Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2006, 670AMvB

Besluit van 7 december 2006, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 oktober 2006, nr. 2006-0000340898, directoraat-generaal Management Openbare Sector, directie Personeel, Organisatie en Informatie Rijk, afdeling Personeel Rijk, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 9 november 2006, nr. W04.06.0466/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 december 2006, nr. 2006-0000369383, directoraat-generaal Management Openbare Sector, directie Personeel, Organisatie en Informatie Rijk, afdeling Personeel Rijk, uitgebracht mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijftiende lid wordt de zinsnede «overeenkomstig het dertiende lid» vervangen door: overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 17. Met inachtneming van de beperkingen die krachtens artikel 34g zijn gesteld aan het sparen voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel 23, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding voor de uren waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in artikel 34g. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.

B

In artikel 23, zevende lid, wordt na «artikel 22,» ingevoegd: eerste tot en met twaalfde lid,.

C

Artikel 33g, zevende lid, komt als volgt te luiden:

  • 7. De ambtenaar heeft over de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, recht op 75% van zijn bezoldiging, verminderd met de ouderschapsverlofkorting waarop over die uren op grond van artikel 8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 maximaal recht kan bestaan. Indien aan de in het eerste lid van genoemd artikel gestelde voorwaarden voor het toekennen van ouderschapsverlofkorting is voldaan en een ouderschapsverlofkorting is toegekend, heeft de ambtenaar op zijn aanvraag tevens recht op het verschil tussen de maximale ouderschapsverlofkorting, bedoeld in de eerste volzin, en de toegekende ouderschapsverlofkorting. De ambtenaar dient zijn aanvraag in binnen zes maanden nadat de ouderschapsverlofkorting is toegekend.

D

Na artikel 58a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 58b

  • 1. Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die met toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.

  • 2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid. Artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

E

Artikel 71b komt als volgt te luiden:

Artikel 71b

  • 1. De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige.

  • 2. De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het gesprek, bedoeld in artikel 71, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere loopbaan.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijftiende lid wordt de zinsnede «overeenkomstig het dertiende lid» vervangen door: overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 17. Met inachtneming van de beperkingen die krachtens artikel 69a zijn gesteld aan het sparen voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel 36, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding voor de uren waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in artikel 69a. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.

B

In artikel 36, zevende lid, wordt na «artikel 35,» ingevoegd: eerste tot en met twaalfde lid,.

C

Artikel 62a, zevende lid, komt als volgt te luiden:

  • 7. De ambtenaar heeft over de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, recht op 75% van zijn bezoldiging, verminderd met de ouderschapsverlofkorting waarop over die uren op grond van artikel 8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 maximaal recht kan bestaan. Indien aan de in het eerste lid van genoemd artikel gestelde voorwaarden voor het toekennen van ouderschapsverlofkorting is voldaan en een ouderschapsverlofkorting is toegekend, heeft de ambtenaar op zijn aanvraag tevens recht op het verschil tussen de maximale ouderschapsverlofkorting, bedoeld in de eerste volzin, en de toegekende ouderschapsverlofkorting. De ambtenaar dient zijn aanvraag in binnen zes maanden nadat de ouderschapsverlofkorting is toegekend.

D

Na artikel 93a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 93b

  • 1. Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die met toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.

  • 2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid. Artikel 34, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

E

Artikel 107a komt als volgt te luiden:

Artikel 107a

  • 1. De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige.

  • 2. De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het jaarlijks gesprek, bedoeld in artikel 106, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere loopbaan.

ARTIKEL III

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 25a komt als volgt te luiden:

Artikel 25a. Loopbaanscan

  • 1. De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige.

  • 2. De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het gesprek, bedoeld in artikel 78, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.

B

Na artikel 39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 39a. Tijdelijke uitbreiding arbeidsduur leden Ondernemingsraad

  • 1. Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die op grond van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.

  • 2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid. Artikel 37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

C

Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijftiende lid wordt de zinsnede «overeenkomstig het dertiende lid» vervangen door: overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid.

2. Na het zestiende lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 17. Met inachtneming van de beperkingen die door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 34g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn gesteld aan het sparen voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel 41a, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding voor die uren volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in artikel 47. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.

D

In artikel 41a, zevende lid, wordt na «artikel 41, » ingevoegd: eerste tot en met twaalfde lid,.

E

Artikel 45b, zevende lid, komt als volgt te luiden:

  • 7. De ambtenaar heeft over de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, recht op 75% van zijn bezoldiging, verminderd met de ouderschapsverlofkorting waarop over die uren op grond van artikel 8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 maximaal recht kan bestaan. Indien aan de in het eerste lid van genoemd artikel gestelde voorwaarden voor het toekennen van ouderschapsverlofkorting is voldaan en een ouderschapsverlofkorting is toegekend, heeft de ambtenaar op zijn aanvraag tevens recht op het verschil tussen de maximale ouderschapsverlofkorting, bedoeld in de eerste volzin, en de toegekende ouderschapsverlofkorting. De ambtenaar dient zijn aanvraag in binnen zes maanden nadat de ouderschapsverlofkorting is toegekend.

ARTIKEL IV

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, worden de bedragen «€ 7949,18», «€ 8119,76» en «€ 8291,27» vervangen door respectievelijk: € 8108,16, € 8282,16 en € 8457,10.

B

Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt als volgt te luiden:

a. 0,8% van het door hem in het kalenderjaar genoten salaris; en.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «0,8%» vervangen door: 1,6%.

3. In het derde lid wordt telkens na «de Wet arbeid en zorg,» ingevoegd: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,.

C

Artikel 20a komt als volgt te luiden:

Artikel 20a

  • 1. De ambtenaar heeft over de maanden januari tot en met november 2006 recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van:

    a. 1,75% van het door hem genoten salaris;

    b. een bedrag van € 90,91 per maand, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor indien deze kleiner is dan 1.

  • 2. De procentuele eindejaarsuitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt uitbetaald in de maand november 2006. De uitbetaling van de nominale eindejaarsuitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geschiedt:

    a. in de maand april 2006 over de maanden januari tot en met april;

    b. in de maand augustus 2006 over de maanden mei tot en met augustus;

    c. in de maand november 2006 over de maanden september tot en met november.

