Besluit van 13 november 2006 tot wijziging van het Bekostigingsbesluit W.V.O. inzake de verrekening van kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 september 2006, nr. WJZ/2006/32942 (3798), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 96n, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 2006, nr. W05.06.0401/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 november 2006, nr. WJZ/2006/38552 (3798), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT W.V.O.

Het Bekostigingsbesluit W.V.O. wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de begripsbepaling van «eerste schooldag» wordt ingevoegd:

formatieplaats: een formatieplaats als bedoeld in artikel 1 van het Formatiebesluit W.V.O.;.

2. Na de begripsbepaling van «teldatum» wordt, onder vervanging van «, en» door een puntkomma, ingevoegd:

uitkering: een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, en.

B

Na hoofdstuk 2A wordt ingevoegd een hoofdstuk 2B, luidend:

HOOFDSTUK 2B. VERREKENING KOSTEN VAN WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN EN SUPPLETIES INZAKE ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Artikel 15f. Vermindering bekostiging
  • 1. Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de wet voor een school voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:

    (PI/PL) x (A + B + C + D)

    In deze formule wordt verstaan onder:

    PI: de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in Titel III, afdeling II, hoofdstuk II, paragraaf 2 van de wet, voor zover gebaseerd op de formatieplaatsen, van de desbetreffende school voor het desbetreffende kalenderjaar;

    PL: de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in Titel III, afdeling II, hoofdstuk II, paragraaf 2 van de wet, voor zover gebaseerd op de formatieplaatsen, van de scholen voor het desbetreffende kalenderjaar;

    A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;

    B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;

    C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen worden vastgesteld;

    D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 42c van de wet indien het een openbare school betreft, en artikel 50 van de wet indien het een bijzondere school betreft, of een splitsing als bedoeld in artikel 75 van de wet, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 2. Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:

    a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, niet heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en

    b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid, onder C, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100 bedraagt.

  • 3. De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.

  • 4. Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 5. Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 15g. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling
  • 1. Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 15f, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de bekostiging.

  • 2. De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats zo snel als mogelijk is na afloop van het desbetreffende jaar.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften over de wijze van toepassing van het eerste en tweede lid worden gegeven.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Willemstad, 13 november 2006

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Uitgegeven de negentiende december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het voorliggende besluit bevat een wijziging van het Bekostigingsbesluit W.V.O. en vloeit voort uit de Wet van 12 mei 2005 (Stb. 2005, 288; het deel inzake de vervangingsuitgaven – de eerste tranche – is in werking getreden met ingang van 1 januari 2006 op grond van Stb. 2005, 476; beoogd wordt het deel inzake de wachtgelduitgaven – de tweede tranche, de grondslag voor dit besluit daaronder begrepen – op 1 januari 2007 in werking te laten treden) waarbij decentralisatie heeft plaatsgehad van de zogenaamde vervangings- en wachtgelduitgaven in het VO. De wetgever heeft hiermee met het oog op de decentralisatie van de wachtgelduitgaven artikel 96n in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) ingevoegd. Het eerste lid daarvan bepaalt dat volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag op de bekostiging in mindering wordt gebracht in verband met de kosten van wachtgelduitgaven. Deze regels kunnen voorzien in onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel is ontslagen, alsmede in onderscheid in verband met de beslissing van het zogenaamde Participatiefonds (PF).

Onder wachtgelduitgaven wordt verstaan het geheel aan werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet (inclusief suppleties inzake arbeidsongeschiktheid exclusief invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelage).

Het bevoegd gezag krijgt na de bovengenoemde wijziging van de WVO gedeeltelijk de financiële verantwoordelijkheid voor de zelf veroorzaakte wachtgelduitkeringen; het bevoegd gezag wordt op die wijze geprikkeld de wachtgelduitkeringen zo laag mogelijk te houden. Deze prikkel is nodig omdat de huidige prikkel, de zogenaamde instroomtoets van het PF, komt te vervallen (zie ook paragraaf 2). Volledige financiële verantwoordelijkheid voor de door het bevoegd gezag zelf veroorzaakte wachtgelduitkeringen zou voor met name een klein bevoegd gezag een onaanvaardbaar financieel risico kunnen betekenen.

