Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2006, 647Wet

Wet van 20 november 2006 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat technische verbeteringen en enige andere wijzigingen in wetgeving op het terrein van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt aan te brengen;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet kinderopvang wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onder c, wordt «Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen» telkens vervangen door «Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen», vervalt «onderdeel m», en wordt in onderdeel i na «of een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen» ingevoegd «of recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet».

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot derde tot en met zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Een ouder die in een berekeningsjaar, na tegenwoordige arbeid te hebben verricht als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, werkloos wordt, en

    a. recht heeft op algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand,

    b. recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IIA of IIB van de Werkloosheidswet, of

    c. als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,

    behoudt gedurende zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding of het verrichten van arbeid in de onderneming van de partner is geëindigd, zijn aanspraak op een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «als hij in een lidstaat woont» vervangen door «indien hij in een andere lidstaat of Zwitserland woont» en wordt «dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i» vervangen door «of een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en

    a. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht,

    b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland,

    c. werkloos wordt als bedoeld in het tweede lid en een uitkering ontvangt als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of

    d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.

Aa

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

  • 1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:

    a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, d, e of h, of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 30, vijfde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars;

    b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder g, j, k of l;

    c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met e, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

    d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

    e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;

    f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht;

    g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.

  • 2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, en, indien hij een partner heeft, zijn partner een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.

  • 3. De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4. Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.

Ab

Artikel 29 komt te luiden:

Artikel 29

  • 1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:

    a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30, vijfde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;

    b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

    c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met e, en gebruik maakt van een in één van die leden bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

    d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder b;

    e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht;

    f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en zijn partner een persoon als bedoeld onder b.

  • 2. Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.

Ac

Na artikel 48 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 48a

  • 1. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van buiten Nederland gevestigde kindercentra of gastouderbureaus worden aangewezen die worden gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra of geregistreerde gastouderbureaus, indien deze kindercentra of gastouderbureaus voldoen aan de in het land van vestiging geldende regels met betrekking tot de kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

  • 2. Artikel 48 is niet van toepassing op kindercentra en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.

B

Aan artikel 57 wordt een zin toegevoegd, luidende: Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 50, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

C

Na artikel 57 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 57a

  • 1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 49, 50, 51 en 56.

  • 2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

D

In artikel 94 wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Een ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner, die na tegenwoordige arbeid te hebben verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, werkloos worden, en die:

    a. recht hebben op algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand,

    b. recht hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk IIA of IIB van de Werkloosheidswet, of

    c. als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden zijn geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,

    hebben gedurende zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding of het verrichten van arbeid in de onderneming van de partner is geëindigd, aanspraak op een extra kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste en tweede lid.

E

Artikel 114 vervalt.

ARTIKEL IA

Indien op grond van artikel 11 van de Wet kinderopvang zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk over het tegemoetkomingsjaar 2005 wordt gedaan, wordt in afwijking van dat artikel die aanvraag als tijdig beschouwd, indien deze is gedaan vóór 1 april 2007 en de aanspraak op de tegemoetkoming uitsluitend bestaat op grond van artikel 6, vierde lid, van de Wet kinderopvang zoals dit artikellid komt te luiden nadat artikel I, onderdeel A, onder 3 en 4, van deze wet is getreden.

ARTIKEL IB

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en enige andere wetten in verband met de invoering van een heffing ter financiering van een werkgeversbijdrage (Kamerstukken II 2005/06, 30 613) tot wet is of wordt verheven, en eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, vervalt artikel I, onderdeel D, van deze wet met ingang van 1 januari 2007.

ARTIKEL II

De Pensioen- en spaarfondsenwet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 2 wordt gewijzigd als volgt:

Het derde lid, onderdeel c, onder 1°, komt te luiden:

1°. of houder is van aandelen die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen, of indirect houder is van aandelen die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen, of houder is van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, en.

B

In artikel 9c, eerste lid, vervalt de komma tussen «Het pensioenfonds» en «stelt».

C

In artikel 10, tweede lid, tweede volzin, vervalt de komma na «risico’s».

D

In artikel 23b, eerste lid, wordt «10b, 17b, 11, eerste en tweede lid» vervangen door: 10b, 11, eerste en tweede lid, 17b.

ARTIKEL III

De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 12, zevende lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 16, eerste lid, onderdeel g, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.

ARTIKEL IV

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt gewijzigd als volgt:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 14, eerste lid, onderdeel g, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.

Aa

In artikel 22a vervalt de aanduiding «1.» voor de bestaande tekst.