  • 3. Voor de duur dat de bezoldiging op grond van artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.

  • 4. De ambtenaar die recht heeft op een uitkering op basis van de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht het salaris te genieten dat hij zou hebben genoten indien hij geen recht zou hebben gehad op een uitkering op basis van genoemde wetten.

  • 5. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.

D

Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid vervallen.

2. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 1. De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van:

    a. 1,6% van het door hem genoten salaris; en

    b. een bedrag van € 91,67 per maand, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor indien deze kleiner is dan 1.

  • 2. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.

  • 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder b, wordt vanaf 1 januari 2007 aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel met ingang van de dag waarop de salariswijziging van kracht wordt.

E

In artikel 21, tweede lid, wordt het bedrag van «€ 137,22» vervangen door: € 139,96.

F

Artikel 26 komt als volgt te luiden:

Artikel 26

  • 1. Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt bij koninklijk besluit een bijzondere regeling getroffen op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister wie het mede aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 2. Indien een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van een regeling als bedoeld in het eerste lid, geschiedt dit bij een gezamenlijk besluit van Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

G

In de bijlage A wordt het bedrag van «€ 8291,27» telkens vervangen door: € 8457,10.

H

De bijlage B wordt vervangen door de gelijknamige bijlage vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage.

ARTIKEL V

Aan artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Voor zover een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van de bedragen van de in het derde lid bedoelde toelagen, toegekend op grond van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, geschiedt dit door Onze Minister wie het aangaat, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gegeven richtlijn.

ARTIKEL VI

Artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst komt als volgt te luiden:

Artikel 7

  • 1. De personenchauffeur ontvangt maandelijks een vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren ter hoogte van € 138,17 vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor indien deze kleiner is dan 1.

  • 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt vanaf 1 januari 2007 aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel met ingang van de dag waarop de salariswijziging van kracht wordt.

ARTIKEL VII

Degene aan wie op grond van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel, zoals dat luidde op 31 december 2005, over december 2005 een tegemoetkoming voor een gezinslid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, ten eerste, van dat besluit is verleend, heeft recht op een eenmalige uitkering. Deze uitkering bedraagt € 450,00, vermenigvuldigd met de voor de betrokkene op 1 december 2005 geldende arbeidsduurfactor indien deze kleiner is dan 1.

ARTIKEL VIII

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van de artikelen I, onderdeel C, II, onderdeel C, III, onderdeel E en IV, onderdeel D, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, met dien verstande dat:

    – artikel IV, onderdeel B, onder 1, terugwerkt tot en met 1 januari 2004;

    – artikel IV, onderdeel B, onder 2, terugwerkt tot en met 1 januari 2005;

    – artikel IV, onderdeel B, onder 3, terugwerkt tot en met 29 december 2005; en

    – de artikelen I, onderdelen A en B, II, onderdelen A en B, III, onderdelen C en D, IV, onderdelen A, C, E, F, G en H, en de artikelen V, VI en VII terugwerken tot en met 1 januari 2006.

  • 2. Artikel IV, onderdeel D, treedt in werking met ingang van 1 december 2006.

  • 3. De artikelen I, onderdeel C, II, onderdeel C en III, onderdeel E, treden in werking met ingang van 1 januari 2007.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 7 december 2006

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

Uitgegeven de twintigste december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage behorende bij het besluit van 7 december 2006, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006

Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren

Hoofdgroep I

Niveaugroep Ia

Niveaugroep Ib

Niveaugroep Ic

Schaal 1

Schaal 2

Schaal 3

(maandbedragen in euro)

      
    

 0

1376,62

  

 0

1315,92

 1

1410,57

  

 1

1344,58

 2

1443,53

 0

1287,23

 2

1376,62

 3

1477,46

 1

1315,92

 3

1410,57

 4

1511,90

 2

1344,58

 4

1443,53

 5

1546,77

 3

1376,62

 5

1477,46

 6

1581,68

 4

1410,57

 6

1511,90

 7

1617,52

 5

1443,53

 7

1546,77

 8

1671,54

 6

1477,46

 8

1581,68

 9

1726,02

 7

1511,90

 9

1617,52

10

1780,51

 8

1546,77

10

1671,54

11

1832,14

 9

1581,68

11

1726,02

12

1887,58

10

1617,52

12

1780,51

13

1942,08

Hoofdgroep II

Niveaugroep IIa

Niveaugroep IIb

Niveaugroep IIc

Schaal 3

Schaal 4

Schaal 5

(maandbedragen in euro)

      

 0

1376,62

    

 1

1410,57

 0

1477,46

 0

1546,77

 2

1443,53

 1

1511,90

 1

1581,68

 3

1477,46

 2

1546,77

 2

1617,52

 4

1511,90

 3

1581,68

 3

1671,54

 5

1546,77

 4

1617,52

 4

1726,02

 6

1581,68

 5

1671,54

 5

1780,51

 7

1617,52

 6

1726,02

 6

1832,14

 8

1671,54

 7

1780,51

 7

1887,58

 9

1726,02

 8

1832,14

 8

1942,08

10

1780,51

 9

1887,58

 9

1996,57

11

1832,14

10

1942,08

10

2051,54

12

1887,58

11

1996,57

11

2106,03

13

1942,08

12

2051,54

12

2160,52

Hoofdgroep II

Niveaugroep IId

Schaal 6

(maandbedragen in euro)

      

 0

1671,54

    

 1

1726,02

    

 2

1780,51

    

 3

1832,14

    

 4

1887,58

    

 5

1942,08

    

 6

1996,57

    

 7

2051,54

    

 8

2106,03

    

 9

2160,52

    

10

2215,98

    

11

2270,47

    
Hoofdgroep III

Niveaugroep IIIa

Niveaugroep IIIb

Niveaugroep IIIc

Schaal 5

Schaal 6

Schaal 7

(maandbedragen in euro)

      

 0

1546,77

    

 1

1581,68

 0

1671,54

  

