrijstelling en is de belasting verschuldigd vanaf de eerste dag van de periode van twee weken. Het tijdstip waarop met de auto het gebruik van de weg in Nederland is aangevangen is de aanvangsdag zoals opgegeven in de elektronische melding, tenzij deze melding vóór die datum is ingetrokken. Het is dus niet mogelijk na het ingaan van de opgegeven periode van twee weken de aanvangsdatum alsnog te wijzigen naar een later tijdstip.

In artikel 4 vervalt de in het derde lid opgenomen beperkte vrijstelling voor buitenlandse huurauto’s voor twee dagen, nu in het artikel 3a een ruimere regeling is opgenomen.

Artikel IX, onderdeel G (artikelen 4a en 4b Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De artikelen 4a en 4b van het Uitvoeringsbesluit geven uitvoering aan de in het Belastingplan 2007 opgenomen teruggaaf van BPM bij export. De teruggaaf van BPM bij export wordt slechts verleend voor voertuigen die worden uitgevoerd naar een EU-lidstaat of andere EER-staat. De teruggaaf geldt niet voor voertuigen die blijkens de registratie bestemd zijn voor de sloop. Het verzoek om teruggaaf moet binnen dertien weken na export worden ingediend. Er worden twee groepen onderscheiden, te weten de in Nederland geregistreerde voertuigen, waarvoor de teruggaaf is geregeld in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit, en de buitenlands gekentekende voertuigen, waarvoor de teruggaaf is geregeld in artikel 4b van het Uitvoeringsbesluit. Voor de eerste groep is vereist dat een bewijs van registratie in de andere staat wordt overgelegd, voor de tweede groep dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig in een andere EU-lidstaat of andere EER-staat is geregistreerd en bescheiden waaruit blijkt vanaf welk tijdstip het voertuig niet langer ter beschikking staat van de in Nederland wonende persoon. Voor beide groepen geldt, dat als teruggaaf is gevraagd voor een auto met de kennelijke bedoeling de auto binnen twaalf maanden opnieuw in Nederland te registreren of in gebruik te nemen, de auto wordt geacht niet buiten Nederland te zijn gebracht. Met deze beperking wordt beoogd om in gevallen van evident oneigenlijk gebruik van de regeling de teruggaaf ongedaan te kunnen maken. De beperking ziet dus niet op situaties van normaal handelsverkeer of normale autoverhuur waarbij de auto terugkeert naar Nederland en opnieuw wordt gebruikt op de weg in Nederland door een andere persoon dan de oorspronkelijke gebruiker of aan deze gebruiker gelieerde personen.

Artikel X, onderdeel A (artikel 6 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In dit onderdeel wordt de eis dat niet meer dan 60 dagen gebruik van de weg mag worden gemaakt om aanspraak te kunnen maken op het kwarttarief voor kermis- of circusvoertuigen ingetrokken. De eis is problematisch sinds op 1 juli 1997 de heffingssystematiek voor vrachtauto’s is gewijzigd. Sinds die tijd wordt onder gebruik van de weg ook begrepen het geparkeerd staan op de openbare weg, hetgeen voor circus- en kermisvoertuigen vaak het geval is. In de praktijk is deze onvolkomenheid opgelost via een goedkeurende regeling. Om het wetssysteem aan te laten sluiten bij de praktijk wordt de eis nu geheel ingetrokken. Wel blijven de voorwaarden bestaan dat het voertuig wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant en uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden.

Artikel X, onderdeel B (artikelen 15, 16 en 18 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In het Belastingplan 2007 vervallen de vrijstellingen waaraan de artikelen 15, 16 en 18 uitvoering geven. De artikelen in het Uitvoeringsbesluit hebben hiermee hun betekenis verloren.

Artikel X, onderdeel C (artikel 24 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

Artikel 24 wordt zodanig gewijzigd, dat landen, genoemd in de bijlage bij het besluit, niet meer onder het toepassingsbereik van dit artikel vallen. Voor deze landen vloeit de vrijstelling MRB al voort uit artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit. Voor overige landen blijft artikel 24 relevant. Voor deze groep vervalt de eis dat het incidentele gebruik aannemelijk moet worden gemaakt, omdat deze eis vanuit handhavingsperspectief weinig toevoegt.

Artikel X, onderdelen D en E (artikelen 25 en 26 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In de artikelen 25 en 26 zijn twee vrijstellingen geregeld voor buitenlandse bedrijfsauto’s die in Nederland ter beschikking staan van een in Nederland wonende werknemer respectievelijk zelfstandige. Een vergelijkbare vrijstelling is opgenomen in artikel 2 respectievelijk artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. In artikel X, onderdelen D en E, wordt de wijziging per 1 maart 2007 van de voorwaarden voor deze vrijstellingen in de BPM, toegelicht bij artikel IX, onderdelen C en D, doorgetrokken naar de motorrijtuigenbelasting. Daartoe worden de artikelen 25 en artikel 26 overeenkomstig aangepast.