Bij het bepalen welk deel van het nieuwe wachtgeldbestand ten laste komt van het collectief en welk deel ten laste van het individuele bevoegd gezag, is rekening gehouden met de balans tussen aan de ene kant een aanvaardbaar financieel risico voor het bevoegd gezag. Aan de andere kant moet er sprake zijn van een voldoende financiële prikkel zodat het bevoegd gezag de financiële gevolgen van het eigen personeelsbeleid merkt. De manier waarop verevening plaatsvindt, is in dit besluit vastgelegd.

2. Hoofdlijnen vereveningsmodel

Vooraf wordt erop gewezen dat er voor de uitkeringsgerechtigden zelf niets verandert; de hoogte van de uitkering of de wijze van verstrekking wordt niet beïnvloed door de maatregelen die in dit besluit zijn opgenomen.

Tot 1 januari 2007 ontvingen de VO-scholen bekostiging van het Rijk ten behoeve van het betalen van een bijdrage (premie) aan het PF. De verplichting tot het aansluiten bij en het betalen van een bijdrage aan het PF was opgenomen in artikel 98b van de WVO. In geval van een voorgenomen ontslag moest een school tevoren aan het PF vragen of deze de wachtgelduitgaven van de desbetreffende persoon voor haar rekening wilde nemen. Indien het PF daarmee instemde, gaf het daartoe een zogenaamde positieve instroomtoets af. Indien het PF van mening was dat het ontslag te wijten was aan de school zelf, werd een negatieve instroomtoets afgegeven en moest de school, indien toch tot ontslag werd overgegaan, de wachtgelduitgaven voor 100% zelf betalen. Het PF betaalde aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV betaalde aan de uitkeringsgerechtigde.

Na de decentralisatie op 1 januari 2007 is het PF niet meer werkzaam voor de VO-sector en is ook de instroomtoets door het PF komen te vervallen. De VO-scholen blijven bekostiging ontvangen van het Rijk ten behoeve van de wachtgelduitgaven, maar dragen geen premie meer af. In het kort geldt het volgende model voor de verrekening van de wachtgelduitgaven:

1. De wachtgelduitgaven voor wachtgelders waarvan het ontslag is geëffectueerd voor 1 januari 2007 worden in principe collectief gedragen door de VO-scholen. Dat betekent dat deze wachtgelduitgaven worden verrekend met alle VO-scholen; de onderlinge verdeling geschiedt naar rato van de bekostiging voor personeelskosten van de individuele school ten opzichte van het totaal voor deze personeelskosten voor alle VO-scholen gezamenlijk. Hierdoor dragen alle scholen relatief gezien evenveel bij. Op dit principe is één uitzondering, te weten de wachtgeldkosten die zijn ontstaan in de periode tussen 1 augustus 1995 en 1 januari 2007 en waarbij een positieve instroomtoets van het PF ontbreekt. Deze kosten zijn en blijven volledig voor rekening van de desbetreffende school.

2. De wachtgelduitgaven voor wachtgelders waarvan het ontslag is of wordt geëffectueerd op of na 1 januari 2007 worden gedeeltelijk eveneens collectief gedragen en komen voor het overige voor rekening van de individuele school waar het wachtgeld is veroorzaakt. Daarbij wordt rekening gehouden met de balans tussen enerzijds een aanvaardbaar financieel risico voor het bevoegd gezag en anderzijds een voldoende financiële prikkel voor het bevoegd gezag, zodat deze de gevolgen van het eigen wachtgeldbeleid merkt. Voorlopig wordt uitgegaan van een 75/25-verdeling, zoals is aangegeven in de toelichting op het amendement van het lid Jan de Vries c.s. dat bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel, waarbij het grondslagartikel voor deze besluitenwijziging is ingebracht in het desbetreffende wetsvoorstel, is aangenomen (Kamerstukken II 2004/05, 27 744, nr. 16). Dat wil zeggen dat 75% van de nieuwe wachtgelduitkeringen collectief wordt verevend en dat 25% van de nieuwe wachtgelduitkeringen ten laste van het veroorzakende bevoegd gezag wordt gebracht.

De exacte verdeling tussen de collectief en individueel te dragen lasten wordt vastgelegd bij ministeriële regeling, zodat deze zo nodig relatief snel kan worden aangepast aan recente ontwikkelingen. Als de sector VO bijvoorbeeld toe is aan een grotere financiële verantwoordelijkheid, kan het individueel te dragen deel van de wachtgelduitkeringen naar boven worden bijgesteld en het collectief te dragen deel naar beneden.

In deze regeling kunnen voor de verschillende soorten uitkeringen (wachtgelden, werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid – anders dan op grond van de Ziektewet – en vergelijkbare uitkeringen op basis van specifiek voor de sector geldendende regelingen) verschillende percentages vastgesteld worden. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld door onoverkomelijke problemen in de uitvoering) is het in beginsel mogelijk om de uitgaven (ontstaan op of na 1 januari 2007) specifiek voortvloeiend uit verplichtingen op grond van de betreffende soort uitkering geheel ten laste van het collectief te laten komen.

Op grond van de WVO (artikel 96n, vierde en vijfde lid) worden dit besluit en de in (met dit besluit voorgestelde) artikel 15f van het Bekostigingsbesluit WVO bedoelde ministeriële regeling beide aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Immers, in dit besluit is bepaald dat de verdeling van de in het eerste lid, onderdeel c, van artikel 96n van de WVO bedoelde kosten bij ministeriële regeling wordt geregeld. Besluit en regeling treden niet eerder in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in dit besluit of de eerder bedoelde regeling geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Hierdoor wordt het voor de Kamers mogelijk de verdeling tussen de collectief en individueel te dragen lasten te volgen en eventueel invloed daarop uit te oefenen.

3. Techniek

De uitvoeringsorganisatie van het ministerie – de Centrale Financiën Instellingen (Cfi) – zal na inwerkingtreding van het vereveningsmodel maandelijks een bedrag aan het UWV betalen, gelijk aan de door het UWV uit te keren bedrag aan de uitkeringsgerechtigden.

Cfi berekent het bedrag van de personele bekostiging. Onderdeel van deze bekostiging is een opslag voor de wachtgelduitkeringen. Vervolgens vermindert Cfi de betaling van de personele bekostiging maandelijks met een voorlopige inhouding ten behoeve van het collectieve deel; deze voorlopige inhouding is gebaseerd op een raming van de wachtgelduitkeringen. Daarnaast vermindert Cfi de betaling van de personele bekostiging periodiek met een inhouding ten behoeve van het zogenaamde individueel te dragen deel: de negatief getoetsten en een deel van de door het bevoegd gezag veroorzaakte wachtgelduitkeringen op of na 1 januari 2007. Deze inhouding is niet gebaseerd op een raming maar op de daadwerkelijke wachtgelduitgaven van het bevoegd gezag.

In een ministeriële regeling wordt nader aangegeven wanneer de periodieke vermindering plaatsvindt en kunnen ook verdere nadere voorschriften worden gegeven.

De genoemde voorlopige inhouding ten behoeve van het collectieve deel is voor alle scholen (relatief gezien) gelijk: de onderlinge verdeling geschiedt immers naar rato van de bekostiging voor personeelskosten van de individuele school ten opzichte van het totaal voor personeelskosten van alle VO-scholen.

Het bevoegd gezag ontvangt vervolgens de berekende personele bekostiging verminderd met de collectieve en individuele inhouding.

Cfi rekent jaarlijks het collectieve deel van de gerealiseerde wachtgelduitgaven definitief af met de bevoegde gezagsorganen.

Deze definitieve afrekening wordt over alle bevoegde gezagsorganen omgeslagen. Als de voorlopige inhouding ten behoeve van het collectief te dragen deel onvoldoende is geweest, dan betalen de bevoegde gezagsorganen verhoudingsgewijs een gelijk bedrag bij. En als de voorlopige inhouding te hoog is geweest, dan ontvangen de bevoegde gezagsorganen verhoudingsgewijs een gelijk bedrag terug. In een ministeriële regeling zullen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de definitieve afrekening.

Voor de vermindering van de rijksbijdrage voor het individueel te dragen deel van de wachtgelduitkeringen behoeft geen afrekening plaats te vinden. Deze kosten worden namelijk periodiek – op basis van de werkelijke kosten – met het bevoegd gezag verrekend.

De bevoegde gezagsorganen worden periodiek geïnformeerd over de financiële stand van zaken. Hierdoor krijgen zij inzicht in de ontwikkeling van de wachtgelduitgaven.

4. Draagvlak

In het Bestuurlijk Overleg Voortgezet Onderwijs zijn dit besluit en de systematiek van het verevenen besproken. De besturenorganisaties en de sectororganisatie in oprichting hebben aangegeven zich hierin te kunnen vinden.

5. Uitvoeringsgevolgen

CFI heeft aangegeven dat de in dit besluit beschreven systematiek uitvoerbaar is.

6. Administratieve lasten

De administratieve lasten voor scholen in de vorm van de instroomtoets en de voorschriften van het PF vervallen. Cfi voert het systeem van normatief verevenen van de wachtgelduitgaven uit. Vanwege de al bestaande bekostigingsrelatie van Cfi met de scholen leidt dit voor scholen niet tot een extra administratieve belasting. Cfi is al jaren bezig steeds klantvriendelijker te opereren en met succes. Ook hier zal de insteek klantvriendelijk zijn en gebeurt de verevening automatisch.

7. Financiële gevolgen

Deze wijzigingen van het Bekostigingsbesluit W.V.O. hebben geen gevolgen voor de totale hoogte van de OCW-wachtgelduitgaven in de VO-sector en hebben dus geen gevolgen voor de rijksbegroting. De financiële gevolgen voor een bevoegd gezag zijn afhankelijk van de individuele situatie van een bevoegd gezag. Als een bevoegd gezag relatief gezien weinig wachtgelduitgaven veroorzaakt, dan zal de opslag in de bekostiging van de personeelskosten ruim voldoende zijn. Maar als een bevoegd gezag relatief gezien veel wachtgelduitgaven veroorzaakt, dan zal het bevoegd gezag niet genoeg hebben aan de opslag. Er is dus voor de scholen een prikkel ingebouwd om de wachtgelduitgaven te beperken.

Ter beperking van de wachtgeldrisico’s ontvangt alle bevoegde gezagsorganen éénmalig een overgangsbudget: zie mijn regeling van 5 november 2005, nr. VO/F/2005/46794.1 Omdat de risico’s voor een klein bestuur verhoudingsgewijs groter zijn dan voor een groot bestuur, ontvangen kleine besturen precies hetzelfde bedag als de grote besturen. Omdat een klein bestuur minder personeelsleden heeft, is het bedrag relatief gezien (het bedrag afgezet tegen de personele bekostiging) voor een klein bestuur hoger. Het bedrag is € 16.000,– per bestuur.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Met het invoegen van het begrip «formatieplaats» wordt aangesloten bij de definitie die hiervan wordt gegeven in het Formatiebesluit W.V.O.: een «betrekking met de omvang van een volledige weektaak». Dit komt overeen met de veelgebruikte term «fte» (fulltime equivalent).

Met «uitkering» wordt de werkloosheidsuitkering of uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet van scholen voor voortgezet onderwijs bedoeld. Hierbij zijn inbegrepen de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid. Tot het begrip uitkering behoren niet invaliditeitspensioenen en de herplaatsingstoelagen.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 15f

Voor de berekening van de vermindering van de bekostiging per school ten behoeve van het collectief te dragen deel is ervan uitgegaan dat rekening wordt gehouden met de grootte van de scholen. Hiervoor wordt gekeken naar de bekostiging voor personeelskosten op grond van Titel III, Afdeling II, hoofdstuk II, paragraaf 2 van de WVO. Het gaat dan om de reguliere formatie + de eventuele aanvullende formatie, voor zover deze wordt gebaseerd op de formatieplaatsen. Deze bekostiging voor personeelskosten wordt per school afgezet tegen deze bekostiging voor alle VO-scholen gezamenlijk, zodat alle scholen relatief gezien evenveel bijdragen.

Eerste lid: collectief deel

Het bedrag dat op grond van het eerste lid op de bekostiging zal worden ingehouden, is bedoeld om het collectieve deel in het desbetreffende kalenderjaar te financieren. Bij de bepaling van de inhouding wordt per school de volgende formule gehanteerd:

(PI/PL) x (A + B + C + D)

In deze formule wordt verstaan onder:

PI: de personele bekostiging van de desbetreffende school voorzover deze wordt gebaseerd op de formatieplaatsen (fulltime equivalenten).

PL: de personele bekostiging voor alle VO-scholen gezamenlijk voorzover deze wordt gebaseerd op de formatieplaatsen (fulltime equivalenten).

A: het bedrag aan «oude» uitkeringen ontstaan bij de scholen gezamenlijk door ontslagen geëffectueerd voor 1 januari 2007 en van vóór de inwerkingtreding van de bepalingen rondom het PF (de facto 1 augustus 1995).

B: het bedrag aan «oude» uitkeringen ontstaan bij de scholen gezamenlijk door ontslagen geëffectueerd voor 1 januari 2007, vanaf de inwerkingtreding van de bepalingen rondom het PF en waarvoor het PF een positieve instroomtoets heeft afgegeven. Het gaat om de periode tussen 1 augustus 1995 en 1 januari 2007.

C: een percentage van het bedrag aan «nieuwe» uitkeringen ontstaan bij de scholen gezamenlijk door ontslagen geëffectueerd op of na 1 januari 2007; het percentage wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt bij de start 75%. Het is mogelijk om voor de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages vast te stellen.

D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die niet meer bestaat en waarbij er voor het bevoegd gezag van die opgeheven school geen rechtsopvolger bestaat.

Gelet op het BWOO2 (en het BBWO3) kan zich de situatie voordoen dat een voormalig personeelslid op of na 1 januari 2007 geen recht heeft op een nieuwe uitkering, maar dat de oude uitkering «herleeft». De uitkering wordt in een dergelijk geval gerekend tot de «oude» wachtgelduitgaven, met als gevolg dat deze uitkeringen, mits door het PF positief getoetst, volledig voor rekening van het collectief komen.

Vooraf is niet exact aan te geven wat het totale bedrag van het collectieve deel zal zijn. Daarom vindt maandelijks een inhouding plaats met een voorlopig karakter. Deze is gebaseerd op ramingen.De eerste jaren is veel geld nodig voor het collectief; het aantal nieuwe wachtgelders is immers nog gering. Daarna zal de omvang van wachtgelduitkeringen ontstaan voor 1 januari 2007 geleidelijk aan afnemen, terwijl de omvang van wachtgelduitkeringen ontstaan vanaf 1 januari 2007 langzaamaan verder zal toenemen. Dus geleidelijk aan wordt het individueel te dragen deel steeds groter, waardoor de voorlopige inhouding ten behoeve van het collectief te dragen deel lager kan worden.

Na afloop van het desbetreffende kalenderjaar kan op basis van realisatie-gegevens het collectieve deel definitief worden vastgesteld, waarna correctie naar boven of naar beneden zal plaatsvinden indien de voorlopige maandelijkse inhouding afwijkt van de definitieve vaststelling. Als de voorlopige inhouding onvoldoende is geweest, betalen de bevoegde gezagsorganen verhoudingsgewijs een gelijk bedrag bij. En als de voorlopige inhouding te hoog is geweest, ontvangen de bevoegde gezagsorganen verhoudingsgewijs een gelijk bedrag terug.

Tweede lid: individueel deel

Voor de vermindering van de bekostiging op grond van het tweede lid, te weten het individuele deel van de wachtgelduitgaven (een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de totale «nieuwe» wachtgelduitgaven, alsmede 100% van de «oude» wachtgelduitgaven voor zover er geen sprake is van een positieve instroomtoets van het PF) behoeft geen afrekening plaats te vinden. Deze kosten worden periodiek – op basis van de werkelijke kosten – verrekend met het bevoegd gezag.

Voor wat betreft de toerekening en toedeling van de uitkeringen geldt het volgende:

1. Indien de desbetreffende school inmiddels is gefuseerd en onder een nieuw bevoegd gezag ressorteert, wordt het nieuwe bevoegd gezag (de rechtsopvolger) belast.

2. Indien de desbetreffende school inmiddels is gesplitst, blijven de uitkeringskosten in principe verbonden aan de oorspronkelijke school c.q. bevoegd gezag.

3. Indien de desbetreffende school is opgeheven wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast. Indien het desbetreffende bevoegd gezag echter geen VO-school meer onder zijn bestuur heeft, komen de uitkeringen ten laste van het collectief. Dit is in lijn met de wijze van toerekening in de BVE sector, zie bijvoorbeeld artikel 5a.3 («Voorziening bij ontbreken rechtsopvolger») van het Uitvoeringsbesluit WEB, met dien verstande dat in het VO een school op zichzelf niet failliet kan gaan: uitsluitend de achterliggende rechtspersoon (een stichting of vereniging, in het VO is in het bijzonder onderwijs het bevoegd gezag meestal de rechtspersoon) kan in beginsel failliet gaan. Bovendien ontstaat er op deze wijze een prikkel richting het bevoegd gezag – het is immers het bevoegd gezag dat kan besluiten een school op te heffen – om goed na te denken alvorens een school te sluiten, zeker als ten gevolge van die sluiting hoge werkloosheidslasten ontstaan.

Daar waar in de praktijk een andere toerekening en toedeling is gewenst, ga ik er vanuit dat desbetreffende scholen hier onderling uitkomen.

Artikel 15g

De vermindering van de bekostiging op grond van artikel 15g, eerste lid, ten behoeve van het collectieve deel vindt plaats op basis van een systeem van maandelijkse voorlopige inhoudingen op de bekostiging gedurende het desbetreffende kalenderjaar. Hierbij wordt hetzelfde ritme gevolgd als bij de betaling van de personele bekostiging. Zo snel mogelijk na afloop van het jaar vindt definitieve vaststelling en afrekening plaats. Daarbij wordt dezelfde formule gehanteerd die bij de voorlopige inhouding is gebruikt (zie hiervoor). Voor alle onderdelen van deze formule geldt dat de realisatiegegevens van het desbetreffende kalenderjaar bepalend zijn.

Artikel II

Beoogd wordt het besluit op 1 januari 2007 in werking te laten treden, geheel in lijn met de motie van het lid Tichelaar c.s. van 16 maart 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 27 744, nr. 18). Beoogd wordt voorts de gelijktijdige inwerkingtreding van de op de decentralisatie van wachtgelduitgaven betrekking hebbende artikelen en onderdelen van artikelen van de Wet decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven VO (Wet van 12 mei 2005, Stb. 2005, 288) waaronder de wettelijke grondslag voor dit besluit.

Zoals hiervoor reeds aangegeven zullen op grond van artikel 96n, vierde en vijfde lid, van de WVO dit besluit en de eerder genoemde ministeriële regeling worden voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal («voorgehangen») alvorens deze in werking zullen treden. Mijn streven is er op gericht om ook deze ministeriële regeling per 1 januari 2007 in werking te laten treden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2007, nr. 6.

XNoot
1

Regeling toekenning overgangsbudgetten decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven VO, Stc. 2005, 225 (met toelichting).

XNoot
2

Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, Stb. 1994, 100.

XNoot
3

Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, Stb. 2001, 61.

Naar boven