 2

1617,52

 1

1726,02

 0

1887,58

 3

1671,54

 2

1780,51

 1

1942,08

 4

1726,02

 3

1832,14

 2

1996,57

 5

1780,51

 4

1887,58

 3

2051,54

 6

1832,14

 5

1942,08

 4

2106,03

 7

1887,58

 6

1996,57

 5

2160,52

 8

1942,08

 7

2051,54

 6

2215,98

 9

1996,57

 8

2106,03

 7

2270,47

10

2051,54

 9

2160,52

 8

2324,96

11

2106,03

10

2215,98

 9

2400,96

12

2160,52

11

2270,47

10

2487,94

Hoofdgroep III

Niveaugroep IIId

Niveaugroep IIIe

 

Schaal 8

Schaal 9

 

(maandbedragen in euro)

 
      

 0

2051,54

 0

2215,98

  

 1

2106,03

 1

2270,47

  

 2

2160,52

 2

2324,96

  

 3

2215,98

 3

2400,96

  

 4

2270,47

 4

2487,94

  

 5

2324,96

 5

2587,36

  

 6

2400,96

 6

2695,39

  

 7

2487,94

 7

2805,34

  

 8

2587,36

 8

2925,31

  

 9

2695,39

 9

3047,19

  

10

2805,34

10

3168,61

  
Hoofdgroep IV

Niveaugroep IVa

Niveaugroep IVb

Niveaugroep IVc

Schaal 8

Schaal 9

Schaal 10

(maandbedragen in euro)

      

 0

2051,54

 0

2215,98

 0

2160,52

 1

2106,03

 1

2270,47

 1

2270,47

 2

2160,52

 2

2324,96

 2

2400,96

 3

2215,98

 3

2400,96

 3

2587,36

 4

2270,47

 4

2487,94

 4

2805,34

 5

2324,96

 5

2587,36

 5

2925,31

 6

2400,96

 6

2695,39

 6

3047,19

 7

2487,94

 7

2805,34

 7

3168,61

 8

2587,36

 8

2925,31

 8

3284,28

 9

2695,39

 9

3047,19

 9

3406,18

10

2805,34

10

3168,61

10

3528,06

Hoofdgroep IV

Niveaugroep IVd

Niveaugroep IVe

 

Schaal 11

Schaal 12

 

(maandbedragen in euro)

 
      

 0

2587,36

 0

3047,19

  

 1

2805,34

 1

3168,61

  

 2

2925,31

 2

3284,28

  

 3

3047,19

 3

3406,18

  

 4

3168,61

 4

3528,06

  

 5

3284,28

 5

3684,83

  

 6

3406,18

 6

3855,00

  

 7

3528,06

 7

4024,69

  

 8

3684,83

 8

4205,37

  

 9

3855,00

 9

4389,40

  

10

4024,69

10

4573,43

  
Hoofdgroep V

Niveaugroep Va

Niveaugroep Vb

Niveaugroep Vc

Schaal 10

Schaal 11

Schaal 12

(maandbedragen in euro)

      

 0

2160,52

 0

2587,36

 0

3047,19

 1

2270,47

 1

2805,34

 1

3168,61

 2

2400,96

 2

2925,31

 2

3284,28

 3

2587,36

 3

3047,19

 3

3406,18

 4

2805,34

 4

3168,61

 4

3528,06

 5

2925,31

 5

3284,28

 5

3684,83

 6

3047,19

 6

3406,18

 6

3855,00

 7

3168,61

 7

3528,06

 7

4024,69

 8

3284,28

 8

3684,83

 8

4205,37

 9

3406,18

 9

3855,00

 9

4389,40

10

3528,06

10

4024,69

10

4573,43

Hoofdgroep V

Niveaugroep Vd

Niveaugroep Ve

Niveaugroep Vf

Schaal 13

Schaal 14

Schaal 15

(maandbedragen in euro)

      

 0

3406,18

 0

3855,00

 0

4389,40

 1

3528,06

 1

4024,69

 1

4573,43

 2

3684,83

 2

4205,37

 2

4757,92

 3

3855,00

 3

4389,40

 3

4942,43

 4

4024,69

 4

4573,43

 4

5126,45

 5

4205,37

 5

4757,92

 5

5308,10

 6

4389,40

 6

4942,43

 6

5492,60

 7

4573,43

 7

5126,45

 7

5676,63

 8

4757,92

 8

5308,10

 8

5858,73

 9

4942,43

 9

5492,60

 9

6043,73

10

5126,45

10

5676,63

10

6228,23

Hoofdgroep VI

Niveaugroep VIa

Niveaugroep VIb

Niveaugroep VIc

Schaal 13

Schaal 14

Schaal 15

(maandbedragen in euro)

      

 0

3406,18

 0

3855,00

 0

4389,40

 1

3528,06

 1

4024,69

 1

4573,43

 2

3684,83

 2

4205,37

 2

4757,92

 3

3855,00

 3

4389,40

 3

4942,43

 4

4024,69

 4

4573,43

 4

5126,45

 5

4205,37

 5

4757,92

 5

5308,10

 6

4389,40

 6

4942,43

 6

5492,60

 7

4573,43

 7

5126,45

 7

5676,63

 8

4757,92

 8

5308,10

 8

5858,73

 9

4942,43

 9

5492,60

 9

6043,73

10

5126,45

10

5676,63

10

6228,23

Hoofdgroep VI

Niveaugroep VId

Niveaugroep VIe

Niveaugroep VIf

Schaal 16

Schaal 17

Schaal 18

(maandbedragen in euro)

      

 0

4942,43

 0

5492,60

 0

6043,73

 1

5126,45

 1

5676,63

 1

6228,23

 2

5308,10

 2

5858,73

 2

6409,38

 3

5492,60

 3

6043,73

 3

6593,89

 4

5676,63

 4

6228,23

 4

6778,40

 5

5858,73

 5

6409,38

 5

6962,42

 6

6043,73

 6

6593,89

 6

7146,92

 7

6228,23

 7

6778,40

 7

7330,95

 8

6409,38

 8

6962,42

 8

7531,70

 9

6593,89

 9

7146,92

 9

7732,46

10

6778,40

10

7330,95

10

7933,70

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 18 januari 2006 is de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 gesloten. De in die overeenkomst neergelegde afspraken zijn bekend gemaakt bij circulaire van 2 maart 2006 (Stcrt. 54, blz. 12). Hieronder volgt een korte opsomming van de afspraken die hebben geleid tot de onderhavige wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG), het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ), het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984), de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst. Over deze wijzigingen is overeenstemming bereikt in het Sectoroverleg Rijkspersoneel.

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2006 het salaris structureel wordt verhoogd met 2% (vgl. artikel IV, onderdelen A, G en H). Omdat deze salarisverhoging een algemeen karakter heeft, werkt die verhoging ook door naar de ontslaggebonden uitkeringen, zoals de wachtgelden op basis van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de uitkeringen op basis van de Uitkeringsregeling 1966, de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies. Daarnaast is de procentuele eindejaarsuitkering met ingang van 1 januari 2005 met 0,8% verhoogd tot structureel 1,6% (vgl. artikel IV, onderdelen B, C en D).

Met ingang van 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Deze wet bewerkstelligt een nieuw ziektekostenverzekeringsstelsel met één zorgverzekering voor de gehele Nederlandse bevolking dat in de plaats treedt van de Ziekenfondswet, de particuliere ziektekostenverzekeringen en de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren. De invoering van de Zorgverzekeringswet heeft gevolgen voor de arbeidsvoorwaarden van het rijkspersoneel. Dat personeel is vanaf 1 januari 2006 net als werknemers in de marktsector verzekeringsplichtig ingevolge de Zorgverzekeringswet. Hiermee is de uitzonderingspositie van ambtenaren ten opzichte van werknemers in de marktsector op het terrein van de ziektekostenverzekeringen beëindigd.

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is opgenomen dat het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (Btzr) en de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr) met ingang van die datum worden ingetrokken. Deze intrekking heeft plaatsgevonden bij Besluit van 17 mei 2006, houdende intrekking van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel en de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Stb. 256). Ter compensatie van de inkomenseffecten van het vervallen van het Btzr zijn in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst inkomensmaatregelen afgesproken. Zo wordt de nominale eindejaarsuitkering over 2006 verhoogd tot € 1000 en daarna structureel tot € 1100, welk bedrag vervolgens wordt geïndexeerd met het percentage van algemene salariswijzigingen (vgl. artikel IV, onderdelen C en D). Daarnaast wordt in 2006 een eenmalige uitkering van € 450 toegekend aan ambtenaren die over december 2005 op grond van het Btzr een tegemoetkoming voor hun partner is verleend (vgl. artikel VII).

Ook in verband met het intrekken van de Zvr is enige vorm van compensatie voor de daarmee gepaard gaande inkomenseffecten afgesproken. Deze compensatie is geregeld in het eerdergenoemde Besluit van 17 mei 2006.

In aanvulling op de Levensloopregeling rijkspersoneel is in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 afgesproken dat ook de uit voorgaande jaren overgeboekte vakantie-uren door de ambtenaar mogen worden aangewend voor levensloopsparen (de artikelen I en II, onderdeel A, en III, onderdeel C). Het bestaan van «stuwmeren» van vakantie-uren past immers niet goed bij het tegelijkertijd sparen voor levensloopverlof.

Met betrekking tot het sparen voor levensloopverlof is in Arbeidsvoorwaardenovereenkomst nog een andere afspraak gemaakt. Vanaf het jaar 2007 wordt bij ambtenaren die gebruik maken van betaald ouderschapsverlof een extra inhouding gepleegd op de bezoldiging die overeenkomt met de zogeheten ouderschapsverlofkorting die een betrokkene over de uren dat hij ouderschapsverlof heeft genoten maximaal kan ontvangen. Hiermee wordt het bevoegd gezag tegemoetgekomen in de meerkosten waarmee dat gezag wordt geconfronteerd nu de fiscale tegemoetkoming die dat gezag ontving voor de doorbetaling tijdens ouderschapsverlof van (een deel van) de bezoldiging, behoudens een overgangsregeling voor 2006 is komen te vervallen. Beoogd is daarbij – op basis van een veronderstelde deelname aan de Levensloopregeling rijkspersoneel – de inkomsten van de ambtenaar ondanks de extra inhouding te handhaven op een niveau van 75% van de bezoldiging (vgl. de artikelen I, II, onderdeel B, en III, onderdeel D).

In het kader van het employabilitybeleid is in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 afgesproken dat ambtenaren die drie jaar of langer een bepaalde functie vervullen, eens in de vijf jaar op kosten van de werkgever een vertrouwelijke loopbaanscan mogen doen, met professionele ondersteuning (vgl. de artikelen I, II, onderdeel C, en III, onderdeel E).

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt nog enkele technische wijzigingen door te voeren in het BBRA 1984, de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst (vgl. respectievelijk artikel IV, onderdeel F, en de artikelen V en VI).

Artikelsgewijs

Artikelen I en II, onderdeel A, en III, onderdeel C

Aan de artikelen 22 van het ARAR, 35 van het ARSG en 41 van het RDBZ is een zeventiende lid toegevoegd waarin aan de ambtenaar een recht wordt toegekend om de van vorige jaren overgeboekte of overgeschreven vakantie-uren (zijn «verlofstuwmeer») geheel of gedeeltelijk in te zetten als bron om te sparen voor levensloopverlof. Om die uren in te kunnen zetten ten behoeve van levensloopverlof is het nodig dat ze op geld worden gewaardeerd. Voor de waardebepaling van die uren is aangesloten bij de in het vijftiende lid vermelde systematiek. De vergoeding voor ieder (overgeboekt) uur vakantie waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd, is gelijk aan het salaris per uur dat de ambtenaar geniet op de datum die het bevoegd gezag op grond van het veertiende lid heeft vastgesteld. Die datum is ijkpunt, ongeacht het moment waarop de ambtenaar kenbaar maakt dat hij zijn verlofstuwmeer (geheel of gedeeltelijk) wil inzetten als bron om te sparen voor levensloopverlof. Uitvoeringstechnische redenen hebben aan deze keuze ten grondslag gelegen. Zo hoeft het bevoegde gezag immers jaarlijks slechts één methode en één moment te hanteren voor de waardebepaling van om te zetten – wellicht geheel of gedeeltelijk voor verlofsparen in te zetten – vakantie-uren.

Vanzelfsprekend kunnen de grenzen die in het dertiende en zestiende lid van de artikelen 22 van het ARAR, 35 van het ARSG en 41 van het RDBZ zijn gesteld aan het aantal uren waarmee de vakantieaanspraak kan worden verminderd, hier niet worden overschreden. Daarnaast geldt dat in artikel 2.1.2. van de op artikel 34g van het ARAR en 69a ARSG gebaseerde (en op grond van artikel 47 van het RDBZ ook voor het personeel in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken geldende) Levensloopregeling rijkspersoneel grenzen zijn gesteld aan de per kalenderjaar te sparen voorziening in geld voor levensloopverlof. De grens bedraagt voor het merendeel van de gevallen 12 procent van het loon over dat jaar. Is in een jaar meer gespaard, dan wordt op grond van artikel 2.2.2. van die regeling het bovenmatige gedeelte alsnog aan de ambtenaar als salaris uitgekeerd. Het spreekt daarbij voor zich dat het minimum aantal wettelijke vakantie-uren dat iemand in een jaar heeft, dient te worden gebruikt waarvoor dat aantal uren is bedoeld: voor recuperatie. Het is daarom ook niet de bedoeling dat de ambtenaar in de verleiding zou kunnen worden gebracht om dat wettelijke minimum aantal uren niet op te nemen omdat hij daarvoor geld ontvangt. Die verleiding zal niet bestaan wanneer de ambtenaar de vergoeding voor zijn vakantie-uren alleen (op termijn) kan inzetten ten behoeve van levensloopverlof. Maar dat ligt anders als hij binnen een relatief korte tijd zijn vakantie-uren zou kunnen omzetten in geld waarover hij vrijelijk kan beschikken. Het kan dus niet zo zijn dat de nieuwe mogelijkheid om overgeboekte vakantie-uren in te zetten ten behoeve van levensloopverlof ertoe kan leiden dat verlofstuwmeren feitelijk worden omgezet in salaris (en zo worden afgekocht) door een bovenmatige inzet. Ook zal rekening moeten worden gehouden met de in artikel 2.1.5 vermelde grens op grond waarvan het totale levenslooptegoed niet meer mag bedragen dan 2,1 maal het loon over het voorafgaande kalenderjaar. Om die redenen is in het nieuwe zeventiende lid bepaald dat de aanvraag om overgeboekte vakantie-uren in te zetten voor levensloopverlof alleen wordt gehonoreerd voor zover rekening is gehouden met de beperkingen die krachtens de Levensloopregeling rijkspersoneel zijn gesteld.

Eerst als de ambtenaar zijn aanvraag om te sparen voor levensloopverlof heeft ingediend, kan het bevoegd gezag in redelijkheid beoordelen of de inzet niet bovenmatig is en er niet teveel wordt gespaard. Daarom is ook voorgeschreven dat het moment van de aanvraag tot omzetting van het verlofstuwmeer moet samenvallen met het moment van de aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.

Artikelen I en II, onderdeel B, en III, onderdeel D

In het zevende lid van artikel 23 van het ARAR is een kleine wijziging doorgevoerd. Met die wijziging wordt verduidelijkt dat bij de in dat artikellid bedoelde berekening van de vakantieaanspraak van de ambtenaar over een vol jaar, een verlaging van de vakantieaanspraak op grond van het dertiende, zestiende of zeventiende lid van artikel 22 van het ARAR buiten beschouwing blijft. Voor de artikelen 36 van het ARSG en 41a van het RDBZ geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Artikelen I en II, onderdeel C, en III, onderdeel E

De regeling voor doorbetaald ouderschapsverlof als bedoeld in de artikelen 33g van het ARAR, 62a van het ARSG en 45b van het RDBZ beoogt de ambtenaar een inkomen over de opgenomen verlofuren te garanderen van 75% van zijn bezoldiging. Tot 1 januari 2006 ontving de werkgever een fiscale tegemoetkoming voor het doorbetalen van (een deel van) het salaris tijdens ouderschapsverlof. Met ingang van 1 januari 2006 is in het kader van de wetgeving over de levensloopregeling een aantal wijzigingen doorgevoerd. Voor de werkgever vervalt – behoudens een overgangsregeling voor 2006 – de fiscale tegemoetkoming waardoor de ouderschapsverlofregeling voor de werkgever fors duurder wordt. Daarentegen wordt aan de ambtenaar die ouderschapsverlof opneemt én deelneemt aan de Levensloopregeling rijkspersoneel, met ingang van 1 januari 2006 op grond van artikel 8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 op zijn aanvraag een fiscale heffingskorting (de ouderschapsverlofkorting) toegekend die in mindering wordt gebracht op de door de ambtenaar te betalen inkomstenbelasting.

Om de meerkosten voor de werkgever te beperken, pleegt het bevoegd gezag met ingang van 1 januari 2007 op grond van het nieuwe zevende lid van de artikelen 33g van het ARAR, 62a van het ARSG of 45b van het RDBZ een extra inhouding op de bruto bezoldiging van de ambtenaar die ouderschapsverlof opneemt. Deze extra inhouding bedraagt 50% van het wettelijke minimumloon over de uren dat hij ouderschapsverlof geniet; dat is de hiervoor genoemde ouderschapsverlofkorting die een ambtenaar over de uren dat hij ouderschapsverlof geniet krachtens de fiscale regels maximaal kan ontvangen. De extra inhouding vindt altijd plaats, ongeacht het antwoord op de vraag of de ambtenaar gebruik maakt van zijn recht op ouderschapsverlofkorting.

De ambtenaar kan er zelf voor zorgen dat zijn inkomen over de periode dat hij ouderschapsverlof heeft opgenomen alsnog wordt aangevuld tot het niveau van 75% van de bezoldiging. Hij zal er dan voor moeten zorgen dat de Belastingdienst hem een ouderschapsverlofkorting toekent over de uren dat hij ouderschapsverlof heeft genoten. Dat betekent dat hij zal moeten beschikken over een verklaring van de werkgever dat hij ouderschapsverlof heeft opgenomen (vgl. artikel 44d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Vervolgens moet hij in het desbetreffende jaar waarin het ouderschapsverlof is genoten een voorziening in het kader van de Levensloopregeling rijkspersoneel hebben opgebouwd en moet hij een volledig ingevulde aangifte inkomstenbelasting hebben ingediend. Voldoet hij aan die voorwaarden en blijkt na afloop van het jaar waarin ouderschapsverlof is genoten op grond van de definitieve aanslag van de Belastingdienst dat de extra inhouding door het bevoegd gezag (de ouderschapsverlofkorting die een ambtenaar maximaal kan ontvangen) groter is dan de toegekende ouderschapsverlofkorting, dan heeft de ambtenaar alsnog op zijn aanvraag recht op het verschil tussen beide bedragen. Uiteraard gaat het dan om een door het bevoegd gezag te betalen bruto-bedrag waarover loonbelasting en premies verschuldigd zijn; er heeft immers ook een inhouding op de bruto bezoldiging plaatsgevonden. Om te voorkomen dat een ambtenaar pas jaren na vaststelling van de definitieve belastingaanslag een aanvraag indient en zo de salarisadministratie extra belast, is in het nieuwe zevende lid opgenomen dat de ambtenaar zijn aanvraag indient binnen zes maanden nadat de Belastingdienst de ouderschapsverlofkorting heeft toegekend.

De Belastingdienst kent geen ouderschapsverlofkorting toe als de ambtenaar die ouderschapsverlof opneemt niet tevens spaart voor levensloopverlof of geen (volledige) aangifte heeft ingediend. In dergelijke gevallen kan dus ook geen sprake zijn van een recht op het verschil tussen de extra inhouding (de maximale ouderschapsverlofkorting) en een toegekende ouderschapsverlofkorting. De ambtenaar heeft zo over de uren dat hij ouderschapsverlof geniet slechts recht op 75% van zijn bezoldiging verminderd met de maximale ouderschapsverlofkorting (50% van het wettelijke minimumloon) waarop over die uren op grond van de fiscale regels recht zou kunnen bestaan.

Het spreekt voor zich dat het bevoegd gezag er goed aan doet de ambtenaar te wijzen op deze financiële consequenties die aan het opnemen van ouderschapsverlof kunnen zijn verbonden.

Ten slotte zij (nogmaals) vermeld dat de extra inhouding op 75% van de bezoldiging plaatsvindt met ingang van 1 januari 2007 in alle gevallen waarin ouderschapsverlof wordt genoten. Dus ook in die gevallen waarin het ouderschapsverlof is aangevangen in 2006 en doorloopt in 2007.

Artikelen I en II, onderdeel D, en III, onderdeel B

Een goed functionerende ondernemingsraad (OR) is van belang voor het goed functioneren van de onderneming als geheel. Gebleken is dat de animo om deel te nemen in OR’en terugloopt. Een belangrijke voorwaarde zowel voor de bereidheid tot deelname aan, als voor het goed functioneren van een OR is dat oplossingen worden gevonden voor de problemen die de combinatie van het OR-werk met de reguliere functievervulling met zich kunnen brengen. Oplossingen waarin zowel de ondernemingsleiding als de betrokken ambtenaren zich kunnen vinden.

Een van deze problemen vormt het tijdsbeslag dat met het vervullen van het OR-lidmaatschap is gemoeid. Artikel 17 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat vergaderingen van de OR zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd en met behoud van bezoldiging plaatsvinden. Artikel 18, eerste lid, van de WOR bepaalt verder dat de leden van de OR en van zijn commissies een aantal uren per jaar tijdens werktijd onderling beraad of overleg met anderen mogen voeren, dan wel scholing mogen ontvangen. Het aantal uren dat hiervoor beschikbaar moet worden gesteld moet op grond van eerdergenoemde bepaling, met inachtneming van de in de WOR bepaalde ondergrenzen, door de OR in overleg met de ondernemer worden vastgesteld. Het toekennen van de benodigde capaciteit in de vorm van vrijstelling ten behoeve van het OR-werk, kan niettemin voor een zekere spanning met betrekking tot de vervulling van de normale functie zorgen indien hierin niet op adequate wijze voor taakverlichting is zorggedragen.

In aanvulling op de bepalingen van de WOR is in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 afgesproken dat bij aantreding van iedere OR niet alleen de voor het OR-werk benodigde capaciteit door de ondernemer in de zin van artikel 1 van de WOR en de OR wordt vastgesteld, maar vervolgens ook overleg wordt gevoerd over de wijze waarop deze capaciteit daadwerkelijk binnen de beschikbare formatieruimte zal worden vrijgemaakt.

Over de wijze hoe deze afspraak in de praktijk moet worden ingevuld kunnen geen algemeen geldende richtlijnen worden gegeven. Hiervoor zijn, afhankelijk van de concrete situatie, immers diverse mogelijkheden denkbaar.

Uitgangspunt is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ondernemer, de direct leidinggevende en de OR om te voorkomen dat een OR-lid of zijn directe collega’s in de vervulling van hun functie worden overbelast. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het temporiseren van bepaalde werkzaamheden of het overhevelen van taken naar andere collega’s of afdelingen waar op dat moment capaciteit beschikbaar is.

Indien noodzakelijk om een goede voortgang van de werkzaamheden (waaronder begrepen het werk ten behoeve van en voor de OR) te garanderen kan ook gekomen worden tot een tijdelijke uitbreiding van de formatie van het dienstonderdeel waar de ambtenaar, die lid is van een OR, werkzaam is. Die ambtenaar kan de op hem betrekking hebbende formatieuitbreiding, indien hij dat wenst en hij arbeidsgeschikt is, gebruiken om voor de resterende duur van het OR-lidmaatschap een uitbreiding van diens arbeidsduur te realiseren tot maximaal gemiddeld 40 uur per week.

Het onderhavige artikel voorziet in deze mogelijkheid. Uiteraard gelden daarbij voor de verlenging van de arbeidsduur tot meer dan gemiddeld 36 uur per week de in het tweede lid van de artikelen 21 van het ARAR, 34 van het ARSG en 37 van het RDBZ genoemde beperkingen. Na afloop van het OR-lidmaatschap geldt voor betrokkene van rechtswege weer de arbeidsduur die voorheen gold.

Artikelen I en II, onderdeel E, en III, onderdeel A

Bij Besluit van 25 april 2002 (Stb. 216) is in de artikelen 71b van het ARAR, 107a van het ARSG en 25a van het RDBZ de «loopbaanscan» neergelegd, een digitaal instrument dat het bevoegd gezag aan de ambtenaar beschikbaar stelt met als doel dat de ambtenaar zich beter kan oriënteren op zijn loopbaanmogelijkheden binnen of buiten de Rijksoverheid. Zo’n loopbaanscan kunnen alle rijksambtenaren al invullen via intranet (RYX), internet (www.loopbaanscan.nl en www.werkenbijhetrijk.nl) of cd-rom.

Met onderhavige wijziging van de genoemde artikelen wordt aan de loopbaanscan op andere wijze invulling gegeven. Waar de loopbaanscan bedoeld was om de ambtenaar te faciliteren in het gesprek met de leidinggevende, wordt thans aan de ambtenaar het recht toegekend om met ondersteuning door een onafhankelijke – desgewenst door de ambtenaar zelf te kiezen – professionele loopbaanadviseur/loopbaandeskundige, een loopbaanscan louter voor zichzelf te gebruiken. De – redelijke – kosten die dat met zich brengt, komen voor rekening van het bevoegd gezag. Er is geen verplichting om van het instrument gebruik te maken. Voorwaarde is wel dat de ambtenaar ten minste drie jaar een zelfde functie bekleedt. Daarbij kan gedacht worden aan de ambtenaar die drie jaar lang niet van functie is veranderd maar ook aan de ambtenaar die binnen een ministerie van afdeling of dienstonderdeel is veranderd en in totaal drie jaar lang in functies werkzaam is geweest die volgens het functiewaarderingssysteem dezelfde salarisschaal, functieomschrijving en -eisen kennen. Vanaf het moment dat die drie jaar zijn verstreken, heeft de ambtenaar – zolang hij een zelfde functie uitoefent – het recht om eens in de vijf jaar gebruik te maken van de loopbaanscan.

Net als voorheen kan de ambtenaar de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het jaarlijkse gesprek over zijn functioneren. Zo kan de loopbaanscan dienen als ondersteuning voor het maken van afspraken over zijn verdere loopbaan (vgl. het tweede lid van de artikelen 71b ARAR, 107a ARSG en 25a RDBZ dat overeenkomt met het oude derde lid van die artikelen).

Artikel IV

Onderdelen A, G en H

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is opgenomen dat per 1 januari 2006 een structurele salarisverhoging plaatsvindt van 2%. Alle in het BBRA 1984 opgenomen salarisbedragen worden dan ook met 2% verhoogd. Deze verhoging werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Onderdeel B

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2004 was opgenomen dat de procentuele eindejaarsuitkering over dat kalenderjaar werd verhoogd met 0,4-procentpunt tot 0,8%. Met de onderhavige, onder 1. opgenomen en tot en met 1 januari 2004 terugwerkende, wijziging van artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van het BBRA 1984 wordt alsnog de wettelijke basis voor deze verhoging in het BBRA 1984 vastgelegd. Deze verhoging is reeds uitbetaald in 2005.

Op grond van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 wordt met ingang van het jaar 2005 de procentuele eindejaarsuitkering verhoogd van 0,8% naar 1,6%. Dit is neergelegd in onderdeel B, onder 2., waaraan terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1 januari 2005. Op grond van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is deze verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering over 2005 uitbetaald bij de salarisbetaling van februari 2006.

Met de onderhavige wijzigingen van artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, wordt dus alsnog een wettelijke basis gegeven voor de procentuele eindejaarsuitkering die over 2004 (0,8%) en 2005 (1,6%) is uitgekeerd.

Met ingang van 29 december 2005 is de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in werking getreden. Per die datum moet dan ook de uitkering op grond van de WIA worden toegevoegd aan de uitkeringen die in het derde lid van artikel 20a zijn opgesomd.

Onderdelen C en D

De eindejaarsuitkering had betrekking op een kalenderjaar en werd uitgekeerd in december van het desbetreffende jaar. Met ingang van het jaar 2006 komt hierin verandering. De uitbetaling van de eindejaarsuitkering vindt voortaan plaats in de maand november en zowel de nominale als de procentuele eindejaarsuitkering wordt voortaan gebaseerd op een periode van twaalf maanden, die eindigt met die maand november waarin de betaling plaatsvindt en dus aanvangt met de maand december van het voorafgaande jaar.

Het jaar 2006 is een overgangsjaar. De uitbetaling vindt al plaats in november en de periode waarover de eindejaarsuitkering wordt berekend eindigt ook met die maand. Die periode vangt echter aan met de maand januari 2006. Dat betekent dat de eindejaarsuitkering in 2006 betrekking heeft op (maximaal) 11 maanden. De overeenkomst met de centrales houdt in, dat de structurele verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering per 2005, ook in 2006 gebaseerd blijft op een jaarbedrag. Daarom wordt in 2006 in de eerste elf maanden 1,75% van het salaris als eindejaarsuitkering opgebouwd. Dit bedrag komt nagenoeg overeen met 1,6% over twaalf maanden. Ook voor de nominale eindejaarsuitkering geldt dat het voor het jaar 2006 overeengekomen bedrag van € 1000 in 11 maanden wordt opgebouwd. Per maand is dit € 1000/11 = € 90,91. De nominale eindejaarsuitkering is mede bedoeld als compensatie voor de kosten van de Zorgverzekeringswet en wordt in 2006 betaalbaar gesteld in de maanden april, augustus en november. Dit alles is geregeld in de eerste twee leden van artikel 20a van het BBRA 1984, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2006 (vgl. artikel IV, onderdeel C).

Met ingang van 1 december 2006 wordt de eindejaarsuitkering opgebouwd die in november 2007 tot uitbetaling komt. Vanaf 1 december 2006 geldt dus niet alleen dat de betaling plaatsvindt in november maar ook dat de eindejaarsuitkering wordt gebaseerd op een periode van twaalf maanden, die eindigt met de maand november waarin de betaling plaatsvindt. Dat betekent dat het percentage van de procentuele eindejaarsuitkering weer wordt aangepast tot 1,6%. Ook het nominale bedrag wordt vanaf 1 december 2006 aangepast. Overeenkomstig de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 bedraagt dat bedrag € 1100 over 12 maanden, dus € 91,67 per maand. Vanaf 1 januari 2007 wordt dat maandbedrag geïndexeerd met het percentage van de algemene wijziging van het salaris voor het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk. Dit is geregeld in artikel IV, onderdeel D, dat in werking treedt met ingang van 1 december 2006 (vgl. artikel VII).

Met ingang van 1 januari 2006 zijn in artikel 20a nog enkele andere wijzigingen doorgevoerd. Het betreft slechts technische wijzigingen: het nieuwe derde, vierde en vijfde lid van dat artikel zijn inhoudelijk ongewijzigd ten opzichte van respectievelijk het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel zoals dat voorafgaand aan de wijziging luidde. Het zesde en zevende lid van artikel 20a, zoals dat luidde voorafgaand aan 1 januari 2006, keren niet terug omdat zij betrekking hebben op het inzetten van de nominale eindejaarsuitkering ten behoeve van de inmiddels vervallen Premiespaarregeling Rijkspersoneel.

Onderdeel E

In verband met de algemene salarisverhoging wordt ook het minimumbedrag van de vakantie-uitkering per 1 januari 2006 verhoogd.

Onderdeel F

Tot nu toe werd bij algemene salariswijzigingen steeds in het wijzigingsbesluit waarbij de salariswijziging werd geformaliseerd een bepaling opgenomen op grond waarvan de desbetreffende algemene salariswijziging kon doorwerken in regelingen, getroffen op grond van artikel 26 van het BBRA 1984 (zie bijvoorbeeld artikel XVI, onderdeel A, onder 2, van het Besluit van 13 november 1999, Stb. 1999, 491). Om praktische redenen is ervoor gekozen deze bepaling als afzonderlijk lid op te nemen in artikel 26 van het BBRA 1984. Een inhoudelijke wijziging heeft niet plaatsgevonden.

Artikel V

Evenals bij de wijziging van artikel 26 van het BBRA 1984 (vgl. artikel IV, onderdeel F) wordt ook hier een bepaling die tot heden steeds opnieuw werd opgenomen in wijzigingsbesluiten waarbij algemene salariswijzigingen werden geformaliseerd, thans om praktische redenen neergelegd in het artikel waarop de desbetreffende bepaling betrekking heeft.

Artikel VI

Aan artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst is bij het Besluit van 24 juli 2002 (Stb. 433) een derde lid toegevoegd. Dat artikellid had blijkens de nota van toelichting tot doel het toen in het eerste lid genoemde bedrag van de toelage voor het werken op onregelmatige uren, met ingang van 1 januari 1998 te indexeren met het percentage van de algemene salarisstijging voor het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk. Zo zou iedereen op basis van artikel 7 de hoogte van de toelage kunnen berekenen zonder dat bij een volgende algemene salarisstijging een wijziging van het in het eerste lid opgenomen bedrag nodig zou zijn.

Op basis van alleen de tekst van artikel 7 zou het echter niet eenvoudig te berekenen zijn wat met ingang van 1 januari 2006 de hoogte is van de toelage voor het werken op onregelmatige uren. Het derde lid vermeldt immers niet expliciet met ingang van welke datum het in het eerste lid genoemde bedrag moet worden geïndexeerd. Daar komt nog eens bij dat naar aanleiding van de laatste algemene salarisstijging die voorafging aan die van 1 januari 2006, abusievelijk ook het in het eerste lid vermelde bedrag is gewijzigd (vgl. het Besluit van 26 september 2003, Stb. 394). Om misverstanden te voorkomen wordt de redactie van artikel 7 thans enigszins gewijzigd. Het in het eerste lid vermelde bedrag van € 138,17 is de hoogte van de vergoeding per 1 januari 2006. De indexering met het percentage van de algemene salarisstijging per die datum is in dat bedrag meegenomen (1,02 x € 135,46 = € 138,17). In het tweede lid wordt vervolgens vermeld dat dat bedrag van € 138,17 bij toekomstige algemene salariswijzigingen wordt geïndexeerd met het percentage van zo’n wijziging. Daarbij is voor de datum van 1 januari 2007 gekozen omdat voorafgaand aan die datum geen algemene salariswijziging meer zal plaatsvinden.

Artikel VII

Met ingang van 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Het rijkspersoneel is vanaf die datum net als werknemers in de marktsector verzekeringsplichtig ingevolge de Zorgverzekeringswet. Dat heeft (onder meer) geleid tot de intrekking van het Btzr bij het Besluit van 17 mei 2006 (Stb. 256). Om de inkomenseffecten van het vervallen van het Btzr te compenseren zijn in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 enkele inkomensmaatregelen afgesproken. In het onderhavige artikel is één van de maatregelen neergelegd. Het betreft een uitkering die wordt toegekend aan de actieve ambtenaren die over de maand december 2005 ingevolge het Btzr een tegemoetkoming is verleend voor een partner als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van dat besluit. Deze eenmalige uitkering behoort tot de variabele toelagen die tot het pensioengevend inkomen horen per 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin deze zijn genoten.

Ten overvloede zij hierbij nog opgemerkt dat op grond van het meergenoemde Besluit van 17 mei 2006 het tweede en derde lid van artikel 6 van het Btzr, zoals die artikelleden luidden op 31 december 2005, tot 1 januari 2007 van toepassing blijven op eerste aanvragen en meldingen van relevante wijzigingen voor de hiervoor bedoelde Btzr-tegemoetkoming voor een partner. Dat betekent dat een verlate aanvraag of melding, mits gedaan vóór 1 december 2006, op zichzelf niet in de weg kan staan aan het verlenen van de tegemoetkoming over december 2005. Is die tegemoetkoming voor de partner over de maand december 2005 (alsnog) verleend, dan bestaat vervolgens ook het recht op de eenmalige uitkering.

Deze nota van toelichting wordt ondertekend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, B.R. Bot.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2007, nr. 6.