Artikel X, onderdeel F (artikel 26a Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In onderdeel F worden in een nieuw artikel 26a de voorwaarden en beperkingen opgenomen voor de bij het Belastingplan 2007 in artikel 73 van de Wet opgenomen vrijstelling voor motorrijtuigen die vanuit het buitenland ten hoogste twee weken ter beschikking staan van een Nederlands ingezetene. De voorwaarden en beperkingen komen overeen met die voor de vergelijkbare vrijstelling in de BPM, zoals hiervoor toegelicht bij artikel IX, onderdeel E en F besproken.

Artikel X, onderdeel G (artikel 27 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 27 wordt voor een aantal vrijstellingen de plicht een vergunning aan te vragen ingetrokken of vereenvoudigd. In het eerste lid wordt het aantal vrijstellingen dat op aanvraag wordt verleend verminderd. De vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 18 worden in het Belastingplan 2007 ingetrokken en behoeven dus geen vergunning meer. De vergunning voor de vrijstelling voor personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen ouder dan 25 jaar (artikel 12) is overbodig geworden omdat de leeftijd van het voertuig uit het register blijkt. Voor bussen en vrachtauto’s ouder dan 25 jaar moet nog wel een vergunning worden aangevraagd, omdat, gezien de aard van deze voertuigen, aangegeven moet worden dat zij niet bedrijfsmatig worden gebruikt. Voor de vrijstelling op de keuringsdag voor de APK (artikel 22) kan volstaan worden met het bewijs van de keuringsafspraak, waardoor ook deze vergunning overbodig is geworden. Voor de vrijstelling voor incidenteel gebruik van de weg met een buitenlands kenteken, als bedoeld in artikel 24, is, zoals hiervoor bij artikel X, onderdeel C, aangegeven, om uitvoeringsredenen de plicht het incidentele gebruik aannemelijk te maken vervallen.

In een nieuw tweede lid wordt voor twee vrijstellingen de aanvraag gekoppeld aan de aanvraag van de vergelijkbare vrijstelling in de BPM. Dit betreft de vrijstellingen voor werknemers en leidinggevenden van een buitenlands bedrijf, als bedoeld in artikel 25 en 26. De voorwaarden en beperkingen voor deze vrijstellingen komen overeen met de vrijstelling van BPM als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Een voor de BPM ingediend verzoek kan daarom mede dienen als een verzoek om vrijstelling van MRB. De mogelijkheid een verzoek in te dienen zonder datzelfde te doen voor de BPM blijft overigens bestaan, bijvoorbeeld voor motorrijtuigen waarvoor de BPM al is betaald.

In het tot zesde lid vernummerde vijfde lid wordt de bij het verzoek mee te zenden verklaring, dat de inspecteur zal worden ingelicht bij wijziging van de omstandigheden, omgezet in een verplichting tot informeren van de inspecteur. Ten slotte wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt enige redactionele wijzigingen aan te brengen.

Artikel X, onderdeel H (artikel 28 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 28 van het Uitvoeringsbesluit zijn nadere administratieve voorschriften opgenomen voor de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor gecombineerd rail-wegvervoer. Nu de heffing ten aanzien van aanhangwagens, opgenomen in de artikelen 55 tot en met 61 van de wet, per 1 januari 2007 komt te vervallen, heeft de zinsnede in artikel 28 van het Uitvoeringsbesluit waarin naar artikel 55 van de wet wordt verwezen zijn belang verloren.

Artikel XI, onderdeel A (artikel 23 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

Aan inwoners van Nederland wordt in de sfeer van de inkomstenbelasting voor de voordelen uit bepaalde box 3 bezittingen in het buitenland, een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Belangrijkste categorie vormt in dit verband de in het buitenland gelegen onroerende zaken. De vrijstelling ziet op het netto-bedrag van de waarde van de bezittingen, dat wil zeggen verminderd met de daarmee verband houdende schulden.

Volgens artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen bij partners de bestanddelen van de rendementsgrondslag vrijelijk worden verdeeld. Op basis van deze bepaling kan het zich voordoen dat bijvoorbeeld de buitenlandse onroerende zaak voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen wordt toegerekend aan de ene partner, en de schuld die is aangegaan ter verwerving van de onroerende zaak aan de andere partner. Met de aanpassing in onderdeel A wordt nader verduidelijkt dat bij de bepaling van de vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting van een belastingplichtige wegens buitenlandse bezittingen, de met die bezittingen verband houdende schulden in mindering komen, ook al worden deze voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen bij zijn partner in aanmerking genomen. Dit komt overigens overeen met de uitleg die in de praktijk aan de huidige tekst van het besluit wordt gegeven.

Het voorgaande houdt derhalve in dat de vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting bij buitenlandse onroerende zaken e.d. steeds op netto-basis wordt verleend, dat wil zeggen voor – de forfaitaire voordelen uit – de waarde van de in aanmerking komende buitenlandse bezittingen minus de daarmee verband houdende schulden. Hierbij is niet van belang de verdeling die de belastingplichtige en zijn partner op basis van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben gekozen voor het in aanmerking nemen van de onroerende zaak en de daarmee verband houdende schulden in box 3. De vrijstelling wordt verleend aan de partner bij wie de buitenlandse onroerende zaak in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen. Wordt bij beide partners een deel van de (waarde van de) onroerende zaak als box 3 bezitting in aanmerking genomen, dan kunnen elk van de partners voor het aan hen toegerekende deel aanspraak op vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting maken. De schulden van de belastingplichtige en zijn partner die verband houden met de buitenlandse onroerende zaak, zoals de schulden die zijn aangegaan voor de verwerving of de verbetering van de onroerende zaak, worden vervolgens voor de berekening van de vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting in dezelfde verhouding bij de partners in aanmerking genomen als de waarde van de buitenlandse bezitting.

Hierbij is niet van belang aan welke partner die schulden worden toegerekend voor de toepassing van box 3 in de inkomstenbelasting.

Artikel XI, onderdeel B (artikel 39 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

De wijziging van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, heeft geen inhoudelijke betekenis. Het betreft hier een redactionele aanpassing van de verwijzing naar het algemene Vpb-tarief die wordt opgeroepen door de wijziging van artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij de Wet werken aan winst.

Artikel XII (Inwerkingtreding)

In dit artikel is de inwerkingtreding geregeld, uitgaande van een algemene datum van inwerkingtreding van 1 januari 2007.

Op grond van een tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen gegeven goedkeuring (Kamerstukken II 2005/06, 30 330, nr. 6, blz. 9) geldt al met ingang van 1 januari 2006 dat een loonsverlaging in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid niet hoeft te leiden tot een verlaging van het pensioengevende loon. In verband daarmee is aan de in artikel II, onderdeel E, tweede lid, opgenomen wijziging terugwerkende kracht gegeven tot en met 1 januari 2006.

Ook de wijzigingen op grond van artikel II, onderdeel F en onderdeel H, eerste lid, met betrekking tot aanpassingen van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en op grond van artikel IV, onderdelen B en C, met betrekking tot de vrijstellingen die zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, gelden in feite al in 2006 en werken daarom terug tot en met 1 januari 2006. Op grond van artikel II, onderdeel H, tweede lid, worden uitkeringen ingevolge de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2006 aangewezen in artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. In de toelichting bij de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers was reeds aangekondigd dat deze uitkeringen in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zouden worden opgenomen. Het met terugwerkende kracht onder het bereik van de inhoudingsplicht brengen van de tegemoetkoming in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is in lijn met deze aankondiging en niet meer dan een formalisering van hetgeen vóóraf is aangekondigd. Hierbij is tevens van belang dat de inhouding in de praktijk ook reeds heeft plaatsgevonden.

De wijzigingen in artikel IX, onderdelen C en D, en artikel X, onderdelen D en E, treden in werking met ingang van 1 maart 2007. Dit biedt de Belastingdienst en de betrokken vergunninghouders twee maanden de tijd om over te stappen op het in deze artikelen verruimde vergunningensysteem voor de vrijstelling van BPM en motorrijtuigenbelasting voor buitenlandse bedrijfsauto's en de daarbij gestelde, deels nieuwe voorwaarden.

De wijzigingen in artikel IX, onderdelen E, F en G, en artikel X, onderdeel F, hebben betrekking op de opname van een teruggaafregeling bij export in het Belastingplan 2007, die in werking treedt per 1 februari 2007. De desbetreffende wijzigingen in de uitvoeringsbesluiten hebben daarom ook 1 februari 2007 als ingangsdatum.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2007, nr. 6.

XNoot
1

2006/69/EG, Pb EU van 12 augustus 2006, nr. L 221.

XNoot
2

Pb EG van 13 juni 1977, nr. L 145 (de zogeheten Zesde BTW-richtlijn).

XNoot
3

Zie Kamerstukken II 2005/06, 29515, nr. 140.

XNoot
4

2006/69/EG, Pb EU van 12 augustus 2006, nr. L 221.

XNoot
5

Pb EG van 13 juni 1977, nr. L 145 (de zogeheten Zesde BTW-richtlijn).

XNoot
6

Zie artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, en artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, PbEG 2003, L 283.

XNoot
7

Zoals deze volzin luidt met ingang van 1 januari 2007 ingevolge het Besluit van 15 december 2005, Stb. 687, en het op artikel III, onderdeel b, van dat Besluit gebaseerde inwerkingtredingsbesluit van 14 december 2006.

XNoot
8

Kamerstukken II 2006/07, 30804 nr. 3, algemeen deel, paragraaf 4.3.

XNoot
9

Kamerstukken II 2006/07, 30804 nr. 8, paragraaf 4.2.

Naar boven