B

In artikel 42, eerste lid, onderdeel b, vervalt «gebruik te maken».

C

In artikel 64 wordt «deze wet» vervangen door: de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

D

Artikel 65, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Begunstigde(n) in de verzekeringsovereenkomsten zijn:

    a. voor de ouderdoms- en invaliditeitsvoorzieningen: de deelnemer;

    b. voor de toegezegde weduwen-, weduwnaars- of partnervoorziening al naar gelang van de aard van de voorziening: de deelnemer dan wel diens echtgenoot of partner;

    c. voor de toegezegde wezenvoorziening: de pensioengerechtigde kinderen, een en ander behoudens de artikelen 34 en 42.

E

Artikel 71, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De Nederlandsche Bank N.V. organiseert ten minste een keer per jaar een overleg met belanghebbenden aangaande pensioenen.

F

In artikel 71e, eerste lid, wordt na «tenzij» ingevoegd: het beroepspensioenfonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 22a, onderdeel a, of.

G

In artikel 76, eerste lid, wordt «aanwijzig» vervangen door: aanwijzing.

H

In artikel 82, eerste lid, wordt «aanwijzingen deze» vervangen door: aanwijzingen van deze.

I

Artikel 116 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vierde lid wordt «zijn verplichtgesteld» vervangen door: is verplichtgesteld.

2. Het achttiende lid vervalt.

ARTIKEL V

De Arbeidstijdenwet wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 7:2 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 8:1, tweede, en 10:5, tweede lid, voor zover het betreft de arbeid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt genomen namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

B

In artikel 10:2, tweede lid, onder 2°, wordt «de gedraging» vervangen door: een handelen of nalaten.

ARTIKEL VI

Artikel V van de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet vervalt.

ARTIKEL VII

De Wet arbeid vreemdelingen wordt gewijzigd als volgt:

A

Onder het plaatsen van het cijfer «1.» voor de bestaande tekst, wordt aan artikel 18 een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Als beboetbaar feit wordt tevens aangemerkt het door de werkgever niet naleven van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover het betreft het door de toezichthouder uitoefenen van bevoegdheden ter vaststelling van de identiteit van degene die voor de werkgever arbeid verricht of heeft verricht.

B

In artikel 18a, tweede lid, onder 2°, wordt «de gedraging» vervangen door: een handelen of nalaten.

ARTIKEL VIII

Artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen komt te luiden:

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tweede en vierde lid.

ARTIKEL IX

Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 648 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt in de tweede zin na «een beroep heeft gedaan op het bepaalde in de vorige zin» ingevoegd: of terzake bijstand heeft verleend.

b. Een nieuw lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 5. De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake bijstand heeft verleend.

B

Artikel 649 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt in de eerste zin na «een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1» ingevoegd: of terzake bijstand heeft verleend.

b. Onder vernummering van lid 5 tot lid 6, wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt:

  • 5. De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake bijstand heeft verleend.

c. In het nieuwe zesde lid wordt «leden 1 tot en met 4» vervangen door: leden 1 tot en met 5.

ARTIKEL X

De Ambtenarenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 125g wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt na «een beroep heeft gedaan op het eerste lid» ingevoegd: of terzake bijstand heeft verleend.

b. Toegevoegd wordt een nieuw lid, dat luidt:

  • 4. Het bevoegd gezag mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of terzake bijstand heeft verleend.

B

Artikel 125h wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt na «een beroep heeft gedaan op het eerste lid» ingevoegd: of terzake bijstand heeft verleend.

b. Toegevoegd wordt een nieuw lid, dat luidt:

  • 5. Het bevoegd gezag mag de ambtenaar niet benadelen wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of terzake bijstand heeft verleend.

ARTIKEL XI

In artikel XVI, tweede lid, van de Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten, Stb. 300, wordt «de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie» vervangen door: de Centrale organisatie werk en inkomen, bedoeld in artikel 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

ARTIKEL XIA

Aan artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Onze Minister kan bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van subsidieverstrekking op grond van deze wet gebruik maken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen met het oog op rapportage over en evaluatie van de besteding van subsidie.

  • 5. De subsidie-ontvanger vermeldt bij het verstrekken van persoonsgegevens aan Onze Minister in verband met de besteding van subsidie het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de persoon op wie de persoonsgegevens betrekking hebben.

ARTIKEL XII

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, onder 3 en 4, Aa, Ab en artikel IA.

  • 2. Artikel I, onderdeel A, onder 3 en 4, onderdeel Aa, onderdeel Ab, en artikel IA treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2005.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 20 november 2006

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Uitgegeven de negentiende december